Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 110
Run, rɐn, subst. loop, geloop, toeloop, verloop, aanloop, stormloop, uitstapje, vrije toegang, aard, slag, oppositie, vooroordeel, groote navraag, onafgebroken reeks opvoeringen, weideplaats, afgelegde afstand, beek, punt (bij het cricket) etc.; adj. gesmokkeld, gesmolten (Run-butter); Run verb. loopen, snellen, hardloopen, vluchten, varen, voortdrijven, circuleeren, in trek (mode) zijn, gelden, geldig zijn, vloeien, stroomen, tranen, etteren, smokkelen, verloopen, etc.: By the run = plotseling; In the long run = op den duur; With a run = plotseling, overhaast; There is a violent run against it = groote oppositie; There is a run on the bank = de bank wordt bestormd door aanvragen tot terugbetaling; There is rather a run on wax dolls = vrijwat vraag naar; She had a great run in America = veel toeloop, succes; The piece had a great run = had een kolossaal succes; The play had a run of fifty nights = werd 50 maal achtereen opgevoerd; He has had the full run of himself = is geheel uitgeraasd; I had a good run for my money = heb een mooie kans gehad bij de wedrennen; heb hard moeten loopen om mijn geld te krijgen; The smugglers are to have a run to-night = zullen van avond de goederen zien binnen te smokkelen; I had a run of (ill) luck = ’t liep me alles mee (tegen); The general run of legs was crooked = de menschen hadden haast allen kromme beenen; The general run of mankind = het meerendeel der menschen; A pound a week and the run of his teeth = en de kost voor ’t eten; This place is not one of their runs = deze plaats is niet eene van die, welke zij bereizen of bezoeken; He that runs may read = de oppervlakkigste lezer kan dit begrijpen; The story runs = het verhaal gaat; We run this building as a holiday-home = exploiteeren; I will run the chance for your sake = zal het wagen; I have run this coach from my 18th year = gereden; He had to run the ga(u)ntlet of London society = moest zich aan de critiek der Londensche samenleving blootstellen; The most difficult part was to run the goods = de goederen binnen te smokkelen; Let run the rope = laat schieten; The company will run an extra train on Monday = zal laten loopen; To run aground = aan den grond loopen, vastraken; To run close(ly), To run hard = nabijkomen, op de hielen zitten; He was run hard = erg geplaagd, lastig gevallen; You run that expression very hard = maakt misbruik, wel wat veel gebruik van; I will run you home for a pound = om een pond met je loopen wie ’t eerst thuis is; Our commodities are running low = raken op; To run mad = dol worden; His power of sarcasm was allowed to run riot = hij liet den vrijen teugel aan; We ran short of ammunition = onze ammunitie raakte op; To run about = rondloopen, dwalen; To run after = naloopen; Run-after = gezocht; They ran at their enemies = vielen aan; Many mills ran away in the sudden squalls = vele molens liepen door de vang; The horses ran away = gingen op den loop; He ran on before = liep vooruit; He runs before his master = overtreft; The ship was run down by the steamer = werd in den grond geloopen; The ship ran down the coast = voer langs de kust; The dog ran the hare down = haalde in en pakte; Run-down = afgeloopen, uitgeput; They ran for their lives = zochten hun heil in de vlucht, liepen zoo hard zij konden; They ran from one extreme to the other = sloegen van het eene uiterste in het andere over; The thief was run in = werd ingerekend; Heroism runs in their blood = zit hun in ’t bloed; These things run in families; He ran into me = liep (reed) mij tegen het lijf; He ran into debt = hij maakte schulden; The steamer was run into by an ironclad = werd aangevaren; He was running on badly = sloeg erg door; The conversation ran on the topics of the day = liep over; My mind kept running on that subject = ik kon niet van mij afzetten; He has run out his estate = heeft zijne bezittingen verkwist; I am (have) run out of money = ik ben platzak = My money is (has) run out; Our provisions ran out = raakten op; Now you can run out easily = gemakkelijk uitspelen (bilj.); The poor fellow was run over by the express = werd overreden; He ran over all accounts = ging na; He tried to run round the agreement = te ontduiken; He wanted to run me through the body = mij te doorstèken; He ran through 10,000 pounds = hij lapte er door; My knowledge does not run to that = gaat zoo ver niet; It does not run to footmen with me = zoo ver heb ik het niet gebracht, dat ik er lakeien op na kan houden; The piece was run to its 100th representation = beleefde; The bill ran up till it amounted to 50 pounds = liep op; We shall run up an editorial office for you = een redacteursvertrek voor u gereedmaken, laten zetten; The price of the bread was run up = steeg; To run up against = aanloopen, aanrijden tegen; It ran upon this wise = luidde aldus; Run-away, rɐnəwei, subst. vluchteling; adj. wegloopend: A run-away horse = dat op hol is; That was a run-away knock = dat was een “deurtjebel”; A run-away match = schaking; A run-as-you-please contest = een wedloop waarbij de deelnemers mogen loopen zooals ze willen; Runway = stroombedding, pad, baan, spoor van een dier; Runner = looper, bode, hardlooper, blokkadebreker, smokkelaar, detective, bespieder (van paarden bij wedrennen), bovenste molensteen, onderhout (of kiel) van eene slede; agent voor landverhuizers, handelsagent (Amer.); Runner-up = tweede prijs winnaar; Running: He is in the running for that post = heeft kans; He was out of the running when compared with his opponent = zijn tegenstander knikkerde hem royaal van de baan; Death put him out of the running = belette hem verder mee te doen; Five times running = vijfmaal achtereen; Running account = rekening courant; Running fight = gevecht bij een terugtocht; Running fire = aanhoudend kanon- of geweervuur; Running hand = loopend schrift; Running-gear = wielen, assen, etc. van een voertuig; Running-knot = schuifknoop; Running power = ’t recht om treinen te laten loopen op de lijnen van eene andere maatschappij; Running rigging = loopend want; Running-round = fijt (Amer.); Running title = loopende-, hoofdtitel.
Runagate, rɐnəgeit, afvallige, vluchteling.
Rundle, rɐnd’l, sport.
Rune, rûn, runenpoezie.
Rung, rɐŋ, imperf. en p. perf. van to ring.
Rung, rɐŋ, sport, planken vloer (schip): On the lowest rung of the ladder (fig.).
Runic, rûnik: Runic letters; Runic knot = runenknoop.
Runlet, rɐnlət, klein stroompje (ook: Runnel); vaatje (18 à 18½ gallons = ± 81,784 L.).
Runnet, rɐnet. Zie Rennet.
Runnymede, rɐnimîd, weide op den zuidelijken oever van de Theems, waar John Lackland (1215) de Magna Charta verleende: He had to go to Runnymede = hij moest zoete broodjes bakken.
Runt, rɐnt, dwergdier, dwerg, duivensoort.
Rupee, rupî, O.-I. munt, vroeger = ƒ 1,20, thans ± ƒ 0,70; He was shaking the rupee tree = hij verdiende geld als water.
Rupert, rûpət, Rubrecht: (Prince) Rupert’s drop = glastranen.
Rupture, rɐptšə, subst. breuk, scheuring; Rupture verb. barsten, breken, een breuk krijgen.
Rural, rûr’l, landelijk, boersch: Rural dean = deken, die het toezicht heeft op the clergy and laity van een district; Ruralize = op het land wonen, een landelijk aanzien geven; Ruralness = landelijkheid; A ruridecanal (rûridekn’l) meeting = vergadering of bijeenkomst van rural deans.
Ruse, rûz, krijgslist, kunstgreep, streek.
Rush, rɐš, stormloop, geraas, aanloop, aandrang, levendige vraag, groote drukte, energie; Rush verb. stormloopen, zich storten op, bestormen, voort(door)drijven; voortsnellen, naar binnen stuiven: A rush to the doors = een bestorming van; To rush a bill through Parliament = met spoed behandelen en aannemen; The sailors rushed the boats = bestormden de booten; To rush a fortress (= To carry it with a rush) = door een snellen en onverwachten aanval nemen; He gave us no time for reflection, in fact, rushed us = overrompelde ons feitelijk (met zijne vraag); To be rushed = het erg druk hebben; He rushed in upon me all at once = viel me ineens op ’t lijf; Rush-answers = antwoorden aan abonné’s van een blad per telefoon (Amer.); Rush-seat = onbesproken plaats (Amer.); Rush-time = drukke uren in de City; Rusher = doorzetter, aanpakker.
Rush, rɐš, bies; lor: I don’t care a rush = geef er geen lor om, het kan me niets schelen; Rush-bottomed (= Rushseated) = met matten zitting; Rush-candle = kaarsje van biezenmerg in talk gedompeld; Rush-light = licht van een Rush-candle; zwak en flikkerend licht; Rush-mat = biezen mat; Rushiness, subst. v. Rushy = vol biezen.
Rusk, rɐsk, licht gebak, gestampte beschuit, Rusk verb. stampen v. beschuit (Amer.).
Ruskin, rɐskin; Russell, rɐs’l.
Russet, rɐsət, roodbruin, uit roodbruine en grove stof vervaardigd, boersch; subst. roodbruine stof, soort winterappel; Russety = roodbruin.
Russia, rɐšə, Rusland: Russia leather = juchtleder; Russian, subst. en adj. Rus(sische taal), Russisch; Russophile, rɐsəf(a)il, Russenvriend; ook adj.; Russophobia, rɐsəfoubjə, Russenvrees, Russenhaat; The Russo-Turkish war.
Rust, rɐst, subst. roest, schimmel; Rust verb. roesten, schimmelen, roestig maken: To gather rust = roesten, schimmelen, ontaarden; Rust-eaten = door en door verroest; Rustful = roestig; Rustiness, subst. v. Rusty = roestig, beschimmeld, verschoten, afgedragen, stram, krassend, knorrig, saai: I am a little rusty in my French = mijn Fr. is niet veel meer; He is getting rusty = gaat achteruit, wordt vergeetachtig; To turn rusty = boos, saai worden.
Rustic, rɐstik, subst. landbewoner, boer, lomperd; adj. landelijk, eenvoudig, ongekunsteld, primitief, onhandig, lomp: Rustic beauty = landelijke schoone; Rustic tobacco = boerentabak; Rustic work = rustiek bewerkte meubelen en prieelen; Rusticalness = boerschheid, lompheid; Rusticate, rɐstikeit, op het land wonen, verboeren; voor een tijd wegzenden (van de hoogeschool): A rusticated student; The dean rusticated the whole party = de deken sjeesde het heele troepje; subst. Rustication; Rusticity rɐstisiti, landelijkheid, eenvoud, lompheid, boerschheid.
Rustle, rɐs’l, subst. geruisch. geritsel; Rustle verb. ritselen, ruischen; aanpakken (Amer.); Rustler = doorzettend man, veedief (Amer.).
Rut, rɐt, subst. bronsttijd; wagenspoor, groef, goot, voor; Rut verb. met voren of groeven doorsnijden; bronsten, dekken: In the rut(ting) season = bronsttijd; Ruttish = bronstig, geil; Rutty = met groeven doorsneden.
Rutabaga, rûtəbeigə, Zweedsche koolraap.
Ruth, rûth.
Ruth, rûth, kommer, ellende, mededoogen; Ruthful = ellendig, meedoogend; Ruthless = onbarmhartig, wreed; subst. Ruthlessness.
Rutherford, rɐdhəfəd; Ruthven, rɐthv’n, riv’n.
Ruyter (De), dəraitə; Ryswick, rizwik.
Rye, rai, rogge, whisky uit r. gestookt; Rye-bread = roggebrood; Rye-grass = Engelsch raaigras; Rye-straw = roggestroo.
Ryot, raiət, Hindoesche boer, pachter.
S.
S. es, S. = Saint, Saturday, Shilling, Solo, South, Southern, Sun, Sunday, Sabbath, Second(s), Singular, See; S(outh) A(frica of America); Sab(bath); Sam(uel); Sam(aritan); Sans(crit); Sat(urday); Sax(ony); S(outh) C(arolina); Sc(ientiae) B(acculaureus) = Bachelor of Science; Sc(ientiae) D(octor) = Doctor of Science; Sci(ence); Scil(icet) = namelijk, te weten; Sclav(onic); Scot(land, etc.); Scrip(ture); Sculp(ture); S(ociety for the) D(iffusion of) U(seful) K(nowledge); S(outh) E(ast); Sec(ond); Sec(retary); Sec(retary of) Leg(ation); Sen(ate, Senator); Sept(ember); Seq(uentes, Sequentia) = de volgenden; Serg(eant); Serv(ian); S(olicitor)-G(eneral); Sh(illings); Sing(ular); S(ociety of) J(esus); S(upreme) J(udicial) C(ourt); Slav(onic); S(ergeant)-M(ajor); Soc(iety); S(ong) of Sol(omon); Sol(icitor)-gen(eral); Sp(ain, Spanish, Spirit); Spec(ial); S(ociety for the) P(ropagation of the) G(ospel); Sp(ecific) gr(avity); Sq(uare); S(enio)r; S(acrum) R(omanum) I(mperium) = The Holy Roman Empire; SS = Saints; S.S. = Sunday School, Screw-steamer; S(outh) S(outh) E(ast), W(est); St = Saint, Stone, Strait, Street; Stat(ue); Su(nday); Subj(unctive); Subst(antive, Substitute); Suff(ix); Sup(erior, Superlative, Supplement); Surg(eon); Sur(geon)-gen(eral); Surv(eyor); S(ub) V(oce) = onder het woord; S(outh) W(est); Sw(eden); Switz(erland); Syn(onym); Synop(sis); Syr(ia).
Sabaoth, sabəoth, səbeioth, heirscharen: God (The Lord) of Sabaoth.
Sabbatarian, sabətêriən, subst. sabbatvierder, lid van een secte van wederdoopers; adj. tot den S. behoorende; Sabbatarianism = leer der S.; Sabbath, sabəth, Sabbat, rustdag, rusttijd: Sabbath-breaker = Sabbatschender; Sabbath-breaking = Sabbatschennis; Sabbatic(al), səbatik(’l), tot den sabbat behoorende: Sabbatical year = Sabbatjaar, braakjaar; Sabbatism, sabətizm, Sabbatheiliging, rust.
Sabe, savə, sâvə, scherpzinnigheid (Amer.).
Sabian, seibj’n, subst. aanhanger van Sabianism = sterrenaanbidding.
Sabina, səbainə; Sabine, seibain, subst. een der Sabijnen; adj. Sabijnsch.
Sable, seib’l, subst. sabelbont, fijn penseel; adj. van sabel, zwart, donker (Sables = pelswerk, rouwkleeren); Sable verb. verduisteren; Sable-coloured = zwart; Sable-stoled = met zwarte stola; Sable-skin = sabelbont; Sable-vested = in den rouw gekleed.
Sabot, sabou, klomp.
Sabre, seibə, subst. sabel; Sabre verb. neersabelen, met den sabel bewapenen; Sabre-ta(s)che, seibətaš, sabeltasch.
Sabulosity, sabjulositi, zandigheid; Sabulous, sabjulɐs, zandig.
Sac, sak, zak(je); heerlijk privilege van rechtspraak.
Saccade, səkeid, ruk aan den toom.
Saccharic, səkarik: Saccharic acid = suikerzuur; Sacchariferous = suikerhoudend; Saccharin, sakərin, saccharine; Saccharize = in suiker omzetten.
Sacerdotal, sasədout’l, priesterlijk; Sacerdotalism = priestergeest, priesterschap.
Sachem, seitš’m, Indiaansch opperhoofd.
Sachet, Fr. uitspr. reukkussentje.
Sacheverell, səševər’l.
Sack, sak, subst. zak, buidel, los overkleed of mantel; sek; Sack verb. in zakken doen, de bons geven, wegsturen: To get the sack = ontslagen worden (= To get sacked); She gave him the sack = zij gaf hem de bons = She sacked him; Sackcloth = zaklinnen, grof linnen: To mourn in sackcloth and ashes = in zak en assche zitten; Sack-posset = drank v. sek, melk, enz.; Sack-race = zakloopen; Sackful = zakvol; Sacking = paklinnen.
Sack, sak, plundering, verwoesting, buit; Sack verb. plunderen, verwoesten; Sackage = plundering.
Sackbut, sakbɐt, oud instrument, een soort trombone.
Sacrament, sakrəment, seikrəment, sacrament, Avondmaal: To administer the last Sacraments = bedienen; I have received the Sacrament = aan het avondmaal geweest; He received the last Sacraments; Sacramental, sakrəment’l: Sacramental service = communie, avondmaal; Sacramental wine; Sacramentarian, sakrəm’ntêriən, sacramenteel.
Sacred, seikrid, heilig, gewijd, onschendbaar: Sacred from attack = veilig voor; Sacred history = kerkgeschiedenis; Sacred service = godsdienstoefening; subst. Sacredness.
Sacrifice, sakrifais, sakrifaiz, subst. offer, offerande; Sacrifice verb. offeren; opofferen, met verlies verkoopen: At a sacrifice = voor een appel en een ei, spotgoedkoop; I will sell at a sacrifice = voor iederen prijs; He fell a sacrifice to his passions = werd slachtoffer van; I will make you that sacrifice = u dat offer brengen; Sacrificer; Sacrificial: Sacrificial rites, mound = offergebruiken, offerberg.
Sacrilege, sakrilidž, heiligschennis, ontheiliging, ontwijding, kerkroof; Sacrilegious, sakrilîdžəs, heiligschennend; Sacrilegist, sakrilîdžist, heiligschenner.
Sacring-bell, seikriŋ-bel, mis-bel.
Sacristan, sakrist’n, sakristijn, koster; Sacristy, sakristi, sacristie.
Sacrum, seikr’m, heiligbeen.
Sad, sad, droevig, treurig, somber, ernstig, erg, slecht: He is a sad dog, fellow = hij is niet veel bijzonders; A sad price = erg hooge; Sad-eyed = met droeve oogen; Sad-faced; Sad-iron = strijkbout; Sadden = bedroeven, droevig worden; donker tinten (v. eene kleur); Sadness = droefheid, treurigheid.
Saddle, sad’l, subst. zadel, rugstuk; Saddle verb. zadelen, belasten: To win the horse or lose the saddle = alles op het spel zetten; You have put the saddle on the right (wrong) horse = den rechte (verkeerde) beschuldigd; He vaulted into the saddle = sprong te paard: He had saddled himself with a very arduous task = had zich opgelegd; He tried to saddle me with the responsibility of the undertaking = op mij te schuiven; Saddle-backed = met hollen rug; Saddle-bags = zadelzakken; Saddle-bow = zadelboog; Saddle-cloth = schabrak; Saddle-fast = zadelvast; Saddle-girth = riem; Saddle-horse; Saddle-maker; Saddle-roof = zadeldak; Saddle-tree = zadelboom; Saddler = zadelmaker; Saddlery = zadelmakerij; zadelmakersartikelen.
Sadducean, sadjusîən, Sadduceesch; Sadducee, sadjusî, Sadduceër; Sadduceeism = leer der Sadduceërs.
Safe, seif, subst. veilige plaats, geldkist, brandkast, provisiekast, vliegenkast; adj. veilig, zeker, behouden, onschadelijk: A safe person = vertrouwd; ’Twould be on the safe side not to be at home = ’t veiligste, het beste; Questions that his boys are safe to put to him = hem stellig zullen vragen; We arrived safe and sound = gezond en wel; He is safe for a thrashing = hij krijgt bepaald = Is safe to get it; Safe from attack = beveiligd tegen; Safe-conduct = vrijgeleide; Safe-conduct verb. veilig geleide verschaffen; Safeguard = bescherming, vrijgeleide, paspoort, toestel aan locomotieven om de baan vrij te houden; Safeguard verb. beveiligen: In that way our interests may be safeguarded and advanced = beveiligd; Safe-keeping = veilige hoede of bewaring; Safeness = veiligheid, zekere bewaring; Safety, seifti; Safety-belt = reddingsgordel; Safety-bicycle; Safety-buoy = reddingsboei; Safety-fund = waarborgfonds; Safety-lamp = veiligheidslamp; Safety-matches = Zweedsche lucifers; Safety-shaver = veiligheidsscheermes; Safety-valve = veiligheidsklep.
Safflower, saflauə, saffloer.
Saffron, safr’n, subst. saffraan; adj. saffraankleurig; Saffron verb. geel maken: To wear the saffron gown = gaan trouwen; Saffrony = saffraankleurig.
Sag, sag, doorzakken, zakken, doorbuigen, zinken, afdrijven, doen zakken: The dog’s tail sagged down with an expression of misery = de hond liet zijn staart hangen; The ship sagged to leeward = zakte naar lij af.
Saga, sâgə, seigə, Noordsche sage.
Sagacious, səgeišəs, scherpzinnig, schrander; subst. Sagaciousness = Sagacity, səgasiti.
Sagamore, sagəmö, Indiaansch hoofd (N.-Am.).
Sage, seidž, subst. (tuin)salie; wijze of wijsgeer (gew. met een ironisch tintje); adj. wijs, omzichtig; Sageness = wijsheid.
Sagitta, sədžitə, pijlvormige naad; Sagittal, sadžit’l, pijl..; Sagittaria = pijlkruid; Sagittarius, sadžitêriəs, Schutter (dierenriem); Sagittary, sadžitəri, subst. centaur; arsenaal te Venetië; adj. pijl...; Sagittate(d), sadžitit, sadžiteitid, pijlvormig.
Sago, seigou, sago; Sago-palm = sagopalm.
Saguin, sagwin, Z. Am. aap.
Sagy, seidži, vol salie.
Sahara, səhârə.
Sahib, sâ(h)ib, sei(h)ib, heer, meester: Mem Sahib = getrouwde dame, mevrouw (Brit. Ind.).
Said, sed, zeide, gezegd: The said story = de gemelde geschiedenis; Be it said = laten we zeggen.
Sail, seil, subst. zeil, schip, zeiltochtje; Sail verb. zeilen, stevenen, koers zetten, doorklieven, zwemmen, bevaren, glijden over: The windmill sails = de zeilen van den windmolen; A ship in full sail = met volle zeilen; Under sail = onder zeil; The ship carried (was under) a press of sail = had alle zeilen bij; The ship made sail = zette meer zeilen bij; We set sail for India = gingen onder zeil naar I.; To set up one’s sail to every wind = de huik naar den wind hangen; To shorten sail = minderen; Strike sail = strijk! A fleet of fifty sail = vloot van vijftig zeilen (schepen); To sail a yacht = varen met; To sail before, by the wind = voor (bij) den wind zeilen; To sail close (near) to the wind = (fig.) zich noodeloos blootstellen (geven), “schuin” zijn, zich zeer voorzichtig bewegen, zich net noodigste uit den mond besparen; He sails under false colours = zeilt onder valsche vlag; Sail-cloth = zeildoek; Sail-loft = zeilmakerswerkplaats (zolder); Sail-maker = zeilmaker; Sail-room = zeilkooi (op een schip); Sail-yard = ra; Sailable = bevaarbaar; Sailer = zeiler, zeilschip; Sailing: So far all is plain (clear) sailing = tot dusver gaat het vanzelf, is de zaak in orde; Sailing-master = schipper; Sailing-match; Sailing-vessel = zeilschip; Sailor = matroos: I am a poor sailor = ik word gauw zeeziek; Sailorlike = als een matroos.
Sainfoin, seinfôin, hanekop, hanekam.
Saint, seint, subst. heilige, zalige, vrome, geloovige, heiligverklaarde; adj. heilig; Saint verb. den vrome uithangen (it): The Saints = Latter-Day Saints = de Mormonen; He plays the saint = hangt den vrome uit; Saint’s day = heiligendag; Sainted = heiligverklaard, zalig, vroom, heilig, overleden; Saintlike, Saintliness = heiligheid; adj. Saintly; Saintship = heiligheid.
Sake, seik: I do it for your sake, for conscience’ sake = om uwentwil, terwille van het geweten; Forbear, for the sake of God = laat af om Godswil.
Saker, seikə, sakervalk; klein stuk geschut.
Saki, seiki, saki, aap met vossestaart; Japansch bier.
Sal, sal, zout (slechts in samenst.): Sal-gem = rotszout; Sal-volatile = vlugzout.
Sal, sal; Sala, sâlə.
Salaam, səlâm, subst. plechtige groet (bij Oosterlingen); Salaam verb. plechtig groeten: Salaaming courtiers = vleiende hovelingen.
Salacious, səleišəs, wellustig: Salacious talk = vuile praat; subst. Salaciousness = Salacity, səlasiti.
Salad, saləd, salade: To dress (To mix) the salad = aanmaken; Lobster salad = kreeftensalade; Salad-cream (Salad-dressing) = sla-aanmaaksel, salade-saus; My salad days (years) are over = mijn groene jeugd is voorbij; Salad-oil = slaolie.
Salamander, saləmandə, salamander: Salamander-safe = vuurvaste brandkast; Salamander’s-hair, Salamander’s-wool = asbest; Salamandrine, saləmandrin, salamanderachtig.
Salaried, salərid, bezoldigd; Salary, saləri, salaris, bezoldiging, loon.
Sale, seil, verkoop, veiling, verkooping: The goods found a dull, a ready sale, were dull, ready of sale = hadden een slappen, vluggen omzet; Sale by auction = verkoop bij opbod; A house for sale = een huis te koop; The house was advertised for sale = werd te koop aangeboden; Offered for public sale = publiek ten verkoop aangeboden; Deed of sale = verkoopacte; On sale everywhere = overal te krijgen; Sale-room = auctiezaal; Salesman = groothandelaar, verkooper: Dead salesman = handelaar in geslacht vee; Saleswoman = verkoopster; Salework = werk gemaakt om te verkoopen; Saleable = verkoopbaar; subst. Saleableness.
Salep, saləp, salep.
Salerio, salîriou; Salford, sôlfəd; Salian, seiliən, Saliër; Salic, salik, Salisch: Salic law = Salische wet.
Salicyl, salisil, salicyl; Salicylic acid = salicylzuur.
Salience, seilj’ns, vooruitspringen; Salient, seilj’nt, springend, uitspringend, ùitstekend, merkwaardig: The salient points of his lecture = opmerkenswaardige gedeelten.
Saliferous, səlifərɐs, zouthoudend; Salifiable, salifaiəb’l, zout vormend; Salify = in een zout omzetten; Salina, səlainə, zoutpan; Saline, seilain, səlain, zout - -; zoutbron, zoutgroeve.
Salisbury, sôlzbri.
Saliva, səlaivə, speeksel; Salival = Salivary; Salivant, saliv’nt, subst. en adj. speeksel opwekkend (middel); Salivary, salivəri, speeksel....: Salivary glands = speekselklieren; Salivate, saliveit, de afscheiding van speeksel bevorderen; Salivation, saliveiš’n, kwijlen.
Salix, seiliks, wilg.
Sallet, salət, stormhoed (Mil.).
Sallow, salou, bleek, ziekelijk, vuilgeel; subst. Sallowness.
Sallow, salou, wilg; Sallowy = vol wilgen.
Sallust, saləst, Sallustius.
Sally, sali, subst. uitval (ook fig.), uitstapje, waterwilg; tuinkoning; Sally verb. een uitval doen: The garrison made a sally = deed een uitval; Sallies of wit = geestige zetten; To sally forth = de deur uitgaan, uittrekken; Sally-port = uitvalpoort.
Sally, sali; Sally-lun(n) = soort gebak; The game of Sally-Water = het spelletje “Patertje langs den kant”.
Salmagundi, salməgɐndi, ragout van vleesch, eieren, ansjovis; mengelmoes.
Salmi, salmi, ragout van gebraden wild.