Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 9

Chapter 93,108 wordsPublic domain

Balance, bal’ns, subst. balans, schaal, evenwicht, Weegschaal (Dierenriem); onrust, saldo; Balance verb. wegen, balanceeren, in evenwicht brengen (houden, zijn), gelijk maken, opmaken: To be off one’s balance = wat van streek zijn; Our destinies hang (tremble) in the balance = hangt aan een zijden draad; I have a balance (in my favour) at my banker’s = (batig) saldo; I’ll pay the balance in sherry = wat er te kort is; To strike the balance = de balans opmaken; Balance of power = staatkundig evenwicht; Balance of trade = handelsbalans; Balance-bridge = wipbrug; Balance-fish = hamerhaai; Balance-knife = tafelmes, waarvan door het zware heft het lemmet niet het tafellaken raakt; Balance-master, Balance-mistress = équilibrist; Balance-pole = balanceerstok; Balance-sheet = balans; Balance-step = zweefpas; Balancer = koorddanser; équilibrist.

Balas(s)-ruby, baləsrûbi, roode spinel.

Balcony, balkəni, balkon.

Bald, bôld, kaal, naakt, armzalig; met witten kop: Bald-face = slechte whiskey (Amer.); Bald-head(ed), Bald-pate(d), subst. (en adj.) = kaal(kop).

Baldachin, baldəkîn, baldakijn.

Balderdash, bôldədaš, subst. wartaal, onzin; bocht.

Baldric, bôldrik, gordel of schouderriem.

Baldwin, bôldwin, Boudewijn.

Bale, beil, subst. baal; onheil; verb. in balen verpakken; uithoozen. (Zie Bail). Bale-fire = brandstapel; bakenvuur; Baling-paper = sterk pakpapier (Am.); Baleful, noodlottig, onheilspellend.

Balearic Islands, baliarikail’ndz, Balearische eilanden.

Baleen, bəlîn, balein.

Balfour, balfə; Baliol, beiliəl.

Balise, (Balize), bəlîz, baken.

Balk, bôk, subst. balk; ongeploegd gelaten strook land; teleurstelling, veredeling; Balk verb. dwarsboomen, verijdelen, teleurstellen; blijven steken; weigeren te springen, onaangeroerd laten; aanwijzen van de richting van haringscholen: Balk-line = streep (bij den onderband van een E. biljart); Balker = een visscher, die vanaf een hoogte signalen geeft over de haringscholen; Balky = koppig.

Balkan, bôlk’n of balkân: The Balkans = Balkanstaten.

Ball, bôl, bal, balspel, kogel, kluwen, (rijks)appel; Ball verb. (zich) tot een bal vormen: Ball and socket joint = kogelgewricht; The Ball of the foot = bal, zool, holte van den voet; A ball of wool = kluwen; Brandy balls = soort balletjes; Uncle three balls = “Oome Jan”; To have the ball at one’s feet = ’t spel in handen hebben (fig.); To hole a ball = stoppen (bilj.); To keep the ball rolling = iets aan den gang houden = (To keep the ball up); To load with ball = met kogels; To open the ball = het bal openen; discussies, strijd beginnen; To set (To start) the ball rolling = iets aan den gang brengen; The snow balled under the hoofs of the horses; Ball-cartridge = scherpe patroon; Ball-cock = balkraan, waardoor de watervoorraad in een vat vanzelf geregeld wordt door een drijvenden bal, die haar opent of sluit; Ball-proof = kogelvrij; Ball-room = balzaal.

Ballad, baləd, ballade; straatdeun; Ballad-maker, Ballad-monger = liedjesverkooper (Ballad-maker).

Ballast, baləst, subst. ballast; puin; Ballast verb. ballasten, in evenwicht houden; met puin bestrooien; Ballastage = rechten op ’t innemen van ballast.

Ballet, balei, ballet: A hole in the ballet = ironische uitroep wanneer iemand blijft steken in zang of voordracht; Ballet-dancer; Ballet-master.

Bal(l)ista, bəlistə, balist; Ballistic = ballistisch; Ballistics = balistiek.

Balloon, bəlûn, ballon, bol, kolf; Balloon verb. (laten) opstijgen; opzwellen; kunstmatig opdrijven (Amer.): To fly red balloons = ballonnetjes oplaten; Captive (Dirigible) balloon = ballon captief (bestuurbare); Ballooner, Balloonist = luchtschipper.

Ballot, balət, subst. (stem) balletje of briefje; (geheime) stemming; loting; het aantal uitgebrachte stemmen; Ballot verb. stemmen, balloteeren, uitloten: To cast a ballot = stemmen uitbrengen; To make a special ballot for = laten stemmen over; The ballot was taken on the resolution = er werd over gestemd; Ballot-box = stembus; Ballot-paper = stembriefje.

Balm, bâm, subst. balsem; troost; balsamieke reuk; balsemboom, bijenkruid; Balm verb. zalven; verlichten, lenigen; Balm-cricket = zwarte veldkrekel; Balminess = balsemachtigheid; Balmy = balsamiek, verzachtend: He is Balmy on the crumpet = het scheelt hem in zijn bol.

Balmoral, balmor’l, Balmoral; Balmoral boot = soort rijglaars; Balmoral cap = soort Schotsche muts.

Balneary, balnjəri, bad ...; Balnearies = bad, badplaats.

Balsam, bôls’m, balsem (Zie Balm); balsemine; Balsamic(al) = balsamiek, verzachtend (middel).

Balsamine, bôlsəmain, balsemien. springkruid, kruidje-roer-me-niet.

Baltic, bôltik, Baltisch: The Baltic = Oostzee; Baltimore, bôltimö: Baltimore-bird = Am. zangvogel.

Baluster, baləstə, baluster: Balustered = van balusters voorzien; Balusters = trapleuning; Balustrade = balustrade.

Bam, bam, zwendel; Bam verb. bedriegen.

Bambino, bambînou, kind; eene voorstelling van het kindeke Jezus in de kribbe.

Bamboo, bambû, subst. bamboes; Bamboo verb. met een bamboesstok afranselen.

Bamboozle, bambûz’l, bedriegen, verlakken; Bamboozlement, bedriegerij; Bamboozler, bedrieger.

Ban, ban, subst. afkondiging; verbod, banvloek; boete wegens bankbreuk; Ind. mousseline; Ban verb. vervloeken; verbannen, in den ban doen: To be placed under the ban of the law = (uit)bannen; A banned exile; Zie Banns.

Banal, bein’l, ban’l, banaal, plat, alledaagsch; Banality = banaliteit, gemeenplaats.

Banana, banânə, bənanə, banaan, pisang; Banana-bird = pisangvogel.

Banbury: Banbury cake, banb’rikeik, gebak met fijngehakt vleesch: To ride (a cock-horse) to Banbury cross = een kind op de knieën laten rijden.

Banco, baŋkou, bankgeld, tegenover minderwaardig current money: To sit in banco = in plechtige zitting vereenigd zijn.

Band, band, subst. band, smal lint, koord, keten, hof, zwachtel, rand, drijfriem; troep, korps, kapel, boei, verbond; Band verb. (zich) vereenigen: A plain gold band = gladde (trouw)ring; He has a band upon his hat = rouwband; Endless band = drijfriem; Band and gown = toga en bef; Band of hope = geheelonthoudersvereeniging van kinderen; Band of pearls = snoer; Brass band = fanfarekorps; Musical band = muziekkorps; String band = strijkorkest; Wind band = blaasorkest; Band-box = hoeden(linten) doos; fat: He looked as if he came out of a band-box = je kon hem door een ringetje halen; Band-master = kapelmeester (Military band, Town-band); Bandsman, muzikant; hoboist; Band-stand = muziektent; Bandage, bandidž, subst. verband, zwachtel; Bandage verb. verbinden.

Bandan(n)a, bandanə, rood, blauw of geel gekleurde zak- of halsdoek met witte of gele stippen van katoen of zijde (Indië).

Banderol(l), bandərol, Banderole, bandəroul, vaantje, banderol.

Bandicoot, bandikût, Malabaar rat, Australische buideldas.

Bandit, bandit, (Meerv. Bandits of -ti, banditi), bandiet.

Bandog, bandog, bandrekel.

Bandoleer, bandəlîə, bandelier.

Bandoline, bandəlin, soort pomade; Bandoline verb. pomadeeren, toilet maken.

Bandore, bandö, bandö, soort luit.

Bandy, bandi, heen en weer slaan, elkaar toewerpen, wisselen, disputeeren; subst. hockeyspel, hockeykolf; ossekarretje (Brit. Ind.); adj. krom: Her name was freely bandied about among them = te pas en onpas genoemd; Don’t bandy words with me = disputeer niet; There is no use in our bandying incivilities = elkander onbeleefdheden te zeggen; Bandy-legged = met O-beenen.

Bane, bein, vergif; verderf, pest; rotziekte (bij schapen): He was considered the bane of society = pest; Wolf’s bane = wolfswortel; Banewort, beinwɐ̂t = wolfskers, egelboterbloem; Baneful = giftig; doodelijk.

Bang, baŋ, subst. bons, harde slag, groot geraas, knal; interj. en adv. boem; Bang verb. slaan, stompen, dichtslaan; overtreffen, schallen, knallen, dreunen; het haar recht langs het voorhoofd afknippen; To close with a bang = bons; Bangs = (valsch) ponyhaar (Amer.); Banger = leugen: I never heard (told) such a banger = leugen; He banged his fist on the table = sloeg met; To bang things = hard neergooien; He banged my hat in; To bang each other with quarter staves = afranselen; That took my breath bang away = plotseling; To do a thing in bang-up style = royaal; Bang-shop = minder soort winkel (ook: Slap-and-bang-shop).

Banghy, baŋgi, draagstok; Banghy-post = postpakketdienst; Banghy-wallah = drager.

Bangle, baŋg’l, armring, armband.

Bangle, baŋg’l, verbeuzelen (away); slap neerhangen; Bangle-eared = met slap neerhangende ooren.

Bangy = Banghy.

Banian, banj’n, een Hindoekaste van vegetariërs; koopman, makelaar; katoenen Hindoesch hemd; soort nachthemd of sjamberloek; Banian-days = dagen, waarop vroeger bij de marine geen vleesch werd verstrekt Banian (Banian-tree) = heilige Ind. vijgeboom.

Banish, baniš, verbannen; Banishment, verbanning.

Ban(n)ister, banistə = Baluster.

Banjo, bandžou, banjo.

Bank, baŋk, subst. zandbak, aardwal, talud; oever, bank, geldbank, doft; Bank verb. indammen, (zich) ophoopen; in rekening staan met een bank, deponeeren, realiseeren: Banker = bankier, bankhouder; grondwerker; visschersvaartuig op de banken van New-Foundl.; modelleerbank: Discount (Mortgage bank, Savings bank) = Disconto (Hypotheek-, Spaar-) bank; Bank of Deposit (Bank of Issue) = Deposito (Circulatie) bank; He broke the bank = deed de bank springen; A banked-up fire = bedekt of ingerakeld vuur; Bank-agent = directeur van eene filiaalbank; Bank-bill = wissel, bankbiljet; Bank-book = bankboek; Bank-engine = hulplocomotief (bij hoogten); Bank-holiday = Paaschmaandag, Pinkstermaandag, 1e Maandag in Aug., en 2e Kerstdag; in Schotland Nieuwjaarsdag, Goede Vrijdag, 1ste Maandag in Mei en Augustus en Kerstdag; Bank-note = bankbiljet; Bank-rate = bankdisconto; Banksmack = visschersvaartuig (Newfoundland); Bank-stock = kapitaalvoorraad; Banking and commission-business = bankiers- en wisselzaak (commissionairsz.): Banking-house = bankiershuis.

Bankrupt, baŋkrɐpt, subst. bankroetier; adj. bankroet; Bankrupt verb. bankroet gaan of maken: Act of bankruptcy = faillietverklaring; Bankruptcy commissioner = curator; Bankruptcy Act = wet op het faillissement.

Banner, banə, banier: He joined, followed (fought under) our banners = streed onder onze banieren; bannered = van banieren voorzien; Banneret = baanderheer; vaantje.

Bannock, banək, koek van erwten- of gerstenmeel (Schotl.); Bannockburn, banəkbɐ̂n.

Banns, banz, geboden: To ask (publish, put up) the banns = kerkelijk afkondigen; To forbid the banns = bezwaren inbrengen tegen de afkondiging.

Banquet, baŋkwət, subst. banket; Banquet verb. banketeeren; Banqueter = deelnemer aan een banket; Banqueting-hall = feestzaal.

Banquette, bəŋket, banket (Mil.); steil talud; voetpad op eene brug; trottoir.

Banshee, banši, geest in de gestalte van eene oude vrouw (Ierl. en Schotl.), die een aanstaand sterfgeval aankondigt.

Banstickle, banstik’l, stekelbaars.

Bantam, bant’m, bantam, subst. Bantamsch dwerghoen; adj. Bantamsch; klein; strijdlustig; gewichtig; Bantam-work = nagemaakt Japansch snijwerk.

Banter, bantə, subst. scherts, boert; Banter verb. schertsen, gekscheren, schertsend plagen.

Bantling, bantliŋ, klein kindje: In our Bantling days = kinderjaren.

Banyan, banj’n = Banian (-tree).

Baobab, beiəbab, bâəbab, apenbroodboom.

Baptism, baptizm, doop: Baptism of fire = vuurdoop; Baptismal = doop - -: Baptismal certificate (Baptismal font); Baptist = baptist: St. John the Baptist = Joh. de Dooper; Baptistery = doopkapel; doopbekken; Baptistic = doop - -; baptisten - -; Baptize = doopen.

Bar, bâ, stang, houten boom, sluitboom, hindernis, hefboom, barrière, slagboom; eene zandbank bij den mond eener haven; balie, orde der advocaten, rechtbank; buffet; balk (in een wapenschild), dwarsstreep, eene lijn op den notenbalk (voor de maat); eene exceptie, die ’s klagers aanklacht vernietigt; staaf; Bar verb. met een boom of boomen sluiten; uitsluiten, beletten, belemmeren, versperren, doorkruisen met lijnen en strepen: Horizontal and parallel bars = rekstok en brug; The hunter cleared all the bars = nam al de hindernissen; The host was in the bar = buffet; The bar of the harbour = ondiepte; Bar of soap = reep; The bar are of a different opinion = de advocaten; There is no case at bar at present = aanhangig; A trial at bar = een behandeling voor al de rechters van een hof; At the bar of public opinion; He was called to the bar = werd toegelaten als advocaat; Called within the Bar = tot King’s (Queen’s) Counsel benoemd worden; To change the Bar for the Bench = van advocaat overgaan bij de magistratuur; To cross the bar = sterven; To study for the bar = in de rechten; A bird with a barred tail = gestreept; A crossbar-red shirt; This statute bars my right of a free choice = verhindert; Barring = barring; prep. uitgezonderd: I will take them all Bar(ing) these = met uitzondering van; Barring-out = het buitensluiten van den leeraar door leerlingen (met Kerstmis of Vasten); Bar-iron = staafijzer; Bar-keeper = buffetknecht; kroeghouder (Americ.); Bar-maid = buffetmeisje; Bar-man = buffetknecht; Bar-master = mijnopzichter; Bar-room = gelagkamer; Bar-shoe = rondom gesloten hoefijzer; Bar-soap = zeep aan reepen; Bar-shot = boutkogel; Bar-sinister (Zie Bend-sinister); Bar-tender = buffethouder.

Barb, bâb, subst. Barbarijsch paard; soort duif; baard, schachtveertjes; weerhaak; wapenrusting voor een paard; Barb verb. van weerhaken voorzien; barbieren: Barbed wire fence = prikkeldraadversperring.

Barbacan, bâbək’n, buitenwerk, wachttoren.

Barbados, bâbeidouz, Barbados. (W. Ind.).

Barbarian, bâbêriən, subst. barbaar, wilde, wreedaard; adj. barbaarsch, wild, onmenschelijk; Barbaric, barbaarsch; Barbarism, bâbərizm, barbarisme (gramm.), barbaarschheid, wreedheid; Barbarity = barbaarschheid; Barbarous = barbaarsch; subst. Barbarousness.

Barbary, bâb’ri, Barbarije: Barbary-ape = Turksche aap.

Barbate(d), bâbit(id), behaard.

Barbecue, bâbəkjû, subst. groote rooster; een in zijn geheel gebraden groot dier; volksfeest waar zulk een gebraad wordt opgegeten; terras waarop koffieboonen worden gedroogd (Amer.); Barbecue verb. een dier in zijn geheel braden.

Barbel, bâb’l, barbeel.

Barber, bâbə, subst. barbier, kapper; Barber verb. barbieren, kappen; Barber’s basin, Barber’s plates (brass vessels) = scheerbekken; Barber’s pole = rood en wit geschilderde stok aan de oude barbiers(dokters)winkels.

Barberry, bâberi, berberis, zuurdoorn.

Barbet, bâbət, poedelhond; baardvogel, baardkoekoek.

Barbette, bâbet, barbette, geschuttoren op pantserschepen; geschutbank.

Barbican = Barbacan.

Bard, bâd, zanger, bard; harnas v. een paard; spekreep; Bard verb. van een harnas voorzien; met spekreepen beleggen; Bardic, barden - - = Bardish; Bardism, bardenwezen.

Bardell, bâdəl, bâdel.

Bare, bêə, adj. naakt, bloot, blank, kaal, arm, versleten, ontbloot van; Bare verb. ontblooten, berooven: Under bare poles = voor top en takel; Bare-backed = zonder zadel; Bare-boned, (Bare-ribbed) fellow = mager, broodmager; He told it me barefaced = zonder blikken of blozen, onbeschaamd; Barefacedness; Bare-footed, Bare-headed, Bare-legged, etc.; Barely = nauwelijks; Bareness = naaktheid, behoeftigheid.

Barege, barêž, barège.

Baret, barət, hoofddeksel van Kath. geestelijken, bonnet, baret, kalotje.

Bargain, bâgin, subst. koop, koopje, overeenkomst, afspraak, het gekochte; Bargain verb. een koop sluiten, verkoopen, overeenkomen: To conclude (drive, strike) a bargain = sluiten; He made the best of a bad bargain = hij sloeg er zich zoo goed mogelijk door; A good bargain is a pickpurse = goedkoop duurkoop; I had these goods a dead bargain = spotgoedkoop; I will give you these into the bargain = op den koop toe; Sale bargains = koopjes; A bargain is a bargain = een man een man, een woord een woord; That’s a bargain! afgesproken; He bargained away his farm = verkocht; We had not bargained for his presence = niet gerekend op; He sent me less than I had bargained for = berekend, besteld; Bargain-hunter = loopster op koopjes; Which is the bargainee and which the bargainer = kooper ... verkooper.

Barge, bâdž, barge, praam, lichter; statie(officiers)sloep; een passagiers- of vrachtschip met dubbel dek, getrokken door eene stoomboot (Amer.); (hotel)omnibus = Hotel barge (Amer.); Bargeman = Bargee (bâdžî) = schuitenvoerder = Bargemaster.

Barilla, bərilə, ruwe soda, ook de plant, waaruit deze bereid wordt.

Bark, bâk, subst. schuit, bark; geblaf; bast (van een boom), schors, run; Bark verb. afschillen; blaffen; hoesten: I barked my skin against a wheel = schaafde; Bark-bared = van de bast ontdaan; Bark-galled tree = met beschadigde bast; Bark-pit = looikuil; Barker, blaffer, schreeuwer, iemand die koopers lokt; pistool, kanon; Barky = met schors bedekt.

Barley, bâli, gerst: Hulled (Peeled, Pot, Scotch) Barley = gepelde gerst; French (Pearl) barley = parelgerst; Barley-broth = gerstepap; Barley-corn = gerstekorrel; John Barley-corn = bier; Barley-sugar = gerstesuiker.

Barm, bâm, gist; Barmy = schuimend.

Barn, bân, subst. schuur; Barn verb. in eene schuur opslaan (up); adj. tam, huis - -: Barn-door fowls = pluimgedierte; Barn-owl = kerkuil; Barn-stormer = rondreizend acteur; Barn-yard = erf.

Barnaby, bânəbi, Barnabas.

Barnacle, bânək’l, eendenmossel, klis (fig.); boomgans; Barnacles = neusknijper (voor een paard); lorgnet; martelwerktuig.

Barometer, bəromətə, barometer; Barometric(al), barometrisch, barometer...

Baron, bar’n, baron: Barons of the Exchequer = vijf rechters, die (voor 1873) belastingkwesties tusschen regeering en onderdaan uitmaakten; Baron and feme = man en vrouw (jur. en herald.); Baron of beef = de twee ongescheiden lendestukken van een rund; Barons of the Cinque Ports = (tot 1832, veertien leden van het House of Commons, door de Cinque Ports (nl. Dover, Sandwich, Hastings, Hythe en Romney, waarbij later Winchelsea en Rye kwamen) gekozen); Baronage; Baroness = barones; Baronet = baronet (een baronet heeft, evenals een knight, Sir vóór den doopnaam; de titel van den eerste alleen is erfelijk); The Baronage and the Baronetage of England = alle barons en baronets; Baronetcy = titel of waardigheid van een baronet; Baronial = van een baron; Barony = baronie; waardigheid van baron.

Baroque, bərouk, subst. en adj. barok.

Barouche, bərûš; kales, barouche.

Barrack, barək, barak, keet; Barracks = kazerne.

Barrage, baridž, dam.

Barrator, barətə, omkoopbaar rechter; twistzoeker; iemand die barratry pleegt; Barratry, barətri, het aanzetten tot processen; bedrog door een scheepskapitein gepleegd ten nadeele van de eigenaars, assuradeurs of cargadoors.

Barrel, bar’l, subst. ton, vat, loop (van een geweer), cylinder (in een muziekdoos of orgel), spil; trommel (van het oor, van een horloge), romp van paard of koe; Barrel verb. inkuipen, in een vat doen; Barrel-bulk = vijf kubieke voet; Barrel-bellied = met ronden buik; Barrel-organ = draaiorgel; Barrelled = in vaten gedaan; Double Barrelled = tweeloops.

Barren, bar’n, subst. onvruchtbaar land (dier); adj. onvruchtbaar, droog, onnoozel, waardeloos: Barren-spirited = onbeduidend; subst. Barrenness.

Barricade, barikeid, subst. versperring, hindernis; Barricade verb. versperren, beletten.

Barrier, bariə, barrière, slagboom, grenspaal; Barrier verb. afsluiten; Barriers = krijt; Barrier-reef = koraalrif; Barrier Treaty.

Barrister, baristə = Barrister at law, advocaat (pleit alleen, behalve in crimin. zaken, na instructie door een solicitor).

Barrow, barou, grafheuvel, hunebed; berrie (= Handbarrow-), kruiwagen (= Wheelbarrow-); karrevracht; gecastr. beer.

Barter, bâtə, ruilhandel drijven, inruilen, omruilen: To barter away = verkwanselen; subst. ruil(handel); Barterer = handelaar.

Bartholomew, bâtholəmjû, Bartholomeus; Massacre of St. Bartholomew.

Barwood, bâwud, rood verfhout.

Barytone, baritoun, subst. en adj. bariton; (woord) met onbeklemde laatste lettergreep.

Basal, beis’l, grond - -, fundamenteel.

Basalt, bəsôlt of basolt, bazalt; Basaltic, basalten; Basaltiform, basaltzuilvormig.

Basanite, basənait, Lydische steen, toetssteen.

Bascule, baskjûl, wip: Bascule-bridge = ophaalbrug.

Base, beis, subst. basis, grondslag, fondament; vertrekplaats (bij wedrennen); een soort spel; bas; adj. gering, laag, gemeen, onecht; Base verb. grondvesten; Base-ball = een Amerik. balspel; Base-born = van lage geboorte; buitenechtelijk; gemeen; Base-burner = vulkachel; Base-line = grondlijn; operatiebasis; Base-minded = laaghartig; Baseless = ongegrond; Baselessness = ongegrondheid; Basement = basement; benedenverdieping; Baseness = laagheid, etc.

Bash, baš, slaan, ranselen: To bash in = inslaan.

Bashaw, bašô, bassa, pacha, gewichtig persoon, tiran: Three-tailed bashaw = pacha met 3 paardestaarten.

Bashful, bašf’l, bloode, bedeesd, schuchter; Bashfulness, blooheid, etc.

Bashi-Bazouk, bašibəzûk, (ongeregeld) Turksch soldaat.

Bashy-bash, bašibaš, heerlijk, snoezig.

Basic, beisik, fundamenteel; basisch.

Basil, beisil, bazil, gelooide schapenhuid; thijm. Zie Bezel.

Basilic, bəsilik, bəzilik: Basilic vein = ellepijpshuidader.

Basilica, bəsilikə, basilica, basiliek.

Basilisk, basilisk, basiliscus, draak; Amerik. kamhagedis; veldslang (kanon).

Basin, beis’n, bekken, schaal, bassin, stroomgebied: To pour water into a broken basin = nutteloos werk verrichten; Hand-basin = fonteintje.

Basis, beisis (Meerv. Bases, beîsîz), grondslag, basis, basement.

Bask, bâsk, koesteren, zich koesteren.

Basket, bâskət, subst. mand, mandvol; (sabel)korf, schanskorf; achterste 2 banken op een coach; Basket! = in de mand! (Straf voor hen, die bij hanengevechten, etc. hunne verliezen niet konden betalen en opgehangen werden in een mand tot de wedstrijd over was); Basket verb. in eene mand doen, in de prullemand gooien; That’s the pick of the basket = het neusje van den zalm; Basketball = korfbal; Basket-buttons = metalen knoopen met een gevlochten versiering; Basket-carriage = mandewagen; Basket-chair = rieten stoel; Basket darning = stoppen; Basket easy = rieten armstoel; Basket-fish = een soort zeester; Basket-hilt = korfgevest; Basket-stitch = maassteek; Basket-work = mandewerk; Basketful = korfvol; Basketry = mandewerk.

Basle, bâl, Bazel.

Basque, bâsk, Baskisch; Bask, het Baskisch; soort damesjacket.

Bas-relief, bârilîf, basrilîf = Bass-relief = bas-relief.

Bass, beis, subst. bas; adj. laag, bas; Bass-clef = bassleutel; Bass-horn = soort clarinet; Bass-viol = violoncel.

Bass, bas, baars; Amerikaansche linde, of de bast van dezen boom; mat van deze bast.

Basset, basət, soort v. dashond.

Basset, basət, of bəset, bassetspel.

Basset-horn, baset-hön, bassethoorn.

Bassinet(te), basinet, ijzeren hoofdbedekking onder den helm; mandewieg.

Bassoon, bəsûn, fagot; Bassoonist, fagottist.

Bast, bast, bâst, lindebast; touw of mat daarvan gemaakt.

Basta, bastə, basta! houd op! uit!

Bastard, bastəd, subst. bastaard; basterdsuiker; adj. onecht; Bastardize = tot bastaard maken; ontaarden; Bastardy, bastaardij.

Baste, beist, met vet overgieten; rijgen; afranselen: Basting threads = rijgdraden.

Bastil(l)e, bastil, bastil, de Bastille.

Bastinado, bastineidou, subst. bastonnade, pak slaag; verb. een bastonnade geven, afranselen.

Bastion, bastj’n, bastion, bolwerk.

Basto, bastou, basta (in ’t omber- en quadrillespel).

Bat, bat, subst. kolf, kolver (= batsman, batter); knuppelstok, slag; halve baksteen; katoenopvulsel; Bat verb. terugslaan met een bat: He did it off his own bat = door eigen inspanning; op eigen houtje.

Bat, bat, vleermuis: As blind as a bat = stekeblind; Bats-wing burner = vleermuisbrander.

Bat, bâ, bât, bat; Bathorse = bagagepaard, pakpaard.

Batata, bateitə, batâtə, zoete aardappel.

Batavian, bəteivj’n, Bataaf, Bataafsch; inwoner van Batavia; Bataviaasch.

Batch, batš, baksel: troep, partij, hoop: The members took the oath in batches = werden groepsgewijze beëedigd; Batches of boys and girls, of letters, etc.

Bate, beit. Zie Abate: With bated breath = ingehouden; He would not bate any of his privileges = afstaan; You can bate them a bit = afdingen.