Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 98

Chapter 982,902 wordsPublic domain

Privilege, privilidž, subst. voorrecht, recht; Privilege verb. vrijstellen, bevoorrechten, machtigen: Breach of privilege = schennis van de rechten van een zedelijk lichaam, zooals het House of Commons; Writ of Privilege = bevel tot vrijlating van bevoorrechte personen (Afgevaardigden, etc.); Privileged = bevoorrecht.

Privy, privi, geheim, afgezonderd, heimelijk, ingewijd; subst. privaat; belanghebbende: I am privy to all his plans = ingewijd in; Privy Chamber = geheim kabinet; particulier vertrek van den koning; Privy Council = Engelsche Raad van State; Privy Councillor = lid van dien Raad van State; Privy parts = Privates; Privy purse = civiele lijst; Privy Seal = geheimzegel: Lord Privy Seal = geheimzegelbewaarder; Privity = geheime mededeeling, medeweten: With his privity and consent.

Prize, praiz, subst. prijs, buit, belooning, voordeel; adj. bekroond; Prize verb. waardeeren, schatten, den prijs bepalen van: To draw a prize in the lottery; He got (took, won) the first prize = heeft den eersten prijs behaald; Prize of war; Prize-cat, Prize-ox = bekroonde; Prize-court = hof dat uitspraak doet over den op zee behaalden buit; Prize-essay = bekroonde verhandeling; Prize-fight = wedstrijd in het boksen; Prize-fighter; Prize-fighting = het boksen; Prize-man = prijswinnaar (vooral aan een universiteit); Prize-money = prijsgeld; Prize-ring = worstelplaats.

Pro and con, prouəndkon, voor en tegen.

Proa, prouə, prauw (Ind. vaartuig).

Probabiliorism, probəbiljərizm, Roomsche leer dat een handeling veroorloofd is als een waarschijnlijk motief daarvoor kan worden opgegeven.

Probability, probəbiliti, waarschijnlijkheid; weervoorspelling (Amer.): In all probability he will come = naar alle waarschijnlijkheid; Probable, probəb’l, waarschijnlijk.

Probate, proubit, officieele erkenning van de rechtsgeldigheid van een testament, het afschrift hiervan op perkament met het zegel van het Probate Court; Probate Court = vroeger gerechtshof, waar de rechtsgeldigheid van testamenten geconstateerd werd, waar door den executor “the will was proved”; thans een afd. van de Probate, Divorce and Admiralty Division of the High Court of Justice; Probate duties = recht te betalen bij het aanvragen van; Probate of a will = successierecht; Probation, prəbeiš’n, bewijsvoering, voorwaardelijke vrijspraak, bewijs, onderzoek, proeftijd: To preach on probation = een proefpreek houden (Amer.); Probational = Probationary = op proef, proef...; Probationer, prəbeišənə, provisioneel aangestelde, novitius, proponent (Schotl.); Probative = op proef, proef...; Probator, prəbeitə, onderzoeker; Probatory = proef - -.

Probe, proub, subst. tentstaal of sonde, peilstift (Med.); Probe verb. sondeeren, onderzoeken: They probed my knowledge to its utmost quick = peilden mijne kennis; Probe-scissors = wondschaar.

Probity, probiti, beproefde eerlijkheid of rechtschapenheid, oprechtheid.

Problem, probl’m, vraagstuk, lastig geval: He could not do that problem, solve that problem = kon dat voorstel niet maken, dat vraagstuk niet oplossen; Problematic(al), probləmatik(’l), twijfelachtig, onzeker; Problematize, probl’mətaiz, vraagstukken voorleggen.

Proboscidean, proubəsidiən, van snuitdieren (olifanten, etc.); ook subst.; Proboscis, prəbosis, snuit (van olifanten, tapirs; ook de zuigorganen der insecten), groote neus.

Procedure, prəsîdjə, handelwijze, manier v. doen, procedure.

Proceed, prəsîd, voortgaan, voortzetten, voortrukken, voortkomen uit, ontstaan, overgaan tot procedeeren, een acad. graad verkrijgen: This proceeds from sheer vanity = komt voort uit; He proceeded on his way, journey = zette voort; Let us proceed to business = aan het werk gaan, tot onze werkzaamheden overgaan; You proceed upon the wrong principle = gaat te werk; Let us proceed with our business = laten wij voortgang maken met; Proceeding = voortgang, handeling, gedragslijn, handelwijze; Proceedings = maatregelen in eene rechtszaak genomen, verslagen van een genootschap: Proceedings of the Geographical Society = Handelingen v. het Aardrijkskundig Genootschap; He took legal proceedings = deed gerechtelijke stappen; He wound up the proceedings of the meeting with a speech = besloot de werkzaamheden der vergadering; Proceeds = opbrengst: He lived on the proceeds of his estates = hij leefde van de opbrengst (rente, huur) zijner (land)goederen.

Process, pro(u)səs, voortgang, loop, verloop, handelwijze, maatregel; verlenging; chem. proces, dagvaarding: In process of time = in verloop van tijd; To serve a process on = dagvaarden; Procession, prəseš’n, processie: Funeral procession = begrafenisstoet; Processional, subst. titel van een deel van het Rituaal met 14 artikels over processies; adj. tot eene processie of een stoet behoorende; Processionary = processie - -.

Procidence, pro(u)sidens, verzakking; Prociduous, prəsidjuəs, verzakkend, verzakt.

Proclaim, prəkleim, afkondigen, openbaar maken, verspreiden, proclameeren, in staat van beleg verklaren: The ban(n)s were proclaimed = huwelijksafkondiging had plaats; The county was proclaimed = het graafschap werd in staat van beleg verklaard krachtens de Peace Preservation Acts (Ierl.); Proclamation, prokləmeiš’n, bekendmaking, afkondiging: Proclamation of war; To issue a proclamation.

Proclivity, prəkliviti, neiging, overhelling; Proclivous, prəklaivəs, overhellend, geneigd.

Proconsul, prokons’l, proconsul, stadhouder; adj. Proconsular; Proconsulate, prəkonsiulit, proconsulschap = Proconsulship.

Procrastinate, prəkrastineit, uitstellen, verschuiven; Procrastination = uitstel, traagheid; Procrastinator; adj. Procrastinatory.

Procreate, proukrieit, telen, voortbrengen; subst. Procreation; Procreative = voortbrengend; Procreator = voortbrenger.

Procrustean, prokrɐstj’n: Procrustean bed = bed van Procrustes, prokrɐstîz, bekende roover in Attica, die zijne slachtoffers verminkte of uitrekte tot ze van pas waren voor zijne rustbank.

Proctor, proktə, een soort van universiteitsrechter en opziener die met de bewaring van orde en tucht belast is, en uit de Fellows gekozen wordt; procureur (in een geestelijk gerechtshof), afgevaardigde; Proctorize = roepen voor den Proctor; Proctorship = waardigheid van Pr.

Procumbent, prəkɐmb’nt, liggend.

Procurable, prəkjûrəb’l, verkrijgbaar.

Procuracy, prokjurəsi, procureurschap, procuratie; Procuration, prokjureiš’n, bezorging (van eens anders belangen of zaken), volmacht, procuratie: Procuration-fee (Procuration-money) = makelaarsloon; Procurations = geld door de E. geestelijken te betalen in plaats v. het vroeger aan den bezoekenden bisschop of aartsdeken aangeboden maal; Procurator = procureur, gevolmachtigde: Procuratorship; adj. Procuratory.

Procure, prəkjûə, verschaffen, krijgen, bezorgen: I could procure an order for you = zou u wel een toegangsbewijs kunnen bezorgen; I got it through his procurement = bemiddeling, zorg; Procurer, prəkjûrə, prokjurə, verschaffer, bezorger; koppelaar; Procuress = koppelaarster.

Prod, prod, subst. prikkel, gepunt werktuig, els, prik; Prod verb. prikken, stooten, aanzetten (ook met up).

Prodigal, prodig’l, subst. doorbrenger, verkwister; adj. verkwistend, overvloedig: The Prodigal Son = de Verloren Zoon; Prodigality, prodigaliti, verkwisting, overvloed.

Prodigious, prədidžəs, kolossaal, ongehoord, verschrikkelijk; subst. Prodigiousness; Prodigy, prodidži, wonder, wangedrocht, voorteeken: Youthful prodigy = wonderkind.

Produce, pro(u)djûs, opbrengst, resultaat.

Produce, prədjûs, voortbrengen, veroorzaken, vertoonen, bijbrengen, aanvoeren, overleggen, verlengen: I don’t know how many witnesses he offered to produce = hij wel zeide er te kunnen bijhalen; His words did not produce the least effect = hadden niet de minste uitwerking; He produced his papers = haalde voor den dag; To produce a new play = voor het voetlicht brengen; Producer = producent; Producibility, subst. v. Producible = wat bijgebracht, aangehaald, vertoond kan worden: Many proofs are producible for this assertion = kunnen worden bijgebracht; subst. Producibleness.

Product, prodəkt, voortbrengsel, product, resultaat, gevolg; Production, prədɐkš’n, overlegging, productie, vrucht, voortbrengsel, verlenging; Productive = voortbrengend: This law has been productive of much good = deze wet heeft veel goeds gewrocht; Productiveness = Productivity = vruchtbaarheid, rentabiliteit.

Proem, prouəm, inleiding, voorrede; Proemial, prəîmiəl, inleidend.

Profanation, profəneiš’n, ontheiliging, ontwijding; Profane, prəfein, adj. ontheiligend, profaan, goddeloos; Profane verb. ontheiligen, profaneeren; subst. Profaneness; Profaner; Profanity, prəfaniti, goddeloosheid, godslasterlijke taal, heiligschennis.

Profess, prəfes, openlijk verklaren of betuigen, erkennen, betuigen, beweren: He is a professed misogynist = verstokt vrouwenhater; I don’t profess to be a judge of literature = geef mij niet uit voor; He professed himself an artist = gaf zich uit voor; Professed friendship = beweerde; Professedly = onloochenbaar: Profession = erkentenis, openlijke verklaring, belijdenis; beroep; kloostergelofte: By profession = van beroep; The learned professions = geleerde beroepen; Professional, subst. die een beroep uitoefent, die eene kunst niet als amateur beoefent, kunstenares; adj. beroeps - -: A Professional cricketer, skater = beroeps...; Professional gentleman (man) = jurist, theoloog, dokter.

Professor, prəfesə, belijder, hoogleeraar: Professor of law, of natural history = hoogleeraar in de rechten, in de natuurlijke geschiedenis; Professorate = Professoriate; Professorial, proufəsôriəl, professoraal; Professoriate = gezamenl. professoren van een hoogesch.; professoraat = Professorship = hoogleeraarsambt.

Proffer, profə, subst. aanbod, voorstel: Proffer verb. aanbieden, voorslaan: Proffers of peace; To make a proffer; I shook his proffered hand = uitgestoken hand; Profferer.

Proficience, Proficiency, prəfiš’ns(i), vaardigheid, bedrevenheid; bekwaamheid; Proficient, subst. ingewijde, meester; adj. ingewijd, bedreven, bekwaam: To be proficient in = bekwaam in.

Profile, prouf(a)il, subst. profiel; Profile verb. in profiel teekenen; Profilist, prouf(a)ilist, silhouetteekenaar.

Profit, profit, subst. voordeel, winst, nut; Profit verb. helpen, v. nut zijn, vorderingen maken: I have derived much profit from your instruction = veel nut getrokken; To leave a profit = winst afwerpen; Small profits, quick returns = kleine winst, groote omzet; I have profited very much by your advice = uw raad is mij zeer heilzaam geweest; Profitable = voordeelig, nuttig, heilzaam, winstgevend; subst. Profitableness; Profitless = zonder nut, onvoordeelig.

Profligacy, profligəsi, losbandigheid; Profligate, profligit, subst. en adj. losbandig(e), losbol; subst. Profligateness.

Profound, prəfaund, diep, geleerd, diepzinnig, diepgevoeld; subst. afgrond: A profound mistake = grove dwaling; The profound = de zee; A profoundly interesting book = hoogst..; Profoundness = Profundity, prəfɐnditi, diepte, diepzinnigheid, grondige kennis, etc.

Profuse, prəfjûs, mild, verkwistend, kwistig, overvloedig; subst. Profuseness; Profusion, prəfjûž’n, overvloed, verkwisting, mildheid.

Prog, prog, bedelen; opgebedelde eetwaren; bedelaar.

Progenitor, prədženitə, voorvader, voorzaat; vr. Progenitress; Progeny, prodžini, nageslacht, nakomelingen.

Prognosis, prognousis, prognose; Prognostic, prognostik, subst. voorteeken, prognose; adj. voorspellend, vóórbeteekenend; Prognosticate = voorspellen, wijzen of doelen op; Prognostication = voorspelling, voorteeken; Prognosticative = voorspellend; Prognosticator.

Program(me), prougram, programma.

Progress, prougrəs, progrəs, voortgang, reis, vorstelijke rondreis, vorderingen, vooruitgang: The matter is in progress = de zaak is in wording, gaat geregeld voort; The committee reported progress = deelde den stand der zaak mede.

Progress, prəgres, voortgang of vorderingen maken, vooruitkomen, stijgen, bevorderen; Progression = voortgang, vooruitgang, opklimming, reeks (in de rekenkunde): Arithmetic progression = rekenkundige reeks; Geometrical progression = meetkundige reeks; Ascending, Descending progression = opklimmende, afdalende reeks; Progressional = voortgaand, vorderend; Progressionist = voorstander van den vooruitgang, uitspr. Progressist, Progressist; Progressive = voortgaand, verbeterend; subst. vooruitstrevend man, voorstander van vooruitgang; Progressive minded = vooruitstrevend; Progressive number = doorgaand nummer; subst. Progressiveness.

Prohibit, prəhibit, verbieden, beletten: Bill-sticking prohibited here = verboden hier aan te plakken; Prohibiter; Prohibition, prouhibiš’n, verbod: Writ of Prohibition = bevel van het High Court aan een lager hof tot schorsing van een geding; Prohibition party = partij die het verbod van den verkoop van sterken drank voorstaat (Amer.); Prohibitionist = lid dier partij; voorstander van beschermende rechten; Prohibitive, prəhibitiv, verbiedend; Prohibitive duties = beschermende rechten.

Project, prodžəkt, proudžəkt, ontwerp; (dwaas en onpractisch) plan.

Project, prədžekt, vooruitwerpen, projecteeren, ontwerpen, beramen, vooruitsteken; Projectile, prədžekt(a)il, voortdrijvend, voortgedreven; subst. projectiel; Projection = ontwerp, vooruitspringing, projectie; Projector = maker van (dwaze en onpractische) plannen; sciopticon; Projecture = het vooruitsteken.

Prolapse, prəlaps, Prolapsus, prəlapsəs, uitzakking (Med.).

Prolegomena, prouləgomənə, inleiding.

Proletarian, proulitêriən, laag, gemeen, proletarisch; subst. proletariër; Proletarianism = toestand of invloed der proletariërs; Proletariat, proulitêriət, proletariaat; Proletary, pro(u)litəri = Proletarian.

Prolific, prəlifik, vruchtbaar: A prolific writer = vruchtbaar schrijver; Prolification, prəlifikeiš’n, voortteling, bevruchting; Prolificness = vruchtbaarheid.

Prolix, pro(u)liks, prəliks, langdradig, vervelend; Prolixity, prəliksiti = Prolixness = langdradigheid.

Prolocutor, prəlokjutə, prouləkjûtə, proləkjûtə, woordvoerder, voorzitter; Prolocutorship.

Prologue, pro(u)log, inleiding, proloog.

Prolong, prəloŋ, verlengen, uitstellen, prolongeeren; subst. Prolongation, prouloŋgeiš’n; Prolonger, prəloŋə.

Prolusion, prəl(j)ûž’n, voorspel, poging, proeve.

Prom, prom, verk. van Promenade-concert.

Promenade, promənâd, subst. wandeling, wandelplaats, promenade; Promenade verb. op en neer wandelen; Promenade-concert = wandelconcert.

Promethean, prəmîthiən, adj. van Prometheus; Prometheus, prəmîthiəs, prəmîthjûs.

Prominence, Prominency, prominens(i), Uitsteken, uitstèkendheid, hooge plaats, beroemdheid: To bring into prominence = op den voorgrond brengen; Prominent = ùitstekend, uitstèkend, voornaamste.

Promiscuity, proumiskjûiti, vermenging, verwarring, vrij geslachtelijk verkeer; Promiscuous, prəmiskjuəs, gemengd, verward, door elkander: They always came at promiscuous hours (= op alle uren v. d. dag), never at stated times (= gezette tijden); Promiscuous society = gemengd gezelschap; The two words may be used promiscuously = men mag die woorden voor elkander in de plaats zetten; subst. Promiscuousness.

Promise, promis, subst. belofte, verwachting; Promise verb. beloven, toezeggen: A promise is a promise = belofte maakt schuld; Breach of promise cases = gevallen van (huwelijks)beloftebreuk; Land of promise = land van belofte; You should not have made or recalled that promise = dat hadt gij niet moeten beloven of herroepen; He acted up to his promise = deed zooals hij beloofd had; He was very happy, I promise you = dat beloof ik je; To promise well = veel beloven; Promise-breaker = woord- of beloftebreker; To be in a promising state = veel beloven; Promissory, promisəri: A promissory note = promesse.

Promontory, prom’ntəri, voorgebergte, kaap.

Promote, prəmout, bevorderen, aankweeken, begunstigen, op touw zetten, oprichten, verwekken: To be promoted at school = verhoogd worden; Promoter = oprichter (vaak in ongunstigen zin); Promotion = bevordering, aanmoediging: He is on promotion = verwacht (staat op) bevordering; Promotive: To be promotive of a thing = iets bevorderen.

Prompt, prom(p)t, adj. gereed, vaardig, gevat, vlug, stipt: Prompt verb. aanzetten, aansporen, souffleeren, inblazen, vóórzeggen (in school): Eleven-thirty prompt = precies om half twaalf; Avarice prompted him to that mean action = deed hem bedrijven; Prompt-book = souffleursboek; Prompter = aanzetter, voorzegger, souffleur; Boxes P. S. (= Prompter’s-side) = loge aan de rechterzijde van het tooneel waar de souffleur staat (in Engeland staat hij achter eene coulisse); The promptings of nature = de ingevingen (stem) der natuur; Promptitude, promtitjûd, vaardigheid, vlugheid = Promptness; Promptuary, promtjuəri, magazijn van gereede goederen, bergplaats; Prompture = inblazing, het aanzetten.

Promulgate, prəmɐlgeit, openbaar maken, verkondigen: The secret was promulgated = bekend gemaakt; subst. Promulgation.

Prone, proun, naar voren of beneden gebogen, steil, gretig, geneigd, vooroverliggend: He lay prone before the emperor = in het stof gebogen; He is prone to mischief = geneigd, in staat; Proneness = helling, steilheid, neiging.

Prong, proŋ, scherp werktuig, tand van een vork; Prong verb. steken; Prongbuck, Pronghorn antelope = soort van Amerikaansche antilope; Pronged: A three-pronged fork = vork met drie tanden.

Pronominal, prənomin’l, voornaamwoordelijk; Pronoun, prounaun, voornaamwoord.

Prononcé, pronoŋsei, met kracht of klem.

Pronounce, prənauns, uitspreken, houden, verklaren of beslissen: Sentence of death was pronounced on the murderer = het doodvonnis werd uitgesproken over; He was pronounced to be a fool = hij werd voor dwaas verklaard; It is not easy to pronounce upon the subject = daaromtrent te beslissen; Pronounceable = wat uitgesproken kan worden; Pronouncement = uitdrukkelijke verklaring: A pronouncement on that question = eene beslissing omtrent die zaak; That pronouncement pulls me up = voor die uitspraak sta ik stil; Pronouncing dictionary = woordenboek met uitspraak.

Pronunciation, prənɐnšieiš’n, uitspraak, voordracht; Pronunciative, prənɐnšieitiv, tot de uitspraak behoorende, dogmatisch.

Proof, prûf, bewijs, proef, drukproef, overtuigend bewijs, vastheid, kracht, ondoordringbaarheid; adj. ondoordringbaar, beproefd, bestand, van zeker alcoholgehalte: Clean proof = revisie; First proof = (eerste) proef; Burden of proof = bewijslast; A lot of proof = een hoop proeven; I read it in the proof = las de proeven; What can you adduce in proof of your assertion? = tot bewijs van; We shall put it to the proof = op de proef stellen; The proof of the pudding is in the eating = ondervinding is het beste bewijs; A proof overcoat = waterdichte overjas; He is proof against temptation = tegen de verleiding bestand; Cholera-proof; The safe proved to be fire-proof = bleek tegen het vuur bestand te zijn; Proof-reader = corrector; Proof-sheet = drukproef; Proofless = onbewezen.

Prop, prop, subst. steun, stut, pen (van gloeikousje); Prop verb. stutten, schragen.

Propaedeutic, proupədjûtik, propaedeutisch; Props = propaedeuse.

Propagable, propəgəb’l, wat voortgeplant, bevorderd of verspreid kan worden.

Propaganda, propəgandə, propaganda: College of the Propaganda = Propaganda-College te Rome; To make propaganda for; Propagandism = verspreiding van leerstellingen; Propagandist = propagandist.

Propagate, propəgeit, (zich) voortplanten, verspreiden, verbreiden; Propagation = voortplanting, verspreiding, verbreiding; Propagator; adj. Propagatory.

Propel, prəpel, voortdrijven: Propelling force = drijfkracht; Propellent = voortstuwend; Propeller = drijver, voortstuwer, schroef (= Screw-propeller); Propeller shaft = schroefas.

Propense, prəpens, geneigd; Propenseness, prəpensnəs, Propensity, prəpensiti, geneigdheid, natuurlijke neiging.

Proper, propə, gepast, geschikt, eigen(aardig), behoorlijk, betamelijk, fatsoenlijk: Proper name (Proper noun) = eigennaam; What’s your proper name? = eigen naam; That is the proper thing = dat is “je ware”; The thing proper = de eigenlijke zaak; A word used in its proper sense = eigenlijke beteekenis; All in its proper time = op zijn tijd; It is not proper for you to do so = het past u niet; To think proper = goed vinden; Properness = gepastheid; Property = eigenschap, hoedanigheid, eigendom (Properties = requisieten): Funded property, Landed property = kapitaal-vermogen, landbezit of grondeigendom; Movable, Personal property = roerend goed; Real property = onroerend goed; Property-letter = tooneelbrief; Property-master = requisiteur; Property-room; Property-tax = vermogensbelasting.

Prophecy, profəsi, voorzegging, voorspelling; Prophesier, profəsaiə, profeet; Prophesy, profəsai, voorzeggen, voorspellen; Prophet, profət, profeet: A prophet has no honour in his own country = een profeet is niet geëerd in zijn land; Prophetess, profətəs, profetes; Prophetic(al), prəfetik’(l), profetisch.

Prophylactic, pro(u)filaktik, subst. en adj. voorbehoedend (middel) tegen ziekte; Prophylaxis = prophylaxe.

Propinquity, prəpiŋkwiti, nabijheid, nauwe verwantschap.

Propitiate, prəpišieit, gunstig stemmen, bevredigen, verzoenen; Propitiation = verzoening; Propitiator = verzoener; Propitiatory = verzoenend, zoen...: Propitiatory sacrifice = zoenoffer; Propitious, prəpišəs, gunstig, genadig, vergevend; subst. Propitiousness.

Propolis, propəlis, maagdenwas.

Propontic, prəpontik, Zee v. Marmora.

Proportion, prəpöš’n, subst. evenredigheid, verhouding, regel van drieën (= Rule of proportion); Proportion verb. toebedeelen, evenredig maken, regelen: In proportion as you work so you will be rewarded = naar de mate dat; In proportion to = met betrekking tot; That is out of all proportion to the want = geheel onevenredig aan; They bear no proportion to one another = staan in geen verhouding tot, houden geen verband met; The work ought to be proportioned to his strength = moet in overeenstemming zijn met; Proportionable = evenredig = Proportional; dit ook subst. = evenredige hoeveelheid: Proportional representation = evenredige vertegenwoordiging; Mean proportional = de middenevenredige; Proportionality = evenredigheid;—verb. (prəpöšəneit) evenredig maken: Proportionate (prəpöšənit), adj. evenredig; subst. Proportionateness.

Proposal, prəpouz’l, voorstel, aanbod: Proposal of marriage, of peace; Proposal book = register waarin de “voorgehangen” leden van een club worden ingeschreven; I make this proposal but once = doe dit voorstel.

Propose, prəpouz, voorstellen, aanbieden, van plan zijn (to oneself), stellen (van candidaten): He has actually proposed for her = (haar vader of voogd) om hare hand gevraagd (Vergel. Proposeed to her = haarzelf om hare hand gevraagd); Man proposees, but God disposes = de mensch wikt, God beschikt; It is proposed to provision the fortress = het plan bestaat; I propose to go (going) there = ben van plan; To propose a toast; Proposer; Proposition, propəziš’n, voorstel, aanbod, verklaring, probleem, vergelijking; adj. Propositional.

Propound, prəpaund, voorstellen, onderwerpen of voorleggen (v. eene vraag): That question was propounded to the meeting = werd voorgelegd; Propounder.

Proprietary, prəpraiətəri = eigendoms...; subst. eigendomsrecht; Proprietaries = eigendommen, bezitters; Proprietor, prəpraiətə, eigenaar, deelnemer: Proprietorship = eigendomsrecht; vr. Proprietress, Proprietrix, prəpraiətriks.

Proprietous, prəpraiətəs, “netjes”, zooals het hoort: I am stifled at the thought of this pretty girl being guarded by those proprietous dragons of aunts = die stijve draken van tantes; Propriety, prəpraiəti, juistheid, gepastheid, welvoegelijkheid: This fellow sets all propriety at defiance = handelt tegen alle regelen der welvoegelijkheid in.

Props, props, verk. van Properties.

Propulsion, prəpɐlš’n, voortstuwing; Propulsive, Propulsory = voortdrijvend, stuwend.

Propylaeum, propilîəm, proupailîəm.

Pro rata, prou reitə, evenredig; Pro-ratable, naar rato of verhouding te verdeelen (Am.).