Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 126
Strait, streit, subst. bergengte, pas, zeestraat (gew. meerv.); moeilijkheid, verlegenheid; adj. nauw, beperkt, streng, moeilijk: The Straits of Gibraltar = de straat van G.; We were in a strait (in great straits) = zaten “erin”, in de klem; To drive a person (in)to straits = in ’t nauw brengen; The straitest advocate of popular rights must acknowledge this = de meest onvervalschte voorstander; Strait formality = stijve vormelijkheid; In strait of money = in geldverlegenheid; Strait-jacket (Strait-waistcoat) = dwangbuis; Strait-laced = stijf of strak geregen, gedwongen, stijf, kleingeestig: We are not so strait = wij nemen het niet zoo nauw; Straiten = nauw maken, beperken, strak aanhalen, in verlegenheid brengen: This circumstance has straitened me in money matters = heeft mij in ongelegenheid gebracht; To be in straitened circumstances = bekrompen; Straitness = bekrompenheid, gestrengheid, verlegenheid, moeielijkheid.
Strake, streik, ijzeren hoepel, gangplanken (op een schip), kort zijspoor.
Stramineous, strəminjəs, van stroo, lichtgeel.
Strand, strand, subst. strand; streng, streen, vlecht; Strand verb. op het strand (zetten) loopen, stranden: I used my skill in smoothing the strands of their lives = om voor hen de kinken uit de kabel te slaan; Stranded goods; Strand-wolf = bruine hyena.
Strange, streinž, vreemd, zonderling, onbekend, ongewoon: Strange to say, he did not know me = ’t is vreemd; I am strange in London = onbekend in (met); subst. Strangeness; Stranger = vreemdeling, onbekende, nieuweling, oningewijde; adj. vreemd: This foreigner is no stranger here = deze buitenlander is hier goed bekend; He is a stranger to this business, our plans = eene nieuweling, niet op de hoogte van; To make a (no) stranger of a person = als (niet als) een vreemde behandelen.
Strangle, straŋg’l, worgen, onderdrukken, verstikken: To strangle a bill = een wetsontwerp bij de 1ste of 2de lezing doen vallen; Strangler = worger, onderdrukker; Strangles = droes bij paarden; Strangulated, straŋgjuleitid: Strangulated hernia = beklemde breuk; Strangulation, straŋgjuleiš’n, worging, beklemming.
Strap, strap, subst. riem, drijfriem, beugel, schouderbedekking, baardschraper; Strap verb. met een riem vastmaken, ermee afranselen, aanzetten op een riem: Endless strap = riem zonder eind; Straps = souspieds; Strap-hanger = passagier, die zich aan een strap vast houdt omdat er geen zitplaats is; Strapper = pootige kerel; manwijf; Strapping = flink, groot en sterk gebouwd: A strapping young fellow.
Strasburg, strasbɐ̂g.
Stratagem, stratədž’m, krijgslist, sluwe zet, list; Strategic(al), strətedžik(’l), strategisch; Strategics = strategie; Strategist, stratidžist, strateeg; Strategy, stratidži.
Strath, strath, riviervallei (Schotl.); Strathmore, strathmö; Strathspey, strathspei, strathspei = een Schotsche dans.
Stratification, stratifikeiš’n, laagswijze ligging; Stratiform = in lagen; Stratify, stratifai, in lagen op elkaar liggen; Stratum, streit’m, laag.
Stratus, streitəs, laag wolken.
Straw, strô, stroo(halm), stroohoed, lange pijp; adj. van stroo, waardeloos, onecht; Straw verb. met stroo vullen of omwinden: A straw shows how the wind blows = kleinigheden zijn soms sterke aanwijzingen; He is a man of straw = stroopop, nietsbeteekenend man, gefingeerde persoon; Women in the straw = kraamvrouwen (plat); It is not worth a straw = geen lor waard; I do not care a straw (two straws) = het kan me geen zier schelen; To condemn to straw = voor stapelgek verklaren; A drowning man will catch at a straw = zich aan een stroohalm vastklampen; His eyes draw straws = het zandmannetje komt; We got from the bed on the straw = wij geraakten van het bed op het stroo; He does not sit here to pick straws = hij zit hier ook niet om vliegen te vangen; You have been picking straws = gij zijt aan het stroodorschen geweest; To split straws = spijkers op laag water zoeken; Straw-bail = waardelooze borgtocht; Straw-bid = schijnbod, ook verb.; Straw-board = strookarton; Straw-bonnet = stroohoed; Straw-bottomed = met zitting van stroo; Straw-built = van stroo gemaakt; Straw-colour = lichtgele kleur; Straw-cutter = hakselmachine; Straw-hat = stroohoed; Straw-mattress; Straw-paper = stroopapier; Straw-rope = strootouw; Straw-wisp = wisch; Straw-yard = asyl voor dakloozen; Strawy = van stroo, als stroo.
Strawberry, strôberi, aardbei; Strawberry-leaf = symbool van hertogelijke waardigheid: To work for the strawberry-leaf = naar den hertogstitel streven; Strawberry-tree = aardbeziënboom.
Stray, strei, subst. verdwaald dier; adj. verdwaald, toevallig, los; Stray verb. zwerven, dwalen, afdwalen, kronkelen: Stray notes on Pronunciation = losse wenken of aanteekeningen; Stray sheep = verdoold schaap, verdoolde; Stray visitor = toevallig; He strayed from the right path = raakte van het goede pad af; Strayer, Strayling = verdwaalde, afgedwaalde.
Streak, strîk, subst. streep, ader; Streak verb. strepen vormen, aderen; uitsnijden (= To streak it): I had a streak of luck, and followed it up = ik had een kansje, en maakte er gebruik van; Streakiness, subst. v. Streaky = gestreept, doorregen; verontrust (Amer.).
Stream, strîm, subst. stroom, strooming; Stream verb. stroomen, uitstroomen, zwemmen, fladderen, wapperen, overboord gooien, wasschen: Stream of air (light, words); Tributary streams = zijrivieren; To row against the stream = tegen den stroom op roeien (fig.); To go (float) with the stream; Up, down the stream = stroom op, stroom af; Streamer = wimpel, lamfer, serpentine; Streamers = noorderlicht; Streamlet = stroompje, riviertje; Streamy = rijk in stroomen of lichtbundels.
Streel, strîl, sleepen: Her train streeled after her like the tail of a comet = sleepte haar na.
Street, strît, straat: In (the middle of) the street = (midden) op straat: The street was blocked, stopped up = de straat was versperd; The man in the street = het groote publiek; To be on the streets = op straat staan (fig.); She is on (walks) the streets, Went upon the streets = is, ging de baan op (fig.); To turn out into the street = op straat zetten; Street-arab = verwaarloosd kind; Street-car = tramwagen (Amer.); Street-door = voordeur; Street-orderly = straatveger, vuilnisman; Street-sweeper = straatveger; Street-walker = prostituée.
Strength, streŋth, kracht, spierkracht, sterkte, taaiheid, weerstandsvermogen, krijgsmacht, aantal: He claimed acquaintance with me on the strength of having seen me there = op grond dat; He recovered strength very soon = kreeg weldra zijne krachten terug; A “Try-your-strength” machine = krachtmeter op kermissen; Strengthen = versterken, bevestigen, doen toenemen; Strengthener = versterker, versterkend middel; Strengthless.
Strenuous, strenjuɐs, ijverig, krachtig, energiek: Strenuous exertion = krachtige poging of inspanning; subst. Strenuousness.
Stress, stres, subst. kracht, druk, nadruk, klem, aandrang, hoofdzaak, gewicht; Stress verb. den nadruk of klem leggen op: Principal, Even stress = hoofdklem, zwevende klem; Ill through stress of work = door overwèrken; Under the stress of circumstances = drang; Under a stress of weather = in zwaar weer; He laid stress upon it = drong er op aan, legde er nadruk op; The second syllable is stressed = de klem ligt op de tweede lettergreep.
Stretch, stretš, subst. uitgestrektheid, spanning, inspanning, geval van nood (On stretch), overdrijving, slag (bij ’t laveeren), recht einde van een baan, richting; Stretch verb. uitstrekken, uitsteken, rekken, op de leest slaan, inspannen, overdrijven, met volle zeilen varen, in gestrekten galop rijden: At (On) a stretch = achtereen, zonder ophouden; You can get this at a stretch = desnoods, op zijn hoogst; To keep on (put upon, to) the stretch = in spanning houden, spannen; We stretched south = voeren naar het Z.; Shall I stretch the gloves for you? = uwe handschoenen even oprekken; I want to stretch my legs = ik moet mijne beenen eens wat strekken; To stretch metals = metaal uitsmeden; To stretch a point = zich bijzonder inspannen, veel moeite doen; You are stretching the truth = doet der waarheid geweld aan; He stretched forth his hands = stak uit; Stretcher = rekker, draagbaar, spoorstok (waar de voet op rust bij het roeien), leugen: Stretch-bearers = de soldaten aangewezen om gewonden weg te dragen; Stretching-course = streksche steenen.
Strew, strû, strou, (be)strooien, verspreiden, bezaaien, uitstrooien: Illustrations strew almost every page = bijna iedere bladzijde is rijkelijk geïllustreerd; Strewn = gestrooid.
Stria, straiə, groef, fijne streep, cannelure; Striate, straiit, gegroefd, met fijne lijnen of strepen gemerkt; subst. Striation, straieiš’n.
Stricken, strik’n, geslagen, vergevorderd: Stricken in age, in years = hoogbejaard; Stricken down in the full bloom of youth = weggenomen, gestorven.
Strickle, strik’l, strijkel (bij het graanmeten), wetsteen voor zeisen.
Strict, strikt, precies, nauwkeurig, streng: He kept a strict watch over us = hield streng toezicht; This won’t do in strict grammar = dat kan er streng grammatisch niet door; subst. Strictness; Stricture, striktjə, kritische opmerking, zinspeling (met upon); strictuur: He passed strictures on me = maakte aanmerkingen op mij.
Stride, straid, subst. groote stap, schrede, klein eindje; Stride verb. schrijden, groote stappen doen, afstappen: It’s only a cock stride = het is maar eene haneschree; Giant’s stride = zweef (gymn.); To get into one’s stride = op streek komen; To take long strides.
Strident, straid’nt, krassend, snijdend; Stridor, straidə, hard krassend geluid; Stridulation = piepend, snorrend geluid; Stridulous, stridjulɐs, krassend, piepend, knarsend.
Strife, straif, strijd, twist: To be at strife.
Strike, straik, subst. strijkel (bij het graanmeten), maat van ½ tot 4 bushels; werkstaking; Strike verb. slaan, stooten, botsen, treffen, strijken, afstrijken (bij het graanmeten), licht aanraken, staken, munten, stooten op, aanheffen, aannemen, (wortel)schieten: To come, to go on strike = het werk staken; To declare a strike off = opheffen; To strike accounts = rekeningen afsluiten, opmaken; To strike an attitude = zich in postuur stellen; To strike foolish attitudes = dwaze houdingen aannemen; To strike a bargain = een koop sluiten; To strike a blow = een slag toebrengen; The camp was struck, marching orders having been received = het kamp werd opgebroken; To strike coins = munten slaan; To strike fire = vuur slaan; To strike one’s foot against = stooten met; We struck hands with them = sloten een verdrag; To strike a match on one’s sleeve = aanstrijken; To strike oil = een petroleumbron ontdekken; fortuin maken; We struck the railway and followed the line = kwamen aan de spoorlijn; The ship struck a hidden rock = stootte op een blinde klip; To strike sail = strijken; To strike the sands = op ’t strand loopen; We could strike no soundings there = konden er geen grond vinden; To strike work = het werk staken; Heaven has struck him blind (dumb) = heeft hem met blindheid, stomheid geslagen; It strikes cool after these hot rooms = ’t voelt kil, komt kil aan; To strike home = raak slaan, gevoelig treffen; An idea strikes me = daar valt me in; It strikes me that you are pale = het valt mij op; He struck at my heart = richtte een slag op; The moment he comes back, I strike for a subscription = zal ik een poging doen om hem te laten inteekenen; Here the cricket struck in = viel mee in, begon mee te doen; He died of small-pox struck in = naar binnen geslagen; I’ll try to strike in with your wishes = te doen overeenkomstig; Let us strike into that green track = inslaan; Strike off a shilling = doe er af; He was struck off the roll (list) = geroyeerd; He struck off the heads of all the poppies = sloeg af; Struck on a girl = verliefd op; He struck out forcibly = sloeg krachtig armen en beenen uit (bij het zwemmen); To strike out for oneself = zich zelf een weg banen (fig.); Why did you not strike out this word? = heb je niet doorgehaald; I have struck out an entirely new plan = bedacht; To strike to = zich overgeven, slaan op; The band struck up the national anthem = zette in; I have struck up a friendship (an acquaintance) with him = heb aangeknoopt; Strike-measure = strijkmaat; Striker = wie of wat slaat, treft, enz., handlanger, officiers-oppasser (Amer.); werkstaker, verouderde term voor Batsman; Striking = treffend, opvallend: A striking-looking person = met een opvallend uiterlijk; I wind up the striking-part, striking-work = slagwerk.
String, striŋ, touw of touwtje, snoer, riem, pees, reeks, serie, snaar, koord, nerf, vezel, spier, zweep (Amer.); String verb. aan een touwtje rijgen, spannen, besnaren, afhalen, van een pees voorzien, te pakken nemen: Schubert’s Quartette for strings = voor strijkorkest; Have you got a bit of string for me = een touwtje; He has two strings to his bow = meer dan een pijl op zijn boog; A string of endearing names = eene reeks “lieve” namen; A pretty string of prattling schoolgirls = een snoezig troepje; In a string = op een rijtje, aan een risje; He has all the world in a string = alles danst naar zijn pijpen; I have an other on the string = achter de hand; To have a person on a string = aan ’t lijntje; All his nerves were strung to the utmost = waren ten hoogste gespannen; She felt completely strung up = zeer krachtig en vol leven; To string beads = kralen aanrijgen; To string beans = boonen afhalen; String-band = strijkorkest; String-beans = snijboonen; Stringed: Stringed instrument; Stringed quartet = strijkkwartet. Zie Stringiness.
Stringency, strinž’nsi, strengheid, preciesheid, schaarschte, gedruktheid; Stringent = beperkt, nadrukkelijk, hard, streng, bindend.
Stringiness, striŋinəs, subst. v. Stringy = vezelig, kleverig, vol pezen; Stringy-bark = soort v. eucalyptus (Austral.); Stringy-barker = jong kolonist (omdat ze in huizen woonden van Stringy-bark gemaakt).
Strip, strip, subst. reepje, strookje; vernieling (Amer.): Strips = karwats, tuchtiging; Strip verb. afstroopen, strippen, ontkleeden, ontdoen, onttakelen, uitmelken, berooven, wegnemen, schillen: He was stripped of everything = beroofd; She stripped off her gloves = trok uit; Strip-leaf = strippeling; Stripper = die afstroopt; namelker; Strippings = de laatste melk uit eene koe.
Stripe, straip, subst. streep, striem, slag, chevron; Stripe verb. strepen, strepen vormen, striemen: He has got (lost) his stripes = hij heeft de strepen gekregen (is gedégradeerd); Striped = gestreept.
Stripling, stripliŋ, subst. jongmensch, jongmaatje; adj. jong, jeugdig.
Strive, straiv, streven, zich inspannen, pogen, kampen, strijden, wedijveren (with): He strove against his weakness = streed tegen; Striver.
Stroke, strouk, subst. slag, streep, trek, haal, zet, stoot, plotselinge ziekteaanval, beroerte, achterste roeier in een boot: With (At) a stroke = met één slag; This is a good (capital) stroke = een goede zet, stoot, enz.; I have done a good stroke of business = een goeden slag geslagen; Stroke of fate = slag van het noodlot; Stroke of the sun = zonnesteek; Not a stroke of work = geen slag werk; It was on the stroke of eleven = op slag van; He has had a stroke = beroerte; He fetched me a back stroke = gaf mij een slag in ’t geniep, steek onder water; To give (set) the stroke = den slag aangeven; To keep stroke = slag houden; He rowed stroke in our boat = hij roeide slag in onze boot; Stroke-oar = Strokesman = slagroeier.
Stroke, strouk, streelen, strijken, glad strijken, liefkoozen: You do not know how to stroke him the right way = gij weet niet met hem om te gaan; You stroke him the wrong way = irriteert hem, jaagt hem ’t land op.
Stroll, stroul, subst. wandeling; Stroll verb. slenteren, wandelen, ronddwalen: To go for (To take) a stroll; Stroller = zwerver, rondreizend acteur; Strolling actors = rondreizende tooneelisten; Strolling-booth = kermistent.
Strong, stroŋ, sterk, krachtig, zwaar, hevig, vurig, flink, gezond, talrijk, hel, schel: He is a little too strong = hij overdrijft wat al te zeer; To come (go) it strong = boud spreken, zwetsen, opsnijden; By the strong arm = met geweld; To take a strong line = flink aanpakken; Strong box = cassette; Strong breeze = krachtige bries; Strong cigar = zware; Strong faith; Strong injunctions = nadrukkelijke bevelen; He used strong language = hij vloekte; Strong memory; Grammar is not her strong point; Strong pulse = krachtige; Strong room = safe, kluis; Strong verbs; Strong wall = brandmuur; Strong waters = spiritualiën; Strong-bodied = sterk, pittig; Stronghold = vesting; bolwerk (fig.); Strong-minded = flink, onvrouwelijk; Strong-set = krachtig, stevig.
Strontium, stronšiəm, strontium.
Strop, strop, subst. scheerriem, strop voor een blok; Strop verb. aanzetten, scherpen: The bird stropped his beak upon the tree.
Strophe, stroufî, strophe; Strophic, stroufik, strophisch.
Stroud, straud.
Strouding, straudiŋ, een grove warme stof, ook gebruikt als ruilmiddel met de Roodhuiden.
Strove, strouv, imperf. van to strive.
Strow, strow; Zie Strew. Strown, stroun, p.p. van to strow.
Struck, strɐk, imperf. en p.p. van to strike: Struck-measure = Strike-measure.
Structural, strɐktšur’l, den bouw betreffend, organisch; Structure, strɐktšə, bouw, structuur, gebouw.
Struggle, strɐg’l, subst. worsteling, strijd, nood; Struggle verb. worstelen, spartelen, zwoegen, strijden (Struggles = trekkingen): The struggle for life (existence) = de strijd om het bestaan; The struggle of life = levensstrijd; He Struggled hard to get out of it = spande zich zooveel mogelijk in; Struggler.
Strum, strɐm, hameren, rammelen, tjingelen: I strum a little = speel een beetje; I heard the strumming all the evening = dat getjingel; She was strumming her music-lesson = studeerde voor.
Struma, strûmə, kropgezwel, halskliergezwel; Strumose, strûmous, Strumous, strûməs, klierachtig.
Strumpet, strɐmpət, subst. slet.
Strung, strɐŋ, imperf. en p.p. van to string.
Strut, strɐt, subst. trotsche majestueuse gang, gemaakte deftigheid by het loopen; stut; Strut verb. trotsch en gemaakt deftig stappen, stutten; Strutter.
Struthious, strûthiəs, gelijk een struisvogel.
Strychnine, striknin, strychnine.
Stuart, stjûət.
Stub, stɐb, subst. stomp, stompje, eindje; souche; oude hoefnagel; Stub verb. uitroeien, de wortels uitrukken; stooten tegen (Amer.): To buy at the stub = op stam koopen; To stub one’s foot (toe) = met den voet stooten tegen (Amer.); Stub-nail = kopspijker.
Stubbiness, stɐbinəs, subst. v. Stubby.
Stubble, stɐb’l, stoppel: Stubblefield; Stubbly = stoppelig.
Stubborn, stɐb’n, hardnekkig, koppig, halsstarrig, weerspannig, volhardend; subst. Stubbornness.
Stubby, stɐbi, vol stubs, kort en dik, stekelig, stijf.
Stucco, stɐkou, subst. gips of gipswerk; Stucco verb. stukadoren: Stucco-ornaments; Stuccoer.
Stuck, stɐk, imperf. en p.p. van to stick: He stares like a stuck pig = hij kijkt of hij het in Keulen heeft hooren donderen; A stuck-up fellow = een pedant of trotsch kereltje.
Stud, stɐd, subst. stoeterij, dekhengst; knop, paal, zuil, nagel, overhemds- of manchetknoopje; Stud verb. met knopjes of spijkertjes beslaan of versieren, bezaaien: A high studded room = eene hooge kamer op pilaren; The entrance of the house was low studded = laag onder verdieping; The studding had already given shape to the building = het paal- en balkwerk deed den vorm van het gebouw reeds onderkennen; Studded with quotations = vol; Stud-bolt = schroefbout; Stud-book = paarden- of hondenstamboek; Stud-farm = stoeterij; Stud-horse = stamboekpaard, dekhengst.
Studding, stɐdiŋ: Studding-sail = lijzeil.
Student, stjûd’nt, student, beoefenaar, kenner, vorscher: Student of nature; We don’t call them students at Oxford or Cambridge, we call them ‘undergraduates’; Studentship = beurs; Studied, stɐdid, bestudeerd, vormelijk, wel overwogen, gestudeerd: He did it studently = met voordacht; Studio, stjûdjou, atelier; Studious, stjûdiəs, vlijtig, ijverig, leergierig, overlegd, zorgvuldig: He is studious of performing your wishes = doet zijn best om; subst. Studiousness; Study, stɐdi, studie, nadenken, ijver, leergierigheid, onderzoek; studie, étude; studeervertrek; Study verb. studeeren, bestudeeren, nadenken; zich beijveren, rekening houden met: He is a quick study = kan vlug leeren; His face was quite a study = het was de moeite waard om te zien wat gezicht hij zette; He was in a brown study = in somber gepeins verzonken; I’ll make it my study to please you = mijn best doen; Her understudy = de actrice die voor haar invallen moet in geval van nood; I have studied you in everything = ik heb steeds getracht al uwe wenschen te voorkomen.
Stufa, stûfə, dampwolk die in vulkanische streken uit den grond komt.
Stuff, stɐf, subst. stof, materie, hoofdzaak, het wezenlijke, goederen, rommel, goed(je), dwaasheid; Stuff verb. farceeren, opvullen, volproppen, volstoppen, opzetten (van dieren), overladen, wijsmaken: He had the stuff of a statesman in him = was geknipt voor; What you say there is stuff and nonsense = klinkklare onzin; This poetry is stuff and trash = armzalige rijmelarij; Food stuffs = levensmiddelen; The stuff = “duiten”; A stuffed tiger = opgezette; Stuff a cold and starve a fever = bij een verkoudheid moet men veel, bij koorts weinig gebruiken; The birds had stufffed their nests in all corners = hadden gestopt; Stuffing = werk, bladvulling, pakking, vulsel; Stuffing-box = werkbus, pakkingbus; Stuffiness, subst. v. Stuffy = benauwd, benepen, volgepropt; nijdig, eigenzinnig (Amer.): A hot and stuffy theatre = een heete en benauwde schouwburgzaal.
Stulm, stɐlm, galerij, gang in een mijn.
Stultification, stɐltifikeiš’n, subst. v. Stultify, stɐltifai, verdwazen, zich belachelijk maken; voor ontoerekenbaar verklaren; zich zelf tegenspreken (reflex.); Stultiloquence, stɐltiləkw’ns, ijdel gesnap, zotternij; adj. Stultiloquent.
Stumble, stɐmb’l, subst. struikeling, domheid, vergissing, bok; Stumble verb. struikelen, strompelen, knoeien, met den voet tegen iets stooten, zich stooten aan (fig.), een bok schieten (fig.), toevallig treffen: Many stumble at a straw and leap over a block = vele menschen zijgen (zuigen) de mug uit en zwelgen den kemel door; It is a good horse that never stumbles = het beste paard struikelt wel eens; I stumbled on it when looking for something else = trof het toevallig; To stumble over a thing = struikelen; Stumbler; Stumbling-block (Stumble-stone) = struikelblok, steen des aanstoots.
Stump, stɐmp, subst. stomp, stronk, politieke tribune, doezelaar, paaltje van een wicket bij het cricketspel, (Stumps = beenen); Stump verb. knotten, uitroeien, verbluffen, de stumps aanraken (bij cricket), doezelen, opdokken (up), strompelen, eruit snijden (it), politieke redevoeringen houden: I shall make you use your stumps = je beenen maken; To bestir one’s stumps = beenen maken; To be (go) on the stump = het land doorgaan om polit. redevoeringen te houden; He has taken to the stump = houdt verkiezingsredevoeringen; Three candidates went stumping = hielden verkiezingsredevoeringen; He stumped the country = reisde al redevoeringen houdende het land af; We have stumped it = zijn er uitgesneden; Now I am stumped = zit ik er in, ben ik verlegen; To stump up = opdokken; Stump-foot = horrelvoet; Stump-orator = verkiezingsredenaar, bombastisch spreker; Stump-oratory = verkiezingswelsprekendheid; Stump-speaker = Stump-orator; Stump-speech = verkiezingsrede, bombastische toespraak; Stumpy = vul stompen, knoestig, kort en dik; subst. geld, “centen”.
Stun, stɐn, verdooven, bedwelmen (door een harden slag), verbazen; Stunner = harde slag, iets buitengewoons: Isn’t he a stunner? = is hij niet een kranige, bovenste beste vent; That’s a stunner = dat is een kolossale leugen, groote opsnijderij; A stunning thing = iets dat verbazend groot, mooi, enz. is.
Stundist, stɐndist, protestantsch afgescheidene in Rusland.
Stung, stɐŋ, imperf. en p.p. van to sting.
Stunk, stɐŋk, imperf. en p.p. van to stink.