Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 5
Analysable, anəlaizəb’l, anəlaizəb’l = ontleedbaar; Analysation = analyse; Analyse = analyseeren, oplossen; Analysis = analyse, oplossing; Analyst = scheikundige: Public Analyst = ambtenaar met het onderzoek van voedingsmiddelen belast; Analytic(al) = ontledend.
Anana(s), ənanə, əneinəs, ənânəs, ananas.
Anapaest, anəpest, anapaestus (⏑ ⏑ –).
Anarch, anək, onruststoker; tyran; Anarchic = anarchistisch; Anarchism = anarchisme; Anarchist = anarchist; Anarchy = anarchie.
Anasarca, anəsâka, huidwaterzucht; Anasarcous, huidwaterzuchtig.
Anathema, ənathəma, anathema, banvloek; Anathematization = excommunicatie, vervloeking; Anathemize = vervloeken.
Anatomical, anətomik’l, anatomisch; Anatomist = anatoom; Anatomize = ontleden; Anatomy = ontleedkunde, ontleding; geraamte.
Ancestor, ansəstə, stamvader, voorvader; Ancestorial = Ancestral, ansestrəl, ansestrəl, voorvaderlijk; Ancestress, ansəstrəs, stamvrouw; Ancestry = geslacht, afstamming, (hooge) geboorte, voorvaders.
Anchor, aŋkə, subst. anker; Anchor verb. ankeren, rusten: I had an anchor to windward = nog iets achter de hand, in reserve; To be at anchor (= To ride at anchor) = voor anker liggen; To cast, drop (let go the) anchor = laten vallen; To weigh (the) anchor = het anker lichten; The fluke (of an anchor) = hand, klauw; Sheet anchor = plechtanker (ook fig.); Anchorage = ankergrond, ankerplaats, liggeld: The ship was cast loose from her anchor = is losgeslagen.
Anchoret, aŋkərət, Anchorite, aŋkərait, kluizenaar.
Anchovy, antšouvi, ansjovis.
Ancient, einš’nt, oud, uit vroegeren tijd, eerwaardig, verjaard; subst. grijsaard, oudere collega; vlag, vaandrig; The Ancients = de Ouden, klassieken; oudsten: The Ancient of Days = God de Vader; Ancientness, oudheid; Ancientry = ouderdom, voorrang, hooge geboorte.
Ancillary, ansiləri, ondergeschikt, aanvullend.
Ancipital, ansipit’l, tweesnijdend = Ancipitous.
And, and of ən(d), en: Without buts, ifs and ands = zonder voorbehoud; And all that (sort of thing) = en dergelijke (meer); Deeper and deeper = al dieper; She wept and wept = schreide al maar door; Try and take it = tracht het te nemen; What’s that and please you? = met uw verlof, wat is dat?
Andalusia, andəl(j)ûžə, Andalusië; Andalusian, Andalusisch; Andalusiër; Andaman, andəman: Andaman Islands.
Andante, andante, adj. andante; subst. andante; Andantino, andantînou, andantino, adj. en subst.
Andes, andîz, de Andes.
Andiron, andaiən, vuurbok; het ijzer, waarin het spit draait; haardstel.
Andrew, andrû, Andries: Merry Andrew = Hansworst; St. Andrews, s’ntandrûz.
Androgynal, androdžin’l = Androgynous, androdžinɐs, tweeslachtig; Androgyny, tweeslachtigheid.
Andromache, androməkî; Andromeda, andromədə; Andronicus, andrənaikəs.
Anear, ənîə, nabij.
Anecdotage, anəkdoutədž, verzameling anecdoten: He fell into Anecdotage = werd sufferig; Anecdotal = anecdotisch; Anecdote = anecdote; Anecdotic(al) = anecdotisch, anecdoten..., praatziek.
Anemograph, əneməgraf, anemograaf; Anemography = anemographie; Anemometer, anəmomətə, anemometer.
Anemone, Anemony, əneməni, anemoon.
Aneroid, anerôid, aneroïde barometer.
Anew, ənjû, opnieuw, anders.
Angel, einž’l, engel, Godsgezant, oude Engelsche munt (± 10 s.): Talk of an angel, and we hear the flutter of her wings = als men van den duivel spreekt, komt hij zelf, of stuurt een oud wijf; The father gave his little cherub a flying angel = de vader nam zijn kleinen lieveling op den schouder; Guardian angel = beschermengel; Angel-shot, kettingkogel; Angelic(al) = engelachtig; Angelology = engelenleer.
Angelica, andželikə, engelkruid.
Angelot, anžələt, eene soort luit; oud Eng. muntstuk van 5 shillings; kaas (uit Normandië).
Angelus, anžəlɐs, de “Angelus” verkorte aanduiding van het gebedje “Angelus Domini nuntiavit Mariae”, etc. Het wordt driemaal daags gebeden bij ’t luiden van het Angelus klokje = Angelus-bell.
Anger, aŋgə, subst. toorn, gramschap, verontwaardiging; Anger verb. vertoornen, tergen.
Angevin Kings, andžəvinkiŋz, koningen uit het huis van Anjou.
Angina, andžinə, andžainə, een soort keelontsteking; adj. Anginous.
Angle, aŋg’l, subst. hoek, haak; Acute (Adjacent, Alternate, External, Internal, Obtuse, Right) angle; At right angles to = rechthoekig op; (To branch off at right angles from, (To turn off) at right angles to) = rechthoekig staan op (van straten); To go off at a right angle = dadelijk heengaan; You had better set your wishing-cap at another angle = deed beter iets anders te wenschen.
Angle, aŋg’l, hengel; Angle verb. hengelen: He was angling for a compliment = vischte naar een compliment; Angler = hengelaar; Angling-line = hengelsnoer; Angling-rod = roede.
Angle(s), aŋg’l(z), Angel(en); Anglia, aŋgliə, Anglia; Anglian, aŋgliən, subst. Angel; adj. van de Angelen.
Anglican, aŋglik’n, Anglikaansch; subst. Anglikaan; lid van de Angl. Church; Anglicanism, leer der Angl. kerk; Anglice, aŋglisi, in het Engelsch; Anglicism, aŋglisizm, Engelsch idioom; Anglicize, verengelschen.
Anglo, anglou (in samenstellingen), Engelsch; Anglo-American = Engelsch-Amerikaansch; subst. Amerikaan van Engelsche afkomst; Anglo-catholic, subst. en adj. Engelsch-Katholiek; Anglo-catholicism, anglo-katholicisme; Anglo-Indian = Engelsch-Indisch; subst. Engelschman wonende in Indië; Anglo-Israelites, izrəlaits = secte uit de laatste helft dezer eeuw, bewerende, dat de Engelschen de verloren “Tien Stammen” waren; Anglo-mania = manie voor Engelsche gewoonten en zeden; Anglophobe, iemand die Engeland vreest (haat); Anglophobia = vrees voor Engeland; Anglo-Saxon = Angelsaksisch; subst. Angelsakser.
Angora, aŋgôrə: Angora-cat (-goat, -wool).
Angriness, aŋgrinəs, boosheid; Angry, aŋgri, boos; stormig; ontstoken, pijnlijk: Angry at (a person); Angry about, with (a thing); To get (grow, become) angry = boos worden.
Anguilliform, aŋgwiliföm, aal- of slangvormig.
Anguish, aŋgwiš, subst. angst, pijn, smart: Anguish of (the) mind = zielesmart.
Angular, aŋgjulə, hoekig, stijf, hoek...; Angularity = hoekigheid, stijfheid; Angulate(d) = Angular.
Anhydrous, anhaidrəs, watervrij.
Anight(s), ənait(s), in den nacht.
Anil, anil, indigo-plant (West-Indië).
Anile, an(a)il, kindsch.
Aniline, anil(a)in, aniline.
Anility, əniliti, kindschheid.
Animadversion, animadvɐ̂š’n, waarneming, inzicht; berisping, verwijt, critiek; adj. Animadversive; Animadvert, animadvɐ̂t, waarnemen; berispen, etc. (on).
Animal, anim’l, subst. dier; adj. dierlijk: Animal charcoal = beenderkool; Animal food = vleeschvoeding; Animal kingdom = dierenrijk; Animal spirits = levenslust; Animals Protection Act = wet op de dierenbescherming; Society for the Prevention of Cruelty to Animals = genootschap ter bescherming van dieren; Animalcule, animalkjûl, microscopisch diertje; meerv. Animalcula, animalkjulə; Animalism = dierlijkheid; Animality = dierlijke natuur, dierlijk leven.
Animate, animeit, bezielen, opwekken: Animated nature = dierenrijk; adj. animit, bezield, levendig; Animation = bezieling, levendigheid, animo.
Animosity, animositi, verbittering, haat, vijandschap.
Animus, animɐs, gezindheid, doel; verbittering, wrok: Their words were dictated by animus and self-interest = hun ingegeven door hunne vijandige gezindheid.
Anise, anis, anijs: We pay too much attention to the anise and cu(m)mins of literature = minder belangrijke zaken (Mattheus XXIII, 23); Aniseed = anijszaad: The devotees of the aniseed-bag = liefhebbers van eene zoogenaamde drag-hunt, die “ride after the red-herring”, i.e. een net of hazevel gevuld met de litter van een tammen vos, langs den grond gesleept en om de vijf minuten besprenkeld met een paar druppels “oil of aniseed”, een spoor, dat de honden na eenige oefening getrouw volgen.
Anisette, aniset, anisette.
Anker, aŋkə, vochtmaat van 10 gallons (= 45,4358 L.).
Ankle, aŋk’l, enkel: Ankle-deep; Ankle-jacks = halve laarzen; Ankle-joint = enkelgewricht; Anklet = enkelring, -sieraad, -verband.
Ankus(h), aŋkəs (aŋkəš), drijfstok van een mahout.
Anlace, anleis, hartsvanger.
Ann(e), an, Anna, anə, Anne, Anna.
Annal, an’l: Annals, annalen; Annalist, schrijver van annalen.
Anneal, ənîl, brandverven, émailleeren; temperen; uitgloeien; Annealing-furnace = temperoven.
Anectant, ənekt’nt, verbindend, overgangs...; Annex, əneks, aanhechten, toevoegen, vereenigen; subst. bijlage, bijgebouw(tje) = Annexe; Annexation, bijvoeging, annexatie.
Annesley, anzli.
Annihilate, ənaihileit, vernietigen, te niet doen; Annihilation, vernietiging; Annihilator: Fire annihilator = bluschapparaat.
Anniversary, anivɐ̂s’ri, jaarlijksch; subst. verjaardag, jaarfeest: The four hundredth anniversary of the discovery of America.
Annotate, anəteit, annoteeren; Annotation = annotatie; adj. Annotative; Annotator, schrijver van annotaties.
Announce, ənauns, aankondigen, aanmelden (to); Announcement, aankondiging.
Annoy, ənôi, subst. (= Annoyance) = plaag, ergernis; schade, beschadiging; Annoy verb. ergeren, kwellen, hinderen; The Annoying boy read a tedious book = vervelende (lastige) ... vervelend.
Annual, anjuəl, jaarlijksch, één jaar durend; subst. éénjarige plant, jaarlijks uitkomend boek, een soort Muzen Almanak; Annuary = jaarboek.
Annuitant, ənjûit’nt = hij, die een jaarlijksche rente geniet; Annuity, ənjûiti, jaargeld, annuïteit.
Annul, ənɐl, vernietigen; afschaffen, herroepen; Annulment, vernietiging, etc.
Annular, anjulə, ringvormig, ring..: Annular eclipse of the sun; Annulate(d) = geringd; Annulation = ringvormige bouw; Annulet, anjulet, ringetje; Annulose, anjulous, anjulous, uit ringen bestaande.
Annunciate, ənɐnš(i)eit (= Announce). Annunciation Day = Maria Boodschap (R.K. kerk, 25 Maart); Will you be so kind as to touch the annunciator (button) = knopje van electrische of luchtschel.
Anodyne, anədain, pijnstillend; subst. pijnstillend middel.
Anoint, ənôint, zalven: The Lord’s Anointed = de Gezalfde des Heeren; subst. Anointment.
Anomalous, ənoməlɐs, anomaal, afwijkend, onregelmatig; subst. Anomaly.
Anon, ənon, dadelijk, aanstonds; weer: Ever and anon = telkens weer, nu en dan.
Anonym, anənim, anonymus, pseudoniem; Anonimity = anonymiteit; Anonymous, anonimɐs, anoniem; subst. Anonymousness.
Another, ənɐdhə, een ander, nog een: One another = elkander; Such another creature = een dergelijk schepsel; Have another glass = neem nog een glas (ter onderscheiding van; an other glass = een ander glas); One misfortune rides upon another’s back = een ongeluk komt nooit alleen; He is a fool, and I am another = en ik ook; One thing with another = het eene met het andere.
Anselm, ans’lm, Anselmus.
Anser, ansə, gans; Anserine, ansər(a)in, als van een gans, dom.
Anstruther, anstrûthə, anstrûthə, anstə.
Answer, ânsə, subst. antwoord, verantwoording, oplossing; Answer verb. antwoorden, beantwoorden, respondeeren, instaan voor, boeten, luisteren naar, voldoen, rendeeren, bevredigen, passen, oplossen: An answer will oblige = er wordt op antwoord gewacht; There was no answer = er werd niet op antwoord gewacht; To call a person to answer = ter verantwoording; To answer the bell (call, door) = opendoen; To answer a letter; What you say there, does not answer our purpose = is niet geschikt voor; It seldom answers to break treaties = men komt zelden verder met...; To answer for = instaan voor, rechtvaardigen, boeten voor; To answer to = antwoorden op; passen bij; overeenkomen met; The ship answered to the helm = luisterde naar; answerable (to, for), verantwoordelijk; subst. answerableness; answerer = weerlegger.
Ant, ant of ânt, (maar ant in samenstellingen, zooals ant-hill), mier; Ant-bear, Ant-eater = miereneter; Ant-hole, Ant-hill = mierennest.
Antagonism, antagənizm, antagonisme; Antagonist = tegenstander, tegenpartij; tegenspier; adj. tegenstrevend; Antagonistic, antagonistisch; Antagonize, tegenwerken; wedijveren, neutraliseeren.
Antalgic, antaldžik, subst. en adj. pijnstillend (middel).
Antarctic, antâktik, Zuidelijk: The Antarctic Pole, de Zuidpool.
Antecede, antəsîd = voorafgaan; Antecedence, voorafgaan, voorrang; Antecedent, antecedent: His antecedents = vroegere gedragingen.
Antechamber, antitšeimbə, voorkamer, wachtkamer.
Antedate, antideit, subst. vóórdatum; Antedate verb. vroeger dateeren, vooruitloopen op, anticipeeren.
Antediluvian, antidil(j)ûvj’n, antidiluviaansch; antidiluviaan, ouderwetsch mensch.
Antelope, antiloup, antilope.
Antemeridian, antimiridj’n, vóór den middag: At 7 a.m. = te 7 v.m.
Antemetic, antimetik, geneesmiddel tegen het vomeeren.
Antemundane, antimɐndein, vóórwereldlijk.
Antenatal, antineit’l, vóór de geboorte geschiedend.
Antenna, antenə, voelhoren, antenne, luchtdraad (Draadl. telegr.); Antennal, voelhorensdragend of betreffend.
Antenuptial, antinɐpš’l, vóór de bruiloft of het huwelijk gebeurende.
Antepenult(imate), antipinɐlt(imeit), derde lettergreep van achteren.
Anteprandial, antiprandj’l, vóór den maaltijd.
Anterior, antîriə, voorafgaand, vroeger; Anteriority, voorafgaan, voorrang; hoogere ouderdom.
Ante-room, antirûm; Zie Antechamber.
Anthem, an-th’m, beurtzang, hymne: The national anthem = het volkslied.
Anthemis, an-thəmis, kamille.
Anther, an-thə, helmknop.
Anthology, an-tholədži, bloemlezing.
(St.) Anthony’s fire, antənizfaiə, (St.) Antoniusvuur (soort roos).
Anthracite, an-thrəsait, anthraciet.
Anthropography, an-thrəpogrəfi, anthropographie; Anthropology, an-thrəpolədži, anthropologie; Anthropomorphic = menschvormig, menschachtig; Anthropomorphism, an-throupəmöfizm, het toeschrijven van menschelijken vorm en menschelijke eigenschappen aan de Godheid; vergelijken van dieren en planten met den mensch; Anthropophagi, an-threpofədžai, menscheneters; Anthropotomy, an-thrəpotəmi, ontleedkunde (van den mensch).
Anti, anti, tegen, strijdig met.
Antibacchius, antibakiəs, versvoet (– – ⏑).
Antibilious, antibiljəs = tegen de gal.
Antic, antik, kluchtig, grappig; subst. grappenmaker, hansworst; klucht, grimas.
Antichrist, antikraist, Antichrist; Antichristian, tegen het Christendom; vijand van het Chr.
Anticipate, antisipeit, anticipeeren (op), bij voorbaat doen, vooruitloopen op, voorzien, vooraf gevoelen, vooruit betalen, verhinderen; subst. Anticipation, antisipeiš’n: Beyond anticipation = boven verwachting; By (In) anticipation = bij voorbaat: He rejoiced in anticipation = al vooruit; Anticipative; Anticipatory = anticipeerend.
Anticlimax, antiklaiməks, of antiklaiməks, het belachelijk verhevene (in stijl).
Antidotal, antidoutəl, als tegengif dienend; Antidote = antidotum, tegengift.
Antidrinkist, antidriŋkist, afschaffer: My friend is both an anti-smokist and an Antidrinkist.
Antifebrile, antifebril of antifîbril, subst. geneesmiddel tegen de koorts; adj. koortsstillend.
Antifederal, antifed’rəl, tegen bondgenootschappelijke vereeniging; Antifederalism, antifederalisme; Antifederalist, antifederalist.
Antigropelos, antigropilos of antigropilouz, waterdichte lederen beenbeschermers, soort rijlaarzen.
Antilles (The), (dhi) antilîz, de Antillen.
Antilogy, antilədži, tegenstrijdigheid.
Antimacassar, antiməkasə, antimacassar.
Antimonial, antimounj’l, adj. antimoon...; subst. antimoniumhoudende medicijn; Antimony, antimoon.
Antinome, antinoum = Antinomy, antinəmi, antinomie.
Antioch, antiok, Antiochië; Antiochia, antiəkaiə.
Antipathetic(al), antipəthetik(’l), antipathiek; Antipathy, antipəthi, antipathie.
Antiphon, antifon = Antiphony, antifəni, antiphoon.
Antipodal, antipədəl, antipodisch; Antipode, antipoud, tegenvoeter; Antipodes, antipədîz, tegenvoeters: We stand distinctly at antipodes in our political views = wij staan lijnrecht tegenover elkaar; Antipodean = Antipodal.
Antipyretic, antip(a)iretik, subst. en adj. koortswerend (middel); Antipyrin(e), antipairin, antipyrine.
Antiquarian, antikwêrj’n, adj. oudheidkundig; Antiquary, antikwəri, oudheidkenner, antiquaar; Antiquated, antikweitid, verouderd; Antique, antîk, oud, ouderwetsch; subst. antiquiteit: A dealer in Antique furniture; subst. Antiqueness; Antiquity = oudheid, antiquiteit.
Antiseptic, antiseptik, bederfwerend (middel).
Antispasmodic, antispazmodik, subst. en adj. krampstillend (middel).
Antistrophe, Antistrophy, antistrəfi, antistrophe; Antistrophic, de antistrophe betreffend.
Antithesis, antithisis, tegenstelling; Antithetic(al), antithetik(’l), tegenstellend.
Antitype, antitaip, tegenbeeld, symbool; adj. Antitypic(al).
Antler, antlə, tak (van het gewei); Antlered = met een gewei, knoestig; Antlers, antləz, het gewei.
Antonomasia, antənəmeižə, antonomasia.
Antral, antr’l, hol...
Antwerp, antwɐ̂p, Antwerpen.
Anus, einəs, anus.
Anvil, anv’l, aambeeld: On the anvil = in voorbereiding; Between hammer and anvil = tusschen twee vuren.
Anxiety, aŋzaiiti, angst, bezorgdheid; benauwdheid; vurig verlangen; Anxious, aŋšəs, angstig, bezorgd; verlangend, begeerig: He is on the anxious seat = hij zit leelijk in de klem; I am anxious to increase my collection of stamps = verlangend; subst. Anxiousness = bezorgdheid; verlangen.
Any, eni, eenig (in zéér algemeenen zin) etc.: Have you any money for me? = ook? Is my father any better? = soms ook wat; (Verg. ’t Amer.: That don’t comfort me any = geen sier; Will that help you any? = in eenig opzicht; If I had slept any last night = ook maar een oogenblik); You have not been here any time = nog maar zoo kort; You will be welcome at any time, (anywhen) = te allen tijde, wanneer ge ook komt.
Anyhow, enihau, in elk geval, hoe dan ook; Anything = iets, wat dan ook, etc.: For anything I know = voor zoover ik weet; Like anything = zooveel mogelijk, dat het een aard heeft; That is too charming for anything = onbeschrijfelijk (weergaloos) bekoorlijk; Anything but = alles behalve; My clock is, if anything, fast = loopt in elk geval voor; Anything like forty times = lang geen 40 keer; He ceased to think of her as the most beautiful or the most anything woman = of superieur in wat opzicht dan ook; Anyway = hoe dan ook, in allen gevalle; Anywhere = ergens; Anywise = op eenigerlei wijze.
Aonian, eiounj’n, dichterlijk.
Aorist, eiərist, aoristus.
Aorta, eiöta, aorta; Aortic, tot de aorta behoorend.
Aoul, âûl, een Tartaarsch kamp.
Apace, əpeis, snel, vlug: Ill weeds grow apace = onkruid vergaat niet.
Apanage, apənidž, apenage, aandeel, afhankelijk gebied.
Apart, əpât, afgescheiden van, apart, anders dan anders: You cannot consider the one apart from the other = de beide dingen zijn niet te scheiden; subst. Apartness.
Apartment, əpâtm’nt, vertrek: Apartments, reeks vertrekken (als woning); Apartments to let = kamers te huur (ook fig.); Apartment house (Am.) = huizen in verdiepingen verhuurd met gemeenschappel. ingang.
Apathetic, apəthetik, apathisch; Apathy, apəthi, apathie, laksheid.
Ape, eip, subst. aap (zonder staart), naäper; verb. naäpen: The higher the ape goes, the more he shows his tail; An ape’s an ape, a varlet’s a varlet, tho’ they be clad in silk and scarlet = al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een leelijk ding; Apery = apenstreek; naäperij.
Apeak, əpîk, recht op en neer, bijna loodrecht = Apeek.
Apelles, əpelîz; Apennines, apənainz = Appenijnen.
Apepsia, əpepsiə, Apepsy, əpepsi, slechte spijsvertering.
Aperient, əpîriənt, subst. laxeermiddel; adj. laxeerend = Aperitive.
Aperture, apətjuə, opening, spleet.
Apetalous, əpetəlɐs, zonder bloemblad.
Apex, eipeks (Meerv. Apices, eipisiz, of Apexes, eipeksiz), toppunt.
Aphaeresis, əfîrisis of əferisis, aphaeresis.
Aphelion, əfîliən, aphelium.
Aphidian, əfidiən, adj. bladluis...; subst. = Aphis, eifis of afis, bladluis. (Mv. Aphides, afidîz).
Aphorism, afərizm, aphorisme; Aphoristic, aphoristisch.
Aphrodite, afrədaiti, de Grieksche Venus.
Aphtha, af-thə, spruw.
Aphyllous, əfiləs of afilɐs, bladloos.
Apiarian, eipiêriən, de bijen betreffend; Apiarist, eipjərist, ijmker; Apiary, eipjəri, bijenstal.
A-piece, əpîs, per stuk, elk.
Apish, eipiš, aapachtig, potsierlijk; subst. Apishness.
A-pit(-a)pat, əpit(ə)pat, met snel geklop.
Aplomb, əploŋ, aplomb.
Apocalypse, əpokəlips, Openbaring; Apocalyptic number = het getal 666.
Apocope, əpokəpî, apocope.
Apocrypha, əpokrifə, de apocryphe boeken (van het Oude Testament); Apocryphal = aprocief.
Apodictic, apədiktik, apodictisch.
Apogean, apədžîən: Apogean tides = Neap apogean; Apogee, apədži, apogaeum.
Apograph, apəgraf, afschrift.
Apollo, əpolou, Apollo: Apollo and the Nine.
Apollyon, əpoliən, Apollyon, (Openb. IX, 11).
Apologetic(al), əpolədžetik(’l), verontschuldigend; Apologist = apologeet; Apologize = zich verontschuldigen; Apology = apologie, verdediging, excuus: He made an apology = maakte excuus.
Apo(ph)thegm, apəthem, kernspreuk.
Apoplectic, apəplektik, beroerte...: Apoplectic fit (stroke) = aanval van beroerte; Apoplexy, apəpleksi, beroerte: A fit of apoplexy = aanval van beroerte.
Apostasy, əpostəsi, afvalligheid: Julian the Apostate = Juliaan de Afvallige; Apostatical, afvallig; Apostatize, afvallen.
Apostil, əpostil, kantteekening, naschrift.
Apostle, əpos’l, apostel: Acts of the Apostles = Handelingen d. Apostelen; Apostle-spoons = zilveren lepels, waarvan het handvatsel in het beeld van een apostel uitloopt (een gewoon geschenk van peetvaders bij het doopen); Apostleship, ambt v. apostel = Apostolate, əpostəlit; Apostolic = apostolisch: Apostolic fathers = Christelijke schrijvers ten tijde of onmiddellijk na de apostelen; Apostolic succession = machtsoverdracht van af de apostelen.
Apostrophe, əpostrəfi, aanspraak, toespraak, afkappingsteeken; Apostrophize, zich wenden tot; met een apostrophe voorzien.
Apothecary, əpothəkəri, apotheker (Schotl. en Amer.); soort van plattelands-heelmeester; Apothecaries’ Society = College, dat sedert 1874 examens afneemt en Licenses uitreikt (Zie Chemist): Apothecary’s Bill = apothekersrekening (fig.); Apothecary’s Latin = potjeslatijn.
Apotheosis, apəthiousis of apəthîəsis, verheerlijking; Apotheosize, apəthîəsaiz, verheerlijken.
Appal, əpôl, verschrikken, ontstellen.
Appanage = Apanage.
Apparatus, apəreitəs, apparaat, hulpmiddelen, uitrusting, organen: The digestive apparatus = de verteringsorganen.
Apparel, əpar’l, subst. de kleederen, gewaad; opschik; Apparel verb. kleeden, uitrusten, opschikken.
Apparent, əpêr’nt, blijkbaar, duidelijk; schijnbaar; rechtmatig: Heir apparent = rechtmatige troonopvolger; Apparent horizon = schijnbare horizon; Apparent time = ware tijd; Apparent from = blijkend uit.
Apparition, apəriš’n, verschijning, spooksel; Apparitional = schijnbaar, zichtbaar; spookachtig.
Apparitor, əparitə, deurwaarder, pedel.
Appeal, əpîl, subst. beroep, het recht van beroep, appel, dagvaarding; smeekbede: Appeal verb. appelleeren, zich beroepen op, smeeken: Lord Justice of Appeal = lid van Her Majesty’s Court of Appeal (Hof van Beroep); Without appeal = in laatste instantie; He gave notice of appeal = gaf kennis dat hij wou appelleeren; He appealed from this Court of Justice to the king’s mercy = hij appelleerde... van deze rechtbank op; The ministry will appeal to the country = zal de Kamer(s) ontbinden; appealable = vatbaar voor beroep.
Appear, əpîə, verschijnen, zichtbaar worden, duidelijk zijn, blijken (by, from): It would appear that = lijkt wel of; Appearance, verschijnen, voorkomen, aanblik, verschijnsel, vertoon: To keep up (save) appearances = den schijn redden; To keep up a proper appearance = fatsoenlijk voor den dag komen; He put in an appearance = kwam, verscheen.
Appeasable, əpîzəb’l, te bevredigen; Appease, əpîz, stillen, bevredigen; Appeasing remedies = pijnstillende.
Appellant, əpel’nt, appelleerend, het appèl betreffend: Party appellant = de appellant; subst. appellant; requestrant; Appellate = het appèl betreffend: Appellate Court = Hof. v. Beroep; Appellation, apəleiš’n, benaming, naam; Appellative: Appellative name = soortnaam; Appellee, beschuldigde, aangeklaagde; Appellor, əpelə, aanklager; King’s (Queen’s) Evidence; wraker v. partijdige Jury-leden.