Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 144

Chapter 1443,013 wordsPublic domain

Venetian, vinîš’n, Venetiaansch; subst. Venetiaan, jaloezie (= Venetian blind); Venetian boat = gondel; Venetian chalk = talkpoeder; Venetian door = deur met langwerpige ruiten op zijde (om b.v. een ingang te verlichten); There were Venetian masts along the route, from which streamers of bunting were festooned = kokanjemasten welke door guirlandes van vlaggedoek verbonden waren; Venetian weight = “presse-papier” van glas.

Venezuela, venəzuelə, venəzuîlə.

Vengeance, venž’ns, wraak: With a vengeance = met buitengewone kracht of hevigheid; To cry for vengeance; They wreaked their vengeance on me = koelden hun wraak; Vengeful = wraakgierig.

Venial, vîniəl, vergeeflijk: Venial sin = vergeeflijke zonde; Veniality = Venialness.

Venice, venis, Venetië.

Venison, ven(i)z’n, wildbraad.

Venom, ven’m, subst. vergif, venijn (ook fig.); Venom-mouthed = giftig, kwaadaardig; Venom-tooth; Venomous, venəmɐs, vergiftig, venijnig; subst. Venomousness.

Venose, vînous, vinous = Venous, vînəs, geaderd, aderlijk.

Vent, vent, subst. opening, luchtgat, zundgat, uitweg, uiting, bekendmaking, vrije loop; Vent verb. een opening maken, uitlaten, lucht geven, uiting geven, slaken: To find vent = een uitweg vinden; He gave vent to his anger = gaf lucht aan; It has taken vent = is ruchtbaar geworden, uitgelekt; To vent oneself = zijn hart lucht geven; To vent one’s wrath upon = lucht geven aan zijn toorn; Vent-hole = luchtgat; Vent-peg, Vent-pin = zwikje; Vent-plug = prop of plug voor het laadgat; Ventage, ventidž, luchtgaatje; Ventilate, ventileit, ventileeren, luchten, opperen, vrijelijk bespreken: Several questions were ventilated = werden geopperd en behandeld; subst. Ventilation = luchtverversching, etc.; Ventilator = luchtververscher, ventilator.

Ventral, ventr’l, buik..: Ventral fins = buikvinnen; Ventricle, ventrik’l, holte, hartkamer, hersenkamers = Ventricles of the heart (brain); Ventriloquism, ventriləkwizm, buikspreekkunst; Ventriloquist = buikspreker; Ventriloquize, ventriləkwaiz, buikspreken.

Venture, ventjə, subst. waagstuk, waaghalzerij, risico, speculatie, inzet, kans; Venture verb. wagen, ondernemen, op het spel zetten: I did it at (for) a venture = op goed geluk af; To put a thing to a (the) venture = iets op goed geluk wagen; I advise you not to run the venture = de kans niet te loopen, het niet te wagen; I do not like to venture at (upon) it = er mij in te begeven; To venture out = zich buiten wagen; Nothing venture nothing have = die niet waagt die niet wint; Venturesome, Venturous = stoutmoedig, onverschrokken, gevaarvol, gewaagd.

Venue, venjû, plaats der handeling, plaats waar iets plaats vindt of berecht moet worden (Jur.): To change (transfer) the venue = naar een ander (rechts)college overbrengen.

Venus, vînəs, Venus; Venus-hair = venushaar; Venus-shell = venusschelp.

Veracious, vəreišəs, waarheidlievend, geloofwaardig; Veracity, vərasiti, waarheid, waarheidsliefde: Unquestioned veracities = onbetwijfelde waarheden.

Veranda(h), vərandə, veranda.

Veratrine, vəreitrin, verətrain = Veratrum, vəreitr’m, nieswortel.

Verb, vɐ̂b, werkwoord; Verbal = woordelijk, mondeling, letterlijk, van een werkwoord afgeleid: Verbal agreement, message; Verbal quibbling = ijdel woordenspel; A Verbal translation = mondelinge; Verbalism = iets mondeling uitgedrukt, letterzifterij; Verbalization, vɐ̂bəl(a)izeiš’n, verandering tot een werkwoord; Verbalize = in een werkwoord veranderen; Verbatim, vɐ̂beitim, woordelijk: Verbatim report.

Verbena, vɐ̂bînə, ijzerkruid.

Verbiage, vɐ̂biidž, woordenvloed, bombast; Verbose, vɐ̂bous, woordenrijk, wijdloopig, bombastisch; subst. Verbosity.

Verdancy, vɐ̂d’nsi, groenheid; onervarenheid; Verdant = groen, bloeiend, onervaren; Verd-antique, vɐ̂dəntîk, patina, groene roest op oud koper; slangenmarmer.

Verderer, vɐ̂dərə, houtvester, jachtopziener.

Verdict, vɐ̂dikt, uitspraak, vonnis, beslissing, oordeel: To bring in (deliver, give, return) a verdict = uitspraak doen; To pass one’s verdict upon = zijn oordeel uitspreken over.

Verdigris, vɐ̂digrîs, kopergroen.

Verdure, vɐ̂djə, groen(heid), frissche plantengroei.

Verge, vɐ̂dž, subst. roede, staf, spil, rand, zoom, omvang, gezichtskring; Verge verb. naderen, nabij komen, grenzen, neigen, overgaan in: He is on the verge of ruin, of madness = aan den rand des ondergangs, op de grens van den waanzin; Such a deed verges on madness = grenst aan waanzin; We stood upon a hill which verged to the south = die naar het zuiden afhelde.

Verger, vɐ̂džə, stafdrager, kerkdienaar.

Veriest, veriəst, Zie Very.

Verifiable, verifaiəb’l, wat bewezen, gestaafd of bevestigd kan worden; Verification = bevestiging, staving, verificatie: In verification of = ten bewijze waarvan; Verifier; Verify, verifai, bewijzen, verifieeren, vervullen, waar maken.

Verily, verili, waarlijk, waarachtig; Verisimilitude, verisimilitjûd, waarschijnlijkheid; Veritably, veritəbli, waarlijk; Verity, veriti, waarheid, werkelijkheid, feit: Their despatches do not come up to the standard of verity = beantwoorden niet aan den eisch van waarheid.

Verjuice, vɐ̂džûs, sap van onrijpe appels, druiven enz.: Every word and look of his smacks of verjuice = heeft iets zuurs (onaangenaams).

Vermeil, vɐ̂mil, vermiljoen.

Vermicelli, vɐ̂miseli, vermitšeli, vermicelli.

Vermicide, vɐ̂misaid, wormkoekje, wormmiddel; Vermicular, vɐ̂mikjulə, wormachtig, wormvormig: Vermicular-work = kronkelende versiering in mozaïekwerk; Vermiculate, vɐ̂mîkjuleit, kronkelend of wormvormig inleggen, kronkelen, zich in alle bochten wringen (fig.); vɐ̂mikjulit, kronkelend, wormstekig; subst. Vermiculation; Vermiculose, vɐ̂mikjulous, Vermiculous, vɐ̂mikjulɐs, vol wormen of maden, gelijk wormen; Vermiform, vɐ̂miföm, wormvormig; Vermifugal = wormafdrijvend; Vermifuge, vɐ̂mifjûdž, wormmiddel.

Vermilion, vɐ̂milj’n, subst. en adj. vermiljoen: The Vermilion Sea = Golf van Californië; Vermilioned = vermiljoen-rood geverfd.

Vermin, vɐ̂min, schadelijke dieren, ongedierte; gebroed, tuig: Vermin-destroyer = Vermin-killer = vergift voor het dooden van ongedierte; Verminous = wat ongedierte voortbrengt, door wormen veroorzaakt.

Vermont, vɐ̂mont.

Verm(o)uth, vɐ̂mûth, vermouth.

Vernacular, vɐ̂nakjulə, inheemsch, eigen, vaderlandsch; subst. taaleigen, moedertaal: Vernacular disease, idiom, language, tongue; Vernacularism = idioom, dialect; Vernacularize = inburgeren.

Vernal, vɐ̂n’l, lente - -, jeugd - -: Vernal equinox = dag- en nachtevening; Vernal signs = lenteteekens (Dierenriem); Vernation = bloeiwijze.

Vernon, vɐ̂n’n; Veroles, vəroul; Verona, vərounə, Verona; Veronese, verənîz, verənîs, subst. en adj. (bewoner) van Verona; Veronica, vəronikə, Veronica.

Verruca, vərûkə, wrat; Verrucose, verukous, Verrucous, verukɐs, vol wratten.

Versailles, vɐ̂seilz.

Versatile, vɐ̂sət(a)il, veranderlijk, onvast, handig, veelzijdig: A versatile talent; subst. Versatileness = Versatility, vɐ̂sətiliti.

Verse, vɐ̂s, subst. vers, poëzie, versregel, strofe: A poem in six stanzas, each of eight verses = in zes verzen, elk van acht regels; Blank verse = rijmlooze vijfvoetige jamben; Verse-maker, Verse-monger = rijmelaar.

Versed, vɐ̂st, bedreven, ervaren (met in); omgekeerd.

Verset, vɐ̂sət, bijbelvers; Versicle, vɐ̂sik’l, klein vers door den priester opgezegd met een antwoord van de gemeente; klein dichterlijk produkt; Versification, vɐ̂sifikeiš’n, verskunst, versbouw; Versifier, vɐ̂sifaiə, verzenmaker; Versify, vɐ̂sifai, berijmen, bezingen, verzen maken.

Version, vɐ̂š’n, vertaling, overzetting, voorstellingswijze, lezing, redactie.

Verst, vɐ̂st, werst (1,066 KM.).

Versus, vɐ̂səs, tegen, tegenover.

Vert, vɐ̂t, (verkorting van convert), subst. iemand die van de Anglik. naar de R. Kath. kerk is overgegaan; Vert verb. overgaan.

Vert, vɐ̂t, alles wat groeit en groene bladeren draagt in een woud; recht om groen hout te snijden; groen (herald.).

Vertebra, vɐ̂tibrə, rugwervel; adj. Vertebral: Vertebral animals = gewervelde dieren; Vertebral column = wervelkolom; Vertebrata, vɐ̂tibreitə, gewervelde dieren; Vertebrate, vɐ̂tibrit, gewerveld dier; adj. gewerveld = Vertebrated, vɐ̂tibreitid.

Vertex, vɐ̂teks, (Meerv. Vertexes, of Vertices, vɐ̂tisîz), hoogste punt, toppunt, zenith.

Vertical, vɐ̂tik’l, loodrecht, verticaal, staande; Verticality = loodrechte stand = Verticalness.

Vertiginous, vɐ̂tidžinɐs, ronddraaiend, omwentelend, duizelig(makend); Vertigo, vɐ̂tigou, vɐ̂taigou, vɐ̂tîgou, duizeligheid, duizeling.

Vertu, vɐ̂tu, kunstsmaak, kunstliefhebberij: A boudoir filled with articles of vertu = kunstvoorwerpen, antiquiteiten, curiosa.

Verulam, verul’m.

Vervain, vɐ̂vein, ijzerhard, verbena.

Verve, vɐ̂v, geestdrift, vuur.

Very, veri, adj. werkelijk, waar, enkel, zelfs, echt; adv. zeer, in hooge mate: He is a very baby = echt “kuiken”; The very man came on the very day of the funeral = dezelfde man kwam op den dag zelf; The very thought of it makes me shudder = de bloote gedachte er aan; That’s the very best you could do = het allerbeste; It is very possible = zéér wel mogelijk; The veriest baby would do it = het kleinste kind kan het doen; It was the veriest old building I ever saw = het alleroudste gebouw.

Vesica, vəsaikə, (de) blaas; Vesical, vesik’l, tot de blaas behoorende; Vesicant, vesik’nt, blaren trekkend; subst. trekpleister; Vesicate, vesikeit, blaren trekken; subst. Vesication; Vesicle, vesik’l, blaar, blaasje; Vesicular, Vesiculate, Vesiculose, Vesiculous = als een blaasje of eene blaar, blaas- of celachtig.

Vespa, vespə, wesp.

Vespasian, vespeiž’n, Vespasianus.

Vesper, vespə, subst. avondster, avond; ook adj.; Vespers = vesper, laatste getijde van het brevier; Vesper-bell; Vespertine, vespət(a)in, tot den avond behoorende of daarin gebeurende.

Vespiary, vespjəri, wespennest.

Vessel, ves’l, vat, bloedvat, kan; schip, vaartuig, vaatwerk, gereedschap, mensch: Consecrated vessels = gewijde vaten; The weaker vessel = de vrouw.

Vest, vest, subst. vest, jacket zonder mouwen, onderlijfje; Vest verb. bekleeden, omringen, begiftigen, beleggen, overdragen, overgaan op, komen op, gevestigd zijn in: His money is vested in lands = belegd in; The right to the estate vests in you = is op u vastgezet; He was vested with that power = bekleed met; Vested interests = verworven, verkregen rechten; Vested legacy = legaat dat iemand bijv. uitgekeerd wordt als hij 23 jaar oud is geworden.

Vesta, vestə, Vesta; waslucifer = Wax vesta; Vestal, subst. Vestaalsche maagd, kuische vrouw, non; adj. vestaalsch, rein, maagdelijk, kuisch: Vestal Virgins = Vestaalsche Maagden.

Vestiary, vestjəri, subst. kleedkamer, garderobe.

Vestibule, vestibjûl, vestibule, voorhof; Vestibule-train = D-trein.

Vestige, vestidž, spoor, overblijfsel; Vestigial, vestidž’l, rudimentair.

Vesting, vestiŋ, stof voor vests; Vestment = kleeding, (mis)gewaad.

Vestry, vestri, consistoriekamer, kerkekamer, parochiebestuur, dat een wereldlijk, administratief karakter heeft: Common (General, Open) vestry = de gezamenlijke belastingbetalende leden, die de Churchwardens, Vestry Clerk en Beadle kiezen; Select vestry = de gezamenlijke Pew-Owners, i.e. de rijkere Church of England leden. Zij bepalen de Church rates; Vestry-clerk = secretaris van de parochie; Vestry-hall = gemeentehuis (in deze tweeslachtige beteekenis); Vestryman = kerkeraadslid, lid van den parochie-raad; Vestry-meeting.

Vesture, vestjə, (be)kleeding; Vesture verb. bekleeden.

Vesuvian, vəs(j)ûvj’n, subst. soort v. windlucifer; adj. tot den Vesuvius behoorende; Vesuvius, vəs(j)ûvjəs, Vesuvius.

Vet, vet, verkort v. Veterinary (Surgeon), of Veteran.

Vetch, vetš, wikke (plant); Vetchling = (ongebladerde) lathyrus.

Veteran, vetər’n, vergrijsd in den dienst, beproefd, ervaren; subst. veteraan; Veteranize = opnieuw dienst nemen (Amer.).

Veterinarian, vetərinêriən, veearts; Veterinary, vetərinəri, subst. veearts (= Veterinary surgeon); adj. veeartsenijkundig: Veterinary college, school.

Veto, vîtou, subst. (recht van) veto, verwerping, weigering, verbod; Veto verb. verbieden, afstemmen, weigeren: To put one’s veto on.

Vetturino, veturînou, Italiaansch huurkoets(ier).

Vex, veks, verontrusten, kwellen, plagen, bedroeven, ergeren: To be (feel) vexed at = zich ergeren over; Slightly vexed at my words = eenigszins geërgerd; Vexed questions = lastige, niet uitgemaakte vraagpunten; Vexation = ergernis, kwelling, plaag; Vexatious, vekseišəs, kwellend, verdrietig, hinderlijk, ergerend; Vexer = plager, sarder, kweller; Vexing = kwellend, etc.; subst. Vexingness.

Vexil, veksil, baard; Vexillar(y) = tot een baard behoorend.

Via, vaiə, weg; adv. over: Via lactea = melkweg; He went to Italy via Paris and Lyons = over P. en Lyon.

Viability, vaiəbiliti, subst. v. Viable, vaiəb’l, levensvatbaar.

Viaduct, vaiədɐkt, viaduct.

Vial, vaiəl, subst. fleschje, fiool; Vial verb. in een fleschje doen: He poured out vials of wrath upon his enemies = hij goot de fiolen des toorns over zijne vijanden uit (Openb. XVI, I).

Viands, vaiəndz, levensmiddelen, voedsel.

Viaticum, vaiatikɐm, teerpenning; teerspijs = de H. communie een stervende toegediend; Viator, vaieitə, reiziger.

Vibrant, vaibr’nt, trillend, bevend; Vibrate, vaibreit, slingeren, schommelen, golven, trillen, klinken, weifelen; Vibration, vaibreiš’n, trilling; schommeling, slingering; adj. Vibratory; Vibroscope = trillingmeter.

Vicar, vikə, plaatsvervanger, vicaris, eigenlijk de plaatsvervanger van den Rector (die zelf geen dienst behoeft te doen. De Vicar geniet slechts de Small Tithes i.e. de tienden van koren, soms hooi): Vicar of (Jesus) Christ = de Paus; Vicarage, vikəridž, ambt, pastorie van een Vicar; Vicarship.

Vicarial, vikêriəl = Vicarious; Vicariate, vikêriit, subst. vicarisschap, plaatsvervanging; adj. plaatsvervangend; Vicarious, vikêriəs, plaatsvervangend; voor anderen geleden: Vicarious punishment (atonement) = straf ondergaan (verzoening verkregen) ten behoeve van een ander; Your experience is Vicarious = uit de tweede hand; subst. Vicariousness.

Vice, vais, ondeugd, gebrek, verdorvenheid, kuur (van een paard), spil, loodtrekker, bankschroef: He grasped me as in a vice = had mij als in eene schroef gekneld.

Vice, vais, (in samenst.), onder, plaatsvervangend: Vice versa, vaisi vɐ̂sə, vice versa; Vice-admiral = vice-admiraal; Vice-admiralty = vice-admiraalschap; Vice-chairman = vice-president; Vice-chancellor = vice-kanselier; Vice-consul = vice-consul; Vicegerency = plaatsvervangerschap; Vicegerent, vaisdžîr’nt, subst. plaatsvervanger, stadhouder; adj. plaatsvervangend; Vice-president; Viceregal, vaisrîg’l, tot een onderkoning of onderkoningschap behoorende; Vicereine, vaisrein, gemalin van een Viceroy = onderkoning; Viceroyalty = onderkoningschap.

Vicinity, visiniti, nabuurschap, omstreken.

Vicious, višəs, onvolmaakt, gebrekkig, bedorven, slecht, verkeerd, boosaardig, venijnig; subst. Viciousness.

Vicissitude, visisitjûd, verandering of afwisseling, wisselvalligheid: The vicissitudes of life, of fortune; Life has blessed him with vicissitude = hij heeft tot zijn geluk velerlei ondervonden.

Victim, viktim, slachtoffer, dupe: He was (fell) a victim to his ambition = was (viel als) slachtoffer van zijne eerzucht; Victimize = tot slachtoffer maken, beetnemen, bedriegen.

Victor, viktə, overwinnaar; Victoria, viktôriə, Victoria, soort rijtuig: Victoria Cross = mil. decoratie (overeenkomende met onze Militaire Willemsorde); adj. Victorian; Victorine, viktərîn, bonten kraag; soort v. perzik; Victorious, viktôriəs, overwinnings..., overwinnend: “Send her cictorious” = maak, dat zij overwinnend zij; Victoriousness = zegeviering; Victory, viktəri, overwinning, behaald voordeel: To gain (carry, get, obtain) a victory over; Victress = overwinnares.

Victual, vit’l, proviandeeren, van leeftocht voorzien; Victuals, vit’lz, levensmiddelen: Broken victuals = kliekjes; Victualler, vitələ, proviandmeester; slijter, victualieschip: Licensed victualler = grossier met “vergunning”; Victualling = wat levensmiddelen verschaft: Victualling-office = victualiebureau.

Vide, vaidî, zie; Videlicet, videliset, te weten, dat is.

Vie, vai, wedijveren, mededingen.

Vienna, vjenə, Weenen; Viennese, vjenîz, vjenîs, subst. en adj. (bewoner of bewoners) van W.

View, vjû, subst. gezicht, uitzicht, inzicht, overzicht, bezichtiging, onderzoek, schets, kijk, oordeel, meening, voornemen; View verb. zien, aanschouwen, onderzoeken, nagaan, beschouwen: To be on view = te bezichtigen zijn; To command a view of = het uitzicht hebben over; To have in view = op het oog hebben; You must keep this in view = in het oog houden; Let us take a good view of it = laten we het goed bezien; In view of what you have to offer = met betrekking tot (met het oog op); In my view = mijns erachtens; I did it with a view to ascertain whether he was safe = met de bedoeling; Our points of view are different = wij staan op een verschillend standpunt; I never looked at it from this point of view = uit dit oogpunt; Views on the war = meeningen over; A bird’s-eye view of Cologne = Keulen in vogelvlucht; Viewer = opzichter, onderzoeker, deskundige; Viewless = onzichtbaar, niet te zien; He is viewy = hij heeft altijd onmogelijke plannen; is opzichtig; ziet er aardig uit.

Vigil, vidžil, het waken, vigilie, vigiliedag; Vigils = nachtwake; Vigilance = waakzaamheid: Vigilance Committee (Society) = een vereeniging overeenkomend met onze Middernachtzending; veiligheidscomité; Vigilant = waakzaam, omzichtig.

Vignette, vinjet, vinjət, vinet, subst. vignet (portret); Vignette verb. zoo verlichten dat de randen of lijnen onmerkbaar verdwijnen (photogr.).

Vigorous, vigərɐs, krachtig, sterk, flink; subst. Vigorousness; Vigour, vigə, kracht, sterkte.

Viking, vîkiŋ, v(a)ikiŋ, Viking (Oud-Noorsche zeeroover).

Vile, vail, laag, verachtelijk, waardeloos, gering, snood, afschuwelijk: A vile smell; subst. Vileness.

Vilification, vilifikeiš’n, smaad, etc.; Vilifier; Vilify, vilifai, lasteren, honen, smaden.

Vilipend, vilipend, minachten, geringschatten, zich ongunstig uitlaten over.

Vill, vil, gehucht, kerspel.

Villa, vilə, buitenplaats, buiten; Villadom = de gezamenlijke villa’s, villabewoners.

Village, vilidž, dorp; Villager = dorpsbewoner.

Villain, vilin, schurk, lijfeigene, boer, lummel; Villainage, vilinidz, lijfeigenschap; Villainous = schurkachtig, laag, gemeen; subst. Villainousness; Villainy = schurkerij, slechtheid, eerloosheid.

Villein, vilin = Villain.

Villi, vilai, dicht opeenstaande haartjes (als bij fluweel); Villose, vilous, Villous, viləs, harig, ruig; Villosity, vilositi, behaardheid, ruigheid.

Villiers, vil(j)əz.

Vim, vim, kracht, energie, wilskracht.

Vinaceous, v(a)ineišəs, tot den wijnstok behoorend, wijn...; wijnkleurig.

Vinaigrette, vinəgret, lodderein-doosje.

Vinaigrous, vinəgrɐs, vineigrəs, zuur; zuurmuilig, brommerig.

Vincent, vins’nt, Vincentius; Vincentian, vinsenš’n, van den H. Vincentius.

Vincibility, vinsibiliti, subst. v. Vincible, vinsib’l, verwinlijk, verwinbaar; subst. Vincibleness.

Vinculum, viŋkjulɐm, band, verbinding.

Vindicability, vindikəbiliti, subst. van Vindicable, vindikəb’l, rechtvaardigbaar, verdedigbaar; Vindicate, vindikeit, handhaven, verdedigen, rechtvaardigen: I will vindicate my right = mijne rechten verdedigen; Vindication = rechtvaardiging, verdediging: I did it in vindication of my liberty = ter verdediging; Vindicator = verdediger, beschermer; Vindicatory = verdedigend, rechtvaardigend, wrekend, straffend.

Vindictive, vindiktiv, wraakgierig; subst. Vindictiveness.

Vine, vain, wijnstok, wingerd, wijnrank; Vine-clad = met wijngaardranken begroeid; Vine-culture = wijnbouw; Vine-disease = druifluisziekte; Vine-dresser = wijngaardenier; Vine-fretter = druifluis; Vine-grower = eigenaar van een wijnberg; Vine-grub = Vine-fretter; Vine-shoot = wijngaardrank; Vine-yard, vinjəd, wijngaard; Vinery = broeikas voor druiven.

Vinegar, vinəgə, subst. azijn; adj. zuur, Vinegar verb. zuur maken, met azijn wrijven: His temples were vinegared = zijne slapen werden met azijn gewreven; Vinegar-bottle, Vinegar-cruet = azijnfleschje; Vinegar-sauce = zure saus; Vinegar-works = azijnmakerij; Vinegary = zuur, gemelijk.

Vinose, vainous, vainous, wijnachtig: subst. Vinosity; Vinous, vainəs: Vinous flavour = wijnsmaak; Vinous loquacity = spraakzaamheid door den drank; Vintage, vintidž, wijnoogst, wijn van een bepaalden oogst; Vintner, vintnə, wijnhandelaar, wijnhuishouder; Vintry = wijnkelder, wijnhuis.

Viol, vaiəl: Viol-de-gamboys = een vroegere groote viool; Viola, vaiələ, altviool; viooltje.

Viola, vaiələ.

Violable, vaiələb’l, schendbaar; Violate, vaiəleit, schenden, onteeren, verkrachten, ontheiligen, verbreken, ontwijden; Violation, vaiəleiš’n, schending, verkrachting, inbreuk, ontwijding; Violative = schendend, onteerend; Violator, vaiəleitə, schender, verkrachter, verbreker: Violator of repose = rustverstoorder.

Violence, vaiəlens, geweld, hevigheid, geweldadigheid, verkrachting, ontheiliging, inbreuk: It was done by violence = met geweld, gewelddadig; He was done violence to = hem werd geweld aangedaan; To offer violence = verkrachten; He put a violence on himself = deed zichzelf geweld aan, sloeg de hand aan zichzelf; To use personal violence to = (iemand) persoonlijk geweld aandoen; Violent, vaiəlent, adj. geweldig, hevig, driftig, schril, buitengewoon, gewelddadig: To die a violent death.

Violescent, vaiəles’nt, paarsachtig: Violet, vaiəlit, subst. viooltje; adj. paars, violetkleurig.

Violin, vaiəlin, vaiəlin, viool: He played (on) the violin = speelde viool; Violin-bow = strijkstok; Violin-case = vioolkist; Violinist, vaiəlinist = vioolspeler; Violoncellist, vaiəlontšelist, viəlonšelist, violoncellist; Violoncello = violoncel.

Viparious, vaipêriəs, levenwekkend; taai: A cat is viparious = heeft een taai leven.

Viper, vaipə, adder (ook fig.): I have nurtured a viper in my bosom = een adder aan mijn borst gekoesterd; Viper’s bugloss = slangenkruid; Viper’s grass = schorseneer; Viperine, vaipər(a)in, adderachtig, vergiftig, kwaadaardig = Viperous, vaipərɐs.

Virago, v(a)ireigou, manwijf, helleveeg.

Virescent, vaires’nt, groen (wordend).

Virgate, vɐ̂git, roedevormig.

Virgil, vɐ̂džil, Vergilius; Virgilian, vədžilj’n, van V.

Virgin, vɐ̂džin, maagd, kuische man; adj. maagdelijk, rein, onbevlekt, ongerept, ongeploegd: The (Blessed) Virgin = de Maagd Maria, de H. Maagd; Virgin-born = uit eene maagd geboren; Virgin metal = gedegen, zuiver; Virgin’s-bower = boschdruif; Virginal = maagdelijk, rein: (Pair of) virginals = spinet; Virginhood = Virginity.

Virginia, vɐ̂džinjə, Virginia (tabak): Virginia creeper = wilde wingerd; Virginian = (bewoner) van V.

Virginity, vɐ̂džiniti, maagdelijke staat, kuischheid, etc.; Virgo, vɐ̂gou, Maagd (Dierenriem).

Viridness, viridnəs, Viridity, viriditi, groenheid, groen, frisch groene kleur.

Virile, vir(a)il, vairil, mannelijk, manbaar: Virile age; Virility, viriliti, mannelijkheid, manbaarheid.

Virtu, vət(j)û, vɐ̂t(j)u = Vertu.

Virtual, vɐ̂tjuəl, krachtig, werkzaam, wezenlijk: Virtual focus = virtueel brandpunt; Virtual velocity = onderstelde snelheid; Virtuality, vɐ̂tjualiti, vermogen, kracht; That is virtually the same thing = feitelijk of practisch hetzelfde.

Virtue, vɐ̂tju, deugd, kracht, werkzaamheid, wezen, kern, vermogen, reinheid, kuischheid, voortreffelijkheid: He did it in (by) virtue of his office = krachtens zijn ambt; Cardinal virtues, zie Cardinal; Virtueless = zonder deugd of uitwerking, waardeloos.

Virtuosity, vɐ̂t(j)uositi, meesterschap in de kunst; de gezamenlijke virtuozen; Virtuoso, vɐ̂t(j)uousou (Meerv. Virtuosi, vɐ̂t(j)uousai), virtuoos, kenner van oudheden, etc.

Virtuous, vɐ̂tjuəs, deugdzaam, krachtig, deugdelijk; subst. Virtuousness.

Virulence, vir(j)ulens, venijnigheid, kwaadaardigheid, bitterheid; adj. Virulent.

Virus, vairəs, vergif, giftigheid (fig.).

Vis, vis, kracht, macht, energie.

Visage, vizidž, gelaat, gezicht: An honest, strongly marked, scoundrelly, wan, visage; adj. Visaged.