Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 94
Play, plei, subst. spel, vermaak, vrijheid van handeling, ruimte, tooneelstuk, wijze van spelen; Play verb. spelen, in beweging zijn, bespuiten, beschieten, etc.: It was as good as a play = onbetaalbaar; Play of colours = kleurenspel; A play on (upon) words = woordspeling; To leave off boys’ play = de kinderschoenen uittrekken; Let him have fair play = geef hem een eerlijke kans, behandel hem zoo royaal mogelijk; That is not fair play = niet eerlijk; To give full (free) play = vrij spel laten; A child at play = spelend; His pen was in full play = hij gebruikte zijne pen ter dege; The waterworks were in full play = aan ’t springen; I am in play = aan stoot (bilj.); He called into play all his influence = hij liet al zijn invloed gelden; You must try to hold (keep) them in play = aan den gang te houden; To put into play = in beweging brengen; You must play or pay = ge moet doorspelen of alles verbeuren (“hangen of verzuipen”); To play fair, foul = eerlijk, oneerlijk; You play me false = bedriegt mij; He plays fast and loose with his money = hij gooit zijn geld weg; He plays fast and loose = hij is grillig, wispelturig; To play boats (horses, school, soldiers) = scheepjezeilen, paardje spelen, etc.; To play (at) cards (chess, dice); To play the deuce (devil) with = beetnemen, erg te pakken nemen, ondermijnen; To play a fish = laten uitspartelen; To play the fool (with) = zich mal aanstellen (malle streken uithalen met); To play the game = eerlijk of flink handelen; He plays a capital knife and fork = kan geducht eten, eet kolossaal; To play a prominent part = een hoofdrol spelen; He has played (the) truant = hij is stil uit school (van zijn werk) weggebleven; They played first at blindman’s buff and then at keeping house = ze speelden eerst blindemannetje en toen huismoedertje; Two can play at this = dàt kan ik ook; We will not play for money but for love = niet om geld, maar om de eer (voor ons plezier); I only play for safety = op goed af (bilj.); To play into each other’s hands = elkaar den bal toekaatsen (fig.); He played off that trick on me = hij bakte mij die poets; To play off one against the other = tegen elkaar uitspelen; He has many talents, but he plays them off = loopt er mee te koop; To play on words = woordspelingen maken; They played out their dinner = betaalden het diner met hun spelen; Played out = op, verbruikt, uitgeput; The musicians must play up = beginnen, opspelen; They did not play up to me = zij speelden niet in mijn kaart; You play upon me = gij bedriegt mij; I played with his follies as an angler plays the fish at the end of his line = ik speelde met zijn dwaasheden, zooals de hengelaar den visch laat uitspartelen; Play-acting = tooneelspelen; Play-actor = tooneelspeler; Playbill = affiche, programma; Play-book = tekstboekje; Play-day = speeldag; vacantiedag; Play-debt = speelschuld; Playfellow = speelmakker; Playgoer = geregeld theaterbezoeker; Playground = speelplaats; Playhouse = theater; Playmate = speelkameraad; Plaything = stuk speelgoed; Playwright = schrijver van tooneelstukken = Play-writer; Player = speler; Playful = speelsch, schalksch; subst. Playfulness.
Plea, plî, pleit, pleidooi, excuus, verweer, dringend verzoek: Court of Common Pleas = vroeger gerechtshof, thans onder The Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; On (Under) the plea that = onder voorwendsel; To urge the plea of necessity = op de noodzakelijkheid wijzen.
Pleach, plîtš: Pleached walk = berceau.
Plead, plîd, pleiten, een pleidooi houden, zich verweren, bewijzen voor of tegen bijbrengen, voorgeven, aanvoeren, verontschuldigen: To plead for a person, To plead a person’s cause = iemands zaak bepleiten; He pleaded ignorance, innocence, guilty = hij gaf voor dat hij er niets van wist, dat hij onschuldig was, hij bekende; Pleadable = wat aangevoerd kan worden; Pleader: Special pleader = sophistisch verdediger; Special pleading = het aanvoeren van nieuw bewijsmateriaal (in tegenstelling met het weerleggen van het door de tegenpartij aangevoerde), draaierij; Pleadings = protocollen, processen-verbaal, processtukken.
Pleasance, plez’ns, vermaak, vroolijkheid; lusthof; Pleasant, plez’nt, aangenaam, prettig, vroolijk; subst. Pleasantness; Pleasantry, plez’ntri, vroolijkheid, scherts, grapje.
Please, plîz, behagen, genot verschaffen, believen: He was pleased to say so = het behaagde hem; Are you not yet pleased! = hebt ge nog niet genoeg? He was pleased at hearing of my success = was verheugd te hooren; Pleased with = ingenomen met; Please come in = Will you please to walk in? = mag ik u verzoeken binnen te gaan; As you please = naar u verkiest; As pleased as Punch = dolblij; If you please = alstublieft; ook: met permissie, note bene; Please, don’t say so = zeg dàt nu niet; Please acknowledge receipt = ontvangbewijs verzocht; Pleasing, subst. het behagen of voldoen; adj. aangenaam, behaaglijk: Pleasing ways = innemende manier van doen; subst. Pleasingness = innemendheid.
Pleasurable, pležərəb’l, aangenaam, subst. Pleasurableness; Pleasure, pležə, subst. genoegen, vermaak, genot, wensch, wil, welbehagen, keus, begeerte; Pleasure verb. zich vermaken: I am at your pleasure = ik hang af van uw welbehagen; At pleasure = naar goedvinden; It is a pleasure to me to do it = het is mij een genot; The pleasure is ours = het genoegen is aan ons; To take pleasure in = behagen scheppen in; Use your pleasure = doe wat gij niet laten kunt; I’ll wait his good pleasure = wachten tot het hem behagen zal; Pleasure-boat = pleizierboot; Pleasure-ground = park, uitspanningstuin; Pleasure-train = pleiziertrein (Amer.); Pleasure-trip = pleiziertochtje; To go (out) a-pleasuring = pret gaan maken.
Pleat, plît; Zie Plait.
Plebeian, plibîən, subst. plebejer; adj. plebejisch, plat, gemeen; Plebeianism = ploertenmanieren of -gewoonten, platheid; Plebeii, plibîai, plebejers.
Plebiscite, plebis(a)it, plebisît, plebisci(e)t; Plebs, plebz, plebs.
Pledge, pledž, subst. pand, onderpand, borgtocht, het drinken van iemands gezondheid, liefdepand; Pledge verb. verpanden, als onderpand geven, plechtig verbinden, iemands gezondheid drinken: He has redeemed his pledge = zijn pand ingelost, zijne belofte gehouden of gestand gedaan; To take the pledge = afschaffer worden; To hold in pledge = in pand houden; To put in pledge = verpanden; He pledged me in return = deed mij bescheid; I pledge my word on it = verpand er mijn woord onder; They have pledged themselves too deeply to recant = zich te zeer en te plechtig verbonden; I have pledged myself to you on behalf of my brother = ben bij u borg gebleven; Pledgee, pledžî = pandnemer; Pledger.
Pledget, pledžət, plok, plukselverband.
Pleiades, plîədîz, het zevengesternte.
Plenary, plînəri, plenəri, volkomen, geheel: Plenary absolution, Plenary indulgence = volle absolutie, aflaat; Plenary meeting = plenum, voltallige vergadering; Plenary power = volmacht.
Plenipotentiary, plenipətenšəri, plînipətenšəri, subst. en adj. gevolmachtigd(e).
Plenitude, plenitjûd, volheid, volkomenheid.
Plenteous, plentjəs, overvloedig, in groot aantal; subst. Plenteousness; Plentiful = overvloedig: Apples were plentiful and rare this year = dit jaar gaf een overvloed van zeldzaam mooie appels; subst. Plentifulness; Plenty, plenti, subst. overvloed; adj. en adv. overvloedig: He has plenty of money = veel geld; You will be in plenty of time (have plenty of time) = hebt meer dan tijd; Horn of plenty = hoorn des overvloeds.
Pleonasm, plîənazm, pleonasme; Pleonastic = overtollig.
Plesiosaurus, plîziəsôrəs, fossiele zeehagedis.
Plethora, plethərə, volbloedigheid, overvloed; adj. Plethoric, pləthorik, plethərik.
Pleura, plûrə, borstvlies; Pleural = borstvlies..; Pleurisy, plûrisi, borstvliesontsteking, pleuris = Pleuritis, pluraitis.
Pliability, plaiəbiliti, subst. v. Pliable, plaiəb’l, buigzaam, lenig, volgzaam; subst. Pliableness = Pliancy, plaiənsi; Pliant, plaiənt, buigzaam, smijdig, gedwee.
Plicate(d), plaikit(id), gevouwen, geplooid; Plication = platte vouw.
Pliers, plaiəz, vouw- of buigtang.
Plight, plait, subst. belofte; toestand, geval; Plight verb. verpanden, beloven: In good (a sorry) plight = er goed (slecht) aan toe; He plighted his faith = gaf zijn eerewoord; They had plighted their troth to each other = hadden elkander trouw beloofd.
Plimsoll, plimsol: Plimsoll’s mark = wettig voorgeschreven lastlijn.
Plinth, plinth, plint, onderste gedeelte van den zuilsokkel.
Pliny, plini, Plinius.
Plod, plod, zwoegen, ploeteren, hard blokken: To plod at one’s books = vossen; Plodder.
Plop, plop, plonsen; interj. plomp, klets: To fall plop into the water.
Plot, plot, subst. samenzwering, complot, intrige of knoop; stuk gronds, platte grond; Plot verb. samenzweren, plannen smeden; ontwerpen, traceeren: A complicated plot = ingewikkelde intrige; Secondary, Subplot; They laid (wove) a plot = zij smeedden eene samenzwering; Grass plot = grasveld; To plot a line = een spoorlijn traceeren; To plot against = een samenzwering smeden tegen; To plot down (out) = ontwerpen; Plotter = plannenteekenaar, samenzweerder; Plotting-scale = verkleinde schaal.
Plough, plau, subst. ploeg, holle schaaf; Plough verb, ploegen, groeven: You must put your hand to the plough = de hand aan den ploeg slaan; To plough a lonely furrow = alleen staan; To plough the sands = nutteloos werk doen; To plough in = onderploegen; To plough up = omploegen; He was ploughed = hij zakte voor het examen; Ploughboy = ploeger, arbeider; kinkel; Plough-handle = staart; He had a plough-handle-stoop in his shoulders = hij liep met krommen rug; Ploughland = bouwland, geploegd land; Ploughman = ploeger, boer; Plough Monday = Maandag na Driekoningen (6 Jan.); Plough-share = ploegijzer, kouter; Plough-tail = ploegstaart; Ploughing-machine; Ploughing-match.
Plover, plɐvə, pluvier.
Pluck, plɐk, subst. ruk, trek, ingewand, moed, vuur, korf (bij examen); Pluck verb. (kaal) plukken, rukken, afwijzen: He has no end of pluck = hij heeft veel “durf”; He is a plucked one = heeft durf; The best plucked man I ever saw = kranigste; I have a crow to pluck with you = een appeltje met u te schillen; To pluck a pigeon = een suffer plukken (bij ’t spel); To pluck up courage, spirit = moed vatten, bijeenrapen; He was (got) plucked = hij is gezakt; Plucky; You are a plucky little fellow = een dapper ventje.
Plug, plɐg, subst. plug, prop, pin; Plug verb. dichtstoppen, plombeeren: Plug of a pump = zuiger van eene pomp; Plug of tobacco = prop tabak; She thinks that I am going to be plugged = neergeschoten zal worden (Amer.); Plug-basin = fonteintje; Plug-hat = hooge “dop”.
Plum, plɐm, pruim, rozijn, 100.000 pond sterling, groot fortuin, beste deel, goed zaakje; Plum-cake = rozijnentaart; Plum-loaf = rozijnenbrood; Plum-pudding = rozijnenpudding; Plum-tree = pruimenboom.
Plumage, plûmidž, gevederte.
Plumb, plɐm, subst. schietlood; adj. loodrecht, degelijk, eerlijk; adv. pardoes; Plumb verb. loodrecht zetten, polsen, peilen: Out of plumb = uit het lood; She plumbed their depths of misery = peilde; Plumb-line = schiet- of loodlijn; ook verb.; Plumb-rule = waterpas; Plumber, plɐmə, loodwerker, loodgieter: All the crowned heads, bankers and plumbers of Europe = en groote lui (Amer.) van Europa; Plumbery = artikelen van loodwerk, loodgieterij, het loodgieten; Plumbic, plɐmbik, loodhoudend; Plumbiferous, plɐmbifərɐs, lood opleverend; Plumbing, plɐmiŋ, het werken in lood, looden pijpen.
Plumbago, plɐmbeigou, graphiet.
Plume, plûm, subst. veer, pluim, eereteeken, lauwer; Plume verb. de veeren terecht of gelijk leggen, met veeren versieren, pochen, plukken, plunderen: The swan plumed itself = streek zijne veeren glad; He plumed himself on his liberality = liet zich voorstaan op; Plumeless; Plumelet = pluimpje; Plumiped, plûmiped, subst. en adj. (vogel) met veeren aan de pooten.
Plummet, plɐmət, dieplood, peillood.
Plummy, plɐmi, voortreffelijk.
Plumose, plumous, plûmous, vederachtig, gevederd; Plumosity, plumositi, gevederdheid.
Plump, plɐmp, subst. klomp; adj. mollig, dik, grof; Plump verb. dik worden, opzwellen, neerploffen, uitflappen (out), alles op één paard zetten; stemmen op één candidaat (in plaats van op alle personen op wie men stemmen mag) = To plump one’s vote = To plump for a candidate; adv. plotseling, pardoes, zwaar, eenvoudig, botweg: Plump in the pocket = met vollen buidel; To come plump upon = overvallen; Say it out plump = vooruit! zeg op! Plumper = pruim tabak, valsche buste; stem aan slechts één der candidaten, stemmer op slechts één der candidaten; brutale leugen; Plumply = rond, botweg, platweg; Plumpness; Plumpy = dik, mollig, glad.
Plumy, plûmi, gevederd.
Plunder, plɐndə, subst. plundering, buit, roof, bagage en huisraad van een landverhuizer (Amer.), winst; Plunder verb, plunderen, rooven; Plunderage = verduistering aan boord; Plunderer.
Plunge, plɐnž, subst. indompeling, doop (door onderdompeling), achteruitslaan van een paard, hooge en roekelooze weddenschap of speculatie, plotseling en opzienbarend bericht, afgrond, draaikolk, klem (fig.); Plunge verb. (onder)dompelen, plonzen, springen, doopen, achteruit slaan, steil afhellen, zwaar en roekeloos wedden, geld uitgeven: To make the plunge = den beslissenden stap doen, op den slechten weg geraken; To take a plunge = duiken, storten; The plunge of the Pall Mall Gazette about Mr. Gladstone’s retirement = opzienbarend bericht omtrent het aftreden van den minister G.; By plunges = bij rukken; He plunged awfully = speelde, speculeerde hoog; To plunge after a person = achterna springen; I have plunged a bit in trifles = heb wat geld in kleinigheden gestoken; The ship plunged on her way = zette stampend zijne reis voort; Plunged in thought = in gedachten verzonken; Plunger = dolleman, dolle speculant of wedder; zuiger (v. perspomp); Plungers = zware cavalerie; Plunging = van boven naar onderen gericht: Plunging-fire.
Pluperfect, plûpɐ̂fəkt, plupɐ̂fəkt, voltooid verleden (tijd).
Plural, plûr’l, subst. en adj. meervoudig (woord); Pluralism = meervoudigheid; het gelijktijdig bezitten van meer dan één living; Pluralist = geestelijke, die te gelijkertijd meer dan één living heeft; Plurality, pluraliti, getal van twee of meer, meerderheid; Pluralize = meervoudig maken.
Plus, plɐs, plus(teeken) = +.
Plush, plɐš, pluche: Plush-velvet = zijden pluche; Plush-velveteen = wollen pluche; Plushy.
Plutarch, plûtâk.
Pluto, plûtou, Pluto; Plutocracy, geldheerschappij(aristocratie); adj. Plutocratic; Plutonian = Plutonic = tot Pluto of de onderwereld behoorende, door vuur ontstaan: Plutonic theory, of Plutonism = de theorie der Plutonists, die beweren, dat de gesteenten door de werking van het vuur zijn ontstaan; Plutus, plûtəs.
Pluvial, plûvjəl, vochtig, regenachtig, regen - -; Pluviameter, Pluviometer = regenmeter; Pluviose, plûvious, vijfde maand van het republik. jaar (20 Jan.–19 Febr.); Pluvious, plûvjəs, vochtig, regenachtig.
Ply, plai, subst. kronkel, vouw, plooi, neiging, zin, aanleg; Ply verb. zich toeleggen op, ijverig doen of uitvoeren, zich bezighouden, aandringen, gedurig lastig vallen, geregeld varen of zeilen, laveeren, omzien naar: He took a ply from his tutor = plooide zich naar de inzichten van; To ply the bottle = geducht aanspreken; The spider plied its nimble legs = bewoog vlug, snel; To ply the oars = krachtig roeien; She plied her task = zij werkte ijverig aan hare taak; To ply a trade = uitoefenen; Many steamers ply between Holland and America = varen; They plied him with drink = maakten hem dronken; They so plied him with smiles and favours that he grew crazy with ecstasy = overlaadden hem; To ply with questions = overstelpen met; Plyer.
Plymouth, pliməth: Plymouth Brethren = eene Calvinistische broedergemeente, opgericht tusschen 1820–35 te Dublin en Plymouth; Plymouthism.
Pneumatic(al), njumatik(’l), lucht-, gasachtig, met lucht gevuld, door luchtdruk bewogen: Pneumatic dispatch = luchtdrukpost; Pneumatic pump = luchtpomp; Pneumatic tyres = luchtbanden; Pneumatics = pneumatica.
Pneumonia, njumounjə, longontsteking; Pneumonic, njumonik, long - - -; subst. middel voor de longen.
Poach, poutš, stroopen (ook fig.); door veel loopen modderig of moerassig maken, (zijn, worden), gepelde eieren bakken in boter, of breken in kokend water; Poacher = strooper; Poachy = drassig, moerassig.
Po(a)chard, po(u)tšəd, poukəd, tafeleend.
Pock, pok, pok; Pock-mark, Pock-pit = pokteeken; Pock-marked, Pock-pitted, Pock-fretten = van de pokken geschonden, pokdalig = Pocky.
Pocket, pokət, subst. zak, holte, diepte, maat voor hop, gember, wol, enz.; Pocket verb. in den zak steken, gappen, stoppen, hinderen: I am in pocket, out of pocket = ik win, verlies; I am out of pocket = heb geen cent; Nothing but empty pockets lies between her and William = dat zij en W. niets hebben staat alleen hun engagement in den weg; I am in her pocket = bij haar in de gunst; I have Pa in my pocket = kan met Pa doen wat ik wil; This would have placed Turkey in the pocket of the Czar = in de macht gebracht hebben van; Put that in your pocket = steek dat in je zak; He had spent the evening in her pocket = had alleen werk van haar gemaakt; Hip-pocket, Pistol pocket = heupzak (achterzak) in een pantalon; He pocketed the affront, insult, wrong = hij slikte de beleediging, het onrecht; You pocketed my ball by a fluke = stopte; Pocket-argument = zelfzuchtig argument; Pocket-book = zakboek(je); Pocket-borough = kiesdistrict dat geheel in de macht is van één grondbezitter; Pocket-copy (= Pocket-edition); Pocket-glass = zakspiegeltje; Pocket-handkerchief = zakdoek; Pocket-hole = zakopening; Pocket-knife = zakmes; Pocket-money = zakgeld.
Pockwood, pokwud, pokhout.
Poco, poukou, een weinig (muz.).
Pod, pod, subst. dop, schil, peul; school robben, walvisschen; Pod verb. opzwellen, doppen, peulen vormen; Pod-net = fuik; Podded (fig.) = gemakkelijk.
Podagra, podəgrə, pədagrə, het “pootje”, voeteuvel; adj. Podagral = Podagric(al).
Podge, podž, modderige poel; Podge verb. roeren.
Podgy, podži, kort en gezet; dronken.
Podium, poudiəm, podium.
Podrida, pədrîdə, mengelmoes.
Podsnap, podsnap, type van stijve deftigheid; Podsnappery = peuterige, stijve deftigheid.
Poe, pou.
Poem, pouim, gedicht: Minor poems = kleinere gedichten; Poesy, pouəsi, dichtkunst; Poet = dichter: Minor poet = dichter van den tweeden of derden rang; Poet Laureate = gekroonde of hofdichter (in Engeland); Poetaster, pouətastə, pouətastə, rijmelaar; Poetess, pouətəs, dichteres; Poetic(al), pouetik(’l), dichterlijk; Poetics = gedichten; leer (theorie) der dichterlijke vormen (ook Poetic); Poetize, pouətaiz, dichten, dichterlijk behandelen; Poetry = dichtkunst, poëzie, gedichten.
Pogrom, pogrom, pogrom (Rusland).
Poh, pou, bah!
Poignancy, pôin’nsi, subst. v. Poignant, pôin’nt, scherp, bitter, stekelig, pijnlijk.
Poind, pôind, schutten van vee; beslag leggen op (voor schuld).
Point, pôint, subst. punt, spits, stip, stift, naald, nestel, oog, naaldkantwerk, doel, nadruk, gedachte, uitdrukking, eigenaardigheid, trek, wissel; Point verb. punten, scherpen, wijzen, richten, aanleggen, voegen, staan, pointeeren: What is the point = wat is de kwestie? That is a great point for me = van groot belang; That is rather a nice point with him = teer punt; He enumerated all the good points of his horse = eigenschappen; Blue points = een klein soort oesters (Amer.); The points of a speech = hoofdpunten; At the point of death (= On the point of dying); This is a case in point = dit is zoo’n geval als waarvan we thans spreken; In point of money = uit een oogpunt van; To rise to a point of order = vragen of de spreker niet “buiten de orde” is; In (from) a literary point of view = uit een letterkundig oogpunt; What you say there is not to the point = ter zake dienende; To be armed at all points = van top tot teen gewapend, op alles voorbereid; To come to a point = staan (van jachthonden); Things had come to such a point that further delay would have been disastrous = hadden zulk eene hoogte bereikt; That’s what I call coming to the point = dat is nu eens op den man af; It came to the point = het kwam er op aan; Things were growing to a point = men kon het einde zien aankomen; We hate militarism to the point that = zoozeer, dat; You didn’t gain your point, you missed it = ge hebt uw doel niet bereikt, uw zin niet gekregen; He gave me points in (at) billiards = gaf mij vóór; To lend point to = accentueeren, sterk doen uitkomen; He always made (it) a point to stand (of standing) high in his employer’s regard = hij stelde zich altijd ten doel; The rain always makes a point of setting in when I wish to go out = heeft het er altijd op gezet te beginnen; He has tried to prove it, but his point is not absolutely made = maar is hierin niet volkomen geslaagd; Don’t press the point = dring niet te zeer aan; We shall not pursue the point = er niet verder op aandringen; I will not put too fine a point upon it = er niet te veel van zeggen; That would be straining (stretching) a point = daarmee zouden we een uitzondering maken, het niet zoo nauw nemen; To point a moral = tot zedeles doen strekken; This story points a moral against party disputes = bevat een les tegen; He pointed at me = behandelde verachtelijk; The cannon was pointed at the gate = was gericht op; To point out = aanwijzen, in ’t licht stellen; The clock pointed to the hour, to seven = wees het uur aan, stond op zeven; Point-blank = recht op het doel af, zonder omwegen, op den man af, botweg: I told him so point-blank = ik heb het hem in zijn gezicht gezegd; Pointsman = wisselwachter; Pointed = gepunt, scherp, geestig, geestrijk: A pointed remark = fijne, scherpe opmerking; She only answered when pointedly addressed = als het woord bepaaldelijk tot haar gericht werd; Pointer = wijzer, staande hond, stift, graveerstift; etsnaald; Pointless = stomp, dom, niet geschikt of ter zake.
Poise, pôiz, subst. gewicht, belang, evenwicht, houding; Poise verb. wegen, overwegen, in evenwicht brengen of zijn: The elegant poise of her head; The cloud hung at poise over the hill = hing zwevend; Poise down = drukken, onderdrukken.
Poison, pôiz’n, subst. vergift; Poison verb. vergiftigen, besmetten: Poisoned cup = giftbeker = Poison-cup; Poison-fang = gifttand; Poisoner; Poisonous = vergiftig; subst. Poisonousness.
Poitiers, pôitîəz.
Poke, pouk, subst. zak, blaas, stoot, duw; Poke verb. duwen, stooten, tasten, voelen, zoeken, onderzoeken, beuzelen (Amer.): That was a sly poke at him = dat was een steek op hem; His life and character were poked into = nauwkeurig onderzocht; He poked his head through the window = stak; He can poke fun urbanely = op fijne wijze spotten of schertsen met, over; He poked some very effective fun at continental customs = spotte raak met....; Poke-bonnet = ouderwetsche tuithoed; Poker = pook; boeman (Am.), pedèl v. den Vice-Chancellor (Oxf.), slakkensteker (degen), bluffen (kaartspel): As stiff as a poke; To have swallowed the poke = To have a poke up one’s back = zich stijf houden (gedragen); Poke-drawing = brandschilderen; Poky = onnoozel, dom; bekrompen, nauw, klein: A poky little place = bekrompen, klein; A poky little staircase = zeer nauwe trap.
Polacca, pəlakə, driemaster (Middell. Z.).
Poland, poul’nd, Polen; Polander = Pool.
Polar, poulə, pool...: Polar bear = ijsbeer; Polar circles = poolcirkels; Polar expedition; Polar sea; Polar star = poolster; Polarity, pəlariti, polariteit; Polarizable, pouləraizəb’l, polariseerbaar; Polarization = het polariseeren; Polarize = polariseeren.
Polder, pouldə, polder.
Pole, poul, Pool.