Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 137

Chapter 1373,205 wordsPublic domain

Tremolo, treməlou, triller, trilling.

Tremor, tremə, rilling, huivering: In a tremor; Tremor cordis = hartklopping; Tremulous, tremjulɐs, bevend, trillend, sidderend; subst. Tremulousness.

Trenail = Treenail.

Trench, trenš, subst. gracht, greppel, sloot, afvoersloot, loopgraaf; Trench verb. eene sloot of greppel graven, loopgraven maken, inbreuk maken op (on, upon), diep graven of ploegen: The enemy opened the trenches = begon met de loopgraven; Trench-plough = diepsnijdende ploeg; Trenchancy = scherpheid; Trenchant, trenš’nt, snijdend, scherp, bits; Trencher = graver, houten schotel, broodplank, tafel: Trencher(-cap) = hoofddeksel (met vierkant bovenstuk) van de E. studenten; Trencher-man = goed en smakelijk eter = Trencher-mate.

Trend, trend, subst. neiging, richting, geer, bocht; Trend verb. geeren, zich richten, loopen, zich uitstrekken: The trend of the sea-shore = de bocht der zeekust; The coast trended to north = de kust liep noord.

Trennel, tren’l, trɐn’l = Treenail.

Trental, trent’l, Gregoriaansche mis: Dertig missen, één per dag, vooral voor overledenen.

Trepan, trəpan, schedelzaag of -boor, boormachine; Trepan verb. doorboren of trepanneeren; Trepanner.

Trepidation, trepideiš’n, siddering, trilling, beverigheid, ontsteltenis.

Trespass, trespəs, subst. overtreding, zonde, nadeel; Trespass verb. overtreden, zondigen, schenden, te ver gaan, misbruik maken, zich indringen: Forgive us our trespasses as we forgive them that trespass against us = vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren; To trespass on (upon) a law, upon a person’s good nature = overtreden.... misbruik maken van; No trespassing on the railway is allowed = de toegang tot den spoorweg is verboden; I hope I have not trespassed upon your time = niet te veel van uw tijd geroofd heb; Trespasser.

Tress, tres, (haar)lok, krul, vlecht; Tressed.

Trestle, tres’l, stellage, bok, schraag; Trestle-board = teekenbord; A trestle-bridge = schraagbrug; Trestle-work = steigerwerk of viaduct op palen en schragen (Amer.).

Tret, tret, goed gewicht, vier Eng. ponden toe op elke 100.

Trevelyan, trəvelj’n; Treves, trîvz, Trier.

Trevet, trevet. Zie Trivet.

Trey, trei, drie (op dobbelsteen of kaart).

Triable, traiəb’l, wat beproefd kan worden; subst. Triableness; Trial, traiəl, proef, experiment, verhoor, (gerechtelijk) onderzoek, beproeving: By way of trial; On trial = op proef; On one’s trial = in verhoor, in onderzoek; Hour of trial; He’s a great trial to us = baart ons veel zorgen; A trial man = iemand, die “op proef” genomen wordt; The pest and trial of the libraries = plaag en beproeving; A trial at bar = processen waarbij de 4 rechters v. het oude Superior Court waren betrokken, zoodat aan 3 Courts geen zaken behandeld konden worden; A trial by jury = gerechtelijk onderzoek door de jury; He was brought to (put to) his trial = werd in verhoor genomen, vervolgd; To commit for trial = naar een rechtbank verwijzen; Let him have a trial = laat het hem eens probeeren; To make a trial of = de proef nemen; To move for a new trial = appelleeren; To be put on (committed for) trial = in verhoor genomen, vervolgd worden; The steamer gave much satisfaction in her trials = op den proeftocht (= Trial-trip); Trial-balloon = proefballon (ook fig.).

Triangle, traiaŋg’l, driehoek, triangel; Triangular, traiaŋgjulə, driehoekig: Triangular compasses = passer met drie beenen; Triangulate, traiaŋgjuleit, trianguleeren; Triangulation = triangulatie.

Trias, traiəs, triasformatie; adj. Triassic.

Tribal, traib’l, v. een stam: The tribal rules which regulate savage life; Tribe, traib, stam, klasse, geslacht, familie, troep; Tribes-man, lid van een stam.

Tribrach, traibrak, voet v. drie korte syllaben.

Tribulation, tribjuleiš’n, groot verdriet, zware beproeving.

Tribunal, traibjûn’l, rechtbank, gerechtshof, rechterstoel, biechtstoel; Tribune, tribjûn, tribuun, tribune; Tribuneship.

Tributary, tribjutəri, subst. en adj. schatplichtig(e staat); zijrivier (= Tributary stream); Tribute, tribjut, schatting, cijns, schatplichtigheid: To pay the tribute of nature = den tol der natuur betalen; Tribute-money = cijns, schatting.

Tricapsular, traikapsiulə, met drie kapsels of cellen.

Trice, trais, ophijschen.

Trice, trais, oogenblikje: In a trice = in een wip.

Tricentenary, traisentənəri. Zie Tercentenary; adj. Tricentennial.

Triceps, traiseps, driehoofdig.

Trichina, trikainə, trichine; Trichinosis, trikinousis, trichinenziekte; adj. Trichinous, trikinɐs, trikainəs.

Trichord, traiköd, subst. en adj. driesnarig (instrument).

Trick, trik, subst. streek, kunstgreep, handigheid, poets, grap, trek, slag, “volte”, eigenaardigheid, roergang (scheepst.); Trick verb. bedriegen, bedotten; versieren, opschikken: Boy’s trick = kwajongensstreek; Tricks of fortune = grillen; Don’t come your tricks here = haal hier geen streken uit; He has done the trick = is dood, kapot; He always had the bad trick of mumbling = de slechte gewoonte; We have the odd trick = één slag (trek) meer; I knew every trick of his face = iedere uitdrukking; I know a trick worth two of that = daar loop ik niet in; He knows a trick or two = is uitgeslapen; He played you a bad trick = heeft u eene leelijke poets gebakken; To show tricks = kunstjes vertoonen; He tricked me out of a considerable sum = bedroog mij voor; I am tired of those dramatic trick-changes = die dramatische verrassingen; Tricker = bedrieger; Trickery = bedriegerij, bedotterij; Trickiness, subst. v. Tricky; Trickish = vol streken, bedriegelijk; subst. Trickishness; Tricksiness, subst. v. Tricksy; Trickster = bedrieger, schurk; Tricksy = schalksch, snaaksch, fijn; Tricky = vol streken, ondeugend, snaaksch.

Trickle, trik’l, zachtkens vloeien, in droppels neerdalen: The blood trickled down my fingers = liep tappelings langs mijne vingers.

Trick-track, triktrak, triktrakspel.

Triclinium, traikliniəm, stel lage divans om drie zijden eener eettafel, elk stel voor drie personen; Rom. feestzaal.

Tricolour, traikɐlə, driekleurig(e vlag); Tricoloured.

Tricot, trîkou, tricot.

Tricycle, traisik’l, subst. driewieler; Tricycle verb. op een driewieler rijden; Tricyclist = rijder op een driewieler.

Tridactyl(ous), traidaktil(ɐs), met drie teenen of vingers.

Trident, traid’nt, drietand, oppermacht ter zee; Tridentate(d), traidentit (traidenteitid), met drie tanden.

Tridentine, traidentin, subst. en adj. het concilie v. Trente of de stad betreffend.

Tridimensional, traidimenšən’l, met drie afmetingen.

Tried, traid, beproefd: A tried friend = trouw; Trier, traiə, vroeger een bepaald rechter.

Triennial, traienj’l, driejarig, driejaarlijksch.

Trifid, traifid, in drieën gespleten.

Trifle, traif’l, subst. kleinigheid, beetje, beuzeling, schoteltje v. een gebak in sherry gedrenkt en met room en geslagen eieren bedekt; Trifle verb. spelen, spotten, beuzelen, verbeuzelen: I don’t stand upon trifles = zie niet op die kleinigheden; You are trifling away your time and money = ge vermorst; Don’t trifle with me = houd me niet voor den gek; Trifler = beuzelaar; Trifling expenses = niet noemenswaardige uitgaven.

Trifoliate(d), traifouljit (traifouljeitid), driebladig; Trifolium, traifoulj’m, klaver.

Trifurcate(d), traifɐ̂kit (traifɐ̂kieitid), met drie takken of vorken.

Trig, trig, keurig, netjes.

Trig, trig, subst. remblok, remschoen; Trig verb. remmen, vastzetten.

Trigger, trigə, trekker (v. een vuurwapen): To pull the trigger = afvuren; Trigger-guard = beugel (onder den trekker).

Trigon, traigon, trigoon, driehoek; het samenkomen v. drie teekens van den Dierenriem; Trigonal, trigən’l, driepuntig, driehoekig; Trigonometric(al), trigənəmetrik(’l), tot de driehoeksmeting behoorende; Trigonometry, trigənomətri, driehoeksmeting.

Trigraph, traigrâf, drie klinkers met één klank, b.v. eau in beau.

Trihedral, traihîdr’l, traihedr’l, met drie gelijke zijden.

Trike, traik, verb. van Tricycle: These girls are adepts at triking = rijden goed op driewielers.

Trilateral, trailatər’l, driezijdig.

Trilinear, trailinjə, met drie lijnen.

Trilingual, trailiŋgw’l, in drie talen.

Triliteral, trailitər’l, (woord) v. drie letters.

Trill, tril, subst. trilling, getrilde letter (zooals de Nederl. r), tremblant (muz.); Trill verb. trillen, vibreeren.

Trillion, trilj’n, trillioen, 1 met 18 nullen (Amer. 1 met 12 nullen).

Trilobite, triləbait, zeker fossiel schelpdier.

Trilogy, trilədži, trilogie.

Trim, trim, subst. toestand, staat, orde, kleeding, gala, opschik, garneersel; adj. netjes, keurig, proper, goed passend; Trim verb. in orde brengen, netjes maken, versieren, uitrusten, snoeien, bijknippen, garneeren, opmaken, oprakelen, schoonmaken, terechtwijzen, geschikt maken, in goeden staat brengen (van een schip met betrekking tot lading, ballast, masten, enz.): We are in good trim = in goeden staat, op alles voorbereid; She was dressed in regulation trim = gekleed overeenkomstig de voorschriften (op bals, etc.); Out of trim = slecht gestouwd; I trimmed him = veegde hem den mantel uit; To trim a candle = snuiten; Will you trim the fire? = vuur oppoken (en den haard aanvegen, etc.); He trimmed the lamp = maakte de lamp in orde; I have trimmed this piece in here = dit stuk hier ingepast; The sails were trimmed = zoo gunstig mogelijk (naar den wind) gezet; To trim one’s sails accordingly = de huik naar den wind hangen; Independent members do not trim to political demagogues = schikken zich niet naar; Trimmer = tremmer, politieke weerhaan, terechtwijzer, terechtwijzing; Trimming = terechtwijzing, pak slaag; onstandvastigheid, weifelmoedigheid; Trimmings = oplegsel, garneersel, toespijzen: Tea with trimmings; Trimness = netheid, etc.

Trimeter, trimətə, drievoetige versregel.

Trinal, train’l, drievoudig: Trinal unity.

Tringle, triŋg’l, gordijnroede, kleine kroonlijst.

Trinidad, trinidad.

Trinitarian, trinitêrj’n, subst. en adj. (belijder) v. de drieéénheidsleer; Trinitarianism = het leerstuk der drieéénheid; Trinity, triniti, drieéénheid: Trinity-house = oude corporatie te Londen bij welke o.a. het toezicht op vuurtorens en boeien aan kusten en in rivieren berust; Trinity-Sunday = Zondag na Pinkster; Trinity-term = een der vier termijnen (22 Mei–12 Juni) gedurende welke Londensche rechtscolleges zitting hielden; thans Trinity Sittings van Dinsdag na Pinkster tot 12 Augustus.

Trinket, triŋkət, kleinood, lijfsieraad in ’t algemeen; Trinket verb. intrigueeren.

Trinomial, trainoumj’l, subst. en adj. drienamig(e term) = Trinominal, trainomin’l.

Trio, traiou, trîou, trio, klaverblad (fig.).

Triolet, traiəlet, trîəlet, triolet.

Trior, traiə, ambtenaar, die onderzoekt of eene wraking van juryleden juist is.

Trip, trip, subst. trippelpas, getrippel, uitstapje, gang, slag, beentjelichten, struikeling, misstap, val, kleine fout; Trip verb. trippelen, vlug loopen, huppelen, een uitstapje doen, struikelen, een mispas doen, dwalen, op eene fout betrappen, beentje lichten: They went on their wedding-trip = op hun huwelijksreisje; Her foot tripped = zij struikelde; I tripped him up = heb hem den voet gelicht; They tripped up one another’s heels = volgden elkander onmiddellijk, zaten elkaar achterna; I was tripped up by that branch = struikelde over dien tak. Zie Tripper.

Triparted, traipâtid, in drie stukken verdeeld; Tripartite, tripətait, traipâtait, in drie deelen verdeeld, in triplo; Tripartition, tr(a)ipâtiš’n, verdeeling in drieën.

Tripe, traip, pens, ingewanden, buik.

Tripetalous, traipetəlɐs, driebladig.

Triphthong, tripthoŋ, trifthoŋ, drieklank; adj. Triphthongal, tripthoŋg’l, trifthoŋg’l.

Triple, trip’l, adj. drievoudig, driemaal; Triple verb. verdrievoudigen; Triple-crown = pauselijke kroon; Triple-headed = driehoofdig; Triplet, triplət, subst. trio, drieling, drieregelig versje, fiets voor 3 personen; adj. drievoudig; Triplex, traipleks, trippelmaat; Triplicate, triplikit, verdrievoudigd, drievoudig; subst. triplicaat; Triplication = verdrievoudiging, tripliek; Triplicity, triplisiti, drievoudigheid.

Tripod, traipod, drievoet(ige stoel, tafel of ketel).

Tripoli, tripəli, Tripoli; Tripoline, tripəl(a)in; Tripolitan, tripolit’n, (bewoner) van T.

Tripos, traipos, het Honours-Exam. te Cambridge voor den B.A. graad.

Tripper, tripə, trippelaar, danser, pleizierreiziger: Cheap trippers = pleizierreizigers; Tripple = korte galop: He put the tired nag into a sort of tripple or ambling canter much affected by South-African horses.

Triptych, triptik, een uit drie deelen bestaande altaarschilderij; antiek waschtafeltje met 2 bladen, die konden worden dichtgeslagen.

Triradiate(d), traireidjit (-eitid), met drie stralen.

Trireme, trairîm, galei met 3 rijen roeibanken boven elkaar.

Trise, trais, opeischen.

Trisect, traisekt, in drie gelijke deelen verdeelen; subst. Trisection, traisekš’n.

Trispermous, traispɐ̂məs, driezadig.

Trisyllabic(al), trisilabik(’l), drielettergrepig; Trisyllable, tr(a)isiləb’l, trisiləb’l, drielettergrepig woord.

Trite, trait, afgezaagd, alledaagsch; subst. Triteness.

Triton, trait’n, zeegod, watersalamander: He is a Triton among the minnows = steekt verre boven zijns gelijken uit.

Triturate, tritjureit, tot fijn poeder malen of stampen; subst. Trituration.

Triumph, traiəmf, subst. triomf, zegepraal; Triumph verb. zegepralen, zegevieren: He has triumphed over all difficulties = glansrijk overwonnen; Triumphal, traiɐmf’l, zegevierend: Triumphal arch = eereboog; Triumphal car = zegekar; Triumphant, traiɐmf’nt, zegevierend, zegepralend: Triumph car (chariot) = zegekar; Triumpher = triumphator.

Triumvir, traiɐmvɐ̂, drieman; Triumvirate, traiɐmvirit, driemanschap.

Triune, traijûn, drieëenig.

Trivalvular, traivalvjulə, driekleppig.

Trivet, trivət, treeft, drievoet: I am (as) right as a trivet = ik ben zoo gezond als een visch.

Trivial, trivj’l, triviaal, onbeduidend, plat: Trivial name = populaire naam voor dier of plant; Triviality, trivialiti, alledaagschheid, onbeduidend iets: Trivial verb. Trivialize; subst. Trivialness.

Trivium, trivj’m, naam voor de drie hoofdvakken in de Middeleeuwen: grammatica, rhetorica en logica.

Triweekly, traiwîkli, traiwîkli, driemaal per week (verschijnend blad).

Troat, trout, subst. het schreeuwen van een hert in den bronsttijd; Troat verb. schreeuwen (van een hert).

Trochaic, trəkeiik, trochaeisch.

Troche, troutš, trouk, troukî, (artsenij)tablet.

Trochee, troukî, trochee.

Trochil(us), trokil(ɐs), soort kolibri; tuinkoning.

Trod, trod, imperf. v. to tread; Trod(den), trod(’n), p. perf. van to tread.

Troglodyte, tro(u)glədait, holbewoner; adj. Troglodytic(al), trogləditik(’l).

Trojan, troudž’n, subst. en adj. Trojaan(sch).

Troll, troul, subst. lied (kànon), rondzang, rolletje aan een hengel, soort kunstaas; aardgeest; Troll verb. rollen, ronddraaien, rondgeven, neuriën, lokken, aantrekken, hengelen, slenteren, een rondzang aanheffen.

Trollop, troləp, slons, slet; Trollopy = slonzig, vuil, zedeloos.

Trollope, troləp.

Troll(e)y, troli, kar, lorrie, rol- of sledecontact bij electr. trams.

Trombone, tromboun, schuiftrompet.

Troop, trûp, subst. troep, hoop, menigte, escadron; Troop verb. in een troep loopen, tot troepen of in eene menigte vereenigen, aftrekken (away): To get one’s troop = ritmeester worden; He sold out, and the sale of his troop gave us a competence = hij kocht zich uit, en de opbrengst van zijne ritmeestersplaats verschafte ons genoeg om van te leven; Troops of the line = linietroepen; To levy (raise) troops; Trooping the colours = paradeeren; A troop-horse = cavaleriepaard; Troop-ship = transportschip; Trooper = cavalerist, transportschip: He swears like a trooper = vloekt als een dragonder.

Trope, troup, redefiguur, fig. uitdrukking.

Trophy, trofi, zegeteeken, tropee.

Tropic, tropik, subst. keerkring: Tropic of Cancer = kreeftskeerkring; Tropic of Capricorn = steenbokskeerkring; The Tropics = de Tropen; Tropical = tropisch, beeldsprakig: Tropical fruit.

Trossachs, trosaks.

Trot, trot, subst. draf; dribbeltje of hummeltje; Trot verb. draven, in draf zetten: Little trots of four or five years old = kleine hummels; A jog-trot = sukkeldrafje; At (On a) full trot = in vollen draf; He brought his horse to a trot = bracht zijn paard in draf; He was driving on at full trot = in vollen draf; To go for a trot = een eindje omstappen; To keep a person on the trot all day = in touw houden (fig.); To trot out = voorrijden; We’ll have to trot you out = wij zullen u moeten examineeren, u zal op de koord moeten. Zie Trotter.

Troth, troth, trouw, geloof, waarheid, trouwbelofte: By my troth = op mijn woord; In troth = voorwaar, waarachtig; They plighted their troth = beloofden elkaar trouw.

Trotter, trotə, draver, (schape-, of varkens)poot; Trotting: Trotting-horse = harddraver; Trotting-match = harddraverij.

Trottoir, trotwâ, plaveisel.

Troubadour, trûbədûə, troubadour.

Trouble, trɐb’l, subst. onrust, zorg, droefheid, verlegenheid, ongeluk, moeite, inspanning; Trouble verb. verontrusten, storen, lastig vallen, hinderen, verdriet doen, moeite veroorzaken, angst aanjagen: To be at the trouble to = zich de moeite geven om; To be in trouble = in zorgen zitten; To bring trouble upon oneself = zich in ’t ongeluk storten; Troubles like crows seldom come singly = een ongeluk komt zelden alleen; My boy, you’ll get into trouble = je loopt erin, je krijgt nog straf; There’s no good in meeting trouble = geen zorg vóór den tijd; I fear I have put you to some trouble = dat ik u last heb veroorzaakt; Will you take the trouble? = de moeite doen, u den last getroosten; You might hare saved me that trouble = dien last kunnen besparen; I will spare no trouble = geen moeite ontzien; Don’t trouble (your head) about this = heb daar geene zwarigheid over; I will trouble myself no more about him = me niet meer druk om hem maken; May I trouble you for the gravy? = om de jus verzoeken; There the wicked cease from troubling = daar houden de boozen op van beroering (Job. III, 17); To fish in troubled water = in troebel water visschen; Troubler = verontruster, verstoorder; Troublesome = lastig, moeilijk, vervelend: My back is troublesome = ik heb last van (pijn in) mijn rug; subst. Troublesomeness; A troublous life = leven vol zorgen; In troublous times = in tijden van beroering.

Trough, trof, trog, bak, etensbak, golfdal = Trough of the sea.

Trounce, trauns, afrossen, uitschelden; Trouncing = afstraffing.

Troupe, trûp, troep tooneelspelers.

Trousering, trauzəriŋ, broekstof; Trousers = lange broek: A pair of trousers = eene broek; To go into trousers = een lange broek aankrijgen; To turn up the end of one’s trousers = zijn broekspijpen omslaan; Trouser-strip = galon.

Trousseau, trûsou, uitzet van de bruid.

Trout, traut, forel(len); Trout-coloured = forelkleurig (wit met zwarte spikkels); Trout-farm = kweekerij; Troutlet = kleine forel.

Trouvère, trûvêə, minnezanger.

Trove, trouv. Zie Treasure; Trover = bezitverkrijging door vinden, onrechtmatige toeëigening: Action of trover = aanklacht wegens deze toeëigening.

Trow, trau, trou, trû, gelooven, vertrouwen.

Trowbridge, troubridž.

Trowel, trauəl, subst. troffel; Trowel verb. met een troffel opleggen; You are laying it on with a trowel = legt het er dik op (fig.).

Troy, trôi, Troje, Troyes (stad Z.O. v. Parijs): Troy(-weight) = gewicht van 12 ounces in het pound (= ± 373,242 gr.), alléén voor goud, zilver en juweelen; medicijnen.

Truancy, trûənsi, wegblijven, schoolverzuim; Truant, trûənt, plichtverzakend, lui, de school verzuimend; subst. leeglooper, spijbelaar; Truant verb. omboemelen, spijbelen: He often plays (the) truant = spijbelt dikwijls; To run truant = wegloopen; Truant-school = school voor geregelde verzuimers.

Truce, trûs, wapenstilstand, tijdelijke opschorting: Flag of truce = witte (parlementaire) vlag; A truce to your doggerel = schei uit met je gerijmel; You have broken (the) truce = den wapenstilstand verbroken; To make truce with = een wapenstilstand sluiten; Truce-breaker = verbreker van afspraak of wapenstilstand.

Truck, trɐk, subst. ruilhandel, huishoudelijke artikelen, handel, gedwongen winkelnering, verkeer; groente, afval (Amer.); katrol, handwagen, lage stellage op wielen, lorrie, open goederenwagen, kleine ronde schijf of kloot boven aan vlaggestok of mast; Truck verb. ruilhandel drijven, schacheren, venten, in trucks overladen of verzenden; Truck-man = ruilhandelaar, wagenrijder; Truck-system = gedwongen winkelnering; Truckage, trɐkidž, ruilhandel, vervoerloon; Truckful = wagenvol.

Truckle, trɐk’l, subst. wieltje, rolletje; Truckle verb. voortrollen; zich aan den wil van anderen onderwerpen, slaafsch zijn, kruipen voor (to), voortrollen; Truckle-bed = ledikant op rolletjes; He truckles to circumstances = onderwerpt zich aan de omstandigheden; People crawl and truckle for social success = kruipen en buigen zich; Truckler = kruiper.

Truculence, trɐkjulens, woestheid, wreedheid, woest uiterlijk; Truculent = ruw, wreed, vreeselijk.

Trudge, trɐdž, voortsukkelen, zich voortslepen: He trudged after his father = sukkelde achter zijn vader aan.

True, trû, waar, trouw, standvastig, eerlijk, echt, zeker, regelmatig, recht, rechtmatig, juist: What you say there is true enough = is volkomen waar; He was true to his country and loyal to his king = trouw aan koning en vaderland; True to one’s word; He gave us a true account of it = een nauwkeurig verhaal; True bill = uitspraak v. de Grand Jury, dat na onderzoek van het bewijsmateriaal rechtsingang zal worden verleend met verwijzing naar de Petty Jury (Panel); A perfectly true circle = volkomen; True copy = eensluidend afschrift; To come true = uitkomen (v. droomen); To go true = goed loopen (v. horloges); To hold true = waar blijven; To prove true = waar blijken; True-blue, subst. trouw, oprecht en eerlijk persoon, echte Tory; adj. onwrikbaar, trouw en eerlijk; True-born = echt, van wettige geboorte; True-bred = van echt ras, van goede opvoeding; True-hearted = trouwhartig, eerlijk; subst. True-heartedness; True-love, subst. minnaar, geliefde; True-love(r’s)-knot = soort van dubbele knoop (zinnebeeld v. wederzijdsche trouw en liefde); Truepenny = eerlijke vent; Trueness = trouw, oprechtheid, juistheid, etc.

Truffle, trɐf’l, truffel; Truffle-dog = truffelzoeker (hond); Truffle-hunter.

Trug, trɐg, kalkbak; ⅔ bushel; groentemand.

Truism, trûizm, gemeenplaats, waarheid als eene koe.

Trullization, trɐlizeiš’n, het pleisteren.

Truly, trûli: Yours truly = hoogachtend uw, etc.

Trump, trɐmp, subst. troefkaart, goede kerel, kranige vent; Trump verb. troeven, troef (uit)spelen, verzinnen, opdrijven: To call for trumps = vragen; To lead off a trump = opkomen met; To play trumps; He was put to his trump(s) = tot het uiterste gebracht; You always turn up trumps = gij boft altijd, u loopt alles mee = All your cards are trumps; Trumped-up = verzonnen, waardeloos: An accusation was trumped up against us = werd tegen ons verzonnen; Trumpery, subst. vodden, prulleboel, bedriegerij; adj. waardeloos, prullerig.

Trumpet, trɐmpət, subst. trompet, scheepsroeper, uitbazuiner; Trumpet verb. met veel ophef bekend maken, uitbazuinen, uitbundig prijzen, trompetten: The last trumpet = de bazuin van den oordeelsdag; A flourish of trumpets = fanfare; He blows (sounds) his own trumpet = verkondigt zijn eigen lof; He trumpeted forth his friend’s praise = stak de loftrompet over zijn vriend; Trumpet-call = trompetsignaal; Trumpet-fish = trompetvisch; Trumpet-fly = schapenhorzel; Trumpeter = trompetter, loftuiter, schetteraar, trompetvogel; soort duif.

Truncal, trɐŋk’l, tot den stam of romp behoorende; Truncate, trɐŋkit, adj. afgeknot; Truncate verb. (trɐŋkeit), afknotten, snoeien: Truncated cone (pyramid) = afgeknotte kegel (piramide); Truncation, trɐŋkeiš’n, afknotting, het afgeknot zijn.

Truncheon, trɐnš’n, subst. stam, stomp, schacht, staf, knuppel, maarschalksstaf; Truncheon verb. afrossen.