Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 123
Squadron, skwodr’n, troep soldaten, escadron, eskader; Squadron verb. tot squadrons vormen.
Squalid, skwolid, vuil, erg smerig, armelijk; subst. Squalidity, skwoliditi = Squalidness.
Squall, skwôl, subst. bui, windvlaag, gil; Squall verb. stormen, gillen: You may look out for squalls = moogt op uw hoede zijn; Squaller = giller, gillend kind; Squally = stormachtig, buiig, dreigend: Squally weather = buiig.
Squalor, skwolə, skweilə, vuilheid.
Squamiferous, skwəmifərɐs, geschubd; Squamiform, skweimiföm, schubvormig; Squamoid = schubbig; Squamose, skweimous, Squamous, skweiməs, met schubben bedekt.
Squander, skwondə, verspillen, verkwisten, weggooien; Squanderer.
Square, skwêə, subst. vierkant, plein (met een tuin in ’t midden), escadron, ruit, kwadraat, quadrille, winkelhaak, (glas)ruit (= Square of glass), carré; adj. vierkant, rechthoekig, juistpassend, eerlijk, billijk, quitte; Square verb. vierkant maken, in carré opstellen, vierkant brassen, vereffenen, afrekenen met, in orde brengen, voegen, passen, zich in positie zetten, tot de tweede macht verheffen, etc.: A square of carpet = karpet; The square of a = a2; To bring (raise) to a square = in ’t kwadraat verheffen; They are at squares = staan vierkant tegen elkaar over; We met each other on the square = op voet van gelijkheid; He did everything on the square = eerlijk en wel; To play on the square = eerlijk; How do the squares go? = hoe staat het met het spel (dam of schaak); That will break (no) squares = heeft niet veel te beduiden; You moved two squares = hebt eene ruit (bij dammen of schaken) overgesprongen; You will be set all squares to-morrow morning = geheel op streek zijn; Everything is square and above board = is eerlijk en kan het licht lijden; Three-square, five-square, etc. = met drie, vijf, enz. gelijke zijden; The square man in the square hole = de rechte man op de rechte plaats; Square meal = stevig; Square number = het vierkant van een getal; Square party = gezelschap van 4 personen; Square root = vierkantswortel; I had a good square talk with him = oprecht, eerlijk gesprek; It is not the square thing to do so = billijk, eerlijk; A square set man = vierkante; I will see if I can come square (= even) with you = het u betaald kan zetten; He tried to square the circle = trachtte de quadratuur van den cirkel, d.i. het onmogelijke, te vinden of te doen; Let us square the constable = zien om te koopen; To square difficulties = uit den weg ruimen; He squareed his enemy = overwon, maakte onschadelijk; I will square these fellows = afrekenen met; The yards were squared = de ra’s werden vierkant gebrast; He squared himself up to more than his usual height = verhief zich, rekte zich; He squared himself = zette zich in postuur; I will square my behaviour by yours = naar het uwe richten; After this I was squared for a start on my own hook = was ik geschikt op eigen hand te beginnen; Though he might be squared to bolt, he could not be squared to do murder = al kon hij tot de vlucht, hij kon niet tot moord overgehaald worden; This does not square with what you told me = dat klopt niet met; How shall we square our duty to the State with our duty to God? = overeenbrengen met; Square-built = breedgeschouderd; Square-dealing = eerlijkheid, rechtschapenheid; Square-face = Hollandsche jenever; Square-rigged = met razeilen, fijn gekleed; Squaresail = razeil; Square-set = Square-built = Square-shouldered; Square-toed = pedant, ouderwetsch; Square-toes = pedant, ouderwetsch mensch; subst. Squareness; Squarish, skwêriš, ongeveer vierkant.
Squarson, skâs’n, Squire, die te gelijk geestelijke der parochie is.
Squash, skwoš, subst. iets zachts dat licht te kneuzen is, iets onrijps, onrijpe peulschil, schok of val van zachte dingen; pompoen; Squash verb. kneuzen, verpletteren, tot pulp maken of slaan; Squashy = zacht en week als pulp.
Squat, skwot, subst. gehurkte houding, losse ertsmassa; adj. (neer)hurkend, kort, dik, plomp; Squat verb. neerhurken, zich zonder recht op land neerzetten: A squat volume = dik (naar evenredigheid der lengte en breedte) deel; He was squatting like a frog on the other side of the fire = zat dik en opgeblazen als een kikker; A squat-domed tower = met een als ineengedrongen koepel; Squatter = kolonist; Squatty = kort en dik.
Squaw, skwô, vrouw (N. Amer. Indianen).
Squeak, skwîk, subst. gegil, gepiep; Squeak verb. gillen, piepen: We had a narrow (near) squeak = ontkwamen ternauwernood; Squeaker = jonge vogel, wie of wat piept.
Squeal, skwîl, subst. gil, geschreeuw (van varkens); Squeal verb. gillen, schreeuwen.
Squeamish, skwîmiš, walgend, overdreven kieskeurig; subst. Squeamishness.
Squeegee, skwîdžî, gummi-zwabber.
Squeezable, skwîzəb’l = wat geperst of samengedrukt kan worden; Squeeze, skwîz, subst. druk, drukking, gedrang, afdruk, omhelzing; Squeeze verb. drukken, afdrukken, persen, verpletteren, innig omarmen: He gave my hand a parting squeeze = drukte mij tot afscheid de hand; My friend was squeezed into, and his place was filled by another = mijn vriend werd er uit gedrongen; To squeeze oneself through a crowded street = zich een weg banen; Squeezer = drukker, harde slag, pers.
Squelch, skwelš, subst. harde slag, smak; Squelch verb. verpletteren, onderdrukken, uitdooven: This squelched animosity = maakte een einde aan; He tried to squelch his wife and failed = trachtte zijne vrouw tot onderwerping te krijgen.
Squib, skwib, subst. voetzoeker; schotschrift; Squib verb. schotschriften schrijven, stekelig zijn, laten ontploffen, paffen.
Squid, skwid, pijl-inktvisch.
Squiggle, skwig’l, zich den mond spoelen; zich kronkelen (Amer.).
Squill, skwil, sterhyacint, scilla; garnaalkreeft.
Squint, skwint, subst. het scheel- of loensch zien, loensche blik, trek, zucht; adj. loensch, scheel, scheef; Squint verb. scheel zien, hellen; Squint-eyed = scheel, wantrouwend.
Squire, skwaiə, subst. schildknaap, landjonker, chaperon; Squire verb. als schildknaap dienen, vergezellen, geleiden: Squire of dames = saletjonker; Squirearchy, skwairâki, de gezamenlijke landjonkers of agrariërs en hun politieke invloed ± 1832 in het Lager Huis; Squireen, skwairîn, landjonkertje.
Squirm, skwɐ̂m, kronkelen, kriewelen, klauteren.
Squirrel, skwir’l, eekhorentje: To hunt the squirrel = kat en muis spelen.
Squirt, skwɐ̂t, subst. spruit, straal, parvenu, fat; Squirt verb. spuiten, uitspuiten: The oil kept squirting up = spoot met een krachtigen straal uit den grond.
Stab, stab, subst. steek, boosaardige aanval of beleediging; Stab verb. doorsteken, doodsteken, stooten, steken naar, wonden, belasteren: He stabbed my good name = gaf mijn goeden naam den doodsteek; He stabbed at my heart = stak naar, doorstàk mijn hart; That stabbed me to the heart = griefde mij diep; Stabber = prikker, sluipmoordenaar.
Stability, stəbiliti, stabiliteit, duurzaamheid, standvastigheid, soliditeit.
Stable, steib’l, stabiel, duurzaam, standvastig; subst. Stableness.
Stable, steib’l, subst. stal, renstal; Stable verb. stallen: They shut the stable-door after the steed is stolen = zij dempen den put als het kalf verdronken is; Stable-boy = staljongen (Stable-help); Stable-keeper = stalhouder; Stable-man = stalknecht; Stabling, steibliŋ, het stallen, stalling.
Stablish, stabliš, verk. van establish.
Stack, stak, subst. korenschoof, houtmijt (= 108 cubic feet), opper, stapel, rot, groep naast elkander staande schoorsteenen, alleenstaande rots (op de Orkney Isl.); Stack verb. tot een hoop vormen, opstapelen, in rotten zetten: A stack of arms = een rot geweren; The soldiers were ordered to stack arms = de geweren aan rotten te zetten; To stack shot = kogelstapels maken; Stack-yard = plaats voor hooimijt of graanschoven.
Stadium, steidj’m, stadium, zekere maat (184 M.); één stadium lange renbaan.
Stadtholder, stadhouldə, stadhouder; Stadtholderate (stadhouldəit), Stadtholdership.
Staff, stâf, subst. stok, staf, steun, paal, schacht, notenbalk, personeel, bureau: Staff-of-life = brood; Staff-appointment = aanstelling bij den staf; Staff-college = soort krijgsschool (Passed the staff-college = de krijgsschool doorloopen); Staff-map; Staff-officer = stafofficier; Staff-wood = hout voor duigen.
Stag, stag, (mannetjes)hert; os; mannetjesvos; woerd, speculant, shilling; Stag verb. speculeeren; Stag-beetle = vliegend hert; Stag-dinner = heerendiner; Staghound = hond voor de hertenjacht; Stag-party = heerenfuif.
Stage, steidž, subst. tooneel, steiger, stellage, tribune, schouwplaats, station of pleisterplaats, phase, stage, etape, trap, graad, stadium, postwagen, dilligence; Stage verb. ten tooneele brengen, in scene brengen, in ’t openbaar tentoonstellen, met een postwagen reizen: To be on the stage = bij (op) het tooneel zijn; To bring (put) upon the stage = opvoeren; To get up for the stage = bewerken voor; To go on the stage = bij het tooneel gaan; To leave (quit) the stage = het tooneel verlaten (ook fig.); He was dressing by easy stages = dood op zijn gemak; The illness is in its first stage = eerste stadium; He contracted an imprudent passion for horsing long stages = om lange ritten te doen vóór te pleisteren; The piece was well staged = het stuk was goed gemonteerd; Stage-box = loge avant-scène; Stage-coach = dilligence; Stage-driver = koetsier eener dilligence; Stage-fright = tooneelvrees; Stage-manager = tooneeldirecteur, regisseur; Stage-painter = schilder van het decoratief; Stage-play = tooneelspel; Stage-player = tooneelspeler; Stage-right = recht van opvoering; Stage-struck = verzot op het tooneel; The stage-waits never reached two minutes = pauzen tusschen de tooneelen; Stage-whisper = door een acteur terzijde gesproken woorden; luid gefluister; Stager = ervaren tooneelspeler, man van ervaring, slimmerd; postpaard; Stagery = tooneelvertooning, het spelen.
Staggard, stagəd, vierjarig hert.
Stagger, stagə, subst. plotseling wankelen, schok; Stagger verb. waggelen, wankelen, suizebollen, verbluffen, verbluft doen staan: It gave me a stagger = het gaf me een schok; Staggers = kolder, duizeling, draaiziekte: It gave me the blind staggers = deed me suizebollen; Such an assertion staggers belief = is ongelooflijk; The price for our independence will stagger humanity = zal verstomd doen staan; I am fairly staggered at what you say = verbaast mij ten hoogste; That’s a staggerer = dat is kras.
Staging, steidžiŋ, tribune, stellage, het ondernemen van een diligence-dienst, monteering van een tooneelstuk.
Stagirite, stadžirait, naam voor Aristoteles naar zijne geboorteplaats; Stagira, stədžairə.
Stagnancy, stagn’nsi, stilstand, malaise: The stagnancy in the sugar-trade = “malaise”; Stagnant, stagn’nt, stilstaand, flauw, stil; Stagnate, stagneit, stilstaan, flauw worden; Stagnation = stilstand, stremming, malaise.
Stagy, steidži, theatraal.
Staid, steid, kalm, vast, ernstig, solide: A staid journal = een ernstig blad; subst. Staidness.
Stain, stein, subst. smet, vlek, schande, smaad; Stain verb. vlekken, tinten, verven, met figuren drukken, besmetten, bezoedelen: A stained floor = be- of geschilderde vloer; Stained glass windows = beschilderde ramen; Stained paper-hangings = (bont)gekleurd behang; Stained wood = gebeitst hout; Stainer = verver, bezoedelaar; Stainless = smetteloos, onbesmet.
Stair, stêə, trap, trede, graad; Stairs = trap, aanlegplaats: A flight of stairs, A pair of stairs = trap; A room two pair (of stairs) high = kamer op de tweede verdieping; Back-stairs = geheim, slinksch; He is down stairs, up stairs = beneden, boven; A down-stair room = eene benedenkamer; Stair-carpet = traplooper; Staircase = trap; Grand staircase = hoofd- of eeretrap; Private staircase = geheime trap; Stair-rod (Stair-wire) = traproede; Stair-way = trap.
Staith(e), steith, spoorlijn, om de kolen uit de wagens in schepen over te laden; kade, werf, pakhuis.
Stake, steik, stok, staak, paal, paalwerk, brandstapel, martelaarschap; inzet, prijs, aandeel, belang; Stake verb. met palen steunen of stutten, afpalen, met een paal doorsteken, stokken zetten bij, wedden, inzetten, als pand zetten: Your life is at stake = staat op het spel; He went to it as a bear goes to the stake = met loome schreden; Their father perished at the stake = stierf den marteldood op den brandstapel; They played for the stakes = speelden om den inzet; To put to the stake = op ’t spel zetten; He has swept the stakes = hij heeft den pot gewonnen; I stake my life on the truth of what I tell = ik verpand mijn leven er onder; Stake-head = paal in een lijnbaan om de touwen te steunen; Stake-holder = inzethouder, potbewaarder; Stake-net = staaknet.
Stalactite, stəlaktait, druipsteen (kegel).
Stalagmite, stəlagmait, druipsteenvorming van den vloer af naar boven.
Stale, steil, subst. ier (van paarden en runderen); adj. verschaald, oud, oudbakken, muf, afgejakkerd, flauw, verzwakt door te sterk trainen (= Gone stale); Stale verb. waardeloos maken, (laten) bederven, verflauwen, wateren (van paarden en runderen): Stale joke; Stale news; Stale wine; To grow stale = zich afsloven, oud worden: The public has gone stale on party politics = heeft genoeg van; Stalemate, subst. schaakmat; Stalemate verb. mat zetten, in ’t nauw brengen; subst. Staleness.
Stalk, stôk, subst. stengel, steel, schacht; trotsche en statige gang; Stalk verb. voorzichtig besluipen; trotsch stappen, schrijden: We stalked the deer = beslopen de herten; Stalked plants = stengelplanten; Stalker = hij die stalks; soort van vischnet; trotsche stapper; Stalking: Stalking-horse = paard of paardevorm, waarachter de jager zich met zijn boog verborg; voorwendsel, masker, dekmantel; Stalkless = stengelloos.
Stall, stôl, subst. stal, stalletje, kraam, afdeeling in een Stable; stoel van een domheer, stalles in een schouwburg; Stall verb. in een stal plaatsen, in den modder vastrijden (vastzitten); van zich afschuiven: Butcher’s stall; To keep a stall = met een stalletje staan; She would not be stalled off, and contended that her opinion was right = zich niet laten afschepen; Stall-feed = in den stal (met droog voeder) voederen; Stall-keeper = houder van een stalletje; Stallage = recht om met een kraam te staan, staan- of marktgeld (= Stall-money).
Stallion, stalj’n, (dek)hengst; Stallion-fees = dekgelden.
Stalwart, stôlwət, stalwət, stolwət, krachtig, flink, stoer, stoutmoedig, geducht; subst. kopstuk, hoofdman; subst. Stalwartness.
Stamboul, stambûl.
Stamen, steim’n, meeldraad.
Stamina, staminə, vaste deelen van een lichaam die dit tot steun dienen, weerstands- en volhardingsvermogen.
Stamin, steimin, etamine.
Staminiferous, staminifərɐs: Staminiferous flower = mannelijke bloem.
Stammel, stam’l, soort v. wollen stof v. hardroode kleur.
Stammer, stamə, subst. gestamel; Stammer verb. stamelen, stotteren, aarzelend uitbrengen; Stammerer.
Stamp, stamp, subst. stempel, zegel, postzegel, postmerk, merk, karakter, aard, prent (Stamps = papiergeld, Amer.), het stampen, ertsstamper; Stamp verb. stempelen, zegelen, inprenten, een postzegel doen op; stampen, stampvoeten, onderdrukken: Of the right stamp = van het rechte soort; They are all of the same stamp = van dezelfde soort; To have (bear) the stamp of = den stempel dragen van; To stamp on the mind = inprenten; The fire was stamped out = werd uitgetrapt; Their nationality was stamped out = vernietigd; We must try to stamp these abuses out = die misbruiken uit te roeien; Stamp Act = zegelwet; Stamp-album = postzegelalbum; Stamp-collection; Stamp-collector = (post)zegelverzamelaar; Stamp-duty = zegelrecht; Stamp-office = zegelkantoor; Stamper = stempel(aar).
Stampede, stampîd, subst. plotselinge schrik, wilde vlucht, groote beroering; Stampede verb. plotseling op de vlucht (doen) slaan: There was a regular stampede of teachers to the sea-side = een ware uittocht.
Stanch, stânš; Zie Staunch.
Stanchion, stanš’n, steun, paal, stut, schoor.
Stand, stand, subst. stand, stilstand, ophouding, halt, weerstand, verlegenheidrang, standertje, statief, onderstel, stomme, knecht, staanplaats (voor rijtuigen), stalletje, kraam, ton, stel, tribune; Stand verb. staan, gaan staan, stilstaan, standhouden, bestaan, van kracht zijn, vast zijn, berusten op, luiden, koersen, verdragen, dulden, opgewassen zijn tegen, doorstaan, staan voor, van belang of nut zijn, etc.: Then ministers were at a stand = zaten met de handen in het haar; To jump at a stand = met gesloten voeten springen; Things came to a sudden stand = toen stokten plotseling de zaken geheel; The troops made a stand against the enemies = hielden stand; I take my stand by you and on my right = sta u ter zijde en houd mij aan mijn recht; A stand of arms = geweer met toebehooren; Fifty stand of colours were taken = standaarden (vaandels); A stand for bottles (casks); These towns are one night stands = in deze steden geven wij maar ééne voorstelling; Watch stand = horlogestandaard; Stand there = ga (blijf) daar staan; I take the thing as it stands = zooals het is; I will stand you a bottle (a treat) = trakteer; He stands six feet in his boots = hij is 6 voet lang; To stand fire = standhouden onder vijandelijk vuur; To stand one’s ground = standhouden, volhouden; I will stand you halves = sta je half; I stood the flowerpot in the window = zette den bloempot voor het raam; He stood my friend = toonde te zijn; He stood sentence on that count = had zich te verantwoorden wegens die aanklacht; I have stood sentry here for ever so long = sta hier ik weet niet hoe lang al op post; I stood them a supper = onthaalde ze op een souper; I stood a supper for them = betaalde hun souper; To stand the test = proef doorstaan; To stand the tooth of ages = den tand des tijds weerstaan; To stand trial = terecht staan; To stand in awe of = ontzag hebben voor; That will stand in hand = uwe belangen bevorderen; You stand in my light = staat me in den weg, werkt me tegen; This passage stands sorely in need of correction = heeft ernstig verbetering noodig; The money will stand me in good stead = zal mij goed te pas komen; His hairs stand on end = rijzen te berge; It stands to reason that you cannot go there = het spreekt vanzelf: To stand to make a profit on = kans hebben te verdienen op; He stood to win much in that case = hij had kans; To stand affected = geneigd zijn; It stands agreed = is uitgemaakt; Stand aside = ga op zij; Stand clear = uit den weg! To stand corrected = ongelijk bekennen; He stands fair for (getting) that place = heeft veel kans; To stand well (ill) with a person = op goeden (slechten) voet staan met; He stood against fearful odds = had een enorme overmacht tegen zich; To stand by a person through thick and thin = met iemand meegaan door dik en dun; I will not stand by and see you offended = er geen getuige van zijn; You must stand by = u gereed houden; The witness was told to stand down = naar zijne plaats te gaan, te gaan zitten; He stood for this borough at the election = was candidaat voor dit district; He stands for that place = solliciteert naar; The ship stood for the Atlantic = stak ... in; Stand forth = kom naar voren; He stood forth against his enemies = bood het hoofd aan; We stood from the shore = hielden van de kust af; The boats stood in from sea = koersten naar binnen; He stood in with the thief = maakte gemeene zaak met; He stands off = houdt zich op een afstand; The ship stood off and on = hield nu eens van den wal af, en dan er weer op aan; You must stand on your defence = je flink verdedigen; Don’t stand on ceremonies = sta niet op; To stand out = naar voren treden, uitsteken, uitkomen, in ’t oog springen, volharden, standhouden, staan op, uitstaan, zich terugtrekken: Stand out of my sight = ga uit mijne oogen; To stand out to sea = zee kiezen; He higgles and stands out till the shopman gives in = hij dingt en houdt vol; To stand over = blijven staan, blijven liggen, onbetaald blijven; I stand to (by) what I said = blijf bij (houd vol); They stood to their guns = wisten van geen wijken; To stand towards the shore = aanhouden op; He has stood under many troubles = veel smart geleden; The whole people stood up to a man = stond op als één man; I stand up for my right = kom op voor; They stood up (for the dance) = namen hunne plaats in, traden aan; To stand up with a lady = eene dame ten dans leiden; To stand up to = krachtig weerstand bieden; She always stood upon her dignity = stond op; Stand-by = toeverlaat; He is awfully stand-off = erg op een afstand; Stand-offish = op een afstand (fig.); Stand-ups = Stand-up collars = staande; It was a stand-up fight = felle strijd; A stand-up supper = loopend souper; Stand-cask = ligger; Stand-fast = steunpunt; Stand-pipe = standpijp; Stand-point = standpunt; Stand-still = stilstand: To come to a stand-still = tot staan komen, stoppen; Stander = wie staat, etc.; Several Standers-by = omstanders. Zie Standing.
Standard, standəd, subst. standaard, vlag, normaal gewicht (sterkte, prijs, maat), gehalte, richtsnoer, graad; adj. vastgesteld, standaard - -: Standard of beauty = ideaal; The standard of length = de lengtestandaard of -éénheid; Standard-bearer = vaandeldrager; Standard clock; Standard works = standaardwerken.
Standing, standiŋ, subst. stand, post, plaats, duur, rang, standplaats (voor rijtuigen, enz.); adj. vast, bepaald, vaststaand, stilstaand: She took him for his standing = om zijn hoogen rang, positie; A debt of several years’ standing = die al eenige jaren oud is; Cronies of old standing = oude kameraden; There’s no standing it = dat is niet uit te staan; Standing army = staand leger; Standing dish = vaste schotel; He is a standing question = hij is een echte vraagal, hij vraagt altijd door; Standing rigging = staand want: I have no Standing room = plaats om te staan; Standing-stones = vóórhistorische, door menschen opgerichte steenen; Standing-out debts = achterstallige schulden.
Stang, staŋ, lange paal of schacht: To ride the stang = op een paal door de plaats gedragen worden (oude straf voor mannen, die hun vrouw hadden geslagen).
Stanhope, stanhoup, stanəp, licht vierwielig wagentje zonder kap; Stanhope-press = soort van drukpers.
Stank, staŋk, imperf. van to stink.
Stannary, stanəri, subst. tinmijn; adj. tot tinmijnen behoorende; Stannary-courts = rechtbank voor de tinmijnwerkers in Cornwall; Stannic acid; Stanniferous, stənifərɐs, tinhoudend.
Stanza, stanzə, vers.
Staphyle, stafilî, huig.
Staple, steip’l, subst. stapel, vezel of draad van wol, katoen, of vlas; stapelplaats, markt, voornaamste product of artikel, hoofdbestanddeel; kram; adj. vast, voornaamst; Staple verb. de verschillende draden of soorten uitzoeken: That is the staple amusement of our village = hoofdamusement; Staple goods = hoofdproducten; Staple-house; Staple-town; Staple-trade; Stapled = met een draad of vezel.