Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 97
Preordain, priödein, vooraf bepalen of beschikken; Preordination = voorafgaande bepaling, vroeger besluit.
Prepaid, pripeid: Address prepaid to N.N. = men wende zich met franco brieven tot N.N.
Preparation, prepəreiš’n, voorbereiding, voorbereidsel, huiswerk (verkort: Prep.); Preparative, priparətiv, subst. en adj. voorbereidend(e maatregel); Preparator; Preparatory, priparətəri, voorbereidend, inleidend; Prepare, pripêə, voorbereiden, klaarmaken, toebereiden: He prepared for his departure = maakte zich klaar voor; He was almost prepared for anything = was haast op alles voorbereid; I am not prepared to pretend that = dat durf ik niet beweren.
Prepay, prîpei, vooruitbetalen, frankeeren: Send a telegram and prepay reply = met antwoord betaald; Prepayment = vooruitbetaling.
Prepense, pripens, voorbedacht, vooruit beraamd: Malice prepense.
Preponderance, pripondər’ns, overwicht, overmachtige invloed; Preponderant = overwegend; Preponderate, pripondəreit, zwaarder wegen, het overwicht hebben; subst. Preponderation.
Preposition, prepəziš’n, voorzetsel; Prepositional = als v. een voorzetsel; Prepositive, pripozitiv, subst. en adj. voorop geplaatst (woord); Prepositor, pripozitə, klassevoogd, monitor, prefekt.
Prepossess, prîpozes, vooraf in bezit nemen, voor zich innemen; Prepossessing = innemend; Prepossession = vroeger bezit, vroegere inbezitneming; voorafgevormde meening, vooringenomenheid; Prepossessor = vroeger bezitter.
Preposterous, pripostərɐs, ongerijmd, belachelijk, dwaas, averechtsch; subst. Preposterousness.
Prepotence, pripout’ns, Prepotency, pripout’nsi, groote macht, overmacht; Prepotent = overmachtig, zeer sterk, invloedrijk.
Prepuce, prîpjûs, voorhuid.
Pre-Raphaelite, prî-rafəlait, kunstenaar (dichter, schilder), die de voorgangers van Raphael tot voorbeeld neemt; adj. angstvallig getrouw aan de natuur; Pre-Raphaelitism = de kunstrichting dezer mannen.
Prerogative, prirogətiv, voorrecht, privilege, prerogatief: Prerogative court = oudtijds eene geestelijke rechtbank, ook tot onderzoek van testamenten.
Presage, prîsidž, presidž, voorteeken, voorgevoel, voorkennis.
Presage, priseidž, voorspellen, een voorgevoel hebben van; subst. Presagement.
Presbyopia, presbioupjə, vèrziendheid; Presbyopic, presbiopik, vèrziend.
Presbyter, prezbitə, presbitə, ouderling, geestelijke van de Presbyteriaansche kerk; Presbyterian, prezbitîriən, presbitîriən, Presbyteriaansch, aanhanger v. Presbyterianism = stelsel v. kerkbestuur door Presbyters; Presbytery = raad van ouderlingen, het presbyterianisme.
Prescience, prîšiəns, vóórwetenschap, Prescient = voorafwetend.
Prescind, prisind, afsnijden; afzonderen.
Prescribe, priskraib, voorschrijven, geneeskundig behandelen (for), ongeldig maken door verjaring, verjaren; Prescriber; Prescript, prîskript, subst. voorschrift, bevel; adj. voorgeschreven; Prescriptible = wat voorgeschreven mag worden; Prescription = voorschrift, recept; recht door verjaring; Prescriptive = verjaard, door lang gebruik verkregen: Prescriptive right.
Presence, prez’ns, tegenwoordigheid, gezelschap, nabijheid, uiterlijk, spookverschijning, audientie: Presence of mind = tegenwoordigheid van geest; In presence of a crisis = bij, tegenover; Real Presence = het werkelijk aanwezig zijn van het vleesch en bloed van Christus bij het avondmaal; Saving your presence = met allen eerbied voor u; de aanwezige(n) uitgezonderd; Presence-chamber, Presence-room = audientiezaal; Present, prez’nt, subst. tegenwoordige tijd; geschenk; de onderwerpelijke zaak; adj. tegenwoordig, bestaand, gereed, onmiddellijk, gunstig; Presents = (aanwezige) stukken of documenten: He made me a present of it = hij gaf het mij ten geschenke = Gave it me as a present; At present = op het oogenblik; For the present = voor het oogenblik; Present tense; Presently = dadelijk.
Present, prizent, formeel voorstellen, aanbieden, ten geschenke geven, vertoonen, voorleggen, presenteeren, aanleggen (v. een geweer), voor een kerkambt voordragen, beschuldigen: He presented me with it = gaf het mij ten geschenke; This noble subject ought to be presented dramatically = in dramatischen vorm behandeld worden; Present arms = presenteer ’t geweer; Presentable = presentabel: You do not look presentable; Presentation = voorstelling, introductie, (recht van) voordracht, (voor een kerkambt); vertooning: This is good material for dramatic presentation = uitstekend geschikt voor eene dramat. bewerking; The book contains much humour and vivid presentation = en eene levendige wijze v. voorstelling; Presentation-copy = present-exemplaar; Presentative, prizentətiv, het recht hebbend v. voordracht; op aanschouwing berustend; Presentee, prez’ntî, die tot een kerkambt of benefice wordt voorgedragen; Presenter; Presential, prizenš’l, werkelijk aanwezig; Presentive, prizentiv: Presentive words = begripsnamen; Presentment = voorstelling, gedrag, aanbieding, klacht.
Presentient, prisenšiənt, vooraf voelend of bemerkend; Presentiment, prisentiment, voorgevoel.
Preservable, prizɐ̂vəb’l, wat bewaard of goed gehouden kan worden; Preservation, prezəveiš’n, bewaring, onderhoud, inmaak; Preservative, Preservatory, prizɐ̂vətiv, prizɐ̂vətəri, subst. en adj. bewarend of goedhoudend (middel); Preserve, prizɐ̂v, subst. ingelegde vruchten, gereserveerd vischwater of wildpark: Preservers = stofbril; Preserve verb. redden, beschermen, handhaven, bewaren, goed houden, inmaken; Preserver = bewaarder, beschermer, inmaker (van vruchten).
Preses, prîsîz, praeses, voorzitter (Schotl.).
Preside, prizaid, presideeren, het opzicht hebben, leiden: He presided at the meeting = leidde (als voorzitter); He must not preside over us = moet zich geen rechten over ons aanmatigen; Presidency, prezidensi, presidentschap, (de waardigheid, het gebied, diensttijd v. een pres.); voorzitterschap; President, prezident, voorzitter, president: President elect = de verkozen, nog niet in functie zijnde president; Presidential, prezidenš’l: The presidential address was loudly cheered = de toespraak v. den president; Presidentship = presidentschap, zijn tijd van dienst.
Presidial, prizidj’l, Presidiary, prizidjəri, garnizoens ..., bezettings ...
Press, pres, subst. gedrang, menigte, druk, kast, linnen(pers), drukpers, het gedrukte, couranten en tijdschriften, pressing (v. zeelieden); Press verb. drukken, persen, (uit)knijpen, omhelzen, pakken, dringen, inprenten, geweld uitoefenen, aandringen, krachtig streven, pressen: Press of matters, work = hoop werk, dat “af” moet; I am correcting the press = bezig de drukproeven na te zien; Just as we are going to press = op het punt zijn, de copie naar den drukker te zenden; I have written it out for the press = ik heb het voor den druk gereed gemaakt; The book is in the press = wordt gedrukt; The ship was under a press of sail = het schip had alle zeilen bij; We were very hard pressed = zeer in ’t nauw gebracht; I am not going to press the point = hierop nader aan te dringen; He presses into his service a saying of Macaulay = tracht met geweld zijne meening te staven met een beroep op; To press on = voortdringen; We pressed the boat on = lieten de boot op het land loopen; The messengers were pressing onward = renboden spoedden zich voort; Press-agency = agentschap voor de pers (zooals Reuter’s Office); Press-bed = samenvouwbaar bed, slaapbank; Press-buttons = drukknoppen (aan handschoenen, etc.); Press-copy = afdruk met een copieerpers gemaakt; Press-gang = een troep zeelui met opdracht om mannen door geweld of list tot dienstnemen op de vloot aan te werven; Press-man = drukker, dagbladschrijver; geprest, of tot een Press-gang behoorend zeeman: Press-money = handgeld; Press-work = drukken v. de vellen op de pers; Presser = perser, drukker; Pressing = dringend: Pressing necessity; Time is pressing; Pression = drukking, persing; Pressure, prešə, druk(king); gedruktheid, onderdrukking; moeilijkheid, dringendheid, kracht, drang: To put pressure upon a person = pressie uitoefenen; He was leading a life at high pressure = hij vergde veel van zijne krachten; These letters must be held over owing to pressure on our space = wegens plaatsgebrek.
Prest, prest, gereed, klaar; Prest-money = handgeld.
Prestation, presteiš’n: Prestation-money = vroeger door Archdeacons jaarlijks aan hunnen bisschop te betalen geld.
Prestidigitation, prestididžiteiš’n, goochelarij; Prestidigitator.
Prestige, prestidž, prestîž, invloed, gewicht.
Presto, prestou, snel: Hey presto = het “één, twee, drie: Passe” van den goochelaar; Prestissimo = zeer snel.
Presumable, priziûməb’l, vermoedelijk; Presume, prižûm, vermoeden, voor waar aannemen; wagen, durven, zich vermeten: To presume too far = te ver gaan; Do not presume too much on my patience = verg niet te veel van; Mr. Williams, I presume? = heb ik niet het genoegen meneer W. te zien? Presuming = verwaand, aanmatigend, trotsch, vermetel; Presumption, prizɐmš’n, vermoeden, waarschijnlijkheid; verwatenheid, onbeschaamdheid; Presumptive, prizɐmtiv, vermoedelijk, waarschijnlijk: Presumptive evidence = derivatief bewijs = Circumstantial of Indirect evidence; Heir Presumptive = vermoedelijk troonopvolger; Presumptuous, prizɐmtjuəs = aanmatigend, vermetel; subst. Presumptuousness.
Presuppose, prîsəpouz, vooronderstellen, voor waar aannemen; Presupposition, prîsɐpəziš’n, vooronderstelling.
Presurmise, prisəmais, vooraf opgevat vermoeden, argwaan.
Pretence, pritens, voorwendsel, voorgeven, schijn: He made pretence to laugh = deed of hij lachte; He did it on (under) a pretence of friendship = deed het onder (het valsche) voorwendsel van vriendschap; Pretend, pritend, voorgeven, voorwenden, zich aanmatigen, (ten onrechte) beweren; He pretends to be your friend = neemt den schijn aan; Such people cannot pretend to honour = kunnen op eer geene aanspraak maken; They make pretend that they have got a nice dinner = zij verbeelden zich, dat ze een lekker dineetje hebben; Pretended = voorgewend; Pretender = pretendent, huichelaar; Pretension = aanspraak, voorwendsel, aanmatiging, pretensie: I wonder whether he can make good his pretensions = het zal mij verwonderen of hij verkrijgt, waarop hij beweert recht te hebben; Pretentious = pretentieus; subst. Pretentiousness.
Preterhuman, prîtəhjûm’n, bovenmenschelijk.
Preter-imperfect, prîtərimpɐ̂fəkt, subst. en adj. onvoltooid verleden (tijd).
Preterit(e), pretərit, prîtərit, voltooid verleden.
Pretermission, prîtəmiš’n, het voorbijgaan, uitlating; Pretermit, prîtəmit, voorbijgaan, overslaan.
Preternatural, prîtənatjər’l, boven-, onnatuurlijk, abnormaal: Preternatural calves = onmogelijk dikke kuiten; subst. Preternaturalism = Preternaturalness.
Preterperfect, pritəpɐ̂fəkt, volt. verl. (tijd).
Pretext, prîtekst, voorwendsel: He did it under a pretext of kindness = onder den schijn van.
Pretty, priti, lief, aardig, snoezig, mooi, tamelijk: You are a pretty fellow (one) = een mooie vent! (iron.); That is a pretty kettle of fish = dat’s ’n mooie boel; He is pretty much as tall as you = vrijwel even lang; Pretty sure = vrij zeker; It was not pretty of her = niet lief van haar; My mother had a number of pretty pretties: some china, some household silver, a few books, etc. = een aantal keurige dingen; He is a pretty-spoken fellow = hij is een aangenaam man om mee te praten.
Pretypify, prîtipifai. Zie Prefigure.
Pretzel, prets’l, krakeling.
Prevail, priveil, de overhand hebben, heerschen, van kracht zijn, invloed hebben: The strong hand prevailed = het recht van den sterkste gold; I could not prevail on him to beg pardon = kon hem er niet toe krijgen; Such arguments do not prevail with me = hebben geen vat op mij, laten mij koud; He prevailed himself of the opportunity = maakte zich de gelegenheid ten nutte; Prevailing = heerschend; Prevalence, Prevalency, prevəlens(i), overmacht, overwicht, het algemeen heerschen of voorkomen; Prevalent, prevəlent, overwegend, heerschend, algem. geldend; krachtig.
Prevaricate, privarikeit, uitvluchten zoeken, dubbelzinnig handelen; verdraaien, schenden; Prevarication = uitvlucht, verzaking van wat waar, plichtmatig en goed is; Prevaricator = uitvluchtenzoeker, plichtverzaker, knoeier.
Prevenient, privînj’nt, voorafgaand, voorkomend, hinderlijk.
Prevent, privent, voorkÚmen, verhinderen, beletten, tegenhouden: He would prevent me from going there = mij beletten; Preventable (of Preventible) = wat voorkómen of belet kan worden; Preventative, subst. voorbehoedmiddel; adj. belettend, voorkomend; Preventer = beletter, verhinderaar; borgtouw, borghout; Prevention = verhindering: I did it for the prevention of worse things = om erger te voorkomen; Preventive = Preventative: Preventive detention = preventieve hechtenis; Preventive service = gewapende kustdienst tegen de smokkelarij.
Previous, prîvjəs, voorafgaand: Mr. Chairman, before putting this proposal to the vote, I beg to move the previous question = stel ik de prealabele questie; subst. Previousness.
Previse, privaiz, vooruitzien, aankondigen; subst. Prevision, priviž’n.
Prey, prei, subst. prooi, buit, slachtoffer, Prey verb. rooven, plunderen, azen op, knagen aan: Beast (Bird) of prey = roofdier (roofvogel); He fell a prey to despondency = hij viel aan algeheele wanhoop ten prooi; Tigers prey on living creatures = azen op; There is something preying on your rest and health = dat u de rust rooft en uwe gezondheid ondermijnt.
Priam(us), praiəm(ɐs), Priamus; Priapus, prai-eipəs.
Pribbles and Prabbles, prib’lzəndprab’lz, onzin.
Price, prais, prijs, waarde; verb. prijzen, den prijs vaststellen: We settled on that price = zijn het over dien prijs eens geworden = Have agreed on that price; A price was set on his head = er werd een prijs op zijn hoofd gezet: Current price = courante (thans geldende) prijs; Reduced price = verminderde; Set price = vaste; Starvation price = buitengewoon lage; Price-current, Price-list = prijscourant, prijslijst; Priceless = onschatbaar.
Prick, prik, subst. prik, punt, stip, rolletje, print, teeken, prikkel, wroeging, ongerustheid; Prick verb. prikken, steken, opsteken, aansporen, knagen (van wroeging, enz.), door een prikje aanwijzen, zich opzichtig kleeden, snel rijden: Pricks and compunctions of conscience = wroeging en knaging van het geweten; It is no use kicking against the pricks = het helpt niet of men de verzenen al tegen de prikkels slaat; To prick a hare = een haas in de sneeuw speuren; The chart was pricked = de koers van het schip werd op de kaart aangegeven (door prikjes); To prick (for) a Sheriff = een Sheriff benoemen, door een gaatje te prikken achter zijn naam in de lijst der voorgedragen candidaten; Vergelijk: The Sheriffs, when nominated annually, are said to be pricked, this is called: Pricking for Sheriffs; He was pricking on at full gallop = reed voort; Prick-madam = vetkruid; Prick-punch = drevel of doorslag (van smeden); Pricker = priem; Prickle, subst. stekel; verb. puncteeren; Prickle-back = stekelbaarsje; Prickliness, subst. v. Prickly = stekelig, vol prikkels; Prickly-heat = warmtepuistjes (in de Tropen); Prickly-pear = vijgdistel.
Pricket, prikət, hert in het 2e jaar = spieshert; aansteker; muurpeper.
Pride, praid, subst. trots, hoogmoed, fierheid, aanmatiging, luister; Pride verb. trotsch zijn op, hoogschatten: Pride will (is sure to) have a fall = hoogmoed komt vóór den val; To bring down a man’s pride = iemand vernederen; That fellow is puffed up with family pride = opgeblazen van familietrots; She takes a pride in her children = zij is trotsch op hare kinderen; He prided himself on being = hij beroemde (verhief) er zich op, dat hij was; Prideful = hoovaardig, trotsch; subst. Pridefulness.
Prier, praiə, snuffelaar; spion. Zie Pry.
Priest, prîst, priester, geestelijke; Priest-ridden = onder de plak der geestelijkheid; Priestcraft = priesterlist; Priestess = priesteres; Priesthood = priesterschap, alle priesters; Priestlike, Priestly = priesterlijk, als priester.
Prig, prig, subst. verwaand en aanmatigend persoon; “brave Hendrik”, “braaf Lijsje”; dief; Prig verb. stelen, ontfutselen: They are a set of starched-up prigs = een stelletje opgeprikte “kwibussen”; She prigged his diamond shirt-pin = zij ontfutselde hem; Priggish = verwaand, pedant; subst. Priggishness, Priggism.
Prill, pril, tongschar.
Prim, prim, adj. netjes, vormelijk, gemaakt; Prim verb. zich keurigjes kleeden en tooien: popperig mooi maken: She was very proprietous, and even fainted primly = en viel zelfs flauw in allen vorm; Primness = stijfheid, affectatie.
Prima, prîmə, eerste, voornaamste; b.v.: Prima-buffa = eerste komieke actrice; Prima-donna = eerste zangeres; To play prima vista = van ’t blad.
Primacy, praiməsi, opperkerkvoogdschap.
Primage, praimidž, kaplaken (premie).
Primal, praim’l, eerste, voornaamste; Primary, praiməri, adj. eerste, voornaamste, primair, elementair; subst. hoofdzaak: Primary colours = primaire kleuren; Primary instruction, school = lager onderwijs, lagere school.
Primate, praimit, opperkerkvoogd: Primate of England = aartsbisschop v. York; Primate of all England = aartsb. v. Canterbury; Primateship.
Prime, praim, eerste, voornaamste, prima, vroeg bloeiend, uitstekend; subst. begin, eerste stadium, dageraad, jeugd, lente, bloei, premie, priemgetal; Prime verb. kruit op de pan doen, gereed maken om af te schieten, klaarmaken, instrueeren, africhten (voor een examen, b.v.), in de grondverf zetten, opkoken (v. water in den stoomketel), water door stoom uit den ketel in den cylinder brengen: To sell at prime cost = tegen inkoopsprijs; Prime meridian = eerste meridiaan; Prime minister = minister-president; Prime mover = beweegkracht; Prime number = ondeelbaar getal; He was still in his prime = in den bloei zijns levens: Verg.: In the prime of life, not yet 50 years of age; Primeness; The partisan judge primed the audience and the jury = bewerkte het publiek en de jury; He primed his pistol = deed kruit op de pan; The soldiers were primed for the battle with liquor = kregen een stevigen borrel om hun moed te geven; Priming-iron, Priming-wire = ruimnaald (Milit.).
Primer, primə, gebedenboek, boek voor beginners, inleiding, abc-boek; soort van drukletter: A primer of English Literature = eerste inleiding tot de E. letterkunde.
Primeval, praimîv’l, oorspronkelijk: Primeval Forest = oerwoud.
Primigenial, praimidžînj’l, eerst geschapen, oorspronkelijk.
Primitive, primitiv, subst. en adj. oorspronkelijk (woord), stamwoord; subst. Primitiveness.
Primo, prîmou, eerste: Primo Basso (Zie Prima).
Primogenial, praimədžînj’l, oorspronkelijk, eerst geboren; Primogeniture, praimədženitjə, eerstgeboorterecht.
Primordial, praimödj’l, oorspronkelijk, van het begin bestaande; primitief; subst. begin.
Primrose, primrouz, sleutelbloem: Primrose-day = gedenkdag van Lord Beaconsfields (B. Disraeli) dood, 19 April 1888, ingesteld door de Primrose League = een conservatieve bond, gesticht door Lady Randolph Churchill in 1881.
Primula, primjulə, gemeene sleutelbloem.
Prince, prins, subst. vorst, prins: Crown prince; Hereditary prince = erfprins; Prince Charming = de Prins uit het sprookje; Prince Consort = prins gemaal; Prince of Wales = Engelsche kroonprins; Prince Royal (Prince Imperial) = kroonprins bij Latijn. naties; Prince’s feather = kattestaart, Oostersche duizendknoop; Prince’s metal = spinsbek: Princedom; Princelike = vorstelijk (= Princely); Princeliness; Princess, prinses, prinses: Princess Royal = kroon prinses; titel der oudste dochter van den Eng. koning; Princess dress, gown, robe.
Principal, prinsip’l, subst. hoofd, president, chef, bestuurder, hoofdsom, hoofdpersoon, lastgever of bedrijver; adj. voornaamste, eerste, hoogste, hoofd ...: Only principals will be dealt with = op tusschenpersonen wordt geen regard geslagen; Principal and interest = kapitaal en intrest; Principal Librarian of the British Museum = hoofdbibliothecaris; Principality, prinsipaliti, vorstelijke waardigheid, vorstendom; zevende orde van engelen; Principalness = voorrang, hoofdzaak.
Principia, prinsipiə, beginselen.
Principle, prinsip’l, subst. beginsel, oorsprong, element, grondslag; Principle verb. beginselen inboezemen of inprenten: He acted from a noble principle = uit een edel beginsel; On principle = uit beginsel; Act up to your principles = handel volgens uwe beginselen; To hold a principle; He laid down the following principle = hij stelde dit beginsel voorop.
Prink, priŋk, zich opsmukken; Prinker = fat.
Print, print, subst. indruk, teeken, merk, blad, prent; gravure, geschrift; gedrukte katoenen stof: Print verb. drukken, indrukken, stempelen, uitgeven: When will the book appear in print? = in druk verschijnen; He has put it into print = heeft het laten drukken; The first edition is out of print = is uitverkocht; One of the conservative prints = conservatieve bladen; Keeper of the prints in the British Museum = directeur van het prentenkabinet; Let me print it on your minds = het ulieden op het gemoed drukken; Print-seller = handelaar in prenten en gravures; Print-shop = winkel van een print-seller; Employed at a print-works = katoendrukfabriek; Printer = boekdrukker; Printer’s devil = drukkersloopjongen; Printer’s errors = drukfouten: Printer’s reader = corrector; Printing = het (boek)drukken: Letterpress print = boekdruk; Lithographic print = steendruk; Print-ink = drukinkt; Print-machine = druk- of snelpers; Print-paper = drukpapier; Print-press = drukpers; Print-type = drukletter.
Prior, praiə, eer, vroeger, voorafgaand (met to); subst. prior = Claustral prior; Conventual prior = prior, die niet aan de jurisd. van een abt is onderworpen; Priorate, praiərit, prioraat; Prioress = priores; Priority, praioriti, voorrang: Creditor by priority = preferente; Priorship = prioraat; Priory = klooster met een prior of eene priores aan het hoofd.
Prise, praiz, hefboom; Prise verb. opheffen, openen, openbreken.
Prism, prizm, prisma; Prismatical, prizmatik’l, prismatisch.
Prison, priz’n, subst. gevangenis; Prison verb. gevangen zetten, insluiten: To be (sit) in prison = gevangen zitten; To break (out of) prison = uitbreken; To put (throw) into prison = gevangen zetten; To take to prison = naar de gevangenis brengen; Prison-bars = tralies; ook Prison-base of Prisoner’s-base = diefjesspel (een speler staat tusschen twee bases of goals en tracht de anderen, die voorbijloopen te “tikken”; Prison-van = dievenwagen; Prison-yard = binnenplaats van eene gevangenis; Prisoner = gevangene: They were taken prisoner = gevangen genomen; Prisonment = gevangenschap.
Pristine, pristin, eerst, oorspronkelijk, frisch.
Prithee, pridhî, eilieve!
Prittle-Prattle, prit’lprat’l, gewauwel.
Privacy, pr(a)ivisi, afzondering, eenzaamheid, eenzame plaats: Your privacy will not be invaded = niemand zal u (in uwe afzondering) lastig vallen.
Private, praivit, subst. gewoon soldaat; Privates = geslachtsdeelen; adj. alléén, persoonlijk, ambteloos, niet-officiëel, vertrouwelijk: The letter was headed “Private” = boven den brief stond “Vertrouwelijk”: In private = in ’t geheim, in vertrouwen, onder vier oogen; The word “Private” on this door means: “Verboden toegang”; A private affair = een onderonsje; To sell by private bargain (treaty) = onderhands; Private box = post“box”; Private confessor = eigen biechtvader; My private debts amount to 3000 guilders = mijne persoonlijke schulden; A private dinner = “en famille”; Private hotel = hotel garni; A private person = ambteloos, niet officiëel, particulier persoon; Private parts = Privates; Private theatricals = liefhebberijkomedie; Private venture school = school voor eigen rekening; Privateness = afzondering, geheimhouding; Privateer, pr(a)ivitîə, subst. kaper; Privateer verb. ter kaap varen; Privateering = kaapvaart, kaperij; Privateersman = kaapvaarder.
Privation, praiveišn, ontbering, behoefte, gebrek; ontzetting uit een ambt, schorsing; wegneming; Privative, privətiv, subst. en adj. ontkennend (zooals un in unhappy), beroovend.
Privet, privət, liguster of keelkruid.