Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 127
Stunt, stɐnt, subst. belemmering (in den groei), iets dat in den groei achterlijk is; Stunt verb. belemmeren, den groei beletten; Stunted = in den groei belemmerd; subst. Stuntedness.
Stupe, stjûp, subst. warme omslag; Stupe verb. zulk een omslag leggen.
Stupefacient, stjûpifeiš’nt, subst. en adj. bedwelmend of verdoovend (middel); Stupefaction, stjûpifakš’n, subst. bedwelming, verdooving, gevoelloosheid, verbluftheid; Stupefactive = verdoovend, Stupefier = verdoovend middel; Stupefy, stjûpifai, bedwelmen, verdooven, gevoelloos maken, verbluffen; Stupendous, stjûpendəs, verbazend groot, kolossaal, machtig; subst. Stupendousness.
Stupid, stjûpid, stom, dom, onzinnig, dwaas; subst. domoor; Stupidity, stjupiditi, domheid, stompheid = Stupidness.
Stupor, stjûpə, gevoelloosheid, stompzinnigheid: Stupor of a limb = het slapen.
Sturdiness, stɐ̂dinəs, subst. v. Sturdy, stɐ̂di, krachtig, stoer, forsch; brutaal: Sturdy beggar.
Sturdy, stɐ̂di, subst. draaiziekte (bij schapen).
Sturgeon, stɐ̂dž’n, steur; adj. Sturionian, stûriounj’n.
Stutter, stɐtə, stamelen, stotteren; ook subst.; Stutterer; He brought it out Stutteringly = kwam er stotterend mee voor den dag.
Sty, stai, subst. varkenshok (ook fig.); stijgje of strontje (op het oog); Sty verb. in een kot opsluiten, leven.
Stygian, stidžən, tot den Styx behoorende, helsch: Stygian darkness = helsche duisternis.
Style, stail, subst. stilus, stift, zuil, sonde; stijl, manier, voornaamheid, titel, naam, tijdrekening; Style verb. betitelen, noemen, aanwijzen: New style = Gregoriaansche tijdrekening; Old style = Juliaansche tijdrekening; That is the style = zoo hoort het, zoo is het naar den aard; He lives in style = voornaam; In bad style = onbetamelijk; In good style = volgens goeden smaak; Stylet = stilet, stijl, tentijzer; Styliform = stijlvormig; Stylish = naar de mode, fijn, chic: A stylish dress = een “chique” japon; subst. Stylishness; Stylist = stylist; Stylite, stailait, styliet, pilaarheilige; Stylograph, stailəgraf, stift, vulpen; Stylography, stailogrəfi, teeken- of graveermethode met de stift; Styloid, stailôid, priemvormig.
Styptic, stiptik, subst. en adj. samentrekkend, (bloed)stelpend (middel).
Styria, stiriə, Stiermarken; Styrian, subst. en adj. (bewoner) van Stiermarken; Styx, stiks.
Su, s(j)û, Suabia(n) = Swabia(n).
Suability, siûəbiliti, vervolgbaarheid; Suable, siûəb’l, vervolgbaar (in civiele zaken).
Suakin, swâkin.
Suave, sweiv, swâv, vriendelijk, minzaam, goedig; subst. Suavity, swaviti.
Sub, sɐb (= Subaltern, Subordinate, Substitute); in samenst.: eenigszins, zoowat, onder, lager dan, sub; Subagent; Subbeadle = onderpedèl; Subcommittee; Subdeacon; Subdean; Sub-distinction; Sub-editor = tweede redacteur; Sub-genus = onderverdeeling; Subgovernor; Sub-lieutenant = 2e luitnt. = Second l.; Sub-order = onderverdeeling; Subprior = onderprior; Subrector = conrector; Sub-species = tweede soort; Sub-title; Sub-treasury = depart. v. financiën van sommige Amer. steden; Sub-tutor = ondermeester; Sub-variety = tweede variëteit; Zie verder de afzonderlijke artikelen.
Subacid, sɐbasid, zuurachtig, bijtend, scherp; ook subst.
Subacrid, sɐbakrid, tamelijk scherp.
Subaerial, sɐbəîriəl, onder de lucht.
Subah, sûbə, provincie (Indië); Subahdar, sûbədâ, sûbədâ, gouverneur eener provincie; inlander met kapiteinsrang.
Subalpine, sɐbalp(a)in, onderaan de Alpen.
Subaltern, sɐb’ltɐ̂n, sɐbôltən, subst. en adj. ondergeschikt (ambtenaar of officier onder den rang van kapitein); Subalternate, sɐbəltɐ̂nit, ondergeschikt, opvolgend, afwisselend.
Subaquatic, sɐbekwatik, Subaqueous, sɐbeikwiəs, onder het water (gevormd, levend).
Subaxillary, sɐbaksiləri, onder den oksel.
Subclavian, sɐbkleivj’n, onder het sleutelbeen.
Subconscious, sɐbkonšəs, half bewust.
Subcostal, sɐbkost’l, onder de ribben.
Subcutaneous, sɐbkjuteiniəs, onderhuidsch: Subcutaneous syringe = injectiespuitje.
Subdivide, sɐbdivaid, onder verdeelen; Subdivisible, sɐbdivizib’l, onderverdeelbaar; Subdivision, sɐbdiviž’n, onderafdeeling.
Subdue, sɐbdjû, onderwerpen, onderdrukken, ten onder brengen, overwinnen, temmen, kastijden, verzachten, omwerken: Subdued humour = ingehouden humor; Subduer = overwinnaar, onderwerper.
Suberic, siuberik: Suberic acid, kurkzuur; Suberose, siûbərous, Suberous, siûbərɐs, kurkachtig, zacht, elastisch.
Subjacent, sɐbdžeis’nt, dieper gelegen.
Subject, sɐbdžəkt, subst. onderdaan, onderwerp, thema, cadaver, patient, medium; adj. onderworpen, blootgesteld, vatbaar, onderhevig, genegen: I approached the subject with great predilection = vatte de taak op; To dwell on a subject = er bij stilstaan; Subject to his approval = afhankelijk van zijne goedkeuring; Subject to fits of anger = opvliegend; Subject to my order = te mijner beschikking; To hold subject to a person = ter beschikking houden; Subject-matter = onderwerp van gedachte of gesprek, stof.
Subject, səbdžekt, onderwerpen, blootstellen; Subjection = onderwerping, afhankelijkheid: To bring to subjection; Subjective = subjectief; Subjectivity, sɐbdžəktiviti, subjectiviteit.
Subjoin, səbdžôin, toevoegen, achteraan voegen: I subjoin the following remarks = voeg hier aan toe; Subjoined = hiernevens.
Subjugate, sɐbdžugeit, onder het juk brengen, gekluisterd houden; subst. Subjugation; Subjugator = onderwerper.
Subjunction, səbdžɐŋkš’n, bijvoeging, toevoeging: In subjunction to = verbonden met; Subjunctive = aanvoegende, onderstellende (wijs).
Sublate, səbleit, wegvoeren, verwijderen.
Sublet, sɐblet, onderverhuren.
Sublimate, sɐblimeit, verb. sublimeeren; veredelen; subst. sɐblimit, sublimaat: Our time tries to sublimate away many dogmas = vele leerstukken, al verfijnend en veredelend, te doen verdwijnen; subst. Sublimation.
Sublime, səblaim, adj. verheven; Sublime verb. sublimeeren, gesublimeerd worden; verheffen, veredelen: The sublime = het verhevene; Sublime Porte = de Verheven Porte; From the sublime to the ridiculous there is but one step; Sublimity, səblimiti, verhevenheid: His Sublimity = titel van den Sultan.
Sublunary, sɐblûnəri, ondermaansch, aardsch.
Submarine, sɐbmərîn, onderzeesch; subst. zeeplant (zeedier); ook Submarine boat.
Submerge, sɐbmɐ̂dž, onderdompelen, onder water zetten, overstroomen: The submerged population = de (in den strijd om ’t bestaan) ondergegane bevolking; Submergence = Submersion, sɐbmâš’n = onderdompeling, overstrooming.
Submission, səbmiš’n, onderwerping, onderdanigheid, schulderkenning, nederigheid; Submissive = onderdanig, onderworpen, nederig; subst. Submissiveness; Submit, səbmit, (zich) onderwerpen of vernederen, voorleggen, aanbieden, beweren: He had to submit to that humiliation = moest zich onderwerpen; I submit this matter to your better judgment = onderwerp; The Governor submitted my name for appointment to the place = gaf mij op ter benoeming; To submit a testimonial = overleggen; He submitted that it was impossible = gaf te kennen, gaf toe.
Submultiple, sɐbmɐltip’l, factor.
Subocular, sɐbokjulə, onder het oog.
Subordinate, sɐbödinit, ondergeschikt, onderhoorig; subst. ondergeschikte, bijzin; Subordinate verb. (sɐbödineit) onderwerpen, ondergeschikt maken; Subordinateness = Subordination = ondergeschiktheid, onderwerping; Breaches of subordination = insubordinatie.
Suborn, sɐbön, omkoopen, tot meineed verleiden: He was hanged unlawfully, the evidence being suborned = aangezien de getuigen omgekocht waren; Subornation = omkooping; gehoorzaamheid: Subornation of perjury = meineed; Suborner.
Subpoena, sɐbpînə, subst. dagvaarding met strafbedreiging bij niet-verschijning = Writ of subpoena; Subpoena verb. dagvaarden.
Subramose, sɐb-reimous, Subramous, sɐbreiməs, met weinig takken.
Subreption, səbrepš’n, verkrijging op slinksche wijze of door misleiding; Subreptitious = op slinksche wijze verkregen.
Subrogation, sɐbrəgeiš’n, in-de-plaats-stelling, onderschuiving.
Subscapular, sɐbskapjulə, onder het schouderblad.
Subscribe, səbskraib, onderteekenen, inwilligen, (zich) abonneeren (for, to): A gold medal had been subscribed for him by the learned society in acknowledgment of this treatise = was hem vereerd geworden ...; I cannot subscribe to this = kan niet onderschrijven; Shall we subscribe to this monthly together? = samen inteekenen op; Subscriber = onderteekenaar, inteekenaar; Subscript = onderteekend; Subscription, səbskripš’n, inteekening, inschrijving, contributie, onderteekening: Subscriptions are invited = inschrijvingen worden ingewacht; Subscription-list = inteekenlijst.
Subsection, sɐbsekš’n, onderafdeeling.
Subsequence, sɐbsikwens, opvolging; Subsequent (to) = later, volgend, opvolgend: She subsequencely stated this = vervolgens.
Subserve, səbsɐ̂v, dienen, bevorderlijk zijn: The bane of criticism frequently is that it subserves interests not its own = dat ze andere belangen dan hare eigene dient; Subservience, Subserviency, səbsɐ̂vj’ns(i), dienstigheid, bevorderlijkheid, nut; Subservient = dienstig, dienstbaar, ondergeschikt: Subservient to your interests = dienstig voor.
Subside, səbsaid, zinken, zakken, bezinken, inzakken; bedaren, ophouden: The children went to bed and so subsided = en kwamen zoo tot rust; He subsided into silence = had niets meer te zeggen; Subsidence, Subsidency, sɐbsidens(i), səbsaidəns(i), zakken, vermindering: The subsidence must be shored up somehow = in de vermindering (verzakking) moet op de eene of andere manier worden voorzien.
Subsidiary, səbsidjəri, hulp..., bijkomend; subst. helper: Subsidiary troops = Subsidiaries = hulptroepen; Subsidize, sɐbsidaiz, subsidieeren; Subsidy, sɐbsidi, subsidie; Subsidies = bijdragen in de oorlogskosten.
Subsist, səbsist, bestaan, leven, bestaan van (on, upon), eigen zijn aan: Man exists, and must subsist on food which should consist of nourishing ingredients = bestaan van ... bestaan uit; Subsistence, Subsistency = bestaan, wezen, onderhoud, middel van onderhoud, inherentie: To have subsistence = bestaan; To gain one’s subsistence = den kost verdienen; Subsistent, bestaande, inherent.
Subsoil, sɐbsôil, ondergrond; Subsoil verb. den ondergrond omploegen; Subsoil-plough = ondergrondsploeg.
Substance, sɐbst’ns, zelfstandigheid, stof, werkelijkheid, hoofdbestanddeel, vermogen: That is in substance what he told me = de korte inhoud: Substantial, səbstanš’l, werkelijk, wezenlijk; stevig, deugdelijk, voedzaam, welgesteld, solied, belangrijk, vrij aanzienlijk (Substancials = hoofdzaken): Many substancial citizens maintained order = aanzienlijke burgers; Substancial house = kapitaal huis; Substancial meal = stevig; Substancially correct = in hoofdzaak juist; Substantiality = het wezenlijke, hoofdzakelijke; deugdelijkheid, voedzaamheid, bemiddeldheid = Substantialness; Substantiate, səbstanšieit, werkelijk maken, bewijzen, bevestigen: He could not substantiate the charge = de beschuldiging niet bewijzen; Substantival, sɐbst’ntaiv’l, sɐbst’ntaiv’l, zelfstandig; Substantive, sɐbst’ntiv, subst. en adj. zelfstandig (naamwoord), onafhankelijk: The several papers have a substantive unity = vormen op zichzelf eene éénheid, vormen een onafhankelijk geheel; A substantive post, rank, work = onafhankelijk, afzonderlijk.
Substitute, sɐbstitjût, subst. plaatsvervanger, surrogaat, remplaçant; Substitute verb. vervangen; Substitution = (plaats)vervanging; adj. Substitutive.
Substratum, səbstreit’m, onderlaag.
Substruction, sɐbstrɐkš’n, Substructure, sɐbstrɐktjə, benedenbouw, fundament.
Subtenant, sɐbten’nt, onderhuurder.
Subterfuge, sàbtəfjûdž, uitvlucht, voorwendsel.
Subterranean, sɐbtəreinj’n, Subterraneous, sɐbtəreiniəs, onderaardsch.
Subtile, sɐ(b)til, fijn, dun, teer, ijl; scherp, sluw, spitsvondig; subst. Subtileness; Subtilization, subst. v. Subtilize, sɐ(b)tilaiz, fijne onderscheidingen maken, verfijnen, verdunnen, haarklooven; Subtilty, sɐ(b)tilti, dunheid, fijnheid, spitsvondigheid, haarklooverij.
Subtle, sɐt’l, slim, listig; Zie Subtile; Subtle-witted = scherpzinnig; subst. Subtleness, Subtlety = fijnheid, slimheid, arglistigheid.
Subtonic, sɐbtonik, stemhebbende medeklinker.
Subtract, səbtrakt, aftrekken, verminderen: That does not subtract from his merit = vermindert niet; Subtracter; Subtraction = aftrekking, vermindering, onttrekking; Subtractive = verminderend, negatief; Subtrahend, sɐbtrəhend, aftrekker.
Suburb, sɐbɐ̂b, voorstad; omtrek (gew. Suburbs); Suburban, səbɐ̂b’n, van de voorstad, plat; subst. bewoner van een voorstad.
Subvene, səbvîn, te hulp komen, bijstaan; Subvention, səbvenš’n, subst. tusschenkomst, rijksbijdrage; Subvention verb. eene (rijks)bijdrage verleenen, steunen.
Subversion, səbvɐ̂š’n, omverwerping; Subversive = omverwerpend: That would be subversive of every rule = zou omvergooien.
Subvert, səbvɐ̂t, omkeeren, het onderstboven keeren, vernietigen, verwoesten; Subvertant, Subverted = omgekeerd (herald.); Subverter = omverwerper; Subvertible = wat omvergeworpen kan worden.
Subway, sɐbwei, onderaardsche (door)gang, tunnel.
Subworker, sɐbwɐ̂kə, sɐbwɐ̂kə, helper.
Succade, səkeid, sukade.
Succedaneous, səksideinjəs, plaatsvervangend; Succedaneum = surrogaat.
Succeed, səksîd, opvolgen, komen na, slagen, verkrijgen, goed afloopen: As darkness succeeds light = zooals de duisternis komt na het licht: Nothing succeeds like success = wie heeft, dien wordt gegeven: He did not succeed in getting the place = slaagde er niet in; He succeeded to the title = volgde op in; That will not succeed with me = gaat niet op bij mij; Nothing succeeds with him = niets gelukt hem; Succeeder.
Success, səkses, gunstige uitslag, voorspoed: Success to trade! = leve de handel; He is a social success = hij is zeer gewild in gezelschapskringen; To meet with bad success = mislukken; Successful = gelukkig, subst. Successfulness; Succession = (erf)opvolging, volging op, volgreeks, nakomelingschap; Law (Right) of succession; War of Succession = successieoorlog; By order of succession = het rijtje langs; In succession = achtereenvolgens; Succession-duty = successierecht(en); Succession-sale = verkoop van eene nalatenschap (Amer.); Successional = achtereenvolgend, opvolgend; Successive = achtereenvolgend: On three successive nights = drie avonden achter elkaar; Successor = opvolger, nazaat.
Succination, sɐksineiš’n, het vasten (schertsend van Succi, den Italiaanschen vaster).
Succinct, sɐksiŋkt, kort, bondig, beknopt; subst. Succinctness.
Succinic, sɐksinik: Succinic acid = barnsteenzuur.
Succory, sɐkəri, suikerij, cichorei.
Succotash, sɐkətaš, gerecht van jonge maïs en boonen (Amer.).
Succour, sɐkə, subst. hulp, bijstand, steun, ontzet(ter); Succours = hulptroepen; Succour verb. te hulp snellen, steunen, ontzetten: He ran to my succour = snelde mij te hulp; Succourer; Succourless = zonder hulp; subst. Succourlessness.
Succulence, Succulency, sɐkjulens(i), sappigheid; adj. Succulent.
Succumb, səkɐm(b), bezwijken.
Succursal, səkɐ̂s’l: Succursal church = hulpkerk.
Succussion, səkɐšən, schok.
Such, sɐtš, zoodanig, zulk, zóó: Such a one = zoo een, zoo iemand; Such and such = die en die, eenige: Mr. such a one = mijnheer zoo-en-zoo; No such thing = niets daarvan; Such is life = zoo gaat het in het leven; Such was her virtue, that = zoo groot was; Such as won’t believe me = zij, die; Take such measures as will be effective = neem uwe maatregelen zoodanig, dat ze; Suchlike = dergelijke.
Suck, sɐk, subst. het zuigen, sterke drank, parasiet, kokinje; Suck verb. inzuigen, zuigen, uitzuigen (ook fig.), bedriegen (Amer.), zich vleiend indringen bij (up to): To give suck = zoogen; To suck at a cigar = zuigen aan; Suck in = inzuigen, opslorpen, beetnemen: It was a suck-in = het was beetnemerij; To suck up = opzuigen; Sucker, subst. zuiger (ook van een plant), zuigleer; Suck verb. zuigers uitsnoeien; Sucket = suikerballetje: Sucking: Sucking-bottle; Sucking-bag = dot; zuigflesch; Sucking-calf; Sucking-pig = speenvarken; Sucking-pump; Sucking-valve; Suckle = zoogen; Suckling = zuigeling; Suction, sɐkš’n, zuigen, zuipen, drank: Sucktion-pipe = zuigpijp, zuigbuis; Sucktion-pump = zuigpomp; Suctorial, sɐktôriəl, zuig - -.
Sudan, sûdân; Sudanese.
Sudatorium, siudətôriəm, zweetbad; Sudatory, siûdətəri, zweetkamertje, zweetbad; adj. zweetafdrijvend.
Sudden, sɐd’n, plotseling, onverwacht, snel, vlug: On a (the) sudden, All of a sudden = plotseling, in eens, onverhoeds; subst. Suddenness.
Sudermania, siûdəmeinjə, Sudermanland;
Sudetic, siudetik: Sudetic Mountains.
Sudor, siûdə, zweet; Sudoriferous, zweetverwekkend; Sudorific, zweetafdrijvend (middel).
Suds, sɐdz, zeepsop: We are in the suds = zitten er leelijk in; To leave in the suds = in den steek laten; To make some soapsuds = wat zeepsop.
Sue, sjû.
Sue, siû, aanzoek doen om of dingen naar (de hand), recht of schadevergoeding zoeken, eischen, in rechten vervolgen, smeeken: The wife sued her husband on the plea of non-support = diende een aanklacht in op grond, dat de man haar niet onderhield of kon onderhouden; He sued us for damages = eischte schadevergoeding van ons; He sued out a pardon for us = verzocht en verkreeg.
Suet, siûət, nierenvet; adj. Suety.
Suez, sûəz: Suez Canal.
Suff, sɐf = Suffragette.
Suffer, sɐfə, lijden, dragen, dulden, uithouden, toestaan, laten, straf ondergaan, boeten: We suffered chains for religion’s sake = we droegen ketenen; To suffer a change = ondergaan; To suffer losses = lijden; To suffer punishment = ondergaan; To suffer a reverse = tegenspoed hebben; To suffer wrong = lijden; You will have to suffer for it = er voor moeten boeten; Don’t suffer yourself to be fooled = laat je niet versukkelen; Sufferable = draagbaar, toelaatbaar; Sufferance = smart, ellende, lijden, dulden, toestemming of verlof: He is here on sufferance = wordt hier geduld; Sufferer = lijder, dulder, die toelaat: You’ll be the sufferer = zult er het slachtoffer van worden; To be a sufferer by = bij iets verliezen, te kort komen; Suffering = het lijden, verlies.
Suffice, səfais, səfaiz, genoeg of voldoende zijn, voldoen: Suffice it to say = het zij voldoende te zeggen; Sufficiency, səfiš’nsi, voldoendheid, genoegzaamheid, voldoende voorraad, voldoende geschiktheid; Sufficient = voldoende, genoegzaam, ruim, geschikt, deugdelijk: Sufficient in law = rechtsgeldig; Sufficient reason = voldoende reden; You have done sufficient to deserve a dinner = genoeg; Sufficient unto the day is the evil thereof = elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad (Matth. VI, 34).
Suffix, sɐfiks, achtervoegsel.
Suffix, səfiks, achtervoegen; subst. Suffixion.
Suffocate, sɐfəkeit, (doen) stikken, smoren: It was suffocatingly hot there = stikkend heet; Suffocation = verstikking: Crammed to suffocation = stikvol; Suffocative = stikkend.
Suffolk, sɐfək.
Suffragan, sɐfrəgan, subst. en adj. suffragaan: Suffragan bishop = onderbisschop, wijbisschop.
Suffrage, sɐfridž, stem; kiesrecht, stemming, goedkeuring: Extension of the suffrage = uitbreiding; Female suffrage; Household suffrage = huismanskiesrecht; Universal suffrage; An advocate of woman (women’s) suffrage = voorstander van het vrouwenkiesrecht; Suffragette, sɐfrədžet, (hartstochtelijke) voorstandster v. het kiesrecht v. vrouwen; Suffrage verb. manifesteeren; Suffragist = voorstander van vrouwenkiesrecht.
Suffuse, səfjûz, overgièten, spreiden over: She was all suffused with blushes = blosjes kleurden hare kaken; Suffusion = verspreiding over, overgièting, blos.
Sugar, šugə, suiker, vleierij, geld; adj. van suiker; Sugar verb. besuikeren, vergulden (fig.): Powdered sugar = poedersuiker; Refined sugar; A glass of sugar and water = suikerwater; Sugar of lead = loodsuiker; I am not made of sugar (-plums) = niet poeslief; We sugared the trees = bestreken de boomen met een mengsel van rum en stroop (om daardoor de nachtvlinders te lokken en te vangen); Sugar-baker = suikerwerker; raffinadeur; Sugar-basin = suikerpot; Sugar-beet = suikerbiet; Sugar-candy = kandijsuiker; Sugar-cane = suikerriet; Sugar-caster = strooier; Sugar-house = suikerraffinaderij; Sugar-loaf = suikerbrood; Sugar-loaf hat = hoed in den vorm van een suikerbrood; Sugar-loaf waves = korte golven; Sugar-louse = Sugar-mite; Sugar-maple = suikerahorn; Sugar-mill = suikerfabriek, suikermolen; Sugar-mite = suikerworm; Sugar-orchard = aanleg van Sugar-maples; Sugar-planter = suikerplanter; Sugar-plantation = suikerplantage; Sugar-plum = suikerboon; vleierij, lievigheid; Sugar-refiner = suikerraffinadeur; Sugar-refinery = suikerraffinaderij; Sugar-spirit = rum; Sugar-tongs = suikertangetje; Sugariness, subst. v. Sugary = zoet, suikerachtig; Sugarless.
Suggest, sədžest, ingeven, aan de hand doen, inblazen, opperen, suggereeren; Suggestion = ingeving, wenk, aansporing, inblazing, suggestie: At this suggestion the man immediately withdrew = toen hij dit hoorde (toen dit geopperd werd); I did it on your suggestion = op uw wenk of raad; Suggestive = opperend, een wenk gevend, wijzend (duidend) op, veelbeteekenend: Yours is a very suggestive present = veelbeteekenend, toepasselijk; To be suggestive of = wijzen op; In a French comedy suggestiveness is expected = kan men gewaagde toespelingen verwachten.
Suicidal, siûisaid’l: Suicidal problem = zelfmat (schaakspel); Suicidal thoughts = gedachten van (aan) zelfmoord; Suicide, siûisaid, zelfmoord (ook fig.), zelfmoordenaar: To suicide oneself (= To commit suicide); To be suicided = zelfmoord laten begaan; Suicidism, siûisaidizm, neiging tot zelfmoord.
Suit, siût, subst. rechtsgeding, verzoek, hofmakerij, aanzoek, stel, kleur (in het kaartspel), pak kleeren, kleeding; Suit verb. passen, voegen, betamen, geschikt zijn, overeenkomen, schikken: Civil suit = civiel proces; Criminal suit = strafzaak; A suit of armour = complete wapenrusting; A suit of mourning = rouwpak; The housemaid gave notice, and the cook followed suit = en de keukenmeid eveneens; I played diamonds, and he could not follow suit = kon niet bekennen; Suit yourself = zooals je wilt; That will exactly suit me, suit me down to the boots (ground) = dat is net wat ik hebben moet; He suited the action to the word = voegde de daad bij het woord; Such a behaviour does not suit you = voegt u niet; Suitability, subst. v. Suitable = gepast, voegzaam, geschikt; subst. Suitableness.
Suite, swît, gevolg, reeks, stel: Suite of furniture = ameublement; A suite of rooms = eene suite.
Suitor, siûtə, verzoeker, vrijer, minnaar, partij in een proces.
Suk(e)y, s(i)ûki, theeketel; ook verk. van Susan.
Sulcate(d), sɐlkit (sɐlkiteitid), gegroefd, gespleten; Sulcus, sɐlkəs, voor, groef.
Sulk, sɐlk, subst. booze luim: Sulk verb. in kwade luim zijn, pruilen: To be in a sulk (the sulks) = uit zijn humeur; He stood out against her sulks and pouts = gaf niet toe aan hare luimen en haar pruilen; Sulkiness, subst. v. Sulky = gemelijk, pruilend.
Sulky, sɐlki, licht tweewielig karretje bij wedrennen: Sulky harrow = eg met zitplaats voor bestuurder.
Sullen, sɐl’n, gemelijk, knorrig, norsch, naargeestig, vijandig, onaangenaam, eigenzinnig, halsstarrig, langzaam, traag, onheilspellend: Sullens = kwade bui; subst. Sullenness.
Sully, sɐli, subst. smet, vlek; Sully verb. besmetten, bemorsen, bezoedelen, bezwalken: That sullies your honour = bezoedelt uwe eer.
Sulphonal, sɐlfən’l, sulfonal.
Sulphur, sɐlfə, zwavel; Sulphur verb. met zwavel verbinden (bestrooien), zwavelen; Sulphur-springs = heete zwavelbronnen; Sulphurate, sɐlfjureit, met zwavel verbinden, zwavelen; subst. Sulphuration, sɐlfjureiš’n; Sulphureous, sɐlfjûriəs, zwavelig, zwavelhoudend; subst. Sulphureousness; Sulphuretted = gezwaveld: Sulphuretted-hydrogen = zwavelwaterstof; Sulphuric, sɐlfjûrik, zwavel...: Sulphuric acid = zwavelzuur; Sulphurization, subst. v. Sulphurize, zwavelen, vulcanizeeren.
Sultan, sɐlt’n, Sultan; Sultana, sɐltânə, sɐlteinə, sultane; Sultanate, sɐltənit, sultanaat; Sultaness = Sultana; Sultanic, sɐltanik, van een sultan; Sultanship.
Sultriness, sɐltrinəs, subst. v. Sultry, sɐltri, drukkend, zwoel.