Category: Language & Communication

Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

1. Het — in den tekst staat in de plaats van het hoofdwoord; zoo een gedeelte hiervan tusschen haakjes staat, wordt dit laatste niet begrepen in het —. Voorbeeld: Acoustic(al); —-duct; het — in —-duct staat daarom alléén in plaats van Acoustic, dus van het niet tusschen haakje...

Chapters

134. Part 134

Ticket, tikət, kaartje, biljet, lot, toegangsbewijs, plaatskaartje, lommerdbriefje, etiket, mandaat, gedrukte candidatenlijst bij verkiezingen, stembiljet (Am.): That’s the tick...

74. Part 74

Look, luk, subst. blik, gelaat, uitdrukking; Look verb. zien, kijken, zoeken, toezien, zorgen, er uit zien, ’t uitzicht hebben, verwachten, etc.: I don’t like the look of him =...

130. Part 130

System, sist’m, stelsel, systeem, formatie: Planetary system = planetenstelsel; System of railways = spoorwegnet; Nervous system = zenuwstelsel; It was reduced to a system by a...

151. Part 151

Wool, wul, wol, bont: Great (Much) cry and little wool = veel geschreeuw en weinig wol = More squeak than wool; To draw (pull) the wool over a person’s eyes = iemand zand in de...

1. Part 1

1. Het — in den tekst staat in de plaats van het hoofdwoord; zoo een gedeelte hiervan tusschen haakjes staat, wordt dit laatste niet begrepen in het —. Voorbeeld: Acoustic(al);...

133. Part 133

Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte; adj. dik, dicht, troebel, mistig, onduidelijk, opeengedrongen, snel, overvloedig, intiem; Thick verb. verdikk...

57. Part 57

Haul, hôl, subst. haal, trek; Haul verb. halen, trekken, sleepen, den koers van een schip veranderen, veranderen van richting, zich terugtrekken, komen, gaan: The sheets were ha...

100. Part 100

Punish, pɐniš, straffen, kastijden, pijn doen, toetakelen, geducht aanspreken (v. een flesch): The big pugilist was severely punished = verschrikkelijk toegetakeld; Punishable =...

52. Part 52

Give, giv, verb. geven, schenken, verleenen, overhandigen, mededeelen, veroorloven, blootstellen, meegeven, zakken, wijken; subst. het meegeven: The kindly give of the trigger =...

56. Part 56

Hand, hand, subst. hand, handvol, handvat, wijzer, handeling, bekwaamheid, acte; deel, zijde, kant, werkman, fabrieksarbeider, matroos, ingewijde; schrift, spel kaarten, een der...

149. Part 149

Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Wh...

110. Part 110

Run, rɐn, subst. loop, geloop, toeloop, verloop, aanloop, stormloop, uitstapje, vrije toegang, aard, slag, oppositie, vooroordeel, groote navraag, onafgebroken reeks opvoeringen...

94. Part 94

Play, plei, subst. spel, vermaak, vrijheid van handeling, ruimte, tooneelstuk, wijze van spelen; Play verb. spelen, in beweging zijn, bespuiten, beschieten, etc.: It was as good...

135. Part 135

Toast, toust, subst. geroosterd brood, toast, dame (of nog algemeener: iemand) op wie gedronken wordt; Toast verb. roosteren, warmen, een dronk instellen, bruin of warm worden:...

147. Part 147

Water, wôtə, subst. water, watervlak (= Piece of water), bronwater, regen, urine, zee, rivier, glans van diamant of parel, effecten uitgegeven zonder gewaarborgden interest; Wat...

70. Part 70

Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag, zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; Lash verb. zweepen, slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, sch...

138. Part 138

Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v. olifant), neus, koffer, hoofdlijn (voor spoor of telefoon); bak, koker: Trunks = Trunk-hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen; Tr...

126. Part 126

Strait, streit, subst. bergengte, pas, zeestraat (gew. meerv.); moeilijkheid, verlegenheid; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The Straits of Gibraltar = de straat van G.; We...

72. Part 72

Lick, lik, subst. lik, dunne laag; inspanning, poging; Lick verb. likken, belikken, afranselen, overwinnen, overtreffen, slaan: To give a lick = belikken; To give a lick and a p...

10. Part 10

Bath, bâth, bad, badkuip, badhuis, badplaats, vochtmaat (= 20,2 L.); Bath verb. baden: The Order of the Bath = Bath-orde; Foot-bath; Partial (= Sitting-, Sitz-) bath = zitbad; S...

119. Part 119

Slice, slais, subst. sneetje, schijfje; vischlepel (= Fish-slice), spatel, vuurschop; Slice verb. in dunne sneden snijden: A slice of bread and butter = boterham; They had their...

116. Part 116

Sheep, šîp, schaap, schapen (ook fig.): Wolf in sheep’s clothing; Sheep’s-eye = bedeesde, verliefde blik, lonk, “oogje”: She has been casting sheep’s-eyes at him many a day = to...

108. Part 108

Right, rait, subst. recht, aanspraak, rechterhand, rechterkant, rechterzijde (in eene wetgevende vergadering); stuk land, aandeel in fabriek of mijn (Amer.); adj. en adv. recht,...

150. Part 150

Wind, waind, winden, draaien, rollen, kronkelen, krom trekken, wikkelen, telkens veranderen; blazen: To wind a call = een commando geven met het bootsmansfluitje; The horn was w...

118. Part 118

Sing, siŋ, zingen, bezingen: He sings out of tune, out of time = hij is van de wijs, is uit de maat; To sing small = zoete broodjes bakken; I sing the glories of summer = bezing...

115. Part 115

Set, set, subst. stel, garnituur, servies, span, troep, bende, kliek, kring, ondergang, bouw, houding, snit, partij, stekje, richting (v. getij), vastberaden aanval, etc.; adj....

11. Part 11

Behave, biheiv, zich gedragen: To behave oneself = zich (netjes) gedragen, zoet zijn: If you are pretty behaved = zoet bent; Behaviour, biheivjə, gedrag, optreden: To put a pers...

84. Part 84

None, nɐn, subst. en pron. niemand, niets; adj. geen: None of your cheek here = hou je brutalen mond thuis; None the less = niettemin; He is none so young either = ook zoo jong...

59. Part 59

Hip, hip, subst. heup; graatspar of hoekkeper van een tentdak; bottel van de hondsroos; Hips = zwaarmoedigheid; To catch on the hip = in de macht krijgen; To have on the hip = i...

47. Part 47

Floor, flö, subst. vloer, verdieping, bodem, vlak, zittingszaal; Floor verb. bevloeren; neerslaan, tot zwijgen brengen, verslaan: He took the floor last = hij nam het laatst het...

87. Part 87

Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each other, One another = elkander; Have another cigar = neem nog eene sigaar; The other day = onlangs; Every other day = om den anderen dag; The...

123. Part 123

Squall, skwôl, subst. bui, windvlaag, gil; Squall verb. stormen, gillen: You may look out for squalls = moogt op uw hoede zijn; Squaller = giller, gillend kind; Squally = storma...

148. Part 148

Week, wîk, week: Will you come a week from Sunday = Zondag over eene week; Next week, Last week = aanstaande, verleden week; The last week = de laatste week; The next week = de...

68. Part 68

Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan, onderhoud, voer, kost; Keep verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, verv...

120. Part 120

Snig, snig, kleine aal; Sniggle, aalvangen met het aas op een naald, die vastgemaakt is aan een lijn, en die met een kort stokje in de gaten gestoken wordt, waar men aal denkt t...

117. Part 117

Show, šou, subst. vertoon, tentoonstelling, voorkomen, schijn, praal, schouwspel, vertooning; Show verb. toonen, vertoonen, (aan)wijzen, duidelijk maken, bewijzen, onderrichten,...

102. Part 102

Raffle, raf’l, subst. loterij, verloting; Raffle verb. verloten, loten om: The doll was put up in (put up to) a raffle = werd verloot; You enticed me into raffling for that arti...

122. Part 122

Spin, spin, subst. het spinnen of draaien, snelle, onafgebroken beweging, snelle rit of loop; Spin verb. spinnen, lang rekken, doen draaien, snel ronddraaien, zich snel voortbew...

43. Part 43

Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); Eye verb. beschouwen, aankijken, monsteren: What the eye does not see, the heart does not grieve over; Eyes front!...

17. Part 17

Burnt, bɐ̂nt, brandde, gebrand; opgewonden; beetgenomen (Amer.): A burnt child dreads the fire = een ezel stoot zich geen tweemaal aan denzelfden steen; Burnt-ear = roest (plant...

125. Part 125

Stiff, stif, stijf, onbuigzaam, vasthoudend, hoog, vast, sterk, flink, moeielijk, zwaar; subst. papier, wissel, geld: That is stiff at first = valt eerst niet mee; The arithmeti...

101. Part 101

Qualm, kwâm, kwôm, misselijkheid, plotselinge ongesteldheid, onaangenaam gevoel, gewetensbezwaar of wroeging: He had no qualms (of conscience) about the life he had entered upon...

121. Part 121

Soul, soul, subst. ziel, hart, geest, verstand, neiging, wezen, moed: He is a good soul = een goeie ziel; The soul of a party = ziel (fig.); Not a soul can hear us = geen scheps...

15. Part 15

Box, boks, subst. kist, koffer, doos, geldkistje, kompashuisje, loge, hokje, brievenbus (loket), bank, naafbus (van een wiel), (bad)kamertje, koets- of wagenbok, optrekje, huisj...

75. Part 75

Lutation, l(j)uteiš’n, luteering; Lute, l(j)ût, subst. luit; kleefdeeg, kit; gummiring; Lute verb. op de luit spelen; met kleefdeeg dicht maken, luteeren: A rift in the lute = e...

131. Part 131

Tap, tap, subst. tik; kraan, zwik, tap, drank, gelagkamer, tapperij; Tap verb. zachtjes slaan of tikken, pikken; opensteken, aanbreken, aftappen, doen vloeien, iets uit iemand z...

14. Part 14

Bog, bog, subst. moeras, poel, veen(plas); Bog verb. dompelen of zinken in modder; Bog-bean = waterklaver; Bog-butter = harsachtige stof in venen; Bog(-house) = privaat; Bog-rus...

124. Part 124

Star, stâ, subst. ster (ook fig.), sterretje (*); Star verb. met sterren versieren, een stervormige breuk maken of vertoonen, gastvoorstellingen geven: Fixed, Falling, Flying, S...

85. Part 85

Obscuration, obskjureiš’n, verduistering, etc; Obscure, əbskjûə, adj. duister, somber, nachtelijk, onbekend; nederig, onduidelijk; Obscure verb. verduisteren, bewolken, verklein...

71. Part 71

Leave, lîv, subst. verlof, vrijheid, afscheid, vaarwel; Leave verb. nalaten, verlaten, overlaten, heengaan, ophouden: By your leave = met uw verlof; To ask leave = verlof vragen...

82. Part 82

Mutineer, mjûtinîə, muiter, oproermaker; Mutinous, mjûtinɐs, muitziek, oproerig; subst. Mutinousness; Mutiny = opstand, oproer, muiterij; Mutiny verb. aan het muiten slaan: To f...

90. Part 90

Passion, paš’n, het lijden (vooral het laatste lijden des Heeren), hartstocht, liefde, toorn, smart, geestdrift, vuur: To be in a towering passion = in hevigen toorn ontstoken;...

30. Part 30

Curb, kɐ̂b, subst. trens (aan een paardetoom), kinketting (= Curb-chain); trottoirband (= Curbstone); spat (bij paarden); beperking, dwang; Curb verb. beperken, bedwingen, leide...

60. Part 60

Hood, hud, subst. kap, capuchon, kapvormige plooi van eene universiteitstoga, kap (van een rijtuig); peperhuisje, kap (van een schoorsteen) enz.; Hood verb. van een kap voorzien...

3. Part 3

Adopt, ədopt, (als kind) aannemen; aanwenden, zich bedienen van: You adopt a disagreeable tone to me = ge permitteert u; Adoptable = aanneembaar; Adopted = aangenomen; genatural...

44. Part 44

Far, fâ, ver, afgelegen, zeer, groot: That does not go very far = daar komen we niet ver mee; This cocoa is best and goes farthest = en is het voordeeligst in het gebruik; We ha...

137. Part 137

Trench, trenš, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf; Trench verb. eene sloot of greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken op (on, upon), diep graven of pl...

13. Part 13

Blast, blâst, subst. rukwind, harde wind, krachtige luchtstroom; stoot op een hoorn, vernietigende invloed op dieren of planten, pest, vloek, brand (in het koren), trommelzucht...

37. Part 37

Dredge, dredž, subst. dreg, sleepnet, baggermachine; mengsel van haver en gerst; Dredge verb. met eene dreg of een sleepnet ophalen, uitbaggeren; meel strooien op; Dredger = dre...

36. Part 36

Dolphin, dolfin, dolfijn; dolfijnvormig oor (van kanon of mortier), ducdalf, meerboei: He felt as much out of his element as a dolphin in a sentry-box = als een visch, die op he...

145. Part 145

Visit, vizit, subst. bezoek, visitatie; Visit verb. bezoeken, inspecteeren, straffen, betaald zetten: A domiciliary visit = huiszoeking; I was on a visit there = op bezoek; He m...

69. Part 69

Know, nou, kennen, verstaan, weten, begrijpen, vernemen: He knows it like A B C = kent het op zijn duimpje = He knows it from A. to Z.; I do not know how to do this problem = we...

8. Part 8

Authoritative, ôthoritətiv, gemachtigd, gebiedend, autoritair, gezaghebbend; subst. Authoritativeness; Authority, ôthoriti, autoriteit, aanzien, gewicht, invloed; gezag, man van...

31. Part 31

Dash, daš, subst. slag, schok, stoot, aanval, vlugge beweging, élan, kranigheid, bezieling, geestkracht, streepje (–), drupje; Dash verb. stooten, slaan, te pletter slaan, bespa...

54. Part 54

Grease, grîs, subst. vet, smeer, kanen; Grease verb. grîz, grîs, (be)smeren, olieën, omkoopen: In the grease = ongezuiverd; We shall let him stew in his own grease = in zijn eig...

83. Part 83

Neglect, niglekt, subst. verzuim, verwaarloozing, zorgeloosheid; Neglect verb. verzuimen, verwaarloozen, over het hoofd zien: I did it in neglect = uit achteloosheid; He studied...

12. Part 12

Bias, baiəs, subst. eenzijdige verzwaring van den bal (bij Bowling); schuine loop of snede; neiging, vooroordeel, voorliefde; adj. schuin, diagonaal; Bias verb. doen overhellen...

113. Part 113

Scuttle, skɐt’l, subst. breede ondiepe mand, kolenbak, luik; vlugge tred, hardloop; Scuttle verb. vlug loopen, rennen; gaten boren in bodem of zijde van een schip om het te doen...

38. Part 38

Dutiful, djûtiful, eerbiedig, gehoorzaam; subst. Dutifulness; Duty, djûti, plicht, gehoorzaamheid, dienst; belasting, accijnzen, in- en uitvoerrechten: When will he enter upon h...

19. Part 19

Carriage, karidž, subst. rijtuig, wagon; affuit; vervoer; vrachtprijs; last, gedrag, houding, leiding, geraamte (van wagens): Carriage-builder; Carriage-clock = reisklokje; Carr...

16. Part 16

Bristle, bris’l, subst. borstel; Bristle verb. de haren overeind zetten, overeind gaan staan, opvliegen, boos worden, vol zijn van, vol liggen met: To set up a person’s bristles...

105. Part 105

Rein, rein, subst. teugel, bestuur; Rein verb. besturen, beteugelen, zich laten besturen: To draw rein = inhouden, stilhouden; He gave the reins to his folly = liet den vrijen l...

22. Part 22

Civil, sivil, burger—, civiel, beschaafd, beleefd: Doing the civil to = beleefd zijn tegen; Civil death = verlies der burgerschapsrechten, afsterven van de wereld; Civil-enginee...

129. Part 129

Sustain, səstein, dragen, ondersteunen, schragen, volhouden, handhaven, lijden, dragen, helpen, bijstaan, onderhouden, verdedigen, beweren, aanhouden, verdragen: To sustain auth...

111. Part 111

Salt, sôlt, subst. zout, zoutvaatje, geestigheid, vernuft, matroos; adj. zout, gezouten, scherp, gepeperd (fig.); Salt verb. zouten, pekelen: Common (Culinary) salt = keukenzout...

49. Part 49

Free, frî, adj. vrij, toegankelijk, onbelemmerd, gratis, vrijwillig, oprecht, mededeelzaam, mild, toegelaten (tot een gilde b.v.), los; Free verb. bevrijden, verlossen, uithooze...

50. Part 50

Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong, ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; Fur verb. met bont voeren of afzetten, beslaan (van de...

53. Part 53

God, god, God: Come from God knew where; So help me God! (eedsformulier); Would to God = God gave! The gods = (de lui van) het “schellinkje” (in een schouwburg); Godchild = pete...

58. Part 58

Heft, heft, gewicht, handvat, poging, grootste deel (Amer.); woning, verblijf (Schotl.); Heft verb. optillen om het gewicht te bepalen; gewoon worden aan (Schotl.): A Part-hefte...

112. Part 112

Scarce, skêəs, schaarsch, zeldzaam: To be scarce of money = slecht bij kas; Make yourself scarce, before I make you scarcer = ga heen, vóór ik je er uitgooi; Scarcely, nauwelijk...

9. Part 9

Balance, bal’ns, subst. balans, schaal, evenwicht, Weegschaal (Dierenriem); onrust, saldo; Balance verb. wegen, balanceeren, in evenwicht brengen (houden, zijn), gelijk maken, o...

132. Part 132

Tenacious, təneišəs, vasthoudend, sterk, hardnekkig, kleverig, taai: He has got a tenacious memory = sterk geheugen; He is tenacious of whatever he gets = houdt vast; To be tena...

143. Part 143

Urge, ɐ̂dž, voortdrijven, aandringen, ernstig verzoeken, aansporen, nadruk leggen op, bewijzen bijbrengen: Allow me to urge the necessity of the inquiry = op de noodzakelijkheid...

81. Part 81

Most, moust, subst. meeste, grootste; adj. meest, grootst; adv. zeer: At (the) most = op zijn meest, hoogstens; The Most High = de Allerhoogste; For the most part = meerendeels;...

46. Part 46

First, fɐ̂st, eerste, voornaamste: This was the first I had heard of it = de eerste maal dat; To be first with a person = iemand vóór zijn; First come first served = die ’t eers...

86. Part 86

On, on, op, van, naar, tot, te: To be on = in behandeling (rechtszaak) zijn, aan den gang zijn, aan beurt zijn; dronken zijn; To get on = aantrekken; To go on one’s way = voortg...

97. Part 97

Preparation, prepəreiš’n, voorbereiding, voorbereidsel, huiswerk (verkort: Prep.); Preparative, priparətiv, subst. en adj. voorbereidend(e maatregel); Preparator; Preparatory, p...

67. Part 67

Jew, džû, Jood; Jew-baiting = jodenvervolging; Jew’s-eye, Jewess’-eye = iets van groote waarde; Jew’s harp, (Jew’s trump) = mondharp; Jew’s poker = “sjabbesgojje”, een Christen...

103. Part 103

Read, rîd; Imp. en P.P. red, lezen, aflezen, uitleggen, raden, doorzien, studeeren, luiden: They could not read the clock = op de klok zien; To read futurity = in de toekomst le...

45. Part 45

Fetch, fetš, halen, trekken, behalen, opbrengen, maken, doen, geven, bereiken; subst. kunstgreep, list, dubbelganger, strikvraag: I fetched him from behind = greep hem van achte...

76. Part 76

Malice, malis, boosaardigheid, haat, vijandigheid: He did it of malice prepense (malice aforethought) = met voorbedachten rade; He bears no malice = is niet haatdragend; To bear...

88. Part 88

Own, oun, adj. eigen; Own verb. bezitten: Every one for his own = ieder voor zich; He has a house of his own = een eigen huis; A dear little clock of my very own = heelemaal van...

24. Part 24

Come, kɐm, komen, naderen, aankomen, verschijnen, uitbotten, gebeuren, afloopen: Come, that’s satisfactory = komaan, dat is plezierig; Come, come, hope for the best = kom, kom,...

4. Part 4

Alien, eilj’n, vreemd, buitenlandsch, in strijd met (to); subst. vreemdeling, iemand niet in het bezit der burgerschapsrechten; Alien-Act = vreemdelingenwet; Alienability = verv...

35. Part 35

Disposable, dispouzəb’l, beschikbaar; Disposal, dispouz’l, regeling, schikking, controle, beschikking: I am at your disposal = tot uw dienst, te uwer beschikking; The disposal i...

79. Part 79

Milk, milk, subst. melk, zog, sap; Milk verb. melken, melk geven: There’s no help for (It’s no use crying over) spilt milk = gedane zaken nemen geen keer; To take in with the mo...

78. Part 78

Meet, mît, subst. bijeenkomst (van sportlui); rendez-vous voor sportlui, de gezamenlijke sportlui; adj. geschikt, gepast; Meet verb. ontmoeten, tegenkomen, tegemoet komen, bijee...

106. Part 106

Repose, ripouz, subst. rust, kalmte, slaap, gemoedsrust, stilte; Repose verb. uitrusten, slapen, berusten, zich verlaten of vertrouwen op: To take repose = rust nemen; To repose...

28. Part 28

Countenance, kauntən’ns, gelaat, uitzicht, blik, gezicht; gunst, steun, aanmoediging; Countenance verb. steunen, begunstigen: The church gave countenance to the party = steunde;...

89. Part 89

Paper, peipə, subst. papier, blad, zak(je), verhandeling, opstel, document, courant, geldswaardig papier, papillottenpapier, behangselpapier, (personen met) vrijbiljetten; ook a...

99. Part 99

Prorogation, prourəgeiš’n, verdaging; Prorogue, prəroug, uitstellen, verdagen, sluiten van de zittingen der wetgevende macht: The Second Chamber was prorogued by the Home Minist...

109. Part 109

Root, rût, subst. wortel, stam, grondtoon (van eene snaar), oorsprong, bron; Root verb. doen wortelen, wortel schieten; wroeten, omwroeten, ontwortelen: Extract the root out of...

144. Part 144

Venetian, vinîš’n, Venetiaansch; subst. Venetiaan, jaloezie (= Venetian blind); Venetian boat = gondel; Venetian chalk = talkpoeder; Venetian door = deur met langwerpige ruiten...

128. Part 128

Sum, sɐm, subst. som, geheel, bedrag, inhoud, rekenvoorstel, toppunt; Sum verb. optellen, opsommen, resumeeren (up): Gross (Round) sum = ronde; The civil engineer’s advances are...

29. Part 29

Crest, krest, subst. kam, kuif, manen, helmpluim of -teeken, wapen, kroon, kruin, trots, hoogmoed; Crest verb. van een kam of pluim voorzien, kuiven, den top bereiken: Crested =...

20. Part 20

Censor, sensə, censor, zedemeester, kunstrechter; Censorship = ambt van censor; censuur; Censorial, Censorious = berispend; Censoriousness = vitzucht; Censurable = berispelijk,...

96. Part 96

Pot, pot, pot, bloempot, kan die een quart inhoudt, formaat papier (31 × 37½ cM.), groote som (inzet); Pot verb. in potten zetten of planten, inmaken of inleggen, parodieeren, (...

77. Part 77

Martyr, mâtə, subst. martelaar; Martyr verb. den marteldood doen sterven, martelen: I’m quite a martyr to the gout = lijd verschrikkelijk aan; Martyrdom = martelaarschap; Martyr...

80. Part 80

Mitral, maitrəl, als een mijter: Mitral valve = hartklep; Mitre, maitə, subst. (bisschops)mijter, waardigheid van een bisschop, hoek van 45°, schoorsteenkap; Mitre verb. met een...

61. Part 61

Humour, (h)jûmə, subst. vocht, vochtigheid; temperament, stemming, luim, gril, humor; Humour verb. believen, toegeven: In good humour = goed geluimd; I am out of humour with mys...

51. Part 51

Gather, gadhə, vereenigen, vergaderen, samenbrengen, plukken, ophoopen, plooien, oogsten, rijp worden, zich verzamelen, samentrekken, grooter worden; afleiden; subst. vouw, ploo...

7. Part 7

Ash, aš, subst. asch: Cigar (pipe, tobacco) ash; Volcanic ash(es); Ashes = asch (ook fig.): Peace to his ashes; To lay in ashes; Sitting in dust and ashes; Pale as ashes = Ashen...

66. Part 66

Involve, involv, inwikkelen, omringen, ingewikkeld en moeilijk begrijpelijk maken, verwarren: I don’t like roundabout phrases and involved constructions = ingewikkelden zinsbouw...

146. Part 146

Walk, wôk, subst. wandeling, gang, pas, wandelplaats, laan, weg, baan, kring, tak, branche; Walk verb. gaan, loopen, wandelen, betreden, slaapwandelen, spoken, doen wandelen of...

5. Part 5

Anchor, aŋkə, subst. anker; Anchor verb. ankeren, rusten: I had an anchor to windward = nog iets achter de hand, in reserve; To be at anchor (= To ride at anchor) = voor anker l...

95. Part 95

Pole, poul, pool, paal, stang, dissel, stok, pols, uiterste punt; 5½ yard; Pole verb. staken zetten bij, voortboomen, beschoeien, inpompen; Pole-ax(e), subst. hellebaard, enterb...

18. Part 18

Calm, kâm; subst. kalmte, windstilte; adj. kalm, rustig, gelaten; Calm verb. stillen, doen bedaren, stil worden: The wind fell a dead calm = het werd bladstil; Calms = streek de...

107. Part 107

Retiracy, ritairəsi, afzondering, voldoend vermogen (Amer.); Retiral, ritair’l, terugtocht, ontslag; inlossing van een wissel; Retire, ritaiə, (zich) terugtrekken, verwijderen,...

127. Part 127

Stupefacient, stjûpifeiš’nt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend (middel); Stupefaction, stjûpifakš’n, subst. bedwelming, verdooving, gevoelloosheid, verbluftheid; Stupefact...

142. Part 142

Unseasonable, ɐnsîzənəb’l, ontijdig, niet van pas, ongelegen, ongeschikt: At an unseasonable time of night = laat in den nacht; subst. Unseasonableness; Unseasoned = niet toeber...

98. Part 98

Privilege, privilidž, subst. voorrecht, recht; Privilege verb. vrijstellen, bevoorrechten, machtigen: Breach of privilege = schennis van de rechten van een zedelijk lichaam, zoo...

27. Part 27

Cook, kuk, subst. keukenmeid, kok; Cook verb. koken, bereiden, een geflatteerde balans maken, vervalschen: Too many cooks spoil the broth = te veel koks bederven de brij; To coo...

40. Part 40

Energetic (= Energetical), enədžetik, krachtig; Energetics, enədžetiks, de leer van het arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig, werkzaam; Energize, krachtig werken...

39. Part 39

Elbow, elbou, elleboog, bocht, hoek; Elbow verb. met de ellebogen duwen; bochten: I am at your elbow = vlak bij u; He is out at elbow(s) = hij is in slechten doen; hij zit met z...

92. Part 92

Petty, peti, klein, gering, onbeteekenend; Petty-beg office = een (opgeheven) bureau aan het vroegere High Court of Chancery; Petty jury = de jury (12 leden) waarnaar de zaak ve...

21. Part 21

Cherry, tšeri, subst. kers; adj. kerskleurig; van kersehout: Bob cherry = spelletje waarbij men een kers, waarvan men den steel tusschen de lippen neemt, zonder er met de handen...

104. Part 104

Recruit, rikrût, subst. rekruut, nieuweling; aanvulling; Recruit verb. recruteeren, versterken, herstellen, met nieuwe kracht bezielen, weer op krachten komen: Will you recruit...

6. Part 6

Appetite, apətait, eetlust, begeerte: To get an appetite = honger krijgen; To give an appetite = opwekken; To have an appetite; To sharpen one’s appetite = eetlust geven; To tak...

48. Part 48

Force, fös, subst. kracht, geweld, dwang, noodzaak, beteekenis, wettigheid, strijdmacht (ook dikwijls Forces); Force verb. dwingen, noodzaken, overweldigen, verkrachten, forceer...

41. Part 41

Escape, əskeip, subst. ontsnapping, ontkoming, vlucht, ontwijking, ontduiking, reddingtoestel; Escape verb. ontsnappen, ontkomen, vrijkomen; ontvallen, uitstroomen, ontgaan: We...

33. Part 33

Deserve, dizɐ̂v, verdienen, waardig zijn: He has deserved well of his country = heeft zich verdienstelijk gemaakt jegens; Deservedly = terecht; The deserving poor man = fatsoenl...

73. Part 73

List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde (van een schip), verzakking, verlangen; List verb. op eene lijst plaatsen, werven, een rand of zelfkant maken...

93. Part 93

Pin, pin, subst. speld, pin, kegel, bout, kleinigheid, stemming; Pin verb. met eene speld, pin of een bout vastmaken, vasthouden, spelden, insluiten: There is not a pin to choos...

91. Part 91

Pencil, pensil, subst. penseel, potlood, bundel; Pencil verb. schilderen, teekenen, met een potlood opschrijven: A pencil of rays = stralenbundel; Pencil-case = potloodhouder; P...

136. Part 136

Tow, tou, sleeptouw; Tow verb. boegseeren, sleepen: To take in tow = op sleeptouw nemen (ook fig.); Towboat = sleepboot; Tow-car = volgwagen (tram); Tow-line = sleeplijn = Tow-r...

139. Part 139

Twelfth, twelfth, subst. en adj. (het) twaalfde; Twelfth-cake = driekoningengebak; Twelfth-day (Twelfth-tide) = Driekoningen; Twelfth-night = de avond van (vóór) Driekoningen; T...

2. Part 2

Abstract, abstrəkt, abstract, niet werkelijk, theoretisch, duister, ingewikkeld; Abstract noun = begripsnaam; Abstract numbers = onbenoemde getallen; Abstract subst. korte inhou...

152. Part 152

Wrong, roŋ, subst. onrecht, onrechtmatige daad, overtreding, beleediging, nadeel, misvatting; adj. verkeerd, onbillijk, onrechtmatig; Wrong verb. verongelijken, onrecht aandoen,...

62. Part 62

Imitability, imitəbiliti, navolgbaarheid; Imitable, imitəb’l, navolgbaar; Imitate, imiteit, nabootsen, navolgen; Imitation, imiteiš’n, navolging, nabootsing; ook adj.: In imitat...

32. Part 32

Defend, difend, verdedigen, beschermen: We defended ourselves against the enemy = verdedigden ons tegen; To defend oneself from reports = tegen praatjes; Defend me from my enemi...

25. Part 25

Compound, kompaund, subst. samenstelling, mengsel, massa; samengesteld woord; erf, kampong; adj. samengesteld, gecompliceerd: Compound fracture = dubbele breuk; Compound interes...

34. Part 34

Dinner, dinə, middagmaal, feestmaal: Public dinner = officieel diner, banket; I have made a good (poor) dinner = heb goed (weinig) gegeten; Dinner-jacket = ‘smoking’; Dinner-par...

23. Part 23

Coal, koul, subst. kool, steenkool; Coal verb. verkolen, van kolen voorzien, kolen innemen: To blow the coals = de hartstochten aanwakkeren; To haul over the coals = duchtig ond...

140. Part 140

Undeceive, ɐndisîv, ontgoochelen, uit den droom helpen, de oogen openen: At last I was undeceived = vielen mij de schellen van de oogen; I have undeceived his error = hem van zi...

64. Part 64

Infant, inf’nt, kind, minderjarige; adj. klein, teeder, kinderlijk; kinder...: Infant in arms = schootkindje; Infant games; Infant mortality; Infant-school, Infants’ school = be...

65. Part 65

Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel, gereedschap, stuk, document, oorkonde; Instrument verb. instrument, instrumenteeren; Instrumental, instrument’l,...

42. Part 42

Excursion, əkskɐ̂š’n, afwijking, afdwaling, uitstapje: Excursion-ticket = uitstapkaart; Excursion-train = pleiziertrein; Excursionist = tourist; Excursive, doelloos, afdwalend;...

26. Part 26

Conscience, konš’ns, geweten: In conscience = redelijkerwijs; In all conscience = voorzeker; Conscience clause (= Cowper-Temple clause) = bepaling in de Education Act (1870), da...

114. Part 114

Sell, sel, subst. bedrog, beetnemerij; Sell verb. verkoopen, handelen, aftrek vinden, verkocht worden; bedriegen, beetnemen: An awful (No end of a) sell = een gemeene beetnemeri...

63. Part 63

Inch, inš, 2,54 cM. (twaalfde deel van een foot), kleine hoeveelheid; eilandje (Schotl.): At an inch = precies, op een haar; Inch by inch = langzamerhand, voet voor voet: He die...

141. Part 141

Union, jûnj’n, vereeniging, verbond, eenheid, eendracht, twee of meer kerspelen tot één vereenigd ter uitvoering van de armenwet, arbeiders- of werkmansvereeniging, werkhuis van...

55. Part 55

Gum, gɐm, subst. tandvleesch; gom; Gum verb. met gom bestrijken of vastkleven; lijmen, beetnemen (Amer.): Gum arabic = Arab. gom; Gumboil = zweertje op het tandvleesch; Gum elas...