Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 65
Instrument, instrument, werktuig, instrument (ook fig.), middel, gereedschap, stuk, document, oorkonde; Instrument verb. instrument, instrumenteeren; Instrumental, instrument’l, instrumentaal; dienstbaar, bevorderlijk voor: That will be instrumental to your welfare = zal strekken tot; Instrumentality = bemiddeling, werktuig, middel: By the instrumentality of = door middel van; Instrumentary, instrumentəri = Instrumental; Instrumentation = arrangement, instrumenteering; Instrumentoon, instrum’ntûn, kwispeldoor (Amer.).
Insubordinate, insəbödinit, weerspannig, oproerig; subst. Insubordination.
Insuccess, insəkses: Methods, received with conspicuous insuccess = waarmee men absoluut geen succes had.
Insufferable, insɐfərəb’l, onverdragelijk.
Insufficiency, insəfiš’nsi, ongenoegzaamheid, onbekwaamheid; adj. Insufficient.
Insufflation, insəfleiš’n, inblazing, opgeblazenheid; Insufflator = inblaasapparaat.
Insular, insiulə, van een eiland, geisoleerd, bekrompen; subst. Insularism = Insularity, insiulariti.
Insulate, insiuleit, afzonderen, isoleeren (ook in natuurk. zin): Insulating-stool (electr.); The insulation of overhead wires = het isoleeren van; Insulator, insiuleitə, isolator.
Insult, insɐlt, beleediging, hoon.
Insult, insɐlt, beleedigen, honen; Insulter.
Insuperability, insiupərəbiliti, subst. v. Insuperable, insiûpərəb’l, onoverkomelijk; subst. Insuperableness.
Insupportable, insəpötəb’l, on(ver)dragelijk; subst. Insupportableness.
Insuppressible, insəpresib’l, niet te onderdrukken.
Insurable, inšûrəb’l, verzekerbaar; Insurance, inšûr’ns, verzekering (in ’t algemeen; op het leven ook wel assurance), assurantie: To effect (To make) an insurance = een verzekering sluiten; Accident insurance = verzekering tegen ongevallen; Fire, Hailstorm, Life, Live Stock, Marine, Sanitary insurance = verzek. tegen brand, hagelslag, levensverzek., veeverzek., zeeassurantie, verz. tegen ziekte en invaliditeit; Insurance-agent; Insurance-broker = assuradeur; Insurance-company = verzekeringsmaatschappij; Insurance-money = verzekeringspremie; Insurance-office = assurantiekantoor; Insurance-policy = assurantiepolis; Insure, inšûə, verzekeren: I insured my voyage out and home = heb mij voor de heen- en terugreis verzekerd; Insured: The insured party = Party insured = de verzekerde; Insurer = verzekeraar.
Insurgence, -cy, insɐ̂dž’ns(i), opstand; Insurgent, insɐ̂dž’nt, subst. en adj. oproermaker, oproerig.
Insurmountable, insəmauntəb’l, onoverkomelijk; subst. Insurmountableness.
Insurrection, insərekš’n, opstand, muiterij: They rose (were roused) in insurrection against their lawful prince = kwamen in (werden gebracht tot) opstand tegen; adj. Insurrectional = Insurrectionary; Insurrectionist = Insurgent.
Insusceptibility, insəseptibiliti, subst. v. Insusceptible, insəseptib’l, onvatbaar (voor indrukken).
Intact, intakt, onaangeroerd, ongeschonden.
Intaglio, intaljou, intâljou, subst. gegraveerde edelsteen, tegenover Cameo (die in relief is gesneden).
Intake, inteik, inham, vernauwing, insnoering.
Intangibility, intandžibiliti, subst. v. Intangible, intanžib’l, onvoelbaar, ontastbaar.
Integer, intədžə, het geheel, geheel getal; Integral, intəgr’l, subst. geheel getal, integraal; adj. geheel, volledig, ongeschonden, integraal...; Integrant, intəgr’nt, deel van een geheel vormend, integreerend: Integrant parts = samenstellende deelen; Integrate, intəgreit, het geheel aanwijzen, de integraal vinden van; subst. Integration.
Integrity, integriti, oprechtheid, braafheid, onverdorvenheid, volledigheid.
Integument, integjument, vlies, vel, huid; adj. Integumental = Integumentary.
Intellect, intəlekt, verstandelijk vermogen; ontwikkeling, de ontwikkelden: Intellects = verstand: Disordered in his intellects; Intellective, intəlektiv, verstandelijk; Intellectual, intəlektjuəl, verstands..., intellectueel: Intellectual powers = verstandelijke vermogens; Intellectalism, intəlektjuəlizm, de leer dat alle kennis van de zuivere rede komt, rede-overschatting; Intellectuality = verstandelijk vermogen.
Intelligence, intelidžens, verstand, oordeel, begrip, verkregen kennis, vlugheid v. begrip; bericht, inlichting, nieuws: A wink of intelligence = knipoogje van verstandhouding; Intelligence department = informatie-departement (-bureau); Intelligence-office = informatiebureau, adreskantoor; Intelligent, intelidžent, verstandig, vlug v. geest, intelligent; Intelligibility, intelidžibiliti, begrijpelijkheid, duidelijkheid; adj. Intelligible.
Intemperance, intempər’ns, onmatigheid, overdaad; Intemperate, intempərit, onmatig, te buiten gaande; guur, ruw.
Intend, intend, zich voornemen, van plan zijn, bedoelen, bestemmen: He is intended for the church = zal predikant worden; I intend to leave (leaving) at four = ben van plan; She is intended to marry him = zij is voor hem bestemd; He is not intended to listen = niet van plan; Intended = subst. en adj. verloofd(e).
Intendancy, intend’nsi, intendance; Intendant = intendant.
Intense, intens, krachtig, ingespannen, hevig, geweldig, bovenmate; subst. Intenseness; Intensification = versterking, verhooging; Intensifier = versterker; Intensify, intensifai, verhoogen, versterken.
Intension, intenš’n, spanning, intensiteit; Intensity, intensiti, intensiteit, kracht, hevigheid; Intensive, intensiv, versterkend, intensief: Intensive cultivation.
Intent, intent, subst. plan, voornemen, bedoeling: He is the right man to all intents and purposes = in alle opzichten, inderdaad; To the intent that = opdat (veroud.); He is intent on his work = ijverig bij, vervuld van zijn werk; He looked intently at me = opmerkzaam; Intention = voornemen, doel, bedoeling, einde: By the first intention = snel; Intentional = met een bepaald oogmerk; A well-intentioned man = met goede bedoelingen; Intentness = gespannen opmerkzaamheid, ijver.
Inter, intɐ̂, ter aarde bestellen, begraven; Interment = teraardebestelling.
Inter, intə, in samenstellingen: tusschen in: Inter alia, (intəreiljə) = o.a.
Interact, intərakt, subst. tusschenbedrijf, tusschenwerk; Interact verb. intərakt, wederzijds werken op; Interactaction = wisselwerking.
Interbreed, intəbrîd, kruisen van dieren of planten.
Intercalate, intɐ̂kəleit, inlasschen, inschuiven (van een dag, b.v.); Intercalary = ingelascht: Intercalary day; Intercalation = inlassching.
Intercede, intəsîd, tusschenbeide komen, pleiten, voorspreken; Interceder.
Intercept, intəsept, onderscheppen, tegenhouden, verbreken, afsnijden, versperren, afbreuk doen aan: To intercept the trade; subst. Interception.
Intercession, intəseš’n, voorspraak, tusschenkomst, bemiddeling: To make intercession to a person for; adj. Intercessional: Intercessor, intəsesə, middelaar, tusschenpersoon: Intercessiony = bemiddelend.
Interchange, intətšeinž, subst. ruil, wisseling, ruilhandel, afwisseling; Interchange verb. intətšeinž, wisselen, ruilen, ruilhandel drijven, afwisselen; subst. Interchangeability, adj. Interchangeable = verwisselbaar, afwisselend.
Intercolonial, intəkəlounj’l, interkoloniaal, tusschen de koloniën onderling.
Intercommunicate, intəkəmjûnikeit, onderling gemeenschap hebben, met elkaar verkeeren, meedeelen; Intercommunication, onderling verkeer = Intercommunion; Intercommunity, wederzijdsche mededeeling, gemeenschappelijkheid.
Intercourse, intəkös, omgang, verkeer.
Intercross, intəkros, onderling kruisen.
Intercurrent, intəkɐr’nt, ongeregeld: Intercurrent pulse.
Interdependence, intədipend’ns, onderlinge afhankelijkheid; adj. Interdependent.
Interdict, intədikt, verbod: To put an interdict upon = verbieden; To lay under an interdict.
Interdict, intədikt, verbieden: To interdict a person from a thing, To interdict a person, a thing = iemand uitsluiten van (bijv. kerkelijke gemeenschap), subst. Interdiction; adj. Interdictory.
Interest, intərest, belangstelling, belang, voordeel, invloed, aandeel, interest; Interest verb. belang stellen, belang inboezemen, belang hebben, enz.: I disposed of a third interest in the factory = ik verkocht een derde aandeel; To attend to a person’s interests = waken voor de belangen; To excite a person’s interest = belangstelling wekken; To have an interest in = belang hebben bij; He has little or no interest = weinig of geen invloed; Most of them lost on interest account, and closed mills = konden hun interest niet goedmaken; To promote a person’s interests = iemand’s belangen bevorderen; Put out at interest = op interest gezet; To take an interest in = belangstellen in; Compound, simple interest = samengestelde, enkelvoudige interest; The cotton (iron, landed, moneyed, shipping) interest = de gezamenlijke katoenspinners (ijzerhandelaars, landeigenaren, geldmannen, reeders); Interest-ticket, Interest-warrant = coupon; He interested himself for me = stelde belang in mij, trok zich mijner aan; I am interested in your fate = stel belang in; He is interested in the matter = heeft belang bij; Interested marriages (marriages of interest) = waarbij andere belangen in het spel zijn dan de liefde; Interesting = belangwekkend.
Interfere, intəfîə, tusschenbeide komen, benadeelen, storend werken, interfereeren, aanslaan of strijken (van paarden): Don’t interfere with me = bemoei u niet; If it does not interfere with your plan = niet verstoort; Interference, intəfîr’ns, bemiddeling, bemoeiing, botsing, interferentie; Interferer; Interfering = storend, belemmerend.
Interim, intərim, subst. tusschentijd; adj. tijdelijk: In the interim = voorloopig.
Interior, intîriə, binnen, inwendig, binnenlandsch; subst. binnenste, binnenland: Department (Secretary) of the Interior = Departement (Minister) v. Binnenlandsche Zaken (Amer.); Interior angle = binnenhoek.
Interjacency, intədžeis’nsi, tusschenligging; adj. Interjacent.
Interjaculate, intədžakjuleit, aanmerkingen (opmerkingen) tusschenin maken = To interject; Interjection = tusschenwerpsel; adj. Interjectional = Interjectionary = Injectory: Interjectionary remarks = tusschenin gemaakte aanmerkingen.
Interlace, intəleis, tusschenvlechten, doorheen vlechten; doorvlochten of ineengestrengeld zijn: Interlaced arches = kruisbogen; subst. Interlacement.
Interlaminated, intəlamineitid, tusschen twee platen of vlakken gelegen.
Interlard, intəlâd, doorspekken, vermengen.
Interleaf, intəlîf, doorschoten blad; To interleave, intəlîv, doorschieten met wit papier.
Interline, intəlain, tusschen (de regels) schrijven; Interlinear, Interlineal, intəlinjə(l), tusschen de regels, interliniair; Interlineation, intəlinieiš’n, plaatsing tusschen de regels, doorhaling en vervanging van woorden.
Interlock, intəlok, in elkaar sluiten (-haken, -grijpen).
Interlocution, intələkjûš’n, onderhoud; Interlocutor, intəlokjutə, deelnemer aan een gesprek: My interlocutor = de persoon met wien ik spreek; Interlocutory = uit eene samenspraak bestaande; voorloopig.
Interlope, intəloup, beunhazen, opjagen der prijzen, zich onbevoegd indringen; Interloper = indringer, beunhaas.
Interlude, intəl(j)ûd, tusschenspel, “entre-acte”, intermezzo (ook fig.).
Interlunar, intəl(j)ûnə, den tijd van de nieuwe maan betreffende: Interlunar nights.
Intermarriage, intəmaridž, onderling huwelijk (tusschen families of stammen); Intermarry, intəmari, onder elkander huwen.
Intermaxillary, intəmaksiləri, intəmaksiləri: Intermaxillary bone = tusschenkaaksbeen.
Intermeddle, intəmed’l, zich (ongepast) bemoeien met; Intermeddler = bemoeial.
Intermediary, intəmîdjəri, tusschenliggend of komend, verbindings - -; subst. agent, tusschenpersoon.
Intermediate, intəmîdjit, tusschen(komend of liggend), verbindings - -, indirect: Intermediate cylinder = middelb. druk cylinder; Intermediate education (Intermediate schools) = middelbaar onderwijs (hoogere burgerscholen); Intermediate person = tusschenpersoon.
Interminable, intɐ̂minəb’l, oneindig, vervelend, gerekt; subst. Interminableness.
Intermingle, intəmiŋg’l, (zich) onderling vermengen.
Intermission, intəmiš’n, tusschenpoos, onderbreking; Intermissive.
Intermit, intəmit, tijdelijk afbreken, ophouden, verpoozen; Intermittence, Intermittency = onderbreking; Intermittent fever = intermitteerende koorts = Intermitting fever.
Intermix, intəmiks, onder elkander mengen; Intermixture = mengsel, dooreenmenging.
Intermural, intəmjûr’l, tusschen de muren.
Intermuscular, intəmɐskjulə, tusschen de spieren.
Intern, intɐ̂n, interneeren, waren naar het binnenland zenden (Amer.); Internal = innerlijk, inwendig, inlandsch; Internation = zending naar het binnenland; Internment = interneering.
International, intənašən’l, subst. “de Internationale” Zie: Internationalist adj, internationaal: International law = volkenrecht; Internationalism = internationalisme; Internationalist, subst. lid van de “Internationale”, soc. arbeidersvereenig. opgericht te Londen in 1864; adj. tot de “I” behoorende; Internationalize = internationaal maken.
Internecine, intənîs(a)in, moorddadig, verdelgings-: Internecine war.
Internodal, intənoud’l, tusschen twee knoopen of geledingen; Internode, intənoud, lid of been tusschen twee knoopen of geledingen.
Internuncius, intənɐnšəs, pauselijk vertegenwoordiger.
Interoceanic, intəroušianik, tusschen twee oceanen.
Interosseal, intərosiəl, tusschen de beenderen gelegen = Interosseous.
Interpellant, intəpel’nt, in de rede vallend; interpellant; Interpellate, intəpeleit, interpelleeren; Interpellation = interpellatie.
Interplead, intəplîd, met iemand over eigendomsrecht procedeeren.
Interpolate, intɐ̂pəleit, inschuiven, tusschenvoegen, interpoleeren; Interpolator; Interpolation = interpolatie.
Interpose, intəpouz, tusschenplaatsen, (zich) opdringen, in de rede vallen, tusschen beide komen, in ’t voorbijgaan opmerken: They didn’t interpose in her management, or interfere in the choice of servants = zij bemoeiden zich niet met; To interpose appeal = appèl aanteekenen; Interposer; Interposition, intəpəziš’n, tusschenkomst, bemiddeling.
Interpret, intɐ̂prət, verklaren, vertalen, vertolken; Interpreter = tolk, uitlegger: Student interpreter = leerling tolk; Interpretation, intəpriteiš’n, vertolking, verklaring.
Interregnum, intəregn’m, tusschenregeering.
Interrogate, interəgeit, (onder)vragen; subst. Interrogation; Interrogative, intərogətiv, subst. en adj. vragend (voornaamwoord); Interrogator, interəgeitə, (onder)vrager, interpellant; Interrogatory, intərogətəri, vragend; subst. verhoor, schriftelijke vraag.
Interrupt, intərɐpt, in de rede vallen, afbreken, storen; Interrupter; Interruption = onderbreking, storing, pauze; adj. Interruptive.
Interscapular, intəskapjulə, tusschen de schouderbladen.
Intersect, intəsekt, (door)snijden, (door)kruisen; Intersection = doorsnede, snijpunt, kruispunt.
Interspace, intəspeis, tusschenruimte; Interspace verb. intəspeis, tusschenruimte overlaten of aanvullen, innemen.
Intersperse, intəspɐ̂s, overal verspreiden, (rond)strooien.
Interstice, intɐ̂stis, intəstis, tusschenruimte; adj. Interstitial, intəstiš’l.
Intertropical, intətropik’l, tusschen de tropen of keerkringen.
Intertwine, intətwain, dooreenvlechten; subst. Intertwinement.
Intertwist, intətwist = Intertwine.
Interval, intəv’l, tusschenruimte(-tijd), interval, pauze, vlakke grond tusschen heuvels (ook intervale gespeld; Amer.): At intervals = van tijd tot tijd.
Interveined, intəveind, geaderd.
Intervene, intəvîn, liggen tusschen, tusschenbeide komen, storen; Intervention, intəvenš’n, tusschenkomst, bemiddeling.
Intervertebral, intəvɐ̂təbr’l, tusschen de wervels.
Interview, intəvjû, subst. samenkomst, gesprek, formeel bezoek van een dagbladcorrespondent aan een bekend persoon om hem op onderscheidene punten te hooren; Interview verb. formeel bezoeken om ingelicht te worden; Interviewer.
Interweave, intəwîv, dooréénweven.
Intestacy, intestəsi, afwezigheid van een testament; Intestate, intestit, zonder testament overleden, niet bij testament vermaakt; subst. persoon, die zonder testament gestorven is.
Intestinal, intestin’l, tot de ingewanden behoorende; darm...; Intestine, intestin, inwendig, binnenlandsch: Intestine war = burgeroorlog; Intestines = darmen, ingewanden.
Inthral, inthrôl, tot slavernij brengen, insluiten.
Intimacy, intiməsi, gemeenzaamheid, vertrouwelijkheid; Intimate, intimit, adj. gemeenzaam, vertrouwelijk; subst. boezemvriend(in); Intimate verb. (intimeit) vertrouwelijk mededeelen, te kennen geven; Intimation, intimeiš’n, kennisgeving, wenk: Intimation of death = kennisgeving van overlijden.
Intimidate, intimideit, vrees aanjagen, ontmoedigen, beangst maken; subst. Intimidation; adj. Intimidatory.
Intimity, intimiti, intimiteit.
Intitulation, intitjuleiš’n, subst. v. Intitule, intitjûl, betitelen.
Into, intu, in (drukt “richting” uit): He was laughed into good humour again = door lachen werd zijn goed humeur hersteld; Let me look into it = laat mij het eens onderzoeken, inzien; This room looks into the garden = ziet uit op; He reasoned them into courage = hij wist door zijne woorden hun moed te doen herleven; You are sitting well into the fire = je zit haast bovenop het vuur.
Intolerability, intolərəbiliti, subst. v. Intolerable, intolərəb’l, onduldbaar, onverdragelijk; subst. Intolerableness.
Intolerance, intolər’ns, onverdraagzaamheid, niet in staat zijn te verdragen; adj. Intolerant, intolər’nt, ook subst.
Intonate, intəneit, intoneeren, aanheffen; Intonation, intouneiš’n, aanhef, intonatie, toongeving; Intone = aanheffen, intoneeren, zingen (v. kerkgezangen).
Intoxicant, intoksik’nt, dronken makend, bedwelmend(e drank); Intoxicate, intoksikeit, dronken maken, opwinden, dol maken; Intoxication, dronkenschap.
Intractability, intraktəbiliti, subst. v. Intractable, intraktəb’l, onhandelbaar, weerspannig; subst. Intractableness.
Intramural, intrəmjûr’l, binnen de muren.
Intranquillity, intraŋkwiliti, ongerustheid.
Intransitive, intransitiv, onovergankelijk.
Intransmissible, intransmisib’l, wat niet overgedragen kan worden.
Intrench, intrenš, met loopgraven omringen, verschansen; Intrenchment = verschansing.
Intrepid, intrepid, onverschrokken, onversaagd; subst. Intrepidity, intrəpiditi.
Intricacy, intrikəsi, ingewikkeldheid, neteligheid; Intricate, intrikit, ingewikkeld, netelig, duister; subst. Intricateness.
Intrig(u)ant, intrigənt, intrigant; Intrig(u)ante, intrigant, intrigant, intrigante.
Intrigue, intrîg, subst. kuiperij, intrigue; Intrigue verb. kuipen, intrigeeren: He is an intriguer, an intriguing fellow = een kuiper of intrigant.
Intrinsic(al), intrinsik(’l), innerlijk, eigen, echt.
Introcession, intrəseš’n, verzakking (Med.).
Introduce, intrədjûs, inleiden, invoeren, inlasschen, bekend maken, voorstellen; subst. Introduction, intrədɐkš’n: Letter of introduction = aanbevelingsbrief; He made some introductory (introductive) remarks = eenige inleidende opmerkingen.
Introit, introu-it, introïtus, woorden gezongen of opgezegd bij den aanvang der mis.
Intromission, intrəmiš’n, invoeging, toelating;—verb. Intromit, intrəmit.
Introspection, intrəspekš’n, zelfonderzoek; Introspective, intrəspektiv, bespiegelend.
Introversion, intrəvɐ̂š’n, naar binnen wenden of gekeerd zijn; adj. Introversive; Introvert, intrəvɐ̂t, naar binnen wenden: An Introverted nature = eenzelvige aard.
Intrude, intrûd, zich indringen, lastig vallen, zich opdringen: I hope I do not intrude = niet ongelegen kom; He intruded himself upon the minister = drong zich op aan; Intruder; Intrusion, intrûž’n, indringing, het lastig vallen, onrechtmatige bezitneming van onbeheerd goed; Intrusive, intrûsiv, opdringend; subst. Intrusiveness.
Intrust, intrɐst, toevertrouwen: He intrusted me with his secret, He intrusted his secret to me = vertrouwde mij toe.
Intuition, intjuiš’n, intuitie, innerlijke aanschouwing, niet op waargenomen feiten berustend; Intuitive, intjûitiv, innerlijk aanschouwend, intuitief.
Intumesce, intjumes, opzwellen, uitzetten; Intumescence = opzwelling, gezwel; adj. Intumescent.
Intussusception, intəsəsepš’n, opneming en inschuiving van het eene stuk of deel in een ander.
Intwine, intwain, Intwist, intwist, samenvlechten, ineenvlechten.
Inundate, inəndeit, inɐndeit, overstroomen; Inundation = overstrooming; overvloed.
Inure, injûə, gewennen, harden, tot eene gewoonte worden; ten goede komen (met to).
Inurn, inɐ̂n, in eene urn verzamelen, bijzetten.
Inutility, injutiliti, nutteloosheid.
Inutterable, inɐtərəb’l, onuitsprekelijk.
Invade, inveid, invallen, inbreuk maken op, schenden; Invader.
Invalid, invalid, krachteloos, ongeldig, van geen waarde; Invalid, invəlîd, invəlid, invəlîd, subst. zieke, zwakke, invalide; adj. teer, zwak, ziek; Invalid verb. door ziekte aangetast worden, ongeschikt verklaren voor actieven dienst, buiten gevecht stellen: They were invalided home = als invalide naar huis gezonden; Invalidate, invalideit, krachteloos of van onwaarde maken, omverwerpen, vernietigen; subst. Invalidation; Invalidism, invəlîdizm, invəlîdizm = invaliditeit; Invalidity, invəliditi = ongeldigheid, krachteloosheid, invaliditeit.
Invaluable, invaljuəb’l, onschatbaar.
Invariability, invêriəbiliti, subst. v. Invariable, invêriəb’l, onveranderlijk, standvastig.
Invasion, inveiž’n, inval, inbreuk, schending; adj. Invasive.
Invective, invektiv, subst. smaadrede, scheldwoord, scherpe aanval; adj. stekelig, smadelijk, satirisch.
Inveigh, invei, uitvaren; Inveigher.
Inveigle, invîg’l, verlokken, verleiden, in de val lokken; subst. Inveiglement; Inveigler.
Invent, invent, uitvinden, verdichten, verzinnen; Invention = uitvinding, ontdekking, verzinsel, plannetje: Pure invention = een grove leugen; The inventions = Tentoonstelling der uitvindingen (1885); Inventive = vindingrijk; subst. Inventiveness; Inventor = uitvinder, bedenker; vr. Inventress.
Inventory, invəntəri, subst. inventaris, lijst; Inventory verb. inventariseeren.
Inveraray, invərêri; Inverness, invənes.
Inverse, invâs, invâs, omgekeerd; subst. omkeering: Inverse proportion = omgekeerde verhouding of reden; The father’s influence varied inversely as the age of the son = in omgekeerde reden tot; Inversion, invɐ̂š’n, omkeering, omzetting (van woorden in een zin); adj. Inversive.
Invert, invât, onderstboven keeren, omzetten: Inverted commas = aanhalingsteekens.
Invertebrata, invɐ̂tibreitə, ongewervelde dieren; Invertebrate, invɐ̂tibrit, ongewerveld; slap (fig.); subst. ongewerveld dier, zwakkeling; Invertebrated = ongewerveld.
Invest, invest, bekleeden; beleggen, blokkeeren, omsingelen; Investment = bekleeding; omsingeling, blokkeering, belegd geld, geldbelegging: To make an investment = geld beleggen; Investor = belegger.
Investigate, investigeit, nauwkeurig onderzoeken, navorschen; subst. Investigation; Investigator.
Investiture, investitjuə, investituur, bekleeding (met een ambt), inbezitstelling.
Inveteracy, invetərəsi, het ingeworteld zijn, hardnekkigheid, oude veete; Inveterate, invetərit, diep geworteld, hardnekkig, aarts..., verouderd (van ziekte); gebeten op; subst. Inveteracyness.
Invidious, invidjəs, hatelijk, boosaardig; subst. Invidiousness.
Invigorate, invigəreit, kracht geven of bijzetten, versterken; subst. Invigoration; adj. Invigorative; Invigorator = versterkend middel.
Invincibility, invinsibiliti, subst. v. Invincible, invinsib’l, onverwinnelijk, onoverkomelijk; subst. Invincibleness.
Inviolability, invaiələbiliti, subst. v. Inviolable, invaiələb’l, onschendbaar, onverbreekbaar; Inviolate, invaiəlit, ongeschonden, ongebroken.
Invisibility, invizibiliti, subst. v. Invisible, invizib’l, onzichtbaar: The Invisible = de Onzienlijke; Invisible green = donkergroen; subst. Invisibleness.
Invitation, inviteiš’n, uitnoodiging; adj. Invitatory.
Invite, invait, uitnoodigen, verlokken, verleiden, aantrekken, oproepen; subst. uitnoodiging: To invite subscriptions = de inschrijving openstellen; Invitee, invitî, genoodigde: Inviter; Inviting = aanlokkelijk; subst. Invitingness.
Invocation, invəkeiš’n, in- of aanroeping; adj. Invocatory of Invocatory.