Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 47

Chapter 473,315 wordsPublic domain

Floor, flö, subst. vloer, verdieping, bodem, vlak, zittingszaal; Floor verb. bevloeren; neerslaan, tot zwijgen brengen, verslaan: He took the floor last = hij nam het laatst het woord; All the rooms are on a floor = gelijkvloers; That floored me = bracht mij tot zwijgen; The child was floored by the nurse = neergezet (in zedel. zin); To be floored = zakken; He can floor a paper for high-class honours = hij kan een schitterend examen ‘for honours’ doen; He has floored his problem = goed opgelost; The problem has floored him = was hem te machtig; Floor-cloth, subst. wasdoek voor vloerbedekking, linoleum; Floor-cloth verb. een vloer met linoleum bedekken; Floor-plan = platte grond (van een gebouw; Amer.); Floor-timbers = onderbalken, waarop eene vloer rust; Flooring = het bevloeren, bevloersel, vloer, plaveisel; Floorless.

Flop, flop, subst. flap, klap; Flop verb. flappen, kleppen, neerslaan, neerploffen: It came flop down = het flapte neer; Their footsteps were very audible: pit-pat, floppety-flop = klep-klep.

Flora, flôrə, naam van de godin der bloemen, plantengroei van een land; Floral = bloemen betreffende; Floreated, flôrieitid, van bloemrijke versierselen voorzien; Florescence, flores’ns, bloeitijd of het bloeien (van eene plant); Floret, flôrət, bloempje, bloemdeeltje; Floriculture, flôrikɐltšə, bloemkweeking; Floriculturist; Florid, florid, bloeiend, bloemrijk, blozend, schitterend: Florid-faced = met frisch gelaat; subst. Floridness; Floriform, flôriföm, bloemvormig; Florist, florist, bloemkweeker, bloemenkoopman, bloemenkenner; Floroon, florûn, rand van bloemen.

Florence, flor’ns; Florentine, flor’nt(a)in, subst. een bewoner van Florence, Florentijn; adj. Florentijnsch.

Florida, floridə.

Florin, florin, oud stuk van 2 Sh.

Flory boat, floribout, bootje om passagiers van een stoomschip naar wal te brengen.

Floscule, floskjul, bloempje; Floscular, Flosculose, Flosculous = met pijpvormige bloempjes.

Floss, flos, floretzijde, wollige stof: Floss-thread = vlokzijde voor borduurwerk.

Flotant, flout’nt, wapperende; Flotation = het drijven, op touw zetten; Flotative = drijfbaar; Flotilla, flətilə, flotille, kleine vloot.

Flotsam, flots’m, Flotson, flots’n, goederen bij eene schipbreuk verloren, en op zee drijvende achtergelaten: The jetsam and flotsam of literature = de niet-klassieke (tijdelijke) producten.

Flounce, flauns, subst. rukkende beweging der ledematen; strook; Flounce verb. spartelen, eene snelle beweging maken; van eene strook voorzien: She flounced out of the room = zij ging snel (en boos) de kamer uit; Flounced = met strooken.

Flounder, flaundə, bot; werktuig om leder te rekken; Flounder verb. worstelen, spartelen, rollen, sukkelen: He floundered in his speech = hakkelde, viel over zijne woorden.

Flour, flauə, subst. bloem (van meel, etc.); Flour verb. met fijn meel bestrooien, met bloem bedekt worden; Flour-dredge(r) = geperforeerd tinnen busje om bloem te strooien; Flour-mill = korenmolen; Floury = melig, met bloem v. meel bedekt.

Flourish, flɐriš, subst. praal, vertooning, krul, zwaaien (met een zwaard); overdreven versiering, fanfare; Flourish verb. gedijen, bloeien, toenemen, bloemrijke taal gebruiken, krullen maken, schallen, schetteren, borduren, zwaaien, versieren: Flourish of trumpets = trompetgeschal, praalzieke aankondiging; A flourished letter = krulletter.

Flout, flaut, subst. beleediging, spot; Flout verb. (be)spotten, beleedigen, verachtelijk behandelen.

Flow, flou, subst. vloed, stroom, overvloed, vaardigheid (van spreken), drijfzand; Flow verb. vloeien, loopen, stroomen, opkomen, uitstroomen, smelten, overstroomen, fladderen, wijd afhangen: His flow of spirits is something wonderful = zijne voortdurende opgewektheid; We stopped the flow of his words = zijn woordenvloed; It flows in upon us = het wordt voor ons hoorbaar; Flowing = vloeiend, overvloedig, fladderend, wijd.

Flower, flauə, subst. bloem, bloesem, keur, redefiguur, bloei (der jaren); Flower verb. bloeien, in den bloei der jaren zijn, met bloemen versieren; Flower-de-lis (luce) = zwaardlelie; Flower-gentle = amarant; Flower-head = bloemkroon; Flower-show = bloemententoonstelling; Flower-soft = teeder, buitengewoon zacht; Flower-stalk = bloemstengel; Flowered = met bloemen versierd, bloemen dragend; Floweret = bloempje; Flowerless; Flowery = bloemrijk, figuurlijk: The flowery land = China; Flowery-kirtled = met guirlandes van bloemen versierd.

Flown, floun, part. perf. van to fly.

Fluctuate, flɐktjueit, golven, weifelen, aarzelen, op en neer gaan; subst. Fluctuation.

Flue, flû, schoorsteenpijp, vlampijp (stoomketel); zacht dons of bont, pluisjes; Flue-work = orgelpijpen met lippen; verkorting van Influenza (ook Flu).

Fluellen, fluel’n.

Fluency, flûənsi, vloeibaarheid, vaardigheid, welbespraaktheid; Fluent = vloeibaar, welbespraakt, praatziek.

Fluff, flɐf, licht dons, zacht wollig goed; Fluff verb. uitspreiden als veeren: To fluff out a fringe = uit-, en opkammen; Fluffiness, subst. v. Fluffy = donsachtig, met dons of vederen, in de vederen gedoken, zacht.

Fluid, flûid, subst. vloeistof; adj. vloeibaar, gasvormig; Fluidness = Fluidity.

Fluke, flûk, zuigworm; bot; soort v. aardappel, ankerklauw, meevallertje, beest (op ’t biljart): I scored one by a fluke = ik kreeg een punt door een toeval of beest (in het spel); Fluky = gelukkig: A fluky stroke = een beest.

Flume, flûm, bergbeek, waterloop.

Flummery, flɐməri, meelpap; onzin.

Flummox, Flummux, flɐməks, in de war brengen; mislukken (Amer.).

Flung, flɐŋ, imperf. en part. perf. van to fling.

Flunk, flɐŋk, subst. luilak, slechte uitslag, fout; Flunk verb. missen (in eene les, b.v.), zich terugtrekken, zich er uit draaien.

Flunk(e)y, flɐŋki, lakei, mosterdjongen (scherts.), lage vleier; onervaren beursspeculant (Amer.); He has a Flunkeyfied pronunciation = als een lakei; Flunkeydom; Flunkeyism.

Fluor, flûə, Fluorite, fluərait, vloeispaath.

Flurry, flɐri, subst. drukte, verwarring, gejaagdheid, bui (Flurry of wind), lichte bries, doodstrijd (van een walvisch); Flurry verb. in de war brengen, doen ontstellen, verbijsteren.

Flush, flɐš, subst. blos, gloed, aandrift, schok, opgeschrikte vlucht vogels, overvloed, moeras; adj. frisch, krachtig, overvloedig, effen, vlak; Flush verb. blozen, opwinden, opjagen, doen blozen, kleuren, reinigen (door een waterstroom): He isn’t flush of money just now = niet goed by kas; You will hardly get flushed over that work = in extase geraken; Flushdeck = doorloopend dek; Flushness = frischheid, overvloed.

Flushing, flɐšiŋ, Vlissingen.

Fluster, flɐstə, subst. opwinding, verwarring; Fluster verb. door drank verhitten en opgezet maken, verwarren; subst. Flustration.

Flute, flût, subst. lang en dun broodje; fluitschip; groef, plooi; fluit; Flute verb. fluiten, op de fluit spelen, groeven maken, plooien; German flute = dwarsfluit; Armed in flute = slechts voor een deel bewapend (schip); Fluted = met groeven; Flutina, flûtînə, soort van harmonica; Flutist = fluitist.

Flutter, flɐtə, subst. trilling, ongeregelde polsslag, opgewondenheid, ongerustheid, ontsteltenis, wanorde; Flutter verb. fladderen, zweven, trillen, druk zijn, weifelen, beuzelen; in verlegenheid of verwarring brengen, snel heen en weer bewegen: It put me in a flutter = maakte me gejaagd; A fluttered bird = gejaagde.

Fluvial, fl(j)ûvj’l, Fluviatic, fl(j)ûviatik, Fluviatile, fl(j)ûvjətil, tot eene rivier behoorend, in de rivier levende.

Flux, flɐks, subst. vloed, stroom, omloop, samenloop, wisseling, samensmelting; Flux verb. smelten, zuiveren, purgeeren: Flux and reflux = vloed en ebbe; Fluxibility = veranderlijkheid, smeltbaarheid; Fluxible = smeltbaar; Fluxion = vloeiing, samensmelting; fluxie: Method of fluxions = integr. en different. rekening; adj. Fluxional = Fluxionary.

Fly, flai, subst. vlieg, mug, kunstvlieg, vliegwiel, onrust, schietspoel (bij het weven), breed deel van een windwijzer, vlag, rijtuig voor één paard, huurrijtuig; Fly verb. vliegen, snellen, opvliegen, heensnellen, zich snel verspreiden, springen, wapperen, verschieten, oplaten, voeren, vliegen over, ontvluchten; adj. glad, bij de hand: As drunk as a fly = zoo dronken als een tol; There is a fly in the honey = roet in de brij; I don’t care a fly = ik geef er geen zier om; When I became fly to it, I was disgusted = toen ik het snapte, er lucht van kreeg, walgde ik ervan: To let fly = aanvallen, afschieten, slingeren, er op slaan, vieren, losgooien, loslaten; He flew at me suddenly = hij vloog plotseling op mij aan; He flew in the face of everything and everybody = hij beleedigde en trotseerde ieder en alles; To fly into a passion = driftig worden; He flew out at me = hij voer tegen mij uit; To fly the garter = een soort bokspringen; Shall we fly our kite = onzen vlieger oplaten; geld trachten los te krijgen? Fly-bitten = door muggen gebeten; door vliegendrek bedorven; Fly-boat = vlieboot, snelle passagiersboot in vaarten, platboomd vaartuig; Fly-blow, subst. vliegenei; Fly-blow verb. eieren leggen in (vleesch, b.v.); Fly-blown = bedorven, stinkend, vuil, schunnig, met vliegendrek; Fly-catcher = zonnedauw, vliegenvanger; gaper; Fly-cage = soort vliegenvanger; Fly-clapper = Fly-flap; Fly-clip = blad (reep) uit een Fly-book; Fly-fishing = hengelen (met kunstvlieg en als aas); Fly-flap = vliegendooder; Fly-leaf = schutblad, strooibiljet; Flyman = koetsier van een fly; Fly-powder = insectenpoeder; Fly-speck = vliegenspatje; Fly-trap = vliegenvanger (ook de plant): Fly-wheel = vliegwiel; Flyer, flaiə (Zie Flier); Flying, subst. het vliegen; adj. vliegend: Flying-army (squadron, party) = vliegend leger (escader, afdeeling); Flying-artillery = rijdende artillerie; Flying-bridge = ponton, gierbrug; Flying colours: They entered the town with flying colours = triomfantelijk (met vliegende vaandels); Flying-dragon = vliegende draak = Flying-lizard; Flying-pinion = onrust van eene klok; Flying-post-office = postwagen (in een trein).

Foal, foul, subst. veulen; Foal verb. een veulen werpen: To be in foal = drachtig; Foal-teeth = melktanden (v. een foal).

Foam, foum, subst. schuim; Foam verb. (doen) schuimen: He foamed at the mouth = schuimbekte van woede; Foam-crested = met schuim bedekt; Foamy = schuimend.

Fob, fob, horlogezakje (in de broek); Fob verb. beetnemen: They were fobbed off with a front attic = afgescheept; To fob off on = aansmeren.

Focal, fouk’l, van een brandpunt: Focal-distance = brandpuntsafstand.

Focus, foukəs, subst. middelpunt, brandpunt; Focus verb. naar een brandpunt richten, tot brandpunt maken, samenkomen, stellen (v. een camera): He fixed and focussed the girls = fixeerde erg; He focussed the palace = richtte zijn kijker op; How shall he focus all the light of his learning in one work = in één werk samenvatten, vereenigen?

Fodder, fodə, subst. veevoeder (als hooi; onderscheiden van pasture = groen veevoeder); Fodder verb. voederen.

Foe, fou, subst. (persoonlijke) vijand, tegenstander = Foeman.

Foetid, Zie Fetid.

Fog, fog, subst. zware mist, verwarring, verlegenheid, grof gras, etgroen; adj. dik, mollig; Fog verb. in verlegenheid (in de war) brengen of zijn; het nagras afweiden: I am all in a fog = ik ben er verlegen mee, het is me niet duidelijk; I am fogged = In a fog; Fog-bank = zware mistbank; Fog-dog = heldere plek in eene Fog-bank; Fog-horn = misthoorn; Fog-ring = zwarte mistkring; Fogginess = mistigheid; Foggy = mistig; vol gras, mosachtig.

Fog(e)y, fougi, ouderwetsch, excentriek persoon.

Foh, fou, bah!

Foible, fôib’l, zwakke zijde, zwak punt.

Foil, fôil, subst. foeliesel (achter een spiegel), dun metaalblad onder juweelen, om deze beter te doen uitkomen; wat iets voordeelig doet uitkomen; loofwerk, onverwachte teleurstelling, schermdegen, spoor van gejaagd wild; Foil verb. overwinnen, teleurstellen, verijdelen: The one was a foil to the other = ze deden elkanders voortreffelijkheid uitkomen = They were set off by a foil; Foil-stone = valsche steen; Foiler = verijdelaar; Foiling = spoor van een hert op gras.

Foison, fôiz’n, overvloed, kracht, hitte, sap, vochtigheid.

Foist, fôist, onderschuiven, voor echt laten doorgaan: A foisted up affair = zwendel.

Fo’ks’le, fouks’l. Zie Forecastle.

Fold, fould, subst. schaapskooi, kudde, de Geloovigen, het vouwen, vouw; -voudig (in samenstellingen); Fold verb. opsluiten (in eene kooi), vouwen, sluiten (van handen): All the leaves in your book are folded down = hebben ezelsooren; He was received within the fold of the church = in den schoot der kerk opgenomen; Folder = vouwbeen, vouwer; A pair of folders = lorgnet; Folding = het opsluiten, de schaapskooi, het vouwen: Folding-chair = vouwstoel; Folding-doors = vleugeldeuren; Folding-net = slagnet; Folding-screen = vouwscherm; Folding-stool = klapstoel; Folding-table = klaptafel.

Foliaceous, fouljeišəs, bladervormig, bladerig; Foliage, fouljidž, subst. gebladerte, bladerwerk, loofwerk; Foliage verb. met loofwerk versieren; Foliaged = met loofwerk versierd; Foliated, fouljeitid, verfoelied, gebladerd, met loofwerk versierd; Foliation, foulieiš’n, metaalpletting, het verfoeliën, het van loofwerk voorzien; Folio, fouljou, subst. doorloopende pagineering, folio, pagina, copie, 72 woorden in wettelijke stukken, 90 in parlementsstukken; adj. van foliogrootte (4 bladzijden in een vel); Folio verb. folieeren; Folious, fouliəs, dicht met bladeren bezet, bladeren hebbende, met bloemen vermengd.

Folk, fouk, subst. luitjes, volk: adj. tot het volk behoorend, overgeleverd: How are the old folk(s) = hoe gaat het met de oudjes; Folklore = het bijgeloof en de overleveringen van een volk, de studie daarvan; Folk-medicine = huismiddeltjes; Folk-mote = volksvergadering; Folk-rede = mondelinge overleveringen (v. bijgeloof etc.); Folkright = gewoonterecht; Folk-song = volkslied, populair lied; Folk-tale = volksmythe; Folklorist, fouklörist, fouklörist, kenner of beoefenaar van folklore.

Follicle, folik’l, zaadhuisje, klier; adj. Follicular, Folliculous.

Follow, folou, volgen, nazetten, tot het gevolg behooren, nagaan, de party kiezen van, voortkomen, opletten, gehoorzamen, een beroep uitoefenen: Something better was to follow = het zou nog beter worden; It does not follow that he is idle = daaruit volgt niet; We followed (acted upon) certain lines = gingen volgens een bepaald plan te werk; Do you follow me? = begrijpt gij mij? He follows his pleasure = jaagt zijn genoegen na; To follow suit = kleur bekennen, navolgen; To follow the trade of a blacksmith = uitoefenen; He followed out his principles = handelde geheel volgens zijne beginselen; If you want to follow her up, you must know where she lives = werk maken van; This work follows closely upon history = dit werk volgt de geschiedenis op den voet; Follower = volgeling, volger, leerling, dienaar, vrijer: No followers allowed (in advertenties) = geen vrijers in de keuken; A following breeze, sea, wind = van achteren inkomend; He has a following of rich friends = hij heeft een aanhang van rijke vrienden.

Folly, foli, dwaasheid, domheid, verdorvenheid.

Foment, fəment, voeden, kweeken, warm betten, aanmoedigen, aanhitsen; subst. Fomentation; Fomenter = opruier, aanstichter.

Fond, fond, dwaas, onwijs, al te teeder of lief, toegevend, verzot op, gek met: She is fond of her children = gek met haar kinderen; Fondle = liefkoozen, streelen, vertroetelen; lief doen; That is her fondling = hartje, lieveling; Fondness = teederheid.

Font, font, doopvont; letterpolis, gietcedel; adj. Fontal.

Fontanel(le), fontənel, fontənel, open plek in een zuigelingsschedel; seton, etterdracht.

Food, fûd, voedsel, spijs, voeder: One man’s food is another man’s poison = den een z’n dood is den ander z’n brood; A daily food = almanak met teksten voor iederen dag van het jaar; Foods = voedingsstoffen = Food-stuffs.

Fool, fûl, subst. dwaas, malle vent, zot, zondaar (bijbelsch), kruisbessenvlade, slachtoffer; Fool verb. voor den gek houden, bedriegen, teleurstellen, bespotten: Abbot of fools = hoofdleider der dwaasheden in de vroegere kerstfeestviering; Feast of fools = oud feest op Nieuwjaarsdag; That’s a fool to it = haalt er niet bij; He has made a fool of me = hij heeft me voor den gek gehouden, belachelijk gemaakt; Let him play the fool = laat hem voor dwaas of grappenmaker spelen; Don’t fool away your time = verbeuzel uw tijd niet; Fool’s-errand = vruchteloos onderzoek: He is out on a fool’s-errand = hij jaagt het onverkrijgbare na; Fool’s-paradise = blijdschap met eene doode musch: He lives in a fool’s-paradise = hij leeft gedachteloos voort, belooft zich zelf gouden bergen; Foolhardiness, subst. v. Foolhardy = roekeloos, domdriest; Fools-cap = narrenkap; soort v. papier, omdat dit formaat oorspronkelijk het watermerk van eene narrenkap had; Foolery = dwaasheid, dolheid; Fooling, subst. malligheid, grappigheid; adj. voor gek spelend; Foolish = dwaas, simpel, mal, belachelijk, beschaamd; zondig (veroud.); subst. Foolishness.

Foot, fut, subst. voet (12 inches), maat, versvoet, het wandelen, korte afstand, voetvolk; Foot verb. loopen, dansen, betreden, (be)wandelen, een voet aanbreien, voorschoen aanzetten, opsporen, met den poot of de klauw pakken, optellen en daaronder de som opschrijven: Foots = bezinksel; Foot by foot; Sure of foot; On foot = te voet, gaande, op touw; At a foot’s pace = stapvoets; To put one’s best foot forward = zijn beste beentje voorzetten; To put one’s foot in = zich compromitteeren; zijn mond voorbij praten; To put down one’s foot = zich met kracht verzetten tegen; He shook the dust of his country from his feet = verliet zijn land; I never set foot in America = heb nooit een voet gezet; Who will set the business on foot = aan den gang brengen, op touw zetten? To take the measure of a person’s foot = iemand doorgronden; To foot it = loopen; These stockings must be footed = er moeten nieuwe voeten aan deze kousen gebreid worden; The bill was footed = de rekening werd betaald (Am.); Foot-and-mouth disease = mond- en klauwzeer; Foot-band = troep infanterie; Foot-ball = voetbal, met leer omgeven gummibal, gebruikt bij het spel van dezen naam; Foot-barracks = infanteriekazerne; Foot-board = treeplank, voeteneind; Foot-boy = loopjongen, livreiknechtje; Foot-bridge = brug voor voetgangers; Footfall = (hoorbare) voetstap; Foot-guard = voetbekleeding (bij paard); Foot-guards = lijfwacht te voet (Grenadier, Coldstream en Scots guards); Foot-hold = steun voor den voet, vaste positie, vestiging; Foot-iron = voetboei, rijtuigtrede; Foot-licker = lage vleier; Foot-lights: He was before the foot-lights = voor het voetlicht; Footman = voetknecht, livreiknecht; Foot-mark = voetspoor, indruk van den voet; Foot-muff = voetenzak; Foot-note = aanteekening onder aan de bladzijde; Footpace = wandelpas; verhoogde vloer; Footpad = struikroover; Foot-passenger = reiziger te voet, wandelaar; Foot-path = voetpad; Foot-plate = staanplaats op een locomotief; Foot-post = voetbode; Foot-pound = voetpond; Foot-print = indruk van den voet; Foot-race = wedloop; Foot-rest = voetbankje; bok; Foot-rot = rotziekte bij schapen; Foot-rule = duimstok (30 c.M. lang); Foot-scraper = voetenkrabber; Foot-shackles = voetboeien; Foot-soldier = infanterist; Foot-sore = met pijnlijke (zeere) voeten; Foot-stall = vrouwenstijgbeugel; onderstuk van eene zuil; Footstep = voetstap: Follow his footsteps = druk zijne voetstappen, volg zijn voorbeeld; Foot-stool = voetbankje; Foot-stove, Foot-warmer = (warm water)-stoof; Footway = voetpad, ladder om in de mijnen af te dalen; Foot-worn = met pijnlijke (zeere) voeten; Footed = voetig; Footer = voetbal: A six-footer = iemand van 6 voet; Footing = steunsel voor den voet, vaste positie, opstelling: He missed his footing = stapte mis; It is difficult to get a firm footing there = om daar vasten voet te krijgen; He has to pay his footing = hij moet zijne entrée betalen (van een werkman, die voor het eerst zijn beroep aanvaardt); First footing is a New-Year’s custom in Scotland; the person who first enters the house is called its first foot; Footy = waardeloos, onbeduidend: This sugar is very footy = deze suiker is onzuiver; They are little footy falderals = kleine niets beduidende prullen.

Footle, fût’l, subst. prullewerk; adj. prullerig; Footle verb. knoeien, onzin doen.

Foozle, fûz’l, vervelende, malle gek; Foozle verb. knoeien; Foozlified = dronken.

Fop, fop, modegek; Foppery = kwasterij, ijdelheid (in kleederen of vormen); adj. Foppish.

For, fö, prep, voor, gedurende, om, wegens, ten behoeve van, met het oog op, met bestemming naar, vergeleken met, niettegenstaande: I have done it for the best = uit bestwil; You have taken each other for better for worse = elkaar gehuwd, wat er ook mocht gebeuren; For convenience’ sake = gemakshalve; For example (= For instance) = bij voorbeeld; Eye for eye and tooth for tooth = oog om oog en tand om tand; For fear of = uit vrees van; For good and all (Once for all) = eens vooral; A man can live for much less = van veel minder; He won’t sleep for long = lang; Do it for my sake = om mijnentwil; A house for sale = te koop; For shame = schaam je; I shall take this for want of better = bij gebrek aan beter; He is a noble character for all that = hij is toch (niettegenstaande al wat er gezegd is, b.v.) een edele kerel; You must do it for all the world = wat de wereld er ook van zegge; That’s it for all the world = juist, zoo is het; She didn’t listen for all she held her tongue = al hield ze ook haar mond; For all you know = zoo goed (gauw) als je kunt; For as much as I can say = voor zoover ik weet; For the matter of that = wat dat betreft: For one thing, I don’t know your name = in de eerste plaats; For ought I see = voor zoover ik zien kan, als ik het wel heb; He was at home for a wonder = verwonderlijk genoeg was hij thuis; I am to blame for it = ik alléén draag daarvan de schuld; To be sorry for = spijt hebben over; I do not care for him = geef niet om hem; I felt uneasy for him = was ongerust over hem; To go in for an examination, a place = zich aanmelden voor, opgaan voor, dingen naar; We sailed for the Indies = zeilden naar Indië; I have taken you for my model = ik heb u ter navolging gekozen; I waited for him to resume his story = ik wachte er op, dat hij ... zou hervatten; Now for it = nu er op los, nu begint het; Oh for a horse = ach, had ik maar een paard; I for one = wat mij betreft; But for me he would be unhappy = zonder mij; It is not for you to say so = het past u niet zulks te zeggen; I could not for the life of me help saying it = ik moest het wel zeggen.

For, fö, conj. want, daar, in aanmerking nemende dat.

Forage, foridž, subst. voeder, fourage, veevoeder; Forage verb. fourageeren, uitplunderen door requireeren van fourage; Forage-cap (Foraging-cap) = politiemuts (van soldaten); Forage-contractor = aannemer van het voedsel der cavaleriepaarden; Forager = fourageur.

Foraminated, fəramin(e)itid, met kleine gaatjes doorboord; Foraminous, fəraminəs, vol kleine gaatjes.

Foray, forei, fərei, subst. rooftocht, buit; Foray verb. plunderen, verwoesten.

Forbear, föbêə, nalaten, zich onthouden van, dulden, verdragen; Forbearance = onthouding, geduld, zelfbeheersching, verdraagzaamheid, duldzaamheid: Forbearance is no acquittance = uitstel is geen afstel; Forbearingly = lijdzaam.

Forbear(s), föbêə(z), föbîəz, voorouder(s), voorzaten, nazaten.

Forbes, föbz.

Forbid, föbid, verbieden, ontzeggen, weigeren (toegang, b.v.), een verbod uitvaardigen: God, Heaven forbid = dat verhoede God, de Hemel! Forbidden fruit = verboden vrucht (Bijbel); Forbidding = onaangenaam, terugstootend: Those are forbidding subjects = onaangename onderwerpen.

Forbore, föbö, Forborn, föbön, imperf. en part. perf. van to forbear.