Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 117

Chapter 1173,265 wordsPublic domain

Shovel, šɐv’l, subst. schop; Shovel verb. scheppen, opscheppen; Shovel-board = trokspel, troktafel; Shovel-hat = platte hoed met breeden rand (door Eng. geestelijken gedragen); Shovelful = schopvol; Shoveller.

Show, šou, subst. vertoon, tentoonstelling, voorkomen, schijn, praal, schouwspel, vertooning; Show verb. toonen, vertoonen, (aan)wijzen, duidelijk maken, bewijzen, onderrichten, zich vertoonen, pronken (off): Lord Mayor’s show = optocht van den L. M. in Londen (9 Nov.); He hasn’t any show = geen kans; He makes no show of his learning = loopt niet te koop met; Under a show of friendship = onder den schijn van; The meeting expressed their opinion by show of hands = door het opsteken der handen; Even in rebuke his great heart shows = toont zich zijn edel hart; The wood began to show = het hout kwam door de verf kijken; Something showed on the ground = lag zichtbaar; Gypsy blood will show = verloochent zich niet; You should not show = u niet decolleteeren; To show fight = de tanden laten zien, willen vechten; He showed his heels = ging aan den haal; To show the way; To show about = overal laten kijken; The heavens show forth the glory of the Lord = verkondigen; Will you show the gentleman in? = mijnheer binnenlaten? His face showed of a purple hue = nam eene purperen tint aan; He is a clever fellow, but he does not show it off = maar hij loopt er niet mee te koop; He shows off his gold chain = pronkt met; He showed me over the picture-gallery = liet mij zien; Will you show him up? = hem boven laten komen; He was shown up = ontmaskerd; Show-bill = groot aanplakbiljet; Show-box = kijkkastje; Show-bread = toonbrood (bij de Israëlieten); Show-card = reclameplaatje; Show-case = uitstalkastje, vitrine; Showman = spulleman; Showman’s cart = kermiswagen; Show-place = uitstalplaats, bezienswaardigheid; Show-room = monster-, modelkamer; Show-scholar = model v. een leerling; Show-window = uitstalvenster; Shower of tricks = goochelaar; Showiness, subst. v. Showy = praalziek, opzichtig.

Shower, šauə, subst. bui, plasregen, drom, vloed; Shower verb. beregenen, begieten, overstroomen, rijkelijk (doen) nederdalen: Shower of arrows, stones; He showered down wealth and honour on his favourites = stortte uit over; Shower-bath = stortbad; Showerless = zonder buien; Showery = buiïg, regenachtig.

Shown, šoun, p.p. van to show.

Shrank, šraŋk, imperf. van to shrink.

Shrapnel (shell), šrapn’l(šel), granaatkartets.

Shred, šred, subst. reepje, stukje, tittel of iota, lap; Shred verb. in reepen snijden, knippen: Shredded wheat = grof meel; Shredding = stuk, lap, brok, reepje; Shreddy = uit brokken bestaande; Shredless.

Shrew, šrû, subst. helleveeg, manwijf; spitsmuis; Shrew-mole = Amer. waterrat; Shrew-mouse = spitsmuis; Shrewish = twistziek, lastig; subst. Shrewishness.

Shrewd, šrûd, sluw, listig, loos, scherpzinnig, vinnig, lastig, netelig; Shrewdly = buitengewoon, kras; Shrewdness = sluwheid, etc.

Shrewsbury, šrûzbri, šrouzbri.

Shriek, šrîk, subst. gil, schel geluid; Shriek verb. gieren, gillen: To give (utter) a shriek; Shrieks of laughter; He shrieked out: “Murder” = hij gilde: “moord”; Shrieker.

Shrift, šrift, biecht, absolutie.

Shrike, šraik, klauwier, wurger.

Shrill, šril, schel, snerpend; Shrill verb. gillen, piepen, uitkrijschen, een schel geluid geven; Shrill-gorged = met snerpenden klank; Shrill-tongued = met schelle stem; subst. Shrillness; adj. Shrilly.

Shrimp, šrimp, garnaal; dwerg; Shrimp verb. garnalen vangen; Shrimper.

Shrine, šrain, subst. reliquieënkastje, grafteeken, altaar, heilige plaats; verb. in een shrine plaatsen.

Shrink, šriŋk, subst. ineenkrimping (van vrees), samentrekking, plooi; Shrink verb. samentrekken, inkrimpen, rimpelen, terugdeinzen, ineenkrimpen, huiveren: I shrink at the very thought = huiver bij; He did not shrink from the task = deinsde niet terug voor; He shrunk into a recess = kroop in; Shrinkage, vermindering, verlies: There were shrinks as living had become more expensive = men moest zich bekrimpen; To allow a margin for shrink = (fig.) er om denken, dat iets wel eens wat tegen kan vallen; Shrinker: Cowardly shrinker = lafaard.

Shrive, šraiv, biechten, absolutie geven: He shrived himself = hij biechtte; Shriver; Shriven, šriv’n, gebiecht.

Shrivel, šriv’l, krimpen, rimpelen, verschrompelen: Shrivelled with age = gerimpeld.

Shroff, šrof, O.I. bankier of wisselaar; ook verb.; Shroffage = onderzoek van munten; commissieloon aan wisselaars.

Shroud, šraud, subst. kleed, kleederen, dekkleed, lijkwa, omhulsel, beschutting (Shrouds = want, scheepst.); Shroud verb. omhullen, verbergen, in een doodskleed wikkelen, zich verschuilen: He shrouded himself from danger = beschutte zich tegen; Shroudless.

Shrove, šrouv, imperf. van to shrive.

Shrove, šrouv, vasten: Shrove Sunday; Shrovetide = vastentijd; Shrove Tuesday: Shroving = vasten(avond)feesten.

Shrub, šrɐb, subst. heester, struik; vruchtenlimonade vaak met spiritualiën, bijv. Rum shrub; Shrubs = zandgoed (tabak); Shrubbery = heesteraanleg, boschje; Shrubby = vol heesters, heesterachtig; Shrubless = kaal, zonder struik of heester.

Shrug, šrɐg, de schouders ophalen; ook subst.: To give a shrug.

Shrunk, šrɐŋk, imperf. en part. perf. van to shrink; Shrunken = gekrompen, verwelkt, dor.

Shuck, šɐk, schaal, bast, dop, bolster; Shuck verb. doppen; Shucks = onzin, malligheid.

Shudder, šɐdə, subst. beving, huivering; Shudder verb. huiveren, trillen, sidderen: To give a person (the) shudders = doen huiveren.

Shuffle, šɐf’l, subst. geschuifel, schuifelende gang, schudden, uitvlucht; Shuffle verb. voortschuiven, schuifelen, voortduwen, dooreenschudden, wassen (van kaarten), mengen, uitvluchten zoeken, sloffen, schuifelend loopen: The usual shuffle of responsibility = ontwijken der verantwoordelijkheid; He shuffled away my card = heeft weggemoffeld; I am glad I shuffled him off = dat ik van hem af ben; Everything was shuffled up = verward en haastig bijeengegooid; Shuffle-cap = spel, waarbij geldstukken in eene muts geschud worden; Shuffler = schuifelaar, bedrieger, uitvluchtenzoeker; Shuffling, subst. voorwendsel, uitvlucht; adj. schuifelend loopend, listig, uitvluchten zoekend.

Shun, šɐn, schuwen, vermijden, ontvlieden.

Shunt, šɐnt, subst. zijspoor, zijtak, het op een zijspoor brengen; Shunt verb. op een zijspoor brengen, rangeeren, omleggen, een andere richting geven, wegzenden: He now gives you the shunt = stuurt je weg; The train was shunted on to a siding = werd op een zijspoor gebracht; He shunted it on to me = schoof het mij op den hals; Shunter = wisselwachter; Shunting-engine = rangeerlocomotief.

Shut, šɐt, sluiten, dichtdoen, dichtgaan: To shut the door in a person’s face = voor zijn neus; To shut one’s eyes to (fig.); Shut-down = stilstand van fabriek of werk; Shut in by enemies = omringd door; He must be shut out = buitengesloten; To shut up = opsluiten; The umbrella won’t shut up properly = wil niet behoorlijk dicht; The road (passage) was shut up = versperd, gesloten; Shut up, Sir = houd je mond, vent; I shut him up = snoerde hem den mond; He pushed the door shut with his foot = hij duwde de deur dicht; Shutter = sluiter, luik, blind: Let’s have the shutters up = zet de blinden of luiken er vóór; To put up (take down) the shutters.

Shuttle, šɐt’l, schietspoel (wevers), schuitje in een naaimachine; Shuttle-cock = pluimbal, raket(spel) = Battledore and shuttle: To play at shuttle = raketten.

Shy, šai, subst. worp, mik, tik, steek (fig.), zijsprong; adj. schuw, schichtig, beschroomd, voorzichtig, wantrouwend; Shy verb. gooien, slingeren, slaan naar, schichtig worden, afschrikken: Cocoa-nut shy = spel waarbij men met ballen naar kokosnoten gooit; Shall we have a shy at the gambling-table? = een kansje wagen; I had a shy at the pheasant = mikte en schoot op; I had two shies at the same exam (əgzam) = heb het tweemaal geprobeerd; To be shy of doing (telling) = niet recht durven: To fight shy of = angstig vermijden: Novelists should fight shy of sensation = zich onthouden van; We looked shy upon it = zagen het argwanend aan; The horse shied at a tree = werd schichtig; He shied at the weathercock = gooide naar; Shy widow = een gezelschapsspel; Shyness; Shyster = schurk, beunhaas (Amer.).

Siam, saiam, sîâm, Siam; Siamese, saiəmîz, saiəmîs, van S., Siamees. Siberia, saibîriə, Siberië; Siberian = Siberisch; Siberië.

Sibilance, Sibilancy, sibil’ns(i), het hebben van een sissend geluid; Sibilant, sibil’nt, subst. sisklank; adj. sissend; Sibilation, sibileiš’n, het sissen, sisklank.

Sibyl, sibil, Sybille, profetes; Sibylline, sibil(a)in, Sybillijnsch, profetisch: Sibylline Books.

Sic, sik, zóó, dus (staat het er).

Siccate, sikeit, drogen; subst. Siccation; Siccative, sikətiv, subst. en adj. opdrogend (middel); Siccity, siksiti, droogte, schraalheid.

Sice, sais, zes: Sice point = alle zes (dobbelen).

Sicily, sisili, Sicilië; Sicilian, sisilj’n, Siciliaan(sch): Sicilian Vespers.

Sick, sik, ziek, misselijk, zwak, moede (fig.), verlangend (for): sick at the stomach = misselijk; He feels sick at heart = mistroostig, droevig gestemd; I am sick of delays = moe; Sick of life; Sick of them; Sick for love; To get sick for a strange face = vurig verlangen naar; He is sick to death = doodziek; I am as sick as a horse = zoo misselijk als eene kat, ziek als een hond; It makes me feel sick = ’t walgt me; Sick-bay = ziekenboeg; Sick-club = Sick-fund; Sick-bed; Sick-fund; Sick-headache = migraine; Sick-leave = verlof voor ziekte; I am on the sick-list = ik ben patient; Sick-nurse; Sick-room; Sicken = ziek worden, kwijnen, walgen, ziek (misselijk) maken: Charlie is sickening for the measles = heeft onder de leden; All my joy sickened into sorrow = werd vergald tot; This has sickened me of soldiering for life = mij voorgoed doen walgen; Sickish = eenigszins ziek of misselijk; subst. Sickishness. Zie Sickly.

Sickle, sik’l, sikkel; Sickle-man = maaier, oogster.

Sickly, sikli, zwak, ziekelijk, ongezond, walgelijk: Sickly constitution; A sickly smell = walgelijke lucht; Sickness = ziekte, ongesteldheid, misselijkheid: Sickness Insurance = ziekteverzekering.

Side, said, subst. zijde, kant, rand, helling, oever, strand, buurt, streek, partij, bluf, effect (biljart); Side verb. de partij kiezen van, zich scharen bij, het houden met (with); terzijde leggen: Blind side (Weak side) = zwakke zijde, zwak; Bright side = lichtzijde; Dark side (Shady side); This side up! = dit boven (op kisten); It is always best to err on the safe side = men kan niet te voorzichtig zijn; Wrong side out = buitenste binnen; He looks at the world from the wrong side = van den verkeerden kant; I felt a pain in my side = pijn in de zij; On (At) your side = aan uwen kant; The letters were placed on one side, and passed out of knowledge = ter zijde; The driver walked on the near side of the horse = links van; He is my uncle on (by) the father’s side = van vaderskant; Is my hat on one side? = staat mijn hoed scheef; On both sides, on either side = aan beide zijden, aan weerskanten; Side by side = zij aan zij; To choose sides = zich verdeelen; To put on side = zich “airs” geven; To put on too much side = zich te veel airs geven; You have put too much side on = (den bal) te veel effect gegeven; To present the best side to view = de beste brooden voor het venster leggen; To take the, a side (sides) against, for = partij kiezen tegen, vóór; I take no sides = kies geen partij; To thrust on one side = op zijde duwen (ook fig.); They sided against, with the government = kozen partij tegen, voor; Side-arm = zijdgeweer; Sideboard = buffet; Side-box = zijloge; To hear through a side-channel = van de buitenwacht vernemen; Side-cut = zijkanaal, zijweg; steek onder water; Side-dish = entremets; Side-door; Side-glance = blik ter zijde, zijdelingsche blik; Side-issue = bijzaak; Side-light = zijlantaarn; Side-piercing = hartverscheurend; Side-saddle = dameszadel; Side-show = nevenhandeling; Side-slip = het “slippen” van een fiets; Side-splitter = iets om je dood te lachen; Side-table = schenktafel, wandtafeltje; Side-track = zijspoor; Side-track verb. op een zijspoor brengen, terzijde schuiven; Side-view = gezicht van ter zijde; Sidewalk = trottoir (Amer.); Side-wheeler = raderstoomboot; Side-whiskers = bakkebaarden; Side-wind = zijwind: To hear by a side-wind = van de buitenwacht; Side-wing = coulisse; Sided: A many sided man = veelzijdig ontwikkeld; Sidelong, adj. en adv. zijdelings(ch); Sidesman = beambte die den kerkvoogd terzijde staat; kerkeknecht; Sideways, Side-wise = van ter zijde, schuin (tegenover).

Sidereal, Sideral, saidîr(i)əl, sterren....: Sidereal clock, Sidereal day, Sidereal hour, Sidereal month; Sidereal year.

Siderography, saidərogrəfi, staalgraveerkunst.

Siding, saidiŋ, wisselspoor (v. treinen); To sidle = zich zijdelings bewegen: He sidled off to the door = ging met zijwaartsche beweging naar de deur.

Sidmouth, sidməth; Sidney, sidni.

Siege, sîdž, subst. beleg(ering), bestorming; Siege verb. belegeren: To lay siege to = het beleg slaan om; To proclaim under a state of siege = in staat van beleg verklaren; To raise the siege = opbreken; Siege-guns (-ordnance) = belegeringsgeschut.

Sierra, sierə, bergketen: Sierra Leone (lîounî); Sierra Nevada (nivâdə).

Siesta, siestə, middagslaapje.

Sieve, siv, subst. zeef: To use a sieve for drawing water = To pour water into a sieve = nuttelooze moeite doen.

Sift, sift, zeven, ziften, nauwkeurig nagaan, uitvragen: To sift grain from husk = To sift the chaff from the wheat = het kaf van het koren scheiden (fig.); To sift to the bottom = grondig onderzoeken; To sift out = uitvorschen; Sifter.

Sigh, sai, subst. zucht; Sigh verb. zuchten, smachten naar, zuchten om: To draw (fetch, heave) a deep sigh = een diepen zucht slaken; To sigh for (after) = smachten naar; Sigher.

Sight, sait, subst. gezicht, visioen, de oogen, aanblik, schouwspel, merkwaardig iets, korrel (op het geweer), hoop; Sight verb. zien, in het gezicht krijgen, richten: Impaired sight = verzwakt gezichtsvermogen; Short sight = bijziendheid; Payable at sight = op zicht; To play, to read at sight = van ’t blad, voor de vuist weg; At first sight = op het eerste gezicht; The steamer is in sight; In (the) sight of the harbour = in ’t gezicht van; On sight = te kijk, op keur; Out of sight out of mind = uit het oog, uit het hart; She is a sight more sensible than you = oneindig verstandiger; He got through a sight of work = deed heel wat; He has a sight of money = een “bom” geld; My cheeks and nose are so swollen, I look a perfect sight = zie er uit om van te schrikken; That is a sight to see = de moeite waard om te zien; To catch sight of = in ’t oog krijgen; I gained (lost) sight of it = kreeg in (verloor uit) het oog; I hate the sight of the fellow = mag niet zien; To know by sight = van aanzien; He lost, recovered his (eye-)sight = hij is kwijt, hij kreeg terug; These repeaters were sighted up to a thousand yards = tot op duizend yards kan men juist schieten met; We sighted an island, but we did not touch at it = kregen in het gezicht; Sight-hole = kijkgat; Sight-seeing = het bezien van merkwaardige dingen; Sight-seer; Sighted = van een vizier voorzien: Long-sighted, Short-sighted = ver-, bijziend; Sightless = blind; subst. Sightlessness; Sightly = aangenaam voor het oog, vrij.

Sigismund, sidžism’nd.

Sign, sain, subst. teeken, aanwijzing, gedenkteeken, zinnebeeld, voorteeken, uithangbord, sterrenbeeld; Sign verb. teekenen, een teeken geven: We have put up a new (business) sign = nieuw uithangbord opgehangen; Of course, all signs fail in dry weather = natuurlijk, dan kan men er niet op rekenen; We stayed at the sign of the ship = hebben gelogeerd in (het logement) “Het Schip”; Sign-board = uithangbord; Sign-manual = handteekening; Sign-post = handwijzer, uithangbord; Signer.

Signal, sign’l, subst. sein, teeken; adj. uitstekend, in het oog vallend; Signal verb. seinen, signalen geven, wenken, aankondigen: Signal of distress = noodsein; A signal victory = een glansrijke overwinning; Signal-box = seinhuisje; Signal-code = signaal code; Signal-flag; Signal-gun = seinschot; Signal-lamp, Signal-light; Signal-man = seinwachter; The new periodical has long been signalled = is al geruimen tijd aangekondigd; Signalize = zich onderscheiden.

Signatory, signətəri, subst. onderteekenaar; adj. onderteekenend: The signatories to this protest; Signature, signətjə, onderteekening, teeken, signatuur, kruis of mol (muz.): He affixed his signature to the deed = zette zijn naam onder.

Signet, signət, zegel(ring); Signet-office; Signet-ring.

Significance, Significancy, signifik’ns(i), beteekenis, nadruk, gewicht; Significant, signifik’nt = beteekenisvol, gewichtig, beteekenend, aanduidend: To be significant of = aanduiden; Signification, signifikeiš’n, beteekenis; Significative = aanduidend, beteekenend; Signify, signifai, beteekenen, te verstaan geven, van gewicht zijn: He signified his wishes = gaf te kennen; That doesn’t signify = zegt niets, doet er niets toe.

Signor, sî-njə, Mijnheer (Ital.); Signora, sî-njôrə, Mevrouw (Ital.); Signorina, sî-njərînə, Mejuffrouw.

Sikh, sîk, Sikh, soldaat van een krijgshaftigen stam in Brit. Ind.

Silas, sailəs, Silas.

Silence, sail’ns, subst. stilte, stilzwijgen, geheimhouding, stilzwijgendheid; Silence verb. tot zwijgen brengen, den mond snoeren, kalmeeren; interj. Stil! Zwijg! To break the silence; Silence gives consent = wie zwijgt stemt toe; To keep (observe) silence = bewaren; We pass this over in silence = gaan dit met stilzwijgen voorbij; To put (reduce) to silence = brengen tot; Silent, sail’nt, zwijgend, stil: To be silent of = zwijgen van; William the Silent = Willem de Zwijger; Silent partner = stille vennoot; Silent system = stelsel van eenzame opsluiting; subst. Silentness.

Silenus, sailînəs. Silesia, silîšə, Silezië: Silesia lawn = een soort batist; Silesian = Silezisch; Sileziër.

Silex, saileks = Silica.

Silhouette, siluet, silu-et, silhouet; ook verb.: To take a silhouette = silhouetteeren; The elephant’s form was silhouetted against the rock = teekende zich af op de rots.

Silica, silikə, kiezelaarde; Silicate, silicaat: Silicate cotton = slakkenwol; Siliceous varnish = waterglas.

Silicle, sîlik’l, dopje; Silique, silîk, sîlik, hauw.

Silk, silk, subst. zijde, zijden stof, zijden japon; adj. zijden, zijdeachtig: He wears (has taken) silk = hij is King’s (Queen’s) Counsel (geworden); He is a learned silk = een knap advocaat; A silk dress = zijden japon; Silk gown = zijden toga van een King’s Counsel; Silk-man, Silk-mercer = zijdehandelaar; Silk-mill = zijdefabriek; Silk-thrower, Silk-throwster = zijdetwijnder; Silk-weaver = zijdewever; Silk-worm = zijdeworm; Silk-worm-gut = fijn hengelsnoer; Silken = zijdeachtig, zacht als zijde: Silken hair = zacht haar; Silken speech; Silkiness, subst. v. Silky = van zijde, glanzig, zacht.

Sill, sil, drempel, steunbalk, kozijn.

Sillabub, siləbɐb, gerecht, gemaakt van wijn of cider met room of melk: Mere Sillabub = gewoon zwendelarij.

Silliness, silinəs, subst. v. Silly, sili, onnoozel, sullig, dwaas; ook subst.: He had been knocked silly for a time = was bewusteloos geslagen; A silly notion = dwaas idee; The silly season = komkommertijd; Silly Suffolk (een Parish ekename).

Silo, sailou, kuil voor groen voeder, inkuiling: To put green in silos = inkuilen.

Silt, silt, subst. slik, slib; Silt verb. verzanden (up), sijpelen, aanslibben.

Silvan, silv’n = Sylvan.

Silver, silvə, subst. zilver(geld), zilverwerk; adj. zilveren, zilverachtig; Silver verb. verzilveren, foeliën: Hand-beaten silver = gedreven; He was born with a silver spoon in his mouth = als kind van rijke ouders, als gelukskind; It is only copper silvered over = verzilverd koper; Silver-fir = zilverspar; Silver fleet; Silver-fork School = de school, die slechts ’t leven der hoogere standen in hare romans behandelt; Silver-fox = zilvervos; Silver-haired = met witte of zilverachtige haren; Silver-leaf = bladzilver; Silver-paper; Silver-side = de onderkant van een runderbout; Silver-smith = zilversmid; Silver-stick = officier (van de lijfwacht), die dienst doet bij hoffeesten; Silver wire = zilverdraad; Silverite, silvərait, voorstander van den dubbelen muntstandaard; adv. Silverly; Speech is silvern, but silence golden; Silvery = met zilver bedekt, schitterend, rein.

Silvester, silvestə.

Simarre, simâ, vrouwenkleed, wijde japon.

Simeonites, simjənaits, Simeonieten; aanhangers van Charles Simeon, leider der Low Church party (1759–1836).

Simian, simj’n, aapachtig, aap...

Similar, similə, subst. gelijke; adj. gelijk, dergelijk; Similarity, similariti, overeenkomst, gelijksoortigheid; Simile, simili, vergelijking; Similitude, similitjûd, gelijkenis, overeenkomst, evenbeeld.

Similor, similö, spinsbek.

Simioid, simiôid, Simious, simiəs = Simian.

Simitar. Z. Scimitar.

Simmer, simə, zacht (laten) pruttelen of koken: The plan is simmering already = het plannetje staat al te vuur.

Simon, saim’n, Simon, sukkel: The real Simon, Pure Simon = de ware naam, de ware man.

Simoniac, simouniak, die zich schuldig maakt aan Simony; Simoniacal, simənaiək’l, schuldig aan Simony, siməni, simonie, het verkoopen van geestelijke ambten.

Simoom, simûm, Simoon, simûn, samoem, heete verstikkende woestijnwind.

Simper, simpə, subst. gemaakte glimlach; domme lach; Simper verb. gemaakt lachen, meesmuilen; Simperer.

Simple, simp’l, eenvoudig, enkel, niet samengesteld, onnoozel, naïef, argeloos; subst. geneeskrachtige plant: Gentle and simple = hoog en laag (v. personen): Simple Simon = onnoozele hals; Simple-hearted, Simple-minded = naïef, argeloos; subst. Simple-mindedness; Simpleness = Simplicity; Simpleton = sukkel, onnoozele bloed; Simplicity, simplisiti, eenvoud, natuurlijkheid, duidelijkheid, onnoozelheid; Simplify = vereenvoudigen; Simply = eenvoudig, slechts, geheel en al; Simplification, subst. v. Simplify, simplifai, vereenvoudigen.

Simulacrum, simjuleikr’m, schijnbeeld.

Simulate, simjuleit, veinzen, fingeeren, voorwenden, simuleeren, nabootsen; adj. simjulit; subst. Simulation; Simulator.

Simultaneity, sim’ltənîiti, subst. v. Simultaneous, sim’lteiniəs, gelijktijdig; subst. Simultaneousness.

Sin, sin, subst. zonde, overtreding; verb. zondigen, overtreden: It is a sin and a shame = zonde en schande; Deadly (Mortal) sin = doodzonde; Original sin = erfzonde; Venial sin = vergeeflijke zonde; To commit a sin; Sin-offering = zoenoffer; Sinful = zondig, verdorven; subst. Sinfulness; Sinless = onschuldig; subst. Sinlessness; Sinner = zondaar.

Sinai, sainiai, sainai, sainei; Sinaitic, sainiitik, Sinaï betreffend.

Sinapis, sineipis, mosterdplant; Sinapism, sinəpizm, mosterdpleister.

Since, sins, adv. en prep. sedert; conj. omdat, dewijl, vermits: Ever since = van toen af; Long since = lang geleden; A short time since = kort geleden; Since ever = vanaf ’t oogenblik; Since you cannot get there, you had better not complain = aangezien gij daar niet kunt komen.

Sincere, sinsîə, oprecht, zuiver: Yours Sincerely = je toegenegen; subst. Sincereness = Sincerity, sinseriti.

Sincipital, sinsipit’l, voorhoofds...; Sinciput, sinsipɐt, kruin, voorhoofd.

Sind, sind; Sindbad, sindbad.

Sine, sain, sinus.

Sine, sainî: To adjourn sine die (dai-î) = voor onbepaalden tijd uitstellen.

Sinecure, s(a)inəkjuə, sinecure; Sinecurism; Sinecurist.

Sinew, sinjû, subst. pees, zenuw, spier, ziel; Sinew verb. stalen, sterken: The sinews of war = (het noodige) geld; Sinewed = gespierd, krachtig; Sinewless = zonder kracht; Sinewy = Sinewed.