Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 2
Abstain, abstein, zich onthouden: He abstained from wine = hij dronk geen wijn; Abstainer = Total abstainer = geheelonthouder.
Abstemious, abstîmjəs, matig, zich onthoudend; Abstemiousness, matigheid.
Abstention, abstenš’n, onthouding; Abstentionist = onthouder; adj. Abstentious.
Absterge, abstɐ̂dž, reinigen; Abstergent, abstɐ̂dž’nt, reinigend, afdrijvend (middel) = Abstersive, abstɐ̂siv = reinigend; subst. Abstersiveness.
Abstinence, abstin’ns, onthouding; kuischheid, vasten: Total abstinence = geheelonthouding; Abstinence day = onthoudingsdag; Abstinent, onthoudend, matig.
Abstract, abstrəkt, abstract, niet werkelijk, theoretisch, duister, ingewikkeld; Abstract noun = begripsnaam; Abstract numbers = onbenoemde getallen; Abstract subst. korte inhoud: In the abstract = op zich zelf beschouwd, in ’t algemeen gesproken.
Abstract, abstrakt, afscheiden, een verkorten inhoud maken, wegnemen, verduisteren, stelen: It was Abstracted from me in the railway = mij ontfutseld, ontvreemd; Abstracted = afgezonderd, verfijnd, verstrooid, ingewikkeld; Abstractedness = onwerkelijkheid, idealiteit; Abstracter, maker van een abstract; Abstraction, abstractie; afzondering, afgetrokkenheid, verduistering; Abstractive, afgezonderd; Abstractness = onwerkelijkheid, etc.
Abstruse, abstrûs, diepzinnig, duister; Abstruseness = Abstrusity, duisterheid, etc.
Absurd, absɐ̂d, ongerijmd; Absurdity = Absurdness, ongerijmdheid.
Abundance, əbɐnd’ns, overvloed: Out of the abundance of the heart the mouth speaketh = waar het hart vol van is vloeit de mond van over; Abundant, overvloedig.
Abuse, əbjûs, subst. misbruik, misstand, euvel, slechte behandeling; scheldwoorden.
Abuse, əbjûz, verb. misbruiken, verdraaien, verkeerdelijk toepassen, ruw behandelen, uitschelden, schenden: He has abused my confidence = geschonden; Abusive, əbjûsiv, verkeerd, scheld..: Abusive language = beleedigende taal.
Abut, əbɐt, grenzen aan (on); vooruitspringen (from); Abutment, əbɐtm’nt, het aangrenzen; steenen beer, paalwerk bij bruggen.
Abuzz, əbɐz, gonzend.
Abysmal, əbizm’l, bodemloos; Abyss, əbis, bodemlooze afgrond; hel: They are lost in the abyss of time; Abyssal, afgronds...
Abyssinia(n), abisinjə(n), Abyssinië(r).
Acacia, əkeišə, acacia.
Acacin(e), akəsin, acacine.
Academic, akədemik, adj. academisch; subst. student; Academical, academisch: Academicals = costuum (cap and gown) van studenten en beambten: In full academicals = in vol ornaat; Academician, əkadimiš’n, lid eener bepaalde academie: Royal Academician = lid der Koninklijke Academie van Schoone Kunsten; Academicism = Academism = acad. leer; Academy, əkadəmi, (hooge) school (vooral voor een bepaald vak); genootschap: Riding-, Dancing-, Military Academy; in Amerika wat Public School is in Engeland.
Acadia, əkeidjə, thans dichterl. voor Nieuw Schotland; Acadian = N. Schotlandsch; bewoner van N. S.
Acajou, akəžû, cachou, mahoniehout.
Acanaceous, akəneišəs, stekelig.
Acanthus, əkanthəs, acanthus.
Acatalectic, əkatəlektik, subst. en adj. volkomen (versvoet of versregel).
Acatalepsy, əkatəlepsi, onbegrijpelijkheid; Acataleptic, əkatəleptik, onbegrijpelijk.
Accede, əksîd, toetreden, instemmen met (met to) ten deel vallen: To accede to the throne = bestijgen.
Accelerate, əkseləreit, bespoedigen, versnellen; Acceleration, versnelling; Accelerative (= Acceleratory) versnellend; Accelerator = dat wat versnelt.
Accensor, əksensə, aansteker (vooral van de kaarsen in de Kath. kerk).
Accent, aks’nt, subst., accent, klemtoon, klemteeken, stembuiging, uitspraak, toon, nadruk; Accents = woorden, taal (Dichterl.).
Accent, əksent, verb. accentueeren, uitspreken; Accentual = rhythmisch; klem...; Accentuate = doen uitkomen, in ’t licht stellen, accentueeren; subst. Accentuation.
Accept, əksept, aannemen, goedvinden, instemmen met, accepteeren; Acceptability = aannemelijkheid; Acceptable = aannemelijk, aangenaam, welkom; subst. Acceptableness; Acceptance, əksept’ns, aanneming, gunstige ontvangst, acceptatie: I request your kind Acceptance of this = verzoek u vriendelijk, dit aan te nemen; Acceptant, bereid aan te nemen; Acceptation, aksəpteiš’n, aanneming, aanvaarding; aangenomen beteekenis; Accepted = aangenomen; subst. verloofde; Accepter = Acceptor = acceptant.
Access, aksəs, toegang, gehoor, genaakbaarheid, acces, aanval (van een ziekte): To have access to = toegang hebben tot; Easy of access = gemakkelijk genaakbaar; Accessary, aksəsəri, əksesəri = Accessory; Accessibility, bereikbaarheid, genaakbaarheid; adj. Accessible; Accessorial = bijkomend, medeschuldig; Accessory, aksəsəri, əksesəri, bijdragend, bijkomend, medeplichtig; subst. medeplichtige: The Accessories = al wat er bij hoort; Accession, əkseš’n, toetreding, toestemming, vermeerdering, komst (op den troon, tot eene waardigheid), aanval (van eene ziekte).
Accidence, aksid’ns, buigingsleer, beginselen.
Accident, aksid’nt, voorval, toeval, ongeluk, toevallige eigenschap: By accident = toevallig; He has met with an accident = heeft een ongeluk gehad, is verongelukt; Accident-column = kolom of rubriek van ongelukken in eene courant; Accidental = toevallig, niet essentieel; subst. toevallige eigenschap, bijzaak: Accidental colours = bijkleuren, aanvullende kleuren.
Accipiter, əksipitə, roofvogel (vooral havik).
Acclaim, əkleim, toejuichen; subst. toejuiching: By acclaim = bij acclamatie; Acclamation, akləmeiš’n, toejuiching, acclamatie; Acclamatory, bijvals...
Acclimatization, əklaimətaizeiš’n, əklaimətəzeiš’n, acclimatisatie: Acclimatize, əklaimətaiz, aan een zeker klimaat gewennen.
Acclivity, əkliviti, helling, steilte.
Accolade, akəleid, accolade (na den ridderslag); haakje: To confer the accolade on = de accolade geven.
Accommodate, əkomədeit, geschikt maken, aanpassen, verzoenen met; voorzien van; huisvesten, herbergen: If you want a nice room, I can accommodate you = u eraan helpen; Accommodating, əkomədeitiŋ, inschikkelijk, vriendelijk; Accommodation, əkomədeiš’n, schikking, verzoening, geschiktheid, plaatsruimte, logies; wisselruiterij etc.: Accommodation bill (Accommodation-note, Accommodation-paper) = schoorsteenwissel, plezierpapier; Accommodation-ladder = trap aan de valreep; Accommodation-works = bruggen, schuttingen, afsluitingen, enz., die eene spoorwegmaatschappij verplicht is te bouwen langs hare lijn.
Accompanier, əkɐmpənjə, begeleider (ook bij muziek); Accompaniment, əkɐmpəniment, begeleiding, bijwerk, toebehooren; Accompanist, əkɐmpənist, begeleider; Accompany, əkɐmpəni, vergezellen, begeleiden.
Accomplice, əkomplis, medeplichtige.
Accomplish, əkompliš, vervullen, uitvoeren; bereiken, verwezenlijken; uitrusten; Accomplishable, uitvoerbaar; Accomplished = volkomen, talentvol, voldongen; Accomplisher, hij, die voltooit; Accomplishment = voleindiging, vervulling, talent, beschaving; Accomplishments = kundigheden.
Accord, əköd, subst. overeenstemming, harmonie, schikking, accoord; Accord verb. overeenstemmen, toestaan, inwilligen: With one accord = eenstemmig, eenparig; He did it of his own accord = uit eigen beweging; accordance = overeenstemming: In accordance with = overeenkomstig; Accordant = overeenstemmend, overeenkomstig; According = overeenstemmend: according as = al naarmate; according to your wish = overeenkomstig; According to Cocker (Gunter; Amer.) = volgens Bartjes; You must act accordingly = dienovereenkomstig.
Accordion, əködjən, harmonica; Accordionist = harmonicaspeler; Accordion kilt = waaierrok; Accordion sleeves = waaiermouwen; A frock of accordion cut = met waaierplooien.
Accost, əkost, verb. naderen, groeten, aanspreken; subst. aanspraak, begroeting.
Accouchement, əkûšmoŋ of əkûšm’nt, bevalling; Accoucheur, əkûšɐ̂ Accoucheuse, akušɐ̂z.
Account, əkaunt, subst. (be)rekening, conto, rekenschap; bericht, verhaal, verslag; reden; verklaring; belang, voordeel; Account verb. berekenen, aanrekenen, achten, houden voor, rekenschap geven, verklaren, verantwoordelijk zijn: It is of no account = van geen belang; On my account = om mij, wat mij aangaat; I do it on account of you = om, ter wille van; I began life on my own account = op eigen verantwoordelijkheid; On no account = in geen geval; He was called to account = ter verantwoording; To cast accounts = rekeningen opmaken; To dodge an account = eene verwachting teleurstellen; The smaller of the two prize-fighters gave a good account of himself = hield zich kranig; We will give a good account of our enemies = ons kranig houden tegenover; They had all gone to their account = waren voor Gods rechterstoel geroepen; I lay that to your account = zet het op uwe rekening; To leave out of account = buiten rekening laten; He makes his account of it = profiteert er van (bij); I make no account of omens = geef niet om; He placed a nice sum to my account = op mijn credit; He will certainly render a good account of the work entrusted to him = zich goed kwijten van; You must try to turn it to good account = er zooveel mogelijk van te profiteeren; Every man was accounted for, either as dead or prisoner = verantwoord; It will not be difficult to account for our absence = te verklaren; There is no accounting for tastes = over den smaak valt niet te twisten; I will account for it = neem het op mijne verantwoording; He accounts dearly of all his friends = schat hoog; Account-current = rekening-courant; Account-day = betaaldag; Accountability, əkauntəbiliti, verantwoordelijkheid; Accountable, verantwoordelijk, rekenplichtig; Accountancy, əkaunt’nsi, bekwaamheid of arbeid van een Accountant, əkaunt’nt, subst. accountant; Accountantship, ambt van accountant.
Accouple, əkɐp’l, samenkoppelen; Accouplement, koppeling.
Accoutre, əkûtə, uitdossen, uitrusten; Accoutrements = uitrusting.
Accredit, əkredit, machtigen, volmacht geven, krediet verschaffen; gelooven, toeschrijven: He was accredited with miraculous power = hem werd toegeschreven; Accreditation: Letter of accreditation = geloofsbrief.
Accrescent, əkres’nt, toenemend; Accrescence, toeneming; Accretion, əkrîš’n, aanwas, toename, samengroeiing; Accretive = toenemend.
Accrue, əkrû, aangroeien; voortspruiten: Much good may accrue to you from it; Accrued interest to date = opgeloopen interest tot den dag toe.
Accubation, akjubeiš’n, Accumbency, əkɐmb’nsi, het aanliggen aan een maaltijd bij de Ouden; Accumbent, aanliggend tegen.
Accumulate, əkjûmjuleit, ophoopen, verzamelen, toenemen; Accumulation, (op)hoop(ing); Accumulative, accumuleerend; Accumulator, accumulator.
Accuracy, akjurəsi, nauwkeurigheid; adj. Accurate; subst. Accurateness.
Accurse, əkɐ̂s, vervloeken; Accursed, Accurst = vervloekt, goddeloos.
Accusable, əkjûzəb’l, laakbaar, aanklaagbaar; Accusant, aanklager; Accusation, aanklacht, beschuldiging.
Accusative, əkjûzətiv, subst. 4de nv.; ook adj.; Accusatorial, əkjûzətôriəl, den aanklager betreffend; Accusatory, əkjûzətəri, beschuldigend; Accuse, əkjûz, beschuldigen, aanklagen; Accuser, aanklager.
Accustom, əkɐst’m, gewennen, gewoon zijn; Accustomed = gewoon, gewend.
Ace, eis, eenheid, aas (bij kaart- of dobbelspel), kleinigheid: Within an ace (of) = op een haar na.
Acephalous, əsefəlɐs, koploos.
Acer, eisə, ahorn; Aceric acid, əserikasid, ahornzuur.
Acerb, əsɐ̂b, zuur, wrang; streng; Acerbity, wrangheid, scherpheid, hardheid, gestrengheid.
Acerose, asərous, acerous, als kaf; naaldvormig = Acerous, asərɐs, ook: zonder voelhorens.
Acervate, əsɐ̂veit, in trossen groeiend.
Acescency, əsesənsi, zuurheid; adj. Ascescent, zuur wordend, wrang.
Acetate, asiteit, azijnzuurzout; Acetic acid, əsetik- of əsîtikasid, azijnzuur; Acetone, asitoun, azijngeest; Acetose, asitous, asitous, Acetous, asitɐs, azijn....
Acetylene, əsetilîn, acetyleen.
Ache, eik, subst. pijn: Chest-ache; Face-ache; Ache verb. pijn doen, pijn lijden: My back (sides) ached; I ached in every limb.
Acheen, ətšîn, Atjeh; Acheenese, atšənîz, Atjeher; Acheron, akəron, Acheron.
Achievable, ətšîvəb’l, uitvoerbaar; Achieve, ətšîv, volbrengen, voleinden, verwerven: To achieve a great success = behalen; Achievement = succes, wapenfeit; wapenteeken: Men of achievement = beroemde.
Achilles (tendon), əkilîz(tend’n), Achilles (pees).
Achromatic, akrəmatik, achromatisch; Achromatism, Achromaticity = achromatisme; Achromatize, achromatiseeren.
Acicular, əsikjulə, Aciculate, əsikjulit, Aciculiform, əsikjûliföm, naaldvormig.
Acid, asid, subst. zuur; adj. zuur, scherp: An acid drop = zuurballetje; Acidify = zuur maken; Acidity, zuurheid; Acidulate, əsidjuleit, zuur maken: Acidulated drop = zuurballetje; Acidulent = zuur, norsch; Acidulous, zuurachtig, scherp.
Acknowledge, əknolədž, erkennen, toegeven, (de ontvangst) berichten, waardeering uitdrukken over: I acknowledge (receipt of) your favour of the 14th inst. = bericht u de ontvangst van uwe geëerde van 14 dezer; I acknowledge the corn = ik geef de beschuldiging toe (Amer.); Acknowledgment = erkenning, belooning, dank, bericht van ontvangst.
Acme, akmi, toppunt; adj. voortreffelijk.
Acock, əkok, brutaal, uitdagend.
Acold, əkould, koud.
Acolyte, akəlait, misdienaar.
Aconite, akənait, monnikskap (plant).
Acorn, eikön, eikel: acorn-cup, acorn-shell = eikeldopje; Acorned = eikels voortbrengend, met eikels gevoed of voorzien.
Acorus, akərɐs, kalmus.
Acotyledon, əkotilîd’n plant zonder zichtbare zaadlobben; adj., Acotyledonous.
Acoustic, əkûstik of əkaustik, het gehoor betreffend, gehoor...: Acoustic duct = gehoorbuis; Acoustic nerves = gehoorzenuwen; Acoustician = geluidkundige; Acoustics, əkûstiks of əkaustiks, geluidsleer.
Acquaint, əkweint, berichten, bekend maken; Acquaintance = bekendheid, kennis, vriend: He had made acquaintance with him, the acquaintance of him; To maintain the acquaintance = aanhouden; An acquaintance of mine = vriend van mij; Acquaintanceship, bekendheid.
Acquiesce, akwies, berusten, zich neerleggen bij, inwilligen, toegeven; Acquiescence = berusting; Acquiescent = geduldig, toegevend.
Acquirable, əkwairəb’l, verkrijgbaar; Acquire, əkwaiə, verkrijgen, verwerven; Acquirement, verwerving: Acquirements = talenten.
Acquisition, akwiziš’n, het verkregene, aanwinst, verkrijging; Acquisitive = hebzuchtig; subst. Acquisitiveness.
Acquit, əkwit, vrijstellen, vrijspreken, (zich) kwijten; Acquittal, vrijspraak; Acquittance, vervulling, vereffening: Forbearance is no acquittance = uitstel is geen afstel.
Acre, eikə, stuk land (4840 vierk. yards of 4047 M2): God’s acre, godzeikə, Godsakker; Acreage, eikəridž, het gezamenlijke land: The acreage of Holland amounts to = de gezamenlijke landerijen van Nederland zijn groot...; Acred, eikəd, grond bezittend.
Acrid, akrid, scherp, bijtend; Acridity, scherpheid.
Acrimonious, akrimounjəs, scherp, bits; Acrimony, akriməni, scherpheid, bitsheid.
Acrobat, akrəbat, acrobaat, koorddanser; Acrobatic, acrobatisch; Acrobatism, acrobatisme.
Acropolis, əkropəlis, Acropolis, burcht.
Acrospire, akrəspaiə, subst. (mout)kiem; Acrospired = kiemend.
Across, əkros, əkrôs, dwars, kruiselings, scheef, breed, aan gene zijde: To come across = aantreffen; opkomen (in den geest); With arms across = de armen over elkander.
Acrostic, əkrostik, subst. naamdicht; ook adj. = Acrostical.
Act, akt, subst. handeling, daad, wet, oorkonde, akte, disputatie, bedrijf; Act verb. doen, handelen, (in)werken, volbrengen, opvoeren, spelen, zich gedragen: Acts of the Apostles = Handelingen...; Act of God = godswil; Act of Grace = amnestie; Act of Honour = acte van interventie; Act of indemnity = acte van indemniteit; Act of Parliament = parlementswet; He was caught in the (very) act = op heeterdaad; He acts up to his promise = handelt overeenkomstig; I will act upon it = dienovereenkomstig; act-drop = scherm, dat tusschen de bedrijven wordt neergelaten; Actable = geschikt om op te voeren, uitvoerbaar; Acting = subst. het spelen, het spel; adj. handelend, tijdelijk, plaatsvervangend: An acting copy = een exemplaar van een tooneelstuk, zooals het gespeeld wordt.
Action, akš’n, handeling, daad, beweging, gang, werking; voordracht, uitdrukking; mechaniek, gevecht, aanklacht, proces: To bring an action against a person for = iemand aanklagen wegens; I threatened the driver with an action = aanklacht; The hour for action came = het ging op een vechten; Actionable, akš’nəbl, strafbaar (in rechten): Your words are Actionable.
Active, aktiv, werkzaam, vlug, levendig, actief; bedrijvend (gramm.): Active bonds = prioriteitsobligaties; Active capital = activa; Active partner = werkend; Activity = bedrijvigheid, vlugheid, behendigheid.
Actor, aktə, tooneelspeler; Actor-manager, theater-directeur (die meespeelt); Actress, aktrəs, tooneelspeelster.
Actual, aktjuəl, wezenlijk, werkelijk, feitelijk, werkzaam; actueel; Actuality = werkelijkheid; Actualities = actueele omstandigheden; Actualize, aktjuəlaiz, verwerkelijken.
Actuary, aktjuəri, gerechtsschrijver; actuaris.
Actuate, aktjueit, aansporen, invloed oefenen, in beweging brengen; Actuation, aandrijving, werkende kracht.
Aculeate(d), əkjûljit(-eitid), stekelig, van prikkels of een angel voorzien, scherp, bits.
Acumen, əkjûm’n, scherpzinnigheid; Acuminate, əkjûmineit, spits; Acumination, spitsheid; Acuminous, puntig.
Acute, əkjût, adj. puntig, scherp, fijn, doordringend, schrander; akuut (van ziekten): An acute angle; Acute-angled (= Acute angular); Acuteness, puntigheid, etc.
Ad (= advertisement): It was a paper of local news and local Ads.
Adage, adidž, spreekwoord, gezegde.
Adagio, adâdžou, langzaam; adagio.
Adam, ad’m, Adam, menschelijke zwakheid, broodheer: Adam’s ale = water; Adam’s apple = adamsappel in zijn verschillende beteek.; Adam’s flannel = melige toorts; Adam’s needle = Jucca; Adamite, Adamiet; adj. menschelijk.
Adamant, adəmant, adamant; groote hardheid: His heart is of adamant = zoo hard als steen; Adamantin(e), diamantachtig; onverwoestbaar.
Adapt, ədapt, geschikt of passend maken (to, for); toepassen; bewerken naar (from); Adaptability, aanwendbaarheid; Adaptable, aanwendbaar; Adaptation = aanpassing, bewerking; Adapted = passend, geschikt; subst. Adaptedness; Adapter = bewerker; Adaptive, geschikt tot aanpassen; subst. Adaptiveness.
Add, ad, bijvoegen, vermeerderen, verhoogen, optellen (met up): Added to = plus, toegevoegd aan, uitgebreid; Addendum = toevoegsel, bijlage.
Adder, adə, adder; Adder-bolt = Adder-fly = waterjuffer; Adder’s tongue = addertong; Adder’s wort = adder(slangen)wortel.
Addible, adib’l, vermeerderbaar.
Addict, ədikt, (zich) overgeven aan: Addicted to liquor = verslaafd aan den drank; Addictedness; Addiction, neiging, verslaafdheid.
Addition, ədiš’n, bijvoeging, vermeerdering, optelling: In addition to = behalve dat, buiten en behalve; Addition sum = optelsom; Additional = bijgevoegd, extra, bij...: An Additional petticoat = een rok meer.
Addle, ad’l, bedorven, onvruchtbaar; Addle verb. bederven, onvruchtbaar maken, verwarren: He has been addling his brains = zich suf zitten denken; Addled eggs = bedorven; Never mind such Addle-brain = domkop; Addle-brained (-headed, -pated) = suf, stom.
Address, ədres, subst. toespraak, adres, verzoekschrift; aanzoek; manieren, manier van optreden; handigheid; Address verb. adresseeren; (zich) richten tot, aanspreken; aanvangen; een adres richten tot: Address-book; He has a (is a man of) pleasant address = hij maakt een aangenamen indruk; Wanted a cook; editor has address = adres bij den uitgever dezes; He paid her his addresses = maakte haar het hof; To address the house = in ’t parlement spreken; To address the King = zich tot den Koning richten; Addressee, adrəsî, geadresseerde; Addresser, afzender, adressant.
Adduce, ədjûs, aanvoeren (als bewijs); Adducent = aanvoerend, aantrekkend; Adducer = bewijzer; Adducible = aanvoerbaar.
Adduct, ədɐkt, aantrekken; Adduction = het bijbrengen; Adductive = aantrekkend, bijbrengend.
Adelaide, adəleid, Adelheid; Aden, âd’n, eid’n.
Adenoid, adənôid: Adenoid growths = adenoïde vegetaties.
Adept, ədept, ingewijd; subst. ingewijde.
Adequacy, adikwəsi, geschiktheid, voldoendheid, gepastheid; Adequate, adikwit, gepast, geschikt, evenredig, bekwaam voor; subst. Adequateness.
Adhere, ad-hîə, aankleven, aanhangen, getrouw blijven; Adherence, aankleving, aanhankelijkheid, vasthouden (to); Adherent = aanklevend, aanhangend; subst. aanhanger; Adhesion ad-hîž’n, adhesie; Adhesive, ad-hîsiv, adj. gegomd; aanklevend, aanhankelijk, blijvend: Adhesion envelope = gegomde enveloppe; Adhesion plaster = hechtpleister; subst. Adhesionness.
Adieu, ədjû, subst. afscheid; adv. vaarwel.
Adige, âdidž, adidž, Etsch (rivier).
Adipocere, adipəsîə, lijkenvet; Adipose, adipous, adipous, vethoudend, vet..; nierenvet: Adipose tissue = vetweefsel; Adiposity, vetheid.
Adit, adit, toegang; afvoerkanaal.
Adjacency, ədžeis’nsi, aangrenzen, het aangrenzende; adj. Adjacent = aanliggend, aangrenzend.
Adjectival, adžəktiv’l, adžəktaiv’l, bijvoeglijk; Adjective, adžəktiv, subst. bijv. naamwoord; adj. bijvoeglijk.
Adjoin, ədžôin, aanvoegen, aangrenzen.
Adjourn, ədžɐ̂n, uitstellen, verdagen, schorsen; zich begeven: The meeting was adjourned; The meeting adjourned for lunch; The company adjourned to an ante-room = begaf zich; Adjournment, verdaging; verplaatsing; He moved an adjournment to the ladies = stelde voor zich te begeven naar.
Adjudge, ədžɐdž, toewijzen; oordeelen; subst. Adjudgment = Adjudication.
Adjudicate, ədžûdikeit, berechten, toewijzen, rechtspreken (on = over): He was adjudicated (a) bankrupt = hij werd failliet verklaard; Adjudication = toewijzing, uitspraak: Adjudication of bankruptcy = faillietverklaring; Adjudication order = faillietverklaring; Adjudicator = scheidsrechter.
Adjunct, adžɐŋkt, subst. aanhangsel, toevoegsel, toevallige eigenschap; adjunct; adj. verbonden, vereenigd; Adjunction, toevoeging; Adjunctive, toevoegend.
Adjuration, adžureiš’n, plechtige eed, dringende bede, eedsformule; Adjuratory = door een eed gestaafd; Adjure, ədžûə, bezweren; Adjurer, Adjuror = beëediger.
Adjust, ədžɐst, geschikt maken, in orde brengen, afwikkelen, beslechten; Adjustable: Adjustable chair = verstelbaar; Adjuster, ijker; Adjusting-screw = stelschroef; Adjustment = schikking, ijking.
Adjutancy, adžut’nsi, adjudantschap; Adjutant, adžut’nt, adjudant; soort vogel; Adjuvant, ədžûv’nt of adžuv’nt, helpend, bevorderlijk; subst. helper, hulpmiddel.
Administer, administə (Administrate) besturen, beheeren, executeeren, verschaffen, toedienen: To administer an oath = afnemen; To administer the law = rechtspreken; Administration = beheer, toediening, ministerie; Administrative = administratief, bevorderlijk; Administrator, of Administrator, administrateur, executeur (v. een intestate); vr. Administratrix.
Admirability, admirəbiliti, bewonderenswaardigheid; Admirable, admirəb’l, bewonderenswaardig; subst. Admirableness.
Admiral, admir’l, admiraal, admiraalschip; Admiralship, admiraalschap; Admiralty = de admiraliteit; het admiraliteitsgebouw: Admiralty Court = Oud Gerechtshof voor alle zaken, die met de scheepvaart in verband staan; thans overgebracht naar de Admiralty Division of the High Court of Justice.
Admiration, admireiš’n, bewondering: She performed to admiration = speelde wondermooi; Note of admiration = uitroepteeken; Admire, admaiə, bewonderen; Admirer = bewonderaar.
Admissibility, admisibiliti, toelaatbaarheid, aannemelijkheid; adj. Admissible; Admission, admiš’n, toegang, toegeving, installatie, entrée: Free admission = vrije toegang; Admission-fee = toegangsprijs.
Admit, admit, toelaten, toestaan, toegeven, erkennen: I admit it = erken; It admits of no excuse = het laat zich niet verontschuldigen: To admit of no change = geen verandering ondergaan; This ticket will admit two persons = geldt voor; subst. Admittance: No admittance = verboden toegang; No admittance except on business = verboden toegang voor het publiek; Admittedly = zooals algemeen wordt erkend.
Admixture, admikstšə, bijmenging, bijmengsel.
Admonish, admoniš, vermanen, waarschuwen; subst. Admonition, adməniš’n; Admonitory = vermanend.