Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 136

Chapter 1362,828 wordsPublic domain

Tow, tou, sleeptouw; Tow verb. boegseeren, sleepen: To take in tow = op sleeptouw nemen (ook fig.); Towboat = sleepboot; Tow-car = volgwagen (tram); Tow-line = sleeplijn = Tow-rope; Towage, touidž, het sleepen, sleeploon; Towing-path = jaagpad; Towing-vessel = sleepboot.

Tow, tou, werk, touw; Tow-cloth = paklinnen; Tow-head = vlaskop; adj. Tow-headed.

Toward, touəd, aanstaande, nabij, gewillig, gehoorzaam, leergierig: A battle is toward = op til; What is toward? = wat is er aan de hand; Toward(li)ness = bereidwilligheid, leergierigheid; adj. Towardly; Towards, touədz, tödz, naar toe, in de richting van, tegenover, ten opzichte, bijna, omtrent.

Towcester, taustə.

Towel, tauəl, handdoek, doek; Towel verb. afwrijven, ranselen: Oaken towel = knuppel; Towel-horse = rekje; Towelling = linnen voor handdoeken, pak ransel.

Tower, tauə, subst. toren zonder spits, burcht, kasteel, hoog kapsel; Tower verb. zich verheffen, uitsteken boven, hoogvliegen: Tower of silence = ronde toren, waarin de Perzen (in Indië) hunne dooden (tot aas voor de gieren) leggen; Tower-bastion = kleine toren in den vorm van een bastion; Towering = zeer hoog of groot, buitengewoon hevig: Towering rage.

Town, taun, subst. stad: Town and gown = de stedelingen tegenover professoren en studenten; He is a man about town = roué, viveur, iemand, die veel uitgaat; A man on town = een “city”-man; A girl of the town = prostituée; Town clerk = gemeente-secretaris en archivaris; Town council = gemeenteraad; Town councillor = gemeenteraadslid; Towncrier = stadsomroeper; Townhall = gemeentehuis, raadhuis; Townhouse = raadhuis, huis “in stad”; Townland = land nabij eene stad; Town-major = plaatscommandant; Town-talk = praatje van de stad; Town traveller = stadsreiziger; Town-wall = stadsmuur; Townsfolk = stedelingen; Townsman = stadgenoot, stedeling; Townspeople = stedelingen; Township = gemeente, stadsgebied.

Townshend, taunz’nd.

Towser, tauzə, groote hond (gew. hondennaam).

Toxic(al), toksik(’l), vergiftig; Toxicological, toksikəlodžik’l, toxicologisch; Toxicology = toxicologie.

Toxophilite, toksofilait, subst. boogschutter; adj. tot de boogschutterskunst behoorende.

Toy, tôi, subst. (stuk) speelgoed, kleinigheid, beuzelarij; Toy verb. dartelen, stoeien; spelen, beuzelen; Toy-book = prentenboek; Toy-box = speelgoeddoos; Toy-dog = schoothondje; Toy-drum = kindertrom; Toyman = speelgoedkoopman; Toy-pistol = kinderpistooltje; Toy-shop = speelgoedwinkel; Toy tea-things = kinderserviesje; Toy-trade = speelgoedhandel; Toy-watch.

Trace, treis, subst. spoor, teeken, voetspoor, streng, kleine hoeveelheid; Trace verb. opsporen, precies nagaan, uitvorschen, trekken, traceeren, doorkruisen, aanspannen (up): All boys are inclined to kick over the traces = uit den band slaan; Traceability, subst. v. Traceable = naspeurbaar, vervolgbaar: Traceable to temporary conditions = terug te brengen tot; subst. Traceableness; Traceless = spoorloos; Tracery = de ornamenten van den Gothischen bouwstijl.

Trachea, treikjə, luchtpijp; adj. Tracheal; Trachitis, trəkaitis, luchtpijpontsteking.

Tracing, treisiŋ: Tracing-paper = calqueerpapier.

Track, trak, subst. spoor, voetindruk, weg, begaan pad, baan, spoorlijn, zeegat; Track verb. het spoor volgen, opsporen, nagaan: Bicycle track = wielerbaan; Double track = dubbel spoor; He followed in your track = drukte uwe voetstappen; The carriage left the track = dérailleerde; The old gentleman has made tracks = is er haastig vandoor gegaan; The track and rolling-stock = tractie en rollend materieel; We tracked the deer = wij volgden het spoor van het hert; The tiger was tracked down = werd opgespoord; Track-road = jaagpad; Track-rope = jaaglijn; Trackage = het boegseeren of trekken; Tracker = speurhond; Trackless = onbetreden, onbegaan, spoorloos; subst. Tracklessness.

Tract, trakt, verloop, uitgestrektheid, streek, korte verhandeling, tractaatje.

Tractability, traktəbiliti, subst. v. Tractable, traktəb’l, handelbaar, volgzaam, leerzaam; subst. Tractabilityness.

Tractarian, traktêriən, subst. lid der High Church beweging (1833–41); adj. tot de High Church-beweging behoorende; Tractarianism = de herleving van den ritueelen eeredienst in de E. kerk.

Traction, trakšn, rekking, (aan)trekking, voorttrekking: Electric traction = electr. trek- of beweegkracht; Traction-engine = niet op rails loopende straatlocomotief; Tractive power = trekkracht; Tractor = wat trekt of tot trekken wordt gebruikt.

Tracy, treisi, Treesje.

Trade, treid, subst. handel, zaken, beroep, bedrijf, ambacht; Trade verb. handel drijven, verhandelen, verruilen: The trade = handel in sterke dranken; Domestic (Inland, Home) trade; Foreign trade; To do a roaring trade = drukke zaken doen; He follows the trade of a smith = is smid van zijn ambacht; She practised all the tricks of her trade = bracht al de slimme zetten van haar beroep in practijk; Two to a trade never agree = concurrenten zijn het nooit eens; I will trade this for something better = verruilen, verhandelen; You have traded on me = mij geëxploiteerd; This country trades to Turkey = drijft handel met Turkije; I will trade watches with you = met u ruilen; Trade-card = adreskaart; Trade-guild = handelsgilde; Trade-list = prijscourant; Trade-mark = handelsmerk; Trade-price = engrosprijs; slijtersprijs; Trade-winds = passaatwinden; Trade’s-folk (= Trades-people) = neringdoenden; Tradesman = handelaar, handelsman, neringdoende, winkelier, handwerksman; Trade(s)-union = vakvereeniging; Trade(s)-unionism = de beginselen of het stelsel der vakvereenigingen; Trader = koopman, handelaar, koopvaardijschip; Trading: Trading-vessel; The Trading-and-Profit-and-Loss account = Inkomsten- en Winst- en Verliesrekening.

Tradition, trədiš’n, overlevering; adj. Traditional; Traditionalism = gehechtheid aan de overlevering, het stelsel dat alle menschelijke kennis door God geopenbaard en zoo overgeleverd is; Traditionary = Traditional.

Traduce, trədjûs, lasteren, smaden; subst. Traducement; Traducer.

Trafalgar, trəfalgə.

Traffic, trafik, subst. (koop)handel, (handels)verkeer; Traffic verb. (ruil)handel drijven, omzetten: Carrying traffic = goederendienst; Vehicular traffic = rijtuigverkeer = Wheeled traffic; Traffic in white slaves = blanke-slavinnenhandel; Traffic-manager = chef van den goederendienst; Trafficker = handelaar.

Tragacanth, tragəkanth, Tragant gom.

Tragedian, trədžîdj’n, treurspelspeler of -dichter; Tragedienne, tradžîdjen, treurspelspeelster; Tragedy, tradžədi, treurspel; adj. Tragic(al); The old French tragics = treurspeldichters; Tragi-comic(al) = tragi-comisch; Tragi-comedy, tradžikomədi, tragi-comisch stuk.

Tragopan, tragəpan, gehoornde fazant.

Trail, treil, subst. sleep, staart, spoor, pad (gemaakt door reizende N.-Amer. Indianen); Trail verb. langs den grond sleepen, het spoor volgen, opsporen, het geweer met de rechterhand horizontaal dragen, kruipen, rekken: I commanded them to carry their arms at a trail = commandeerde: “Omlaag ’t geweer”; She trailed off into a howl = hief een langgerekt gejammer aan; Trail-net = sleepnet; Trailer = kruipplant, mandenwagentje achter een fiets; slingerplant = Trailing-plant.

Train, trein, subst. trein, reeks, stoet, voortgang, loop, sleep, staart, soort v. slede (Canada), spoortrein, loopvuur (lijn v. buskruit), stel van beweging overbrengende raderen, reeks, lokaas, val, krijgslist; Train verb. sle(e)pen, lokken, africhten, oefenen, drillen, richten, leiden, blokken, met den trein reizen: Down-train, Up-train = afgaande, opkomende trein; Freight train; Goods train; Train of Artillery = artillerie-trein; The train of his thoughts, of thought = gang; Everything is in train = in gang; He left the town on a regular train = met een gewonen trein (Amer.); The gun was trained = het kanon werd gericht; He was trained up for it = er voor opgeleid; Train-band (Trained band) = een vroegere schutterij of weerbaarheidskorps; Train-bearer = sleepdrager; Train-oil = traan(olie); Train-road = hulpspoorweg; Train-service = spoorweg-postdienst; Trainable = wie of wat geoefend of opgeleid kan worden; Trained dresses = sleepjaponnen; Trained nurse = ervaren; Trainer = africhter, oefenaar, drilmeester; Training = opvoeding, oefening, exercitie; het leiden van leiboomen; Training-course = cursus; Training-school = kweekschool; Training-ship = oefeningsschip, opleidingsschip.

Traipse, treips; zie Trapes.

Trait, trei(t), eigenaardige en kenmerkende trek, streek, haal, toets.

Traitor, treitə, verrader; Traitorous = verraderlijk; subst. Traitorousness; Traitress, treitrəs, verraderes.

Trajan, treidž’n, Trajanus.

Tram, tram, rail van een paardespoor, paardespoor, tramwagen, karretje; ook verb.: To tram it = trammen; Tram-car; Tram-line = tramweg; Tramroad = tramweg = Tramway; Tramway-car = tramwagen.

Tramble, tramb’l, wasschen (v. tinerts).

Trammel, tram’l, subst. (sleep)net, kluister, vuurhaak (in een schoorsteen), hinderpaal, boei, ovaalpasser; Trammel verb. belemmeren, beperken, boeien; Trammel-net = sleepnet.

Tramontane, trəmontein, traməntein, trâmontein: Tramontane-wind, noordenwind in de Middellandsche Zee.

Tramp, tramp, subst. gestamp, getrappel, voetreis, landlooper, schip dat “op avontuur” vaart (Tramp-steamer); Tramp verb. (ver)trappen, stappen, treden, zwerven, vagebondeeren: To go on the tramp = den boer op gaan; Tramp-colony = bedelaarskolonie; Tramper = landlooper, rondzwerver.

Trample, tramp’l, subst. getrappel, gestap; Trample verb. vertreden, vertrappen, trappelen: To trample under one’s feet (under foot) = met voeten treden (fig.); Trampler.

Trampoos, trəmpûz, rondzwerven (Amer.).

Trance, trâns, subst. verrukking, geestvervoering, bezwijming, schijndood; Trance verb. = Entrance; To lie in a trance.

Traneen, trənîn, kamgras: It is not worth a traneen = geen lor waard.

Tranquil, traŋkwil, rustig, kalm, ongestoord; Tranquillity, traŋkwiliti, kalmte, gerustheid, rust = Tranquilness; Tranquillization, subst. v. Tranquillize = tot bedaren brengen, kalmeeren; Tranquillizer.

Transact, transakt, volbrengen, doen, verrichten: To transact business with = zaken doen met; He transacted with his political convictions = transigeerde met; Transaction = verrichting, uitvoering, transactie, zaak, handel: Transactions of the Philological Society = Handelingen van het Philologisch Genootschap; During these transactions = middelerwijl; Transactor = volbrenger, handelaar.

Transalpine, transalpain, transalpijnsch.

Transatlantic, transətlantik, transatlantisch.

Transcend, transend, te boven gaan, overtreffen; Transcendence, Transcendency = voortreffelijkheid; Transcendent = zeer voortreffelijk, transcendentaal = Transcendental, trans’ndent’l; Transcendentalism, trans’ndentəlizm.

Transcribe, transkraib, overschrijven, afschrijven; Transcriber = copiïst; Transcript, transkript, copie; Transcription.

Transept, transept, kruisvleugel.

Transfer, transfɐ̂, overdracht, overbrenging, verplaatsing, overschrijving, overdruk, overstapkaartje; pont; Transfer-paper = overdrukpapier.

Transfer, transfɐ̂, overbrengen, overdragen, verplaatsen, afdrukken; Transferability, transfɐ̂rəbiliti, transferəbiliti, subst. v. Transferable, transfɐ̂rəb’l, transferəb’l = verhandelbaar, overdraagbaar; Transferee, transfərî, wien iets overgedragen wordt; Transference, transfərens, overdracht; Transferrer, transfɐ̂rə, transferə, overdrager.

Transfiguration, transfigjureiš’n, verheerlijking (Matth. XVII, 1–9), feest ter gedachtenis daaraan (6 Aug.); Transfigure, transfigjə, het uiterlijk voorkomen veranderen, verheerlijken.

Transfix, transfiks, doorboren, doorsteken: I stood transfixed = als aan den grond genageld.

Transform, transföm, vervormen, hervormen, van vorm veranderen, herleiden; Transformable = veranderbaar, herleidbaar; Transformation, transfömeiš’n, gedaanteverandering of -verwisseling, herleiding, hervorming: Transformation-scene = het tooneel in de pantomime, waarbij de voornaamste personen in de personen der harlekinade overgaan; Transformative = vervormend; Transformator = Transformer = transformator.

Transfuse, transfjûz, overgieten, overstorten, overbrengen van bloed, zoutoplossingen inspuiten, overdragen; adj. Transfusible; Transfusion, transfjûž’n, overgieting, etc.

Transgress, transgres, te buiten gaan, overtreden, schenden, zondigen; Transgression = overtreding, schennis; Transgressive = zondig; Transgressor = overtreder, zondaar.

Tranship, tranšip, overladen; Transhipment = overlading.

Transient, tranš’nt, vergankelijk, kortstondig; subst. Transientness.

Transit, transit, doorgang, transito, vervoer, overgang, verkeersweg: They went there to observe the transit of Venus; Transit goods; Permit of transit = geleibiljet; To pass in transit = transiteeren; Transit-duty = transitorecht; Transit-instrument = instrument, om den overgang van eene planeet over den meridiaan of de zon waar te nemen; Transition, transiš’n, transiž’n, verandering, overgang(speriode); adj. Transitional = overgangs...; Transitive = overgaande, overgankelijk; subst. Transitiveness; Transitoriness, subst. v. Transitory = vergankelijk, vluchtig, kortstondig.

Translate, transleit, verplaatsen, overplaatsen, overbrengen, vertalen, ten hemel voeren, uitleggen, oplappen, doorseinen: A translated saint = weggenomen (Hebr. 11, 5); Translated with devotion = in aanbidding verzonken; What will the duke say? = The duke be translated = die moge “weggenomen worden”, laat hem stikken; Translation, transleiš’n, overbrenging, overzetting, vertaling, etc.; Translator = vertaler, translator, schoenlapper; adj. Translatory, Translatory.

Transliterate, translitəreit, in andere letters overbrengen (b.v. Grieksch met Latijnsche letters schrijven), herspellen op andere wijze; subst. Transliteration.

Translucence, Translucency, transl(j)ûsəns(i), subst. v. Translucent, transl(j)ûs’nt doorschijnend, duidelijk.

Transmarine, transmərîn, overzeesch.

Transmigrate, transmigreit, verhuizen; Transmigration, transmigreiš’n, (ziels)verhuizing = Transmigration of souls.

Transmissibility, transmisibiliti, subst. v. Transmissible, transmisib’l, verzendbaar, overdraagbaar, overerfelijk; Transmission, transmiš’n, overbrenging, overzending, doorlating (van licht door glas), geleiding, overerving: Transmission-business = expeditiezaak; Transmit, transmit, overbrengen, overzenden, doorlaten, voortplanten, etc.; Transmittal = Transmittance; Transmitter = overzender, voortplanter, overbrenger; Transmittible = overzendbaar, etc.

Transmutability, transmjutəbiliti, subst. v. Transmutable, transmjûtəb’l, veranderbaar, verwisselbaar; subst. Transmutableness; Transmutation, transmjûteiš’n, verandering, verwisseling; Transmute, transmjût, veranderen: The sentence of death was transmuted into lifelong imprisonment = werd veranderd in; Transmuter = wie of wat verandert.

Transoceanic, transoušanik, aan de andere zijde van den oceaan.

Transom, trans’m, dwarsbalk: Transom-window = raam met dwarsbalk.

Transparence, Transparency, transpêr’ns(i), doorzichtigheid, transparant; Transparent = doorzichtig, doorschijnend, klaarblijkelijk; subst. Transparentness.

Transpirable, transpairəb’l, wat kan uitlekken enz.; Transpiration, transpireiš’n, uitwaseming, zweet; Transpire, transpaiə, uitwasemen, uitdampen, aan het licht komen, uitlekken, gebeuren.

Transplant, transplânt, overplanten, overbrengen; Transplantation = verplanting, overbrenging; Transplanter = verplanter.

Transport, transpöt, vervoer, transport, transportschip; verrukking, vervoering; Transport-ship = transportschip; schip waarmee gedeporteerden werden overgebracht.

Transport, transpöt, vervoeren, transporteeren, deporteeren, verzetten, meesleepen, verrukken: Faith transports mountains = het geloof verzet bergen; He was transported for life = werd gedeporteerd; Transported with joy = vervoerd van vreugde; Transportability = vervoerbaarheid, etc.; adj. Transportable; Transportation = vervoer, overbrenging, etc.; Transporter = wie vervoert; Transporting = verrukkend, bekorend.

Transposal, transpouz’l, verschikking, omzetting; Transpose, transpouz, verplaatsen, verschikken, omzetten, transponeeren; Transposition, transpəziš’n, verplaatsing, omzetting; adj. Transpositional.

Transubstantiation, transɐbstanšieiš’n, verandering van brood en wijn in het lichaam van Jezus.

Transudation, transiûdeiš’n, subst. v. Transude, transiûd, doorsijpelen, doorzweeten.

Transvaal, transvâl.

Transversal, transvɐ̂s’l, subst. dwarslijn, snijlijn; adj. dwars(loopend); Transverse, transvɐ̂s, subst. dwarsspier, transversaal; adj. dwars, diagonaal, transversaal.

Transylvania, transilveinjə, Zevenbergen; Transylvanian, subst. en adj. (bewoner) van Z.

Trap, trap, subst. val, strik, hinderlaag, klep, valdeur, karretje, soort trap of ladder, soort wagen, schabrak, dek, mond, klabak; Trap verb. in eene val of strik vangen, verstrikken, versieren: Man-trap = klem, voetangel; Traps = bagage, goederen, “spullen”; Trap-door = valdeur; Trap-door-spider = aardspin (met een door eene deur gesloten nest); Trap-tufa, Trap-tuff = vulcanische tufsteen; Trap-valve = valklep; Trapper = pelsdierjager, wagenpaard; Trappiness, subst. v. Trappy; Trappings, trapiŋz, paardentuig, harnachement, sieraad, opschik, versieringen; Trappy = slim, verraderlijk.

Trapan, trəpan, subst. strik; Trapan verb. verstrikken: Trapanner of souls = zielverkooper.

Trapes, treips, subst. slons; Trapes verb. rondloopen, vagebondeeren: I won’t be trapesing in the mud.

Trapeze, trəpîz, zweefrek of trapezium; Trapeziform, trəpîziföm, als een Trapezium, trəpîž’m, trapezium.

Trappist, trapist, Trappist.

Trash, traš, subst. snoeisel, uitschot, afval, rommel, prullen, geklets, zware halsband (om een jachthond vast te houden); Trash verb. snoeien; vernederen, onderdrukken, kwellen: Poor white trash = naam door negers der Zuidelijke Staten aan de armste blanken gegeven; Trashiness, subst. v. Trashy = nietswaardig, prullerig.

Trass, tras, tras.

Traumatic, trômatik, subst. en adj. wondheelend (middel); wond ...

Travail, travəl, subst. arbeid: Travails = barensweeën; Travail verb. zwoegen, in barensnood zijn.

Trave, treiv, hoefslag; dwarsbalk.

Travel, trav’l, subst. het reizen (Travels = (ontdekkings)reizen, reisverhalen); Travel verb. reizen, bereizen, doorreizen, trekken, zwerven, verdwijnen, heen en weer gaan: To travel out of the record = afdwalen (fig.); Travelled = bereisd, ervaren, erratisch: The far travelled princess = die een verre reis had gedaan; A much travelled man, road; Traveller = reiziger: To tip the traveller = opsnijden; Traveller’s-joy = clematis, heggeboschdruif; Travelling: Traveling instructors = wandelleeraren.

Traversable, travəsəb’l, betwistbaar; doortrekbaar, doorwaadbaar; Traverse, travəs, subst. dwarshout of -strik, middelschot, dwarsgang, wederwaardigheid, tegenspoed, koppelkoers (scheepst.), het doorreizen, streek, wending, uitvlucht; adj. dwars; Traverse verb. ronddraaien, draaien, dwars loopen (van paarden b.v.), kruisen, doorkruisen, stroomen (loopen) door, doorgaan; adv. dwarsover; Traverse-sailing = koppelkoers; Traverser = beugel, schuifring.

Travesty, travəsti, subst. vermomming, travestie; Travesty verb. parodieeren: The trial degenerated into a travesty of justice = eene parodie op.

Travis, travis. Zie Trave.

Trawl, trôl, subst. sleepnet (= Trawlnet); Trawl verb. met een sleepnet visschen; Trawler = visschersvaartuig dat met een trawl vischt.

Tray, trei, schenkblad, bakje, tobbe, lade; Tray-cloth = kleedje onder theeblad.

Treacherous, tretšərɐs, verraderlijk; subst. Treacherousness = Treachery, tretšəri, verraad, trouweloosheid.

Treacle, trîk’l, (suiker)stroop, theriakel; Treacle-stick = strooppil; adj. Treacly.

Tread, tred, subst. stap, trede, schrede, hanetrede; Tread verb. treden (ook van vogels), trappen, drukken, wandelen, volgen, paren: To tread grapes = druiven treden; To tread (the) water = water treden; To tread in a person’s (foot)steps (fig.); He treads on it, treads it under foot = vertrapt het, zet er den voet op; One trod on the heels of the other = de een kwam vlak achter den ander aan; We have trod(den) out the fire = uitgetrapt; Tread-mill = tredmolen; Treader; Treadle, tred’l, trapper (v. naaimachine, etc.), trede, pedaal, hanetrede; Treadle verb. trappen.

Treason, trîz’n, verraad: High treason = hoogverraad; Treasonable = verraderlijk; subst. Treasonableness.

Treasure, trežə, subst. schat; Treasure verb. vergaren, verzamelen, bewaren als een schat: He treasured up all these memories = bewaarde zorgvuldig; Treasure-house = schatkamer; Treasure-seeker = schatgraver; Treasure-trove = gevonden schat; Treasurer = schatmeester: Treasurership.

Treasury, trežəri, schatkamer, schatkist, departement v. financiën (Treasury-department) en de ambtenaren (Het nominale hoofd is the First Lord of the Treasury of Lord High Treasurer, gewoonlijk de Premier. Hem ter zijde staan: The Chancellor of the Exchequer en 3 Lords Commissioners of Junior Lords); Treasury-bill (Treasury-bond, Treasury-note) = schatkistobligatie; Treasury-bench = voorste bank (regeeringsbank), rechts van den Speaker in het House of Commons; Treasury-warrant = schatkistontvangbewijs.

Treat, trît, subst. onthaal, traktatie, genot; Treat verb. behandelen, handelen over, ontwikkelen, bespreken, onderhandelen, onthalen: It is a treat to me = genot, traktatie; It is my treat now = nu moet ik een rondje geven; He insisted on standing treat = wou trakteeren; You have treated me well, ill = mij goed, slecht behandeld; He treated of many subjects = handelde over; He treated us to a bottle and some excellent cigars = schonk eene flesch en liet ons lekkere sigaren rooken; He treated me to the theatre; I’ll treat myself to a new coat = me de weelde veroorloven; Ambassadors were sent to treat with Russia = te onderhandelen; Treater = onderhandelaar, verhandelaar, onthaler; Treatise, trîtis, verhandeling; Treatment = behandeling, handelwijze: I am under treatment = geneesk. behandeling; Treaty = verdrag, tractaat: To break, make, violate a treaty = verbreken, aangaan, schenden; Treaty of commerce; Treaty of partition = verdeelingsverdrag; They are in treaty with the Greeks = in onderhandeling met.

Treble, treb’l, subst. het drievoudige; hooge bovenstem, discant, sopraan; adj. drievoudig, hoog (van stem of instrument); Treble verb. verdrievoudigen, driedubbel worden: The boy trebles = jongenssopranen; You are doubly, nay trebly blessed = dubbel, neen driewerf gezegend.

Tree, trî, subst. boom, as, leest, galg (in samenst.); Tree verb. in een boom jagen of vluchten, in verlegenheid brengen of in de macht krijgen, op de leest zetten: As the tree so the fruit = zoo boom zoo vrucht; de appel valt niet ver van den boom; He is at the top of the tree = hij heeft het hoogste punt bereikt; I have got you up a tree = in mijn macht, je zit er leelijk in; Tree of knowledge = boom der kennisse des goeds en des kwaads; Tree of life = boom des levens; Books, bound in Tree-calf = kalfsleer met boomfiguren; Tree-deity = afgodsboom; Tree-frog = boomkikvorsch; Tree-louse = bladluis; Tree-nymph = dryade; Tree-toad = boomkikvorsch; Tree-worship = boomvereering; Treeless = zonder boomen; Treelike = als een boom.

Treenail, trîneil, houten nagel.

Trefoil, trîfôil, klaver(blad).

Trek, trek, trekken (in een ossenwagen); subst. trek, reis (Z. Afr.); Trek-chain.

Trellis, trelis, latwerk, traliewerk, leilatten; Trellis-fence; Trellis-gate; Trellis-work = kruiselings loopende latten voor veranda’s, priëeltjes, etc.; Trellised = met latwerk.

Trelawny, trəlôni.

Tremble, tremb’l, subst. beving, vrees; Tremble verb. beven, rillen, sidderen, schudden, trillen: I am all of (in) a tremble = beef over mijn geheele lijf; He trembled with fear = van angst; To tremble in every limb, in one’s shoes; Tremblement = triller (muz.); Trembler = bever, riller; Trembling: Trembling in the balance = onzeker; Trembling-poplar = ratelpopulier.

Tremendous, trimendəs, geducht, verschrikkelijk; subst. Tremendousness.