134. Part 134Ticket, tikət, kaartje, biljet, lot, toegangsbewijs, plaatskaartje, lommerdbriefje, etiket, mandaat, gedrukte candidatenlijst bij verkiezingen, stembiljet (Am.): That’s the tick...
74. Part 74Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; Look verb. zien, kijken, zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten, etc.: I don’t like the look of him =...
133. Part 133Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte; adj. dik, dicht, troebel, mistig, onduidelijk, opeengedrongen, snel, overvloedig, intiem; Thick verb. verdikk...
57. Part 57Haul, hôl, subst. haal, trek; Haul verb. halen, trekken, sleepen, den koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich terugtrekken, komen, gaan: The sheets were ha...
52. Part 52Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly give of the trigger =...
56. Part 56Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling, bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider, matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der...
149. Part 149Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Wh...
110. Part 110Run, rɐn, subst. loop, geloop, toeloop, verloop, aanloop, stormloop, uitstapje, vrije toegang, aard, slag, oppositie, vooroordeel, groote navraag, onafgebroken reeks opvoeringen...
94. Part 94Play, plei, subst. spel, vermaak, vrijheid van handeling, ruimte, tooneelstuk, wijze van spelen; Play verb. spelen, in beweging zijn, bespuiten, beschieten, etc.: It was as good...
135. Part 135Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast, dame (of nog algemeener: iemand) op wie gedronken wordt; Toast verb. roosteren, warmen, een dronk instellen, bruin of warm worden:...
147. Part 147Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of water), bronwater, regen, urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten uitgegeven zonder gewaarborgden interest; Wat...
70. Part 70Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag, zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; Lash verb. zweepen, slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, sch...
138. Part 138Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v. olifant), neus, koffer, hoofdlijn (voor spoor of telefoon); bak, koker: Trunks = Trunk-hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen; Tr...
126. Part 126Strait, streit, subst. bergengte, pas, zeestraat (gew. meerv.); moeilijkheid, verlegenheid; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The Straits of Gibraltar = de straat van G.; We...
72. Part 72Lick, lik, subst. lik, dunne laag; inspanning, poging; Lick verb. likken, belikken, afranselen, overwinnen, overtreffen, slaan: To give a lick = belikken; To give a lick and a p...
10. Part 10Bath, bâth, bad, badkuip, badhuis, badplaats, vochtmaat (= 20,2 L.); Bath verb. baden: The Order of the Bath = Bath-orde; Foot-bath; Partial (= Sitting-, Sitz-) bath = zitbad; S...
108. Part 108Right, rait, subst. recht, aanspraak, rechterhand, rechterkant, rechterzijde (in eene wetgevende vergadering); stuk land, aandeel in fabriek of mijn (Amer.); adj. en adv. recht,...
150. Part 150Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken, wikkelen, telkens veranderen; blazen: To wind a call = een commando geven met het bootsmansfluitje; The horn was w...
115. Part 115Set, set, subst. stel, garnituur, servies, span, troep, bende, kliek, kring, ondergang, bouw, houding, snit, partij, stekje, richting (v. getij), vastberaden aanval, etc.; adj....
47. Part 47Floor, flö, subst. vloer, verdieping, bodem, vlak, zittingszaal; Floor verb. bevloeren; neerslaan, tot zwijgen brengen, verslaan: He took the floor last = hij nam het laatst het...
68. Part 68Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan, onderhoud, voer, kost; Keep verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, verv...
117. Part 117Show, šou, subst. vertoon, tentoonstelling, voorkomen, schijn, praal, schouwspel, vertooning; Show verb. toonen, vertoonen, (aan)wijzen, duidelijk maken, bewijzen, onderrichten,...
122. Part 122Spin, spin, subst. het spinnen of draaien, snelle, onafgebroken beweging, snelle rit of loop; Spin verb. spinnen, lang rekken, doen draaien, snel ronddraaien, zich snel voortbew...
43. Part 43Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); Eye verb. beschouwen, aankijken, monsteren: What the eye does not see, the heart does not grieve over; Eyes front!...
125. Part 125Stiff, stif, stijf, onbuigzaam, vasthoudend, hoog, vast, sterk, flink, moeielijk, zwaar; subst. papier, wissel, geld: That is stiff at first = valt eerst niet mee; The arithmeti...
121. Part 121Soul, soul, subst. ziel, hart, geest, verstand, neiging, wezen, moed: He is a good soul = een goeie ziel; The soul of a party = ziel (fig.); Not a soul can hear us = geen scheps...
15. Part 15Box, boks, subst. kist, koffer, doos, geldkistje, kompashuisje, loge, hokje, brievenbus (loket), bank, naafbus (van een wiel), (bad)kamertje, koets- of wagenbok, optrekje, huisj...
131. Part 131Tap, tap, subst. tik; kraan, zwik, tap, drank, gelagkamer, tapperij; Tap verb. zachtjes slaan of tikken, pikken; opensteken, aanbreken, aftappen, doen vloeien, iets uit iemand z...
124. Part 124Star, stâ, subst. ster (ook fig.), sterretje (*); Star verb. met sterren versieren, een stervormige breuk maken of vertoonen, gastvoorstellingen geven: Fixed, Falling, Flying, S...
85. Part 85Obscuration, obskjureiš’n, verduistering, etc; Obscure, əbskjûə, adj. duister, somber, nachtelijk, onbekend; nederig, onduidelijk; Obscure verb. verduisteren, bewolken, verklein...
71. Part 71Leave, lîv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel; Leave verb. nalaten, verlaten, overlaten, heengaan, ophouden: By your leave = met uw verlof; To ask leave = verlof vragen...
82. Part 82Mutineer, mjûtinîə, muiter, oproermaker; Mutinous, mjûtinɐs, muitziek, oproerig; subst. Mutinousness; Mutiny = opstand, oproer, muiterij; Mutiny verb. aan het muiten slaan: To f...
90. Part 90Passion, paš’n, het lijden (vooral het laatste lijden des Heeren), hartstocht, liefde, toorn, smart, geestdrift, vuur: To be in a towering passion = in hevigen toorn ontstoken;...
137. Part 137Trench, trenš, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf; Trench verb. eene sloot of greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken op (on, upon), diep graven of pl...
13. Part 13Blast, blâst, subst. rukwind, harde wind, krachtige luchtstroom; stoot op een hoorn, vernietigende invloed op dieren of planten, pest, vloek, brand (in het koren), trommelzucht...
8. Part 8Authoritative, ôthoritətiv, gemachtigd, gebiedend, autoritair, gezaghebbend; subst. Authoritativeness; Authority, ôthoriti, autoriteit, aanzien, gewicht, invloed; gezag, man van...
31. Part 31Dash, daš, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, élan, kranigheid, bezieling, geestkracht, streepje (–), drupje; Dash verb. stooten, slaan, te pletter slaan, bespa...
54. Part 54Grease, grîs, subst. vet, smeer, kanen; Grease verb. grîz, grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen: In the grease = ongezuiverd; We shall let him stew in his own grease = in zijn eig...
38. Part 38Dutiful, djûtiful, eerbiedig, gehoorzaam; subst. Dutifulness; Duty, djûti, plicht, gehoorzaamheid, dienst; belasting, accijnzen, in- en uitvoerrechten: When will he enter upon h...
19. Part 19Carriage, karidž, subst. rijtuig, wagon; affuit; vervoer; vrachtprijs; last, gedrag, houding, leiding, geraamte (van wagens): Carriage-builder; Carriage-clock = reisklokje; Carr...
16. Part 16Bristle, bris’l, subst. borstel; Bristle verb. de haren overeind zetten, overeind gaan staan, opvliegen, boos worden, vol zijn van, vol liggen met: To set up a person’s bristles...
129. Part 129Sustain, səstein, dragen, ondersteunen, schragen, volhouden, handhaven, lijden, dragen, helpen, bijstaan, onderhouden, verdedigen, beweren, aanhouden, verdragen: To sustain auth...
111. Part 111Salt, sôlt, subst. zout, zoutvaatje, geestigheid, vernuft, matroos; adj. zout, gezouten, scherp, gepeperd (fig.); Salt verb. zouten, pekelen: Common (Culinary) salt = keukenzout...
49. Part 49Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig, oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; Free verb. bevrijden, verlossen, uithooze...
50. Part 50Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong, ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; Fur verb. met bont voeren of afzetten, beslaan (van de...
9. Part 9Balance, bal’ns, subst. balans, schaal, evenwicht, Weegschaal (Dierenriem); onrust, saldo; Balance verb. wegen, balanceeren, in evenwicht brengen (houden, zijn), gelijk maken, o...
143. Part 143Urge, ɐ̂dž, voortdrijven, aandringen, ernstig verzoeken, aansporen, nadruk leggen op, bewijzen bijbrengen: Allow me to urge the necessity of the inquiry = op de noodzakelijkheid...
86. Part 86On, on, op, van, naar, tot, te: To be on = in behandeling (rechtszaak) zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get on = aantrekken; To go on one’s way = voortg...
97. Part 97Preparation, prepəreiš’n, voorbereiding, voorbereidsel, huiswerk (verkort: Prep.); Preparative, priparətiv, subst. en adj. voorbereidend(e maatregel); Preparator; Preparatory, p...
103. Part 103Read, rîd; Imp. en P.P. red, lezen, aflezen, uitleggen, raden, doorzien, studeeren, luiden: They could not read the clock = op de klok zien; To read futurity = in de toekomst le...
45. Part 45Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven, bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I fetched him from behind = greep hem van achte...
24. Part 24Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren, afloopen: Come, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; Come, come, hope for the best = kom, kom,...
35. Part 35Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling, schikking, controle, beschikking: I am at your disposal = tot uw dienst, te uwer beschikking; The disposal i...
78. Part 78Meet, mît, subst. bijeenkomst (van sportlui); rendez-vous voor sportlui, de gezamenlijke sportlui; adj. geschikt, gepast; Meet verb. ontmoeten, tegenkomen, tegemoet komen, bijee...
106. Part 106Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; Repose verb. uitrusten, slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op: To take repose = rust nemen; To repose...
28. Part 28Countenance, kauntən’ns, gelaat, uitzicht, blik, gezicht; gunst, steun, aanmoediging; Countenance verb. steunen, begunstigen: The church gave countenance to the party = steunde;...
89. Part 89Paper, peipə, subst. papier, blad, zak(je), verhandeling, opstel, document, courant, geldswaardig papier, papillottenpapier, behangselpapier, (personen met) vrijbiljetten; ook a...
109. Part 109Root, rût, subst. wortel, stam, grondtoon (van eene snaar), oorsprong, bron; Root verb. doen wortelen, wortel schieten; wroeten, omwroeten, ontwortelen: Extract the root out of...
128. Part 128Sum, sɐm, subst. som, geheel, bedrag, inhoud, rekenvoorstel, toppunt; Sum verb. optellen, opsommen, resumeeren (up): Gross (Round) sum = ronde; The civil engineer’s advances are...
29. Part 29Crest, krest, subst. kam, kuif, manen, helmpluim of -teeken, wapen, kroon, kruin, trots, hoogmoed; Crest verb. van een kam of pluim voorzien, kuiven, den top bereiken: Crested =...
96. Part 96Pot, pot, pot, bloempot, kan die een quart inhoudt, formaat papier (31 × 37½ cM.), groote som (inzet); Pot verb. in potten zetten of planten, inmaken of inleggen, parodieeren, (...
80. Part 80Mitral, maitrəl, als een mijter: Mitral valve = hartklep; Mitre, maitə, subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°, schoorsteenkap; Mitre verb. met een...
61. Part 61Humour, (h)jûmə, subst. vocht, vochtigheid; temperament, stemming, luim, gril, humor; Humour verb. believen, toegeven: In good humour = goed geluimd; I am out of humour with mys...
51. Part 51Gather, gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, ploo...
146. Part 146Walk, wôk, subst. wandeling, gang, pas, wandelplaats, laan, weg, baan, kring, tak, branche; Walk verb. gaan, loopen, wandelen, betreden, slaapwandelen, spoken, doen wandelen of...
95. Part 95Pole, poul, pool, paal, stang, dissel, stok, pols, uiterste punt; 5½ yard; Pole verb. staken zetten bij, voortboomen, beschoeien, inpompen; Pole-ax(e), subst. hellebaard, enterb...
107. Part 107Retiracy, ritairəsi, afzondering, voldoend vermogen (Amer.); Retiral, ritair’l, terugtocht, ontslag; inlossing van een wissel; Retire, ritaiə, (zich) terugtrekken, verwijderen,...
127. Part 127Stupefacient, stjûpifeiš’nt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend (middel); Stupefaction, stjûpifakš’n, subst. bedwelming, verdooving, gevoelloosheid, verbluftheid; Stupefact...
40. Part 40Energetic (= Energetical), enədžetik, krachtig; Energetics, enədžetiks, de leer van het arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig, werkzaam; Energize, krachtig werken...
104. Part 104Recruit, rikrût, subst. rekruut, nieuweling; aanvulling; Recruit verb. recruteeren, versterken, herstellen, met nieuwe kracht bezielen, weer op krachten komen: Will you recruit...
48. Part 48Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis, wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls Forces); Force verb. dwingen, noodzaken, overweldigen, verkrachten, forceer...
41. Part 41Escape, əskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, vlucht, ontwijking, ontduiking, reddingtoestel; Escape verb. ontsnappen, ontkomen, vrijkomen; ontvallen, uitstroomen, ontgaan: We...
73. Part 73List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde (van een schip), verzakking, verlangen; List verb. op eene lijst plaatsen, werven, een rand of zelfkant maken...
93. Part 93Pin, pin, subst. speld, pin, kegel, bout, kleinigheid, stemming; Pin verb. met eene speld, pin of een bout vastmaken, vasthouden, spelden, insluiten: There is not a pin to choos...
152. Part 152Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding, beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk, onrechtmatig; Wrong verb. verongelijken, onrecht aandoen,...
62. Part 62Imitability, imitəbiliti, navolgbaarheid; Imitable, imitəb’l, navolgbaar; Imitate, imiteit, nabootsen, navolgen; Imitation, imiteiš’n, navolging, nabootsing; ook adj.: In imitat...
65. Part 65Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel, gereedschap, stuk, document, oorkonde; Instrument verb. instrument, instrumenteeren; Instrumental, instrument’l,...
114. Part 114Sell, sel, subst. bedrog, beetnemerij; Sell verb. verkoopen, handelen, aftrek vinden, verkocht worden; bedriegen, beetnemen: An awful (No end of a) sell = een gemeene beetnemeri...
141. Part 141Union, jûnj’n, vereeniging, verbond, eenheid, eendracht, twee of meer kerspelen tot één vereenigd ter uitvoering van de armenwet, arbeiders- of werkmansvereeniging, werkhuis van...