Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 149
Whip, wip, subst. zweep, geesel, koetsier, wipper (talie), lijn, wiek van een molen; overhandsche naad, soort stroomsluiter (electr.), schuim, pikeur, agenda door den Whip (= Whipper-in) gezonden; Whip verb. snel bewegen, snellen, wippen, springen, het snoer uitwerpen, hengelen in, afvisschen, overhands naaien, wikkelen, gappen, knuppelen, takelen, geeselen (ook fig.), zweepen, tot schuim slaan of kloppen: He is a passable whip = vrij goed voerman; He rode to it whip and spur = spoorslags; Crack (Smack) went the whips = de zweepen klapten; To crack (smack) a whip = doen knallen; To whip a custard = vlade klaarmaken, kloppen; Do you want me to help you to whip the devil round the stump? = dat ik u zou helpen knoeien en bedriegen; We have whipped this part of the stream = afgevischt; It was whipped about (around) with brown paper = gewikkeld in; He whipped it from us = gapte het van ons; He whipped his head into the window = stak plotseling zijn hoofd naar binnen; The tooth was whipped out in less than no time = werd er uitgewipt; They whipped up the cherries = gapten weg; Whipped cream = slagroom; Whipped eggs = tot schuim geklopt eiwit; Whip-cord = zweepkoord, snaar; Whip-hand = rechterhand, voordeel, meerderheid: He did not frequently venture to take the whip-hand of her = haar den boel uit de hand te nemen; As you have the whip-hand of me, you may be as humorous as you please = daar je me in je macht hebt; Whip-handle: To have (keep) the whip-handle = het heft in handen hebben (houden); Whip-lash = het slag v. eene zweep; Whip-saw = trekzaag; Whip-staff = helmhout; Whip-stitch = overhands naaien, innaaien, ondiep ploegen; subst. overhandsche steek; Whip-stock = zweepstok; Whipper (Whipster) = geeselaar, zweeper, werkman, die de wipper bedient; Whip-in = pikeur, leider der honden bij een vossenjacht; invloedrijk parlementslid, dat o.a. zorgt dat zijne partij bij eene belangrijke stemming tegenwoordig is en aan wien in ’t algemeen de partijdiscipline is toevertrouwd; Whip-snapper = kereltje, nietig ventje; Whipping: Whip-post = geeselpaal; Whip-top = drijftol.
Whipple-tree, wip’ltrî = Whiffle-tree.
Whip-poor-will, wipûwil, soort geitenmelker.
Whir, wɐ̂, subst. gesnor, gegons (v. opvliegende vogels); Whir verb. snorren, gonzend of ruischend opvliegen; interj. rrrr!
Whirl, wɐ̂l, subst. warreling, draaikolk, snorren, kronkeling, krans; Whirl verb. snel ronddraaien, in snellen draai medevoeren, dwarrelen, snorren: They were whirled away = snorden weg; We were quickly whirled back to D. = snorden terug; Whirlpool = maalstroom, draaikolk; Whirlwind = wervelwind: She was in a whirlwind of passion = werd voortgesleurd door haren hartstocht; Whirlwindish activity = onstuimige; Whirler = wie of wat ronddraait; Whirligig, wɐ̂ligig, draaitol, warreling, draaimolen, draaikever: The whirl of time = het snelle vlieden van den tijd; Whirl-ventilator = ventilatierad.
Whish, wiš, sissen, suizen, suizend voortsnellen; interj. Sst.
Whisk, wisk, subst. boschje gras (stroo of haar), kleine borstel of bezem, eierklopper, veeg, slag (van een zweepkoord), windstoot; Whisk verb. snel vegen of borstelen, kloppen, rondsnorren, zich snel bewegen: To whisk along = voortsnellen; To whisk away = wegvegen, snel afdoen, snel wegnemen, wegwippen; To whisk down = snel afrukken; To whisk off = snel wegvegen, afrukken; He whisked with his pocket-handkerchief at a fly = sloeg met.
Whisker(s), wiskə(z), bakkebaard(en), snor (van katten, enz.); Whiskered = met bakkebaarden.
Whisket, wiskət, mand, korf; kleine draaibank.
Whisk(e)y, wiski, korenbrandewijn of whisky; sjees voor één paard.
Whisp, wisp. Zie Wisp.
Whisper, wispə, subst. gefluister, geruisch, wenk; Whisper verb. fluisteren, ruischen, suizen, influisteren: To give the whisper = een wenk (tip) geven (sport.); In a whisper = fluisterend; In a pig’s whisper, Zie Pig; The elder boy whispered the girl = fluisterde het meisje iets in; He whispered it in my ear = fluisterde het mij in ’t oor; Whisperer = fluisteraar, oorblazer; Whispering: Whispering-gallery (Whispering-dome) = fluistergaanderij of -gewelf.
Whist, wist, subst. zeker kaartspel; interj. St! Stil: Hold your whist, Sir! = je mond; Whist-drive = whistpartij (vaak om prijzen).
Whistle, wis’l, subst. gefluit, fluitje, keel; Whistle verb. fluiten, gieren, schel geluid voortbrengen: It is not worth the whistle = niet noemenswaard; Not to care a penny whistle for = geen lor geven om; You pay (too) dear for your whistle = betaalt uwe liefhebberijen duur; I’ll wet my whistle first = ik moet eerst mijn keel eens smeren; He can whistle back the parrot’s call = precies nadoen; She whistled her lover down the wind = wou niet meer van hem weten; With this experience everything he had ever cared for was whistled down the wind = voor goed voorbij, verdwenen; You may whistle for it = ge kunt ernaar fluiten; He has been whistling for a wind = hij heeft door fluiten eene bries trachten te krijgen (matrozenbijgeloof); The train was whistled off = op het fluitje werd het sein tot vertrek gegeven; Whistler = fluiter, aamborstig paard; houder van een geheimen drankwinkel = Whistling-shop.
Whit, wit, zier, jota, weinigje: Not a whit = in geenen deele; Every whit = in elk opzicht.
Whitaker, witəkə.
White, wait, subst. het wit, witte kleur, blanke, mikpunt, eiwit, oogwit; adj. wit, rein, lief, zuiver, blank, vlekkeloos; White verb. pleisteren: She was dressed in white = in het wit; To hit the white = in de roos schieten; He showed the whites of his eyes = het wit; If eggs are boiled too lightly the white does not set = stolt het eiwit niet; Whites = fijn tarwemeel, witte goederen; witte vloed; White ant = termiet; White bear = ijsbeer; White clover = witte klaver; White corn (crop) = tarwe, rogge, gerst of haver; It was a white day for you (a day to be marked with a white stone) = geluksdag voor u; He showed the white feather = hij gaf blijk van lafhartigheid; White Friars = Karmelieten; White frost = rijm; White gold = platina; White goods = witte goederen; At a white heat = witgloeiend (ook fig.); White herring = groene haring, pekelharing; White iron = ruw ijzer, blik; Whiteland = leembodem; It was the whitest of white lies = het onschuldigste van alle noodleugentjes; White money = zilvergeld; White nights = slapelooze; White rent = belasting van acht stuiver (aan den Hertog van Cornwall) in Devon en Cornwall; belasting in zilver; White rope = ongeteerd touw; White sale = verkoop v. White goods; White Sea; You are as white as a sheet = als een doek; To get (turn) white = bleek worden; Whited sepulchres = gepleisterde graven; Whitebait = witvisch; White beam = witte lijsterbes; White-beard = oude man; White-blaze = bles; Whiteboy = lid van een geheim genootschap tegen de landheeren (Ierland 1761); White-ear = tapuit, witstaart; White-face = bles (paard); Whitefish = houting, adelvisch; White-foot = (paard met) witte plek (op den poot); White-handed = met blanke, reine (onbezoedelde) handen; White-headed = met grijze haren; White-lead = loodwit; White-limed = gewit; White-livered = lafhartig; White-meat = melkspijzen; wit vleesch; White-paint = loodwitverf; White-pot = pudding van melk, brood, eieren, suiker, enz.; White-smith = tinsmid; White-stocking = groote witte vlek op den poot v. een paard; Whitetail = White-ear; White-thorn = hagedoorn, meidoorn; White-throat = grasmusch; Whitewash, subst. witkalk, witsel; Whitewash verb. witten, reinigen, den goeden naam teruggeven, homologeeren: To give a room a whitewash; To whitewash a man’s misconducts = misdragingen vergoelijken; Whitewasher = witter; Whitewood = boomen met wit hout; Whiten = wit maken, bleeken, bleek of wit worden; Whitener = bleeker, bleekwater; Whiteness = witheid, bleekheid, reinheid, onschuld.
Whitechapel, wait-tšap’l; Whitefield, waitfîld; Whitehall, waithôl.
Whitey, waiti, witachtig.
Whither, widher, werwaarts, waarheen: Whithersoever he goes = waarheen hij ook gaat.
Whiting, waitiŋ, fijngemalen kalk, witkalk; wijting (soort v. visch).
Whitleather, witledhə, wit leder.
Whitlow, witlou, fijt; klauwzeer (schapen).
Whitmonday, witm’ndei, witmɐndi, Pinkstermaandag; Whitsunday, wits’ndei, witsɐndi, Pinksterzondag; Whittuesday = Pinkster drie; Whitsun, wits’n = pinkster - -, Pinksteren; Whitsuntide, wits’ntaid, (de drie) Pinkster(dagen); Whitsunweek = Pinksterweek.
Whittle, wit’l, subst. mes; wollen mantel; Whittle verb. snijden, scherp maken, bestrijden, besnoeien, verkorten: The radicals want to whittle down Parliament till nothing remains but the House of Commons = het Parlement te besnoeien.
Whiz, wiz, subst. snorrend of gonzend geluid; Whiz verb. snorren (van kogel of pijl): Whizzing temples = bonzende (kloppende) slapen.
Who, hû, wie, die: “She is Miss le Marchant.” Miss le Who? = juffrouw le “wàt”? Who goes there? = werda! Whoever = alwie = Whosoever.
Whoa, wou(ə) ho! (tegen paarden).
Whole, houl, subst. het geheel; adj. geheel, gezond, ongeschonden: (Up)on the whole = alles wel beschouwd, over het geheel; Take the whole of it = neem alles maar; Whole and sound = frisch en gezond; My whole duty = volle, volledige; Whole milk = volle melk; The whole town = de geheele stad; The whole truth = de volle waarheid; To make whole = repareeren; Whole-blood = afstammend in rechte lijn; Whole-hogger = iemand, die niet van halve maatregelen houdt; Whole-hoofed = éénhoevig; Whole-length = van het eene einde naar het andere in de volle lengte: Whole-length picture = ten voeten uit; Whole-note = heele noot; Wholeness = ongeschondenheid; Wholesale = groothandel, engros zaak: By wholesale = engros; zonder onderscheid, in ’t algemeen; adj. in ’t groot handelend, goedkoop, zonder onderscheid te maken; Wholesale business = engros zaak; Wholesale cost (price), Wholesale merchant; Wines wholesale and retail = in ’t groot en klein; They were killed wholesale = bij massa’s; To sell wholesale; Wholesaler; Wholesome = gezond, heilzaam: Wholesome morals = gezonde zedelijkheid of zeden; Wholesome teeth = gave tanden; subst. Wholesomeness = gezondheid, heilzaamheid; Wholly, houli, geheel en al, volkomen.
Whom, hûm, wien, dien, dat: Whomsoever = wien ook.
Whoop, hûp, luid schreeuwen, naschreeuwen, uitjouwen; subst. geschreeuw, gekras; interj. hu! Whoop of battle = krijgsgeschreeuw; Whooping-cough, hûpiŋkof, kinkhoest.
Whoot, hût; Zie Hoot.
Whop, wop, slaan, ranselen; subst. slag; Whopper = iets kolossaals, groote leugen: That’s a whopper = dat is een leugen alsof het gedrukt was; Whopping, subst. pak ransel; adj. kolossaal: A whopping lie.
Whore, hö, hoer; Whore verb. hoereeren, afgoderij bedrijven; Whore-master = Whore-monger = hoereerder; Whoredom = hoerdom, afgoderij; adj. Whorish: subst. Whoreness.
Whorl, wɐ̂l, haspel, winding van eene schelp: Whorled = gedraaid of gekronkeld.
Whortle, wɐ̂t’l, blauwe boschbes = Whortleberry.
Whose, hûz, wiens, welker, welks, wier; Whosesoever = van wien ook; Whoso = al wie = Whosoever.
Whur, wɐ̂, subst. gonzend of snorrend geluid, draai, haast; Whur verb. gonzen, snorren, knorren, de letter r ratelend uitspreken.
Why, wai, subst. het waarom; adv. waartoe, waarom? interj. wel! That is why = deswege; I wish to know the why and the wherefore = het waarom en waartoe; It’s not yours to reason why = de reden te vragen; Whyso = waarom? Why, I never saw such a fool = wel, wel! ik heb nooit zoo’n dwaas gezien; Why, there is enough left = daar is toch genoeg over, niet waar?
Whydah, widə.
Wick, wik, pit (v. lamp of kaars); bocht, baai: To turn up the wick; Wick-yarn = lampenkatoen; Wicking = los katoen voor het maken van Wicks.
Wicked, wikid, slecht, zondig, goddeloos, onzedelijk, ondeugend, snaaksch; subst. Wickedness.
Wicken(-tree), wik’n(trî), gewone lijsterbes.
Wicker, wikə, subst. rijs, teen, wilgentakje, mandewerk; adj. van teenen of twijgjes (= Wickered); Wicker-basket = teenenmand; Wicker-bottle = mandflesch; Wicker-chair = rieten stoel; Wicker-cradle = mandewieg; Wickerwork.
Wicket, wikət, deurtje, poortje, kijkgat, schuif, de drie in den grond geslagen paaltjes met een dwarspaaltje er op (v. cricket); Wicket-keeper.
Wiclif(fe), wiklif.
Wide, waid, breed, wijd, ruim, uitgestrekt, veelomvattend, ver van (met of): A wide answer = verkeerd; His glory resounded far and wide = heinde en ver; Your answer is (not) wide of the mark = geheel en al mis (niet zoo ver mis); Wide of the truth = geheel bezijden; The door is wide open; Wide-awake, subst. slappe, lage vilten hoed met breeden rand; rand; adj. goed of klaar wakker, bij-de-hand, klaar, gevat; Wide-quoted = waarvan de noteeringen sterk uiteenloopen; Wide-skirted = met breede randen, uitgestrekt; Wide-spread = heinde en ver verspreid; The agreement was very widely drawn = omvatte, zoo te zeggen, alles; To differ widely = hemelsbreed verschillen; Widen = verwijden, verbreeden, wijder worden; Wideness = grootte, uitgestrektheid.
Widgeon, widž’n, smient, fluiteend.
Widow, widou, subst. weduwe; Widow verb. tot weduwe maken, berooven: Being a widow, she had no bridesmaids; her train was held up by a boy; Widow’s bounty = (officiers)weduwpensioen; Widow’s cap = mutsje door weduwen gedragen; Widow’s weeds = weduwenrouw; Widow-hunter = wie op een rijke weduwe uit is; A widow-lady (widow-woman); Widow-wail = cnoorum tricoccum; Widowed = beroofd, verlaten, eenzaam: He was widowed of his power = beroofd of verstoken; Widower = weduwnaar; Widow(er)hood = weduw(naar)staat.
Width, width, wijdte, uitgestrektheid; Widthwise = in de breedte.
Wield, wîld, hanteeren, zwaaien: To wield authority = uitoefenen; He wielded the sceptre = zwaaide den scepter; It is impossible to wield such a sword = te hanteeren; Wieldable = hanteerbaar; Wieldless = niet te hanteeren.
Wife, waif, (getrouwde) vrouw, huisvrouw, gade: The wife = vrouwlief; To give (To take) to wife; Wife-beater = vrouwenbeul; Wifehood = staat eener getr. vrouw; Wifeless = zonder vrouw, ongetrouwd; Wifelike = eene vrouw betamend, vrouwelijk; Wifie = vrouwtje.
Wig, wig, pruik; Wig verb. een uitbrander geven: Big wig = groote hans; Wig-bag = haarzak; Wig-block = pruikebol; Wig-maker; Wigged = met eene pruik.
Wigan, wig’n: Here is to the mayor of Wigan, i.e. to ourselves = wij ledigen dit glas op onszelf.
Wigeon = Widgeon.
Wigging, wigiŋ, uitbrander, standje: I gave him a good wigging.
Wiggle, wig’l. Zie Wriggle.
Wight, wait, subst. persoon, wezen; adj. vlug, dapper.
Wigwam, wigwam, wigwôm, wigwom, Indiaansche hut.
Wild, waild, subst. wildernis; adj. wild, woest, verwilderd, onbebouwd, onstuimig, onredelijk, loszinnig, roekeloos, buitensporig, onordelijk, fel op, ver mis: To drive wild = woest maken; She got wild = werd “woest”, boos; To go wild over = dwepen met; To feel wild = woest zijn (fig.); Our flowers have run wild = zijn verwilderd, wild opgeschoten; To talk wild = overdrijven; Wild beast; Wild boar = everzwijn; Wild look; Wild project = dol, avontuurlijk; Wild mare = nachtmerrie; wip: They were riding the wild mare = aan het wippen; Wild oats (Zie Oats); The wildest rubbish = de grootste onzin; Wild-born = in wilden staat geboren; Wildcat = wilde kat; Wildcat bank = zwendelfirma; Wildcat speculation = onsoliede, dolle speculatie; Wildcat train = trein buiten de dienstregeling; Wildcatter = iemand die grondboringen doet in de hoop petroleum te vinden (Amer.); Wild-fire = Grieksch vuur, weerlicht, roos (ziekte): The report spread like wild-fire = als een vuurtje; Wild-fowl = wild gevogelte (vooral watervogels); Wild-fowling = het jagen op Wild-fowls; Wild-goose, subst. wilde gans; adj. dolzinnig, dwaas: A wild-goose chase = dwaze onderneming, dol plan; Wilderness, wildənəs, wildernis, woestenij; Wilding, subst. in ’t wild groeiende plant, of vrucht daarvan; adj. in ’t wild groeiend; Wildness = wildheid.
Wilde, waild.
Wile, wail, slimme streek of zet, list.
Wilful, wilful, opzettelijk, moedwillig, eigenzinnig, halsstarrig; subst. Wilfulness.
Wilhelmina, wilhelmînə.
Wiliness, wailinəs, subst. v. Wily.
Wilk, wilk = Whelk.
Wilkes, wilks.
Will, wil, subst. wil, wilskracht, willekeur, verlangen, testament; Will verb. zullen, willen, plegen, wenschen, begeeren, bevelen, vermaken: You may change it at will = naar welgevallen; To have all things at will = alles naar wensch hebben; He holds his power at the people’s will = ontleent zijne macht aan den wil des volks; Of your own free will = geheel vrijwillig; He fell (set) to work with a will = met lust en ijver; With good will = met goeden wil; She would have her will = haar zin; He had a will of his own = was eigenzinnig; To make one’s will = zijn laatsten wil (testament) maken; To work one’s will = zijn wil doorzetten; Goodwill = welwillendheid, klandizie: Goodwill to man = in menschen een welbehagen; He bears me a good (an ill) will = is mij welgezind (draagt mij een kwaad hart toe; Zie ook Way); He will get angry = is wel eens boos, wordt gauw boos; Boys will be boys = jongens zijn jongens; He will have me dine with him to-morrow = hij wil mij morgen te eten hebben; Will he nill he = of hij wil of niet, willens of onwillens; The Lord wills me to go = de Heer wil, dat ik ga; His cousin wills the estate to his sister = vermaakt; You are free to will your property away to anybody = vrij uwe bezittingen aan wien ge wilt te vermaken; Will-power = wilskracht; You are a self-willed character = eigenzinnig, koppig. Zie Willing.
Will, wil, verk. van William, wilj’m; Willie Winkle = Klaas Vaak.
Willing, wiliŋ: I am willing = ik ben bereid, wil wel; God willing = indien God het wil; Willing or not willing = Willing or unwilling = hij mag willen of niet; Willingness = gewilligheid, genegenheid.
Will-o’-the-wisp, wilədhəwisp, dwaallichtje.
Willoughby, wiləbi.
Willow, wilou, wilg, wilgentak(-hout), bat: He (she) is wearing the willow = treurt of rouwt over een verloren lief; To wield the willow = cricketen; Willow-garland = wilgenkrans; Willow-tree = wilgenboom; Willow-warbler = Willow-wren = fitis, hofzanger; Willowed = vol wilgen, met wilgen beplant; Willowy = vol wilgen, als wilgen, als eene wilg.
Willy-nilly = of hij wil of niet, weifelend, onbetrouwbaar.
Willy, wili, Wim.
Wilt, wilt, verwelken, slap worden, ontzenuwen.
Wilton, wilt’n: Wilton carpet, soort. v. pluche of velours tapijt; Wiltshire, wiltšə.
Wily, waili, sluw, slim.
Wimble, wimb’l, subst. drilboor; Wimble verb. boren, drillen.
Wimbrel, wimbr’l. Zie Whimbrel.
Wimple, wimp’l, subst. kap waarmede de priesters worden bekleed bij de aflegging der geloften; zwarte kap der nonnen; Wimple verb. met een kap bedekken, omsluieren, rimpelen, kronkelen: The wimpling waves = gerimpelde golven.
Win, win, subst. overwinning, gewonnen partij, succes; Win verb. winnen, verkrijgen, behalen, overwinnen, zegevieren, bewegen, overreden: Win her and wear her = win haar en koester haar; Who wins loses = qui perd gagne; He could not win the ear of the audience = zijn gehoor niet boeien; To win one’s way = (langzaam) vorderingen maken; He has won me over = mij overgehaald; We have won through this dreary time by the help of illusions = zijn dezen naren tijd te boven gekomen; That has won upon the hearts of the people = het hart der menschen ingepakt; We have won upon the enemy = een voordeel behaald op; He so won upon me that .... = kreeg me zoover; Winner = winner; Winning = bekoorlijk, innemend (Wins = winst): To have a winning way with a person = zich bemind maken bij; Winning-post = eindpaal (bij wedrennen).
Wince, wins, terugdeinzen (at), ineenkrimpen, uitvluchten zoeken: He winced from the very thought of death = ijsde bij; He winced under the blow = kromp ineen; Without wincing = zonder een spier te vertrekken.
Winch, winš, subst. haspel, lier; Winch verb. ophijschen met een lier.
Winchelsea, wintšəlsî; Winchester, wintšəstə: Winchester rifle = soort geweer.
Wind, wind, wind, tocht, lucht(druk), adem, opgeblazenheid, blaasinstrument; Wind verb. luchten, laten doorwaaien, achter adem brengen, afjakkeren, op adem laten komen: Wood-winds = houten blaasinstrumenten; The delicacy of the wind in the prelude = het fijn opgevatte gedeelte voor de blaasinstrumenten; Winds and strings = blaasen strijkinstrumenten; The four winds = streken van het kompas; Short wind = korte adem; Sound of wind and limb = gezond van lijf en leden; Before the wind = vóór; Close to the wind = scherp bij den wind; Down the wind = vóór, met den wind mee; Everything here is going down the wind = alles gaat te niet, naar de maan; We were steaming in the teeth of the wind (= in the wind’s eye) = vlak in den wind; There is something in the wind = aan de hand, er broeit wat; To have a thing in the wind = lucht van iets hebben; He was three sheets in the wind = aangeschoten; Near the wind = scherp bij: To sail near the wind = iets zeggen, dat “bij ’t kantje af” is; You must go as near the wind as you possibly can = het zoo zuinig mogelijk aanleggen; To preach to the winds = te vergeefs; To throw to the winds = zich niet bekommeren om; He sails with the wind = hij waait met alle winden; With the wind aft, ahead = met den wind van achteren, van voren in; I wish to ascertain how the wind blows = uit welken hoek de wind waait; Sits the wind in that corner? = waait de wind uit dien hoek; To break wind = een boer laten; The horse carries (the) wind = draagt zijn kop (neus) hoog; To change the wind = van koers veranderen; He got his second wind = kwam op adem; I got wind of it = kreeg er lucht van; The affair got wind = de zaak werd ruchtbaar; I have (take) the wind of you = ik ben je de baas; To raise the wind = geld los krijgen; I will take the wind out of his sails = de loef afsteken; (The part of a ship) between wind and water = het deel dat door het rollen van het vaartuig of den golfslag dikwijls boven het water uit komt; gevaarlijke plaats; wind and weather permitting = wind en weder dienende; Trade winds (= Trades) = passaatwinden; Windbag = windzak, bluffer, praatjesmaker; Windbag sleeves = pofmouwen; Windbound = door tegenwind opgehouden; Wind-break = heining of hek om den wind te breken; Wind-broken = dampig (= Broken-winded); Wind-dropsy = trommelzucht (Med.); Wind-egg = windei; Windfall = wat door den wind af- of neergewaaid is, meevallertje, buitenkansje; Windfallen = door den wind afgewaaid; Wind-flower = gentiaan, paarsche anemoon; Wind-furnace = windoven; Wind-gall = gezwel onder aan de pooten van een paard; Wind-gauge = windmeter; Wind-gun = windroer; Wind-guard = vóórruit (van auto); Wind-hatch = mijnschacht waaruit het erts naar boven wordt gebracht; Wind-instrument = blaas- of windinstrument; Windmill = windmolen: You are tilting at windmills = vecht tegen windmolens; Windpipe = luchtpijp; Wind-rode = door den wind tegen den stroom in gedraaid (van een geankerd schip); Wind-row = zwad gras of een hoop turf (om te drogen); Wind-row verb. in regels leggen; Wind-sail = koelzeil (als ventilator beneden in het schip); Wind-side = windzijde; Wind-tight = ondoordringbaar voor den wind; Windage = luchtdruk, zuiging, speelruimte (kanon), invloed van den wind op de afwijking van een kogel; Winded: achter adem; vooral gebruikt in samenst.: Long-winded = van langen adem; Short-winded = kortademig; Windless = zonder wind of adem, glad, vlak; Windward, subst. loefzijde; adj. naar den wind: To windward = te loever; I have laid my anchor to the windward = heb tijdig mijne maatregelen genomen; I have got (to) the windward of him = hem de loef afgestoken; Windiness, subst. v. Windy = winderig, wind... (Wind side), opgeblazen.