Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 107
Retiracy, ritairəsi, afzondering, voldoend vermogen (Amer.); Retiral, ritair’l, terugtocht, ontslag; inlossing van een wissel; Retire, ritaiə, (zich) terugtrekken, verwijderen, naar bed gaan, heengaan, aftreden, uit de zaken gaan, intrekken: To retire from the army (service) = den dienst verlaten; To retire from business = zich uit de zaken terugtrekken; To retire from the examination = zich terugtrekken; To retire from practice = de praktijk neerleggen; I retire to my bedroom = ik ga naar mijne slaapkamer; They did not know where to retire to = waarheen te gaan; Retired = teruggetrokken, afgezonderd, oud, gepensionneerd, rentenierend: A retired baker, Indian Judge, postman; To go on the retired list = gepensionneerd worden; On retired pay = op nonactiviteitstractement; Retirement = eenzaamheid, afzondering, verwijdering, uittreding, pensionneering; Retiring = (zich) terugtrekkend, bedeesd, bescheiden: He is retiring rather than shy = meer teruggetrokken dan bedeesd; Retiring allowance = pensioen.
Retorsion, ritöš’n: Retorsions = represaillemaatregelen.
Retort, ritöt, subst. scherp, vinnig antwoord; retort; Retort verb. terugwerpen, een scherp antwoord geven: I retorted upon him = ik raakte hem weer, weerlegde hem.
Retouch, rîtɐtš, subst. het retoucheeren; Retouch verb. retoucheeren; weer aanroeren: Don’t retouch on the subject; Retoucher; Retouchment.
Retrace, ritreis, weer naspeuren, opnieuw nagaan, weer óvertrekken (van eene schets, etc.): We retraced the events of our lives = gingen weer na; Let us retrace our steps to the wood = teruggaan naar.
Retract, ritrakt, terugtrekken, intrekken, herroepen: I retract the insult = trek de beleediging in; Retractability = intrekbaarheid; adj. Retractable; Retractation = herroeping, intrekking; Retractile = intrekbaar; Retraction = intrekking, herroeping; Retractor = herroeper, spier voor de terugtrekkende beweging.
Retreat, ritrît, subst. terugtocht, stil verblijf, afzondering, wijkplaats; Retreat verb. terugtrekken, wijken, afzien van: To effect (make) a retreat = zich terugtrekken; To make good one’s retreat = terug trekken, zich een terugtocht verzekeren; The enemies sounded, beat a retreat = gaven (op hoorn of trom) het signaal tot den terugtocht; A pleasant retreat among the valleys = een heerlijk stil plekje; In retreat = uit dienst.
Retrench, ritrenš, besnoeien, verkorten, bezuinigen, beperken, verschansen; Retrenchment = afsnijding, besnoeiing, inkrimping, verkorting, verschansing.
Retributer, ritribjutə, vergelder, vergoeder; Retribution, retribjûš’n, vergelding, belooning, vergoeding; adj. Retributive, Retributory.
Retrievable, ritrîvəb’l, herstelbaar; subst. Retrievableness; Retrieval, ritrîv’l, herstel; Retrieve, ritrîv, herstellen, terugvinden, weer goed maken, apporteeren: She afterwards retrieved her shortcomings = maakte weer goed; Retriever = jachthond (die geschoten wild apporteert).
Retroact, ritrəakt, retrəakt, terugwerken; Retroaction = terugwerking; adj. Retroactive.
Retrocede, rîtrəsîd, teruggaan, wijken; subst. Retrocession, rîtrəseš’n.
Retrogradation, rîtrəgrədeiš’n, achteruitgang, ontaarding; Retrograde, rîtrəgreid, retrəgreid, adj. (zich) achterwaarts bewegend, achteruitgaand, ontaardend; Retrograde verb. achteruitgaan, ontaarden; Retrogression, rîtrəgreš’n, achteruitgang, ontaarding; adj. Retrogressive.
Retrorse, ritrös, achterwaarts gebogen.
Retrospect, rîtrəspekt, retrəspekt, terugblik; Retrospection = terugblik; Retrospective: Retrospective law = wet met terugwerkende kracht; Retrospective view = terugblik, teruggewende blik; He is a retrospicient (rîtrəspiš’nt) man = een man, die met voorliefde den blik achterwaarts richt.
Return, ritɐ̂n, subst. terugkomst, terugkeer, omloop, teruggave, belooning, beantwoording, verkiezing, officieel rapport, winst, opbrengst, voordeel, retourkaartje; Return verb. terugkomen, terugkeeren, terugzenden, nogmaals vóórkomen, terugbetalen, kwijten, antwoorden, officieel rapporteeren, verkiezen: A return of hospitality = contra-beleefdheid; The return of spring = de terugkeer der lente; By return mail (post) = per keerende post; In return for this = ter vergoeding hiervan; In return of services rendered = ter vergelding van; On return = in commissie; To make a false return of one’s income to the tax-gatherers = onjuiste opgave doen; To meet with a base return = ondankbaar behandeld worden; To obtain a fair return upon capital = behoorlijke rente maken; Returns = omzet, tegenwaarde, ontvangsten; The government returns = de officieele statistieken; I wished him many happy returns of the day = dat hij het nog dikwijls mocht beleven; Small profits and quick returns = kleine winst bij vluggen omzet; He has not returned evil with (for) evil = geen kwaad met kwaad vergolden; A great liberal majority was returned = werd verkozen; My partner did not return my suit = heeft niet aan mijn invite (kaartspel) gevolg gegeven; To return thanks = bedanken; To return a visit = een visite terugbrengen; Return-cargo = retourvracht; Return-check = sortie (theat.); Return-day = dag, waarop een beschuldigde wordt voorgebracht om de uitspraak te hooren; Return-match = revanchepartij; Return-ticket = retourbiljet; Returnable = wat hersteld of teruggegeven kan worden: Returnable goods; Returning officer = voorzittend ambtenaar bij eene Parlementsverkiezing.
Reunion, ri-jûnj’n, hereeniging, reunie; Reunite, rîjunait, hereenigen, verzoenen.
Revaccinate, rîvaksineit, herenten; subst. Revaccination.
Revalenta, revəlentə, revalenta, linzenmeel.
Reveal, rivîl, openbaren, bekend maken; Revealable = wat geopenbaard kan worden; subst. Revealableness; Revealer.
Revel, rev’l, subst. luidruchtige pret of partij; Revel verb. pret maken, luidruchtig feest vieren, brassen: Master of the revels = een soort van “Prins Carnaval” bij de oude feesten op Kerstmis; Reveller = zwierbol, pretmaker; Revelry = luidruchtige feestvreugde, brasserij.
Revelation, revəleiš’n, openbaring, laatste bijbelboek = Book of the Revelation; adj. Revelational.
Revenge, rivenž, subst. wraak(zucht), revanche; Revenge verb. wreken, weerwraak nemen: In revenge of former insults = uit wraak over; I did it out of revenge = uit wraak; To give an adversary his revenge = “revanche” geven; He glutted his revenge = wreekte zich vreeselijk; To take one’s revenge on; I will be revenged on you = ik wil mij op u wreken; Revengeful = wraakgierig; subst. Revengefulness; Revenger = wreker.
Revenue, revənjû, inkomsten, tollen: The Public Revenue(s) = de inkomsten van den staat; Revenue-cutter = recherchevaartuig (tegen den smokkelhandel); Revenue-officer = ambtenaar der douane.
Reverberant, rivɐ̂bərənt, weergalmend, terugkaatsend; Reverberate, rivɐ̂bəreit, terugkaatsen, weergalmen; Reverberation = terugkaatsing, weergalming; oven; adj. Reverberative = Reverberatory, subst. reverbeer (strijk-, puddel-)oven = Reverberatory furnace.
Revere, rivîə, eerbiedigen, hoogachten; Reverence, revərens, subst. eerbied, hoogachting, eerwaarde; Reverence verb. vereeren, eerbiedig groeten: Your Reverence = Uw Eerwaarde; Saving your reverence = met allen eerbied, met alle respect; Reverencer; Reverend, revərend, eerwaardig, eerwaarde (voor geestelijken): The Very Reverend Dean of W. = de hoogeerwaarde deken van W.; The Right Reverend Bishop of London = zijne hoogwaardigheid; The Most Reverend Archbishop of Canterbury = zijne doorluchtige hoogwaardigheid; Reverent, revərent, eerbiedig, nederig, onderdanig; He laid the book down Reverentially (revərenšəli) = hij legde het boek eerbiedig neer; Reverer = vereerder.
Reverie, revəri, revərî, mijmering, droomerij.
Revers, rivîə, revers.
Reversal, rivɐ̂s’l, herroeping, vernietiging, omlegging.
Reverse, rivɐ̂s, omgekeerd, tegengesteld; subst. keerzijde, achterkant, omverwerping, omkeer, tegenspoed, nederlaag, tegenovergestelde; Reverse verb. omkeeren, omleggen, omschakelen, de richting wijzigen, onderstboven keeren, omverwerpen: That is the reverse of the medal = de keerzijde; He said the reverse of what he intended = het omgekeerde; The chairman reversed the order of the day = veranderde, keerde om de orde der werkzaamheden; He held his pipe reversed = hij had de pijp met de opening naar beneden in den mond; Reverser = stroomwisselaar; Reversible = omkeerbaar, herroepelijk, wat aan beide kanten gedragen kan worden: Reversible Coat; Reversion, rivɐ̂š’n, atavisme, het weder toevallen (van een erfgoed) aan een persoon na den dood van den tegenwoordigen bezitter: He has an estate in reversion of £ 300 a-year; Reversionary, rivɐ̂šənəri: He had a reversionary right to the crown = het recht op de kroon kon op hem terugvallen; Reversioner = iemand die eene reversion heeft; Revert, rivɐ̂t, omkeeren, terugkomen, terugkeeren tot den schenker of diens erfgenamen: That will revert to you = dat zal u later ten deel vallen; He reverted to the subject again and again = kwam telkens weer terug; The conversation reverted to our plan = kwam weer op; Revertible = teruggaand, terugkeerend; Revertive = omkeerend, wisselend.
Revest, rîvest, weder bekleeden, weder instellen, terugkeeren tot den vorigen eigenaar.
Revet, rivet, bekleeden; Revetment = bemanteling (vestingb.).
Review, rivjû, subst. overzicht, revisie (ook jur.), recensie, aankondiging, tijdschrift met opstellen en recencies, revue, inspectie; Review verb. terugzien op, herzien, recenseeren, inspecteeren: The Review of Reviews is a well-known monthly = de “revue der revues”; Works reviewed in this number = in dit nummer besproken; The queen reviewed the fleet off Spithead = hield eene vlootschouw bij; Reviewer = recensent.
Revile, rivail, smaden, beschimpen; subst. Revilement; Reviler; He said it revilingly = smadelijk.
Revisal, rivaiz’l, revisie; Revise, rivaiz, subst. herziening, revisie; Revise verb. herzien, verbeteren, revideeren; Reviser = corrector; Revising barrister = revisor der kiezerslijsten; Revision, riviž’n, herziening, revisie; adj. Revisional = Revisionary.
Revisit, rîvizit, nogmaals bezoeken.
Revival, rivaiv’l, herleving, weder opleving, weder opvoering, herstel; godsdienstige opwekking of herleving = Revivalism; Revivalist = voorstander van (bijeenkomsten tot) opwekking van godsdienstig leven; Revive, rivaiv, herleven, nieuw leven herkrijgen, weer opleven (opvoeren), opwekken, vernieuwen, weer moed imboezemen: Old differences should not be revived = men moet geen oude koeien uit de sloot halen; Let me revive your memory a little = wat opfrisschen; Reviver = soort vlekkenwater, borrel; Revivify, rîvivifai, opnieuw bezielen; Revivor, rivaivə, hervatting van een rechtsgeding.
Revocability, revəkəbiliti, rivoukəbiliti, herroepbaarheid; adj. Revocable, revəkəb’l, rivoukəb’l, subst. Revocableness; Revocation, revəkeiš’n, herroeping; Revoke, rivouk, subst. renonceeren; Revoke verb. herroepen, intrekken, vernietigen, renonceeren (bij het kaarten): The judgment cannot be revoked = is onherroepelijk.
Revolt, rivoult, rivolt, subst. opstand, oproer; Revolt verb. in opstand komen, walgen van: The labourers were in revolt = maakten oproer; In vain did he try revolt = beproefde hij het met oproer; The meal revolted him = stond hem tegen; Revolter = oproermaker, oproerling, afvallige; A revolting deed = stuitende; A revolting smell = walgelijke.
Revolution, revəl(j)ûš’n, omwenteling, omloop, revolutie: The rotation of the earth on its axis, and its revolution round the sun = en haar loop om de zon; Revolutionary, subst. revolutionair; adj. omwentelingsgezind: Revolutionary ideas = revolutionaire denkbeelden; Revolutionist = omwentelingsgezinde; Revolutionize = eene omwenteling veroorzaken, een geheelen omkeer brengen in: Darwin’s works have revolutionized all our old-world systems = al onze ouderwetsche stelsels omvergegooid.
Revolve, rivolv, omdraaien, omwentelen, voortrollen, overleggen, overdenken: There he stood, revolving many memories = terwijl hij vele herinneringen bepeinsde; To revolve in one’s mind = overpeinzen; Revolver = revolver; Revolving: Revolving light = draaiend licht van een vuurtoren; Revolving winds = dwarrelwinden.
Revulsion, rivɐlš’n, plotselinge en geweldige ommekeer; afleiding (eener ziekte); Revulsive, adj. afdrijvend; subst. afdrijving, afdrijvend middel.
Reward, riwöd, subst. belooning, vergoeding, jagersrecht; Reward verb. beloonen, vergelden: Give it him as a reward = ter belooning; Rewarder; Rewardless = zonder belooning.
Rewrite, rîrait, opnieuw schrijven: Sixth edition, entirely rewritten = geheel nieuw bewerkte uitgaaf.
Reynard, rein’d, ren’d; Reynold, ren’ld, Reinout; Reynolds, ren’ldz. Rhadamant(h)ine, radəmant(h)in, streng rechtvaardig, afdoende, zonder beroep.
Rhaetian, rîšən: Rhaetian Alps.
Rhapsodic(al), rapsodik(’l), rhapsodisch, zonder samenhang; Rhapsodist = rhapsode (rondtrekk. Grieksch volkszanger), reciteerder van verzen; Rhapsodize = rhapsodieën opzeggen, zingen of voordragen; Rhapsody, rapsədi, rhapsodie.
Rhea, rîə, Rhea; Amerik. struis.
Rheims, rîmz.
Rhenish, reniš, subst. Rijnwijn = Rhenish wine; Rhenish Prussia.
Rhetia, rîšiə, Rhetië.
Rhetoric, retərik, declamatie, welsprekendheid; Rhetorical, rətorik’l, oratorisch: Rhetorical art; Rhetorician, retəriš’n, redekunstenaar, declamator.
Rheum, rûm, abnormale afscheiding van de slijmvliezen, tranen, slijm; Rheumy eyes = druipoogen.
Rheumatic, rumatik, rheumatisch, jichtig: Rheumatics = rheumatiek; Rheumatism, rûmətizm, rheumatisme.
Rhine, rain, Rijn: The Lower, Middle, Upper Rhine.
Rhino, rainou, “duiten”, “moppen”: To sport the rhino = over de brug komen (fig.).
Rhinoceros, rainosəros, neushoorndier.
Rhinoscope, rainəskoup, neusspiegel; Rhinoscopy, rainoskəpi, onderzoek van den neus.
Rhode Island, roud-ail’nd; Rhodes, roudz, Rhodes (eiland); Rhodesia, roudîziə; Rhodian, roudj’n, subst. en adj. (bewoner) van Rhodes.
Rhododendron, roudədendron, Rhododendron.
Rhomb, rom(b), ruit; Rhombic = ruitvormig.
Rhomboid, rombôid, scheefhoekig parallelogram; Rhomboidal, rombôid’l, ruitvormig.
Rhone, roun, Rhône.
Rhubarb, rûbâb, rabarber.
Rhumb, rɐm(b), kompas, windstreek; Rhumb-card = windroos; Rhumb line = lijn welke alle meridianen onder denzelfden hoek snijdt.
Rhyme, raim, subst. rijm, poëzie, metrum; Rhyme verb. (be)rijmen, harmonieeren: The plan has neither rhyme nor reason = is hoogst ongerijmd en roekeloos; He answered without rhyme or reason = zijn antwoord had slot noch val; Male, female rhyme = mannelijk (staand), vrouwelijk (slepend) rijm; Rhymeless = rijmloos; Rhymer, Rhymester = rijmelaar, verzensmid.
Rhythm, rithm, ridhm, klankmaat, rhythmus; Rhythmic(al) = rhythmisch, welluidend; periodiek (v. ziekten).
Rial, rîəl, Spaansche reaal.
Rialto, rialtou.
Riancy, raiənsi, vroolijkheid; Riant = vroolijk.
Rib, rib, subst. rib, inhout (van een schip), hoofdnerf (van een blad), vrouw (1 Mos. II. 21); Rib verb. met ribben omsluiten, van ribben voorzien; Rib-roast = afranselen; Rib-roaster = ribbestoot; Ribbed = geribd; Ribbing = geribd verwulf.
Ribald, ribəld, subst. en adj. liederlijk (mensch); Ribaldry = liederlijke en vuile taal, ontucht.
Rib(b)and, rib’n(d) = Ribbon: He took up the ribalds (ribbons) of the conversation, and kept them in his own hand = hij nam de leiding van het gesprek en behield die.
Ribbon, rib’n, lint, band(je): Blue Ribbon, Zie Blue; To handle the ribbons = zelf mennen; To tear (in)to ribbons = in flarden scheuren; Ribbon-grass = rietachtig kanariegras; Ribbonism = beginselen der Ribbon Society = een geheim Iersch genootschap (van Ribbonmen), opgericht in 1808, die een groen bandje als insigne dragen.
Ribston pippin, ribst’npipin, een fijne soort appel.
Rice, rais, rijst: The Duke and Duchess left for their honeymoon amid a complete shower of rice and throwing of the slipper = te midden van een ware bui van rijst en het nawerpen van de pantoffel; Rice-bird = rijstvogeltje; Rice-flour; Rice-milk = rijstepap; Rice-paper; Rice-plantation = rijstveld; Rice-pudding = rijsttaart; Rice-starch; Rice-table = ind. rijsttafel; Rice-weevil = rijstworm.
Rich, ritš, rijk, kostelijk, voortreffelijk, overvloedig, vruchtbaar, sterk, voedzaam, zoet, saprijk, klankrijk, gepeperd: The Rich = de rijken; The New Rich = parvenus; Such food is too rich for me = mij te machtig; She has a rich voice = heerlijke, klankrijke; He is rich beyond the dreams of avarice = rijker dan een vrek het zich durft droomen; Rich in silver = rijk aan zilver; Riches = rijkdom(men), pracht; Richness = rijkheid, overvloed(igheid), voedzaamheid, volheid.
Richard, ritšəd, Richard; Richardson, ritšəds’n; Richmond, ritšm’nd.
Rick, rik, subst. hooimijt, hoop koren; Rick verb. ophoopen, tot een mijt vormen.
Ricketiness, rikətinəs, subst. v. Rickety.
Rickets, rikəts, Engelsche ziekte.
Rickety, rikəti, aan de Engelsche ziekte lijdend, zwak in de gewrichten, wankel, waggelend: Rickety stairs = wrak.
Rickshaw, rikšô, tweewielig karretje door een man getrokken (Indië, China, Japan) = Jinricksha.
Ricochet, rikəšet, rikəšei, rikəšet, subst. terugstuiting, opstuit, afkaatsing; ricochetschot; Ricochet verb. ricochet schieten, terugstuiten, even aanraken.
Rid, rid, adj. bevrijd; Rid verb. bevrijden, afhelpen, reinigen, zuiveren: He could not get rid of his toothache = van zijne kiespijn niet afkomen; He rid me of my pain = hielp mij van de pijn af; To rid of caterpillars, from moss; Riddance, rid’ns, bevrijding, verlossing: He made a clear riddance = hij zette alles aan kant; He is gone, and it’s a good riddance = wij zijn gelukkig van hem af; A gentle riddance = daar zijn we netjes afgekomen.
Ridden, rid’n, part. perf. van to ride.
Riddle, rid’l, subst. raadsel; groote zeef; Riddle verb. oplossen, in raadsels spreken, in de war brengen, ziften, besnoeien, met kogels doorboren: To propose, to solve a riddle = opgeven, raden; The fence was riddled with bullets = doorboord van geweerkogels; Don’t riddle your plans before they are ripe = breng niet in de war; Riddler = raadselachtig spreker.
Ride, raid, subst. rit, toertje, rijweg; Ride verb. rijden, voor anker rijden: To give a ride = laten rijden (ook kinderen op den rug); To go long bicycle rides = fietstochten maken; The young ladies have gone for a ride = zijn uit toeren; To have a ride = To take a ride = een ritje doen; To have donkey rides = ezeltje rijden; It’s a two hours’ ride = twee uur sporens; Within a few minutes’ railroad ride = binnen een paar minuten sporens; To ride a bicycle, a horse; She can’t ride an ounce under sixteen stone = zij weegt bepaald geen ons minder dan 224 Eng. ponden; The ship rides easy, hard = het schip rijdt gemakkelijk, zwaar op zijn anker; The ship was riding at anchor = het schip reed op zijn anker; To ride in a railway-carriage (in a coach) = rijden in; He attempted to ride off under cover of a mistake = hij trachtte zich schoon te wasschen door te beweren, dat het een vergissing was; The steamer will ride out the storm = de stoomboot zal den storm wel afrijden (voor anker); I rode outside an omnibus = boven op; He rode roughshod over me = tiranniseerde mij; He rides well to hounds = hij blijft (bij de vossenjacht) steeds achter en zoo dicht mogelijk bij de honden; He rode to cover = reed ter jacht (Zie Cover); Rider = rijder, ruiter, pikeur, temmer; bijblad, toegevoegde clausule: I have been a rider in cabs, on omnibuses = heb gereden in; To add, To put, To move as a rider = als clausule toevoegen, voorstellen; The rider was an old gentleman = passagier; He selected the hardest rider from my book = het moeilijkste vraagstuk; Riderless.
Ridge, ridž, subst. hoogte, rug of keten, nok, vorst (van het dak); Ridge verb. in voren ploegen: The sea was ridging roughly eastward, and almost overwhelmed the vessel = de golven vormden hooge kammen van west naar oost; Ridge-pole, Ridge-piece, Ridge-plate = nokstuk (timmerwerk aan den nok); Ridge-tile = vorstpan; Ridgy = zich in ruggen of hoogten verheffend.
Ridicule, ridikjûl, subst. belachelijkheid, hoon, spot; Ridicule verb. belachelijk maken, bespotten: To cover (treat) with, To turn into ridicule = belachelijk maken; He is a past master of killing ridicule = volleerd in vernietigenden (bijtenden) spot; His proposal was ridiculed by the whole meeting = werd bespot; Ridiculer; Ridiculous, ridikjuləs, belachelijk, bespottelijk; subst. Ridiculousness.
Riding, raidiŋ, rij - -; subst. rijden, rijweg; eene der drie afdeelingen van Yorkshire: They were playing the game of “spy for ridings” = ze speelden “vangertje”, waarbij de gevangen jongen den vanger op zijn rug moet laten rijden; Riding-academy = Riding-school; Riding-breeches; Riding-crock, (-crop, -rod, -whip) = karwats; Riding-habit = rijkleed voor dames; Riding-hall = rijschool; Riding-lights = ankerlichten; Riding-master = pikeur, stalmeester; Riding-rimes (rhymes) = rijmen in twee-regelige versjes; Riding-school = rijschool; Little Red-Riding-Hood = Roodkapje.
Ridotto, ridotou, bal masqué.
Rife, raif, overvloedig, algemeen heerschend, vol van (with): Bribery was rife = omkooperij kwam veel voor; subst. Rifeness.
Riffler, riflə, raspvijl.
Riffraff, rifraf, gepeupel, uitvaagsel; uitschot.
Rifle, raif’l, subst. geweer met getrokken loop; Rifle verb. wegvoeren, rooven, leegplunderen, een getrokken loop maken (Rifles = fuseliers, jagers); Rifle-barrel = getrokken loop; Rifle-barrelled = met getrokken loop; Rifle-brigade, Rifle-corps; Rifleman = jager, scherpschutter; Rifle-pit = kuil voor scherpschutters; Rifle-range = schietbaan; Rifle-shot = geweerschot: He lived within rifle-shot of my retreat = op geweerschotsafstand; Rifler = roover, plunderaar.
Rift, rift, subst. kloof, spleet, scheur, gebrek, misverstand, oneenigheid; Rift verb. scheuren, splijten, kerven.
Rig, rig, subst. tuigage, want, opschik, voertuig, vischgerei, grap, streek; Rig verb. optuigen (ook fig.), uitdossen; voor den mal houden: I am up to your rigs = ik weet wat je in ’t schild voert; I never thought of running such a rig = dat me zoo iets gebeuren zou; To run the rig upon = voor den mal houden; He gets a new rig-out = een nieuw pak; He was rigged out in a pair of new trousers = uitgedost in; He rigged the market = hij beheerschte de markt (Am.); Rigger = scheepstuiger; riemschijf; speculant; Rigging = tuigage, want: Running, Standing rigging = loopend, staand want; Riggish = verpierewaaid.
Riga, raigə, rîgə.