Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 40
Energetic (= Energetical), enədžetik, krachtig; Energetics, enədžetiks, de leer van het arbeidsvermogen; Energic(al), ənɐ̂dzik(’l) krachtig, werkzaam; Energize, krachtig werken (handelen), energie verleenen; Energy, enədži, energie, nadruk, beweging: Conservation of energy = de leer van het behoud van het arbeidsvermogen.
Enervate, ənɐ̂veit, enəveit, verzwakken, ontzenuwen; subst. Enervation.
Enfeeble, ənfîb’l, verzwakken; subst. Enfeeblement.
Enfeoff, ənfef, met een leen of eene schenking begiftigen, overdragen; Enfeoffment = begiftiging, leenbrief.
Enfilade, enfileid, subst. bestrijking overlangs; Enfilade verb. overlangs bestrijken: Enfilading fire = overlangsch vuur; This window enfilades the park = geeft uitzicht op het park in zijn geheele lengte.
Enfist, ənfist: The book enfists the reader = pakt, bindt.
Enforce, ənfös, doorzetten, dwingen, opleggen, opdwingen, doen eerbiedigen: The law was enforced = werd streng toegepast; Enforced absence = gedwongen; subst. Enforcement.
Enfranchise, ənfranš(a)iz, vrijmaken, vrij laten, het burgerrecht verleenen, het kiesrecht geven; subst. Enfranchisement: Enfranchisement of copyhold lands = het veranderen van deze in freeholds.
Engage, əngeidž, verbinden, engageeren, bespreken, in dienst nemen, in dienst treden (Engage oneself), bewegen tot, verplichten, zich bezig houden met, aan den gang brengen, wikkelen (in een strijd), slaags raken, zich begeven in, op zich nemen, zich verbinden: I am engaged = ben bezet, niet te spreken, heb al eene uitnoodiging; They engaged in general conversation = het gesprek werd algemeen; Engagement = afspraak, verplichting, verloving, aanstelling, bezigheid; gevecht: A general and close engagement = algemeen gevecht van man tegen man; I am under an engagement to him = ik ben jegens hem gebonden; To break, enter into, stand by an engagement = eene verbintenis verbreken, aangaan, houden; Meet your engagements = betaal uwe schulden; Engaged-wheels = in elkander grijpende raderen; het drijvende rad heet engaging, het gedrevene engaged wheel; Engaging = innemend, boeiend.
Engender, əndžendə, voortbrengen, telen, veroorzaken.
Engine, endžin, machine, locomotief (= Fire-engine, Locomotive-Engine); Engine verb. van machines voorzien: Light engine = losse machine; Engine-driver = machinist; Engine-hose = brandspuitslang(en); Engine-house = machineloods, brandspuithuisje; Engine-man = machinist, spuitgast; Engine-wright = locomotiefconstructeur.
Engineer, endžinîə, subst. ingenieur, machinist v. een trein (Amer.), officier of soldaat van de genie, technicus, machinist (op een schip); Engineer verb. aanleggen, op touw zetten, klaarspelen: Civil engineer; Electric engineer; Practical engineer = werktuigkundige; Then the Dreyfus case was engineered = op touw gezet; With a little tact it could be engineered = met een beetje tact kon het wel klaargespeeld worden; Civil and Military engineering = burgerlijke en militaire bouwkunde of genie; Engineering-drawing = machineteekenen.
Engird, əngɐ̂d, omgorden = Engirdle.
England, iŋlənd; Englander = Brit, Engelschman: A Little Englander = tegenstander van de uitbreiding van het rijk.
English, iŋgliš, Engelsch, ook subst.; English verb. verengelschen, in het E. overbrengen; She (He) is English = zij (hij) is een(e) Engelsche(-man); The King’s (Queen’s) English = zuiver Engelsch; Englishman = Engelschman; Englishwoman = eene Engelsche; Englishry = bewoners (in een ander land) van Engelschen stam.
Engorge, əngödž, gulzig verslinden; Engorged = volbloedig; Engorgement = vraatzucht; congestie.
Engraft, əngrâft, enten, indrukken, inplanten; subst. Engraftment.
Engrail, əngreil, kartelen, versieren; Engrailment = gekartelde of uit een kring van puntjes bestaande rand op een geldstuk.
Engrain, əngrein, in de wol verven, drenken in, inwortelen: Engrained with filth = door en door vuil.
Engrave, engreiv, graveeren, inprenten, indrukken; Engraver (on copper, on steel, on stone, on wood); Engraving = gravure, houtsnee.
Engross, əngrous, geheel innemen of bezitten, geheel in beslag nemen, aan zich trekken, in ’t groot opkoopen; in ’t net schrijven; Engrosser = copiïst; subst. Engrossment.
Engulf, əngɐlf, verzwelgen, verzwolgen worden, zich uitstorten, verdwijnen (onder de aarde).
Enhance, ənhâns, verhoogen, verheffen, vermeerderen, verzwaren; subst. Enhancement.
Enid, înid.
Enigma, inigmə, raadsel; Enigmatic(al), ook enigmatik(’l), raadselachtig, duister; Enigmatize = in raadselen spreken.
Enisle, ənail, tot eiland maken, isoleeren.
Enjoin, əndžôin, opleggen, bevelen, verbieden, vermanen (met on).
Enjoy, əndžôi, genieten, zich verheugen over, zich laten smaken, bezitten; zich vermaken (= Enjoy oneself): Did you enjoy your holiday = hebt ge plezier gehad in de vacantie? Enjoyable = genietbaar, genotvol; Enjoyer = bezitter, genieter; Enjoyment = genot, vreugde.
Enkindle, ənkind’l, aansteken, doen ontvlammen, opwekken.
Enlace, ənleis, omstrengelen, omgeven.
Enlard, ənlâd, lardeeren.
Enlarge, ənlâdž, grooter maken, verwijden, uitzetten, uitweiden over, in vrijheid stellen, grooter worden: Such an education enlarges the heart = maakt het hart ontvankelijker; subst. Enlargement.
Enlighten, ənlait’n, verlichten, beschaven, duidelijk maken, inlichten; subst. Enlightenment.
Enlink, ənliŋk, aaneenschakelen.
Enlist, ənlist, inschrijven, registreeren, in dienst nemen, winnen voor, werven, dienstnemen (into): I got him enlisted into my company; I enlist my pity in your behalf = ik heb medelijden met u; subst. Enlistment: Voluntary enlistment.
Enliven, ənlaiv’n, verlevendigen, opwekken, opvroolijken; Enlivener = opwekkend middel.
Enmesh, ənmeš, in een net vangen, omstrikken.
Enmity, enmiti, vijandschap, vijandige gezindheid.
Ennea..., eniə (in samenstellingen), negen: Enneagon, eniəgon, negenhoek; adj. Enneatic(al): Enneatic(al) days = iedere negende dag van eene ziekte; Enneatic(al) years = ieder negende jaar van een menschenleven.
Enniskillen, eniskilən.
Ennoble, ənoub’l, adelen, veredelen, verheffen; subst. Ennoblement.
Enoch, înok.
Enormity, inömiti, kolossaalheid, buitengewoonheid, gruwelijke misdaad, wreedheid, afschuwelijkheid; adj. Enormous; subst. Enormousness.
Enough, inɐf, genoeg, voldoende (hoeveelheid): Hold, enough = schei uit, ’t is genoeg; That is an easy pillow enough = zeer gemakkelijk; That’s right enough = volkomen juist; Sure enough = voorzeker, inderdaad; It is true enough = maar al te waar; Well enough = vrij goed, voldoende; Enough and to spare = meer dan genoeg; Enough is as good as a feast = de tevredenheid gaat boven alle schatten.
Enow, inau = Enough.
Enquire, əŋkwaiə = Inquire.
Enrage, ənreidž, woedend maken, vertoornen.
Enrapt, ənrapt, verrukt; subst. Enrapture, ənraptšə.
Enravish, ənraviš, verrukken; subst. Enravishment.
Enrich, ənritš, verrijken, tooien, vruchtbaar maken; subst. Enrichment.
Enrobe, ənroub, (be)kleeden, tooien.
Enrockment, ənrokm’nt, steenstorting, hordenwerk voor havenhoofden, wallen, dammen, enz.
Enrol(l), ənroul, inschrijven, registreeren, opnemen, aanmonsteren: They enrolled themselves members of the university = lieten zich inschrijven als; They were prepared to enrol themselves = bereid dienst te nemen; Enrolment = inschrijving, register, oorkonde.
Enroot, ənrût, doen wortel schieten.
Enschedule, ənšedjûl, opteekenen, inschrijven.
Ensconce, ənskons, zich verbergen, zich neerzetten: They ensconced themselves on one of the sofas = zij doken in; Ensconced in an angle = verscholen, verdekt opgesteld.
Enshrine, ənšrain, wegsluiten (als iets heiligs), koesteren (met heilige liefde).
Enshroud, ənšraud, omhullen, bedekken.
Ensiferous, ensifərɐs, zwaarddragend; Ensiform, ensiföm, zwaardvormig.
Ensign, ensain, vlag, standaard, signaal, vaandrig, (onderscheidings)teeken, insigne, verhuurbordje, uithangbord; Ensign-bearer = vaandeldrager; Ensigncy, Ensignship = vaandrigrang.
Ensilage, ensilidž, subst. ingekuild voeder, inkuiling van groen veevoeder en vruchten; Ensilage verb. inkuilen = Ensile.
Enslave, ənsleiv, tot slaaf maken, onderwerpen; subst. Enslavement.
Ensnare, ənsnêə, in eene val lokken, verstrikken, verlokken.
Ensphere, ənsfîə, omringen, een bolvorm geven aan.
Ensue, ənsiû, volgen, voortkomen; Ensuing: Ensuing ages = het nageslacht.
Ensure, ənšûə. Zie Insure.
Entablature, əntablətjuə, Entablement, ənteib’lm’nt, entablement, architraaf, fries en kroonlijst samen.
Entail, ənteil, subst. = Entailed estate, grondbezit, dat van vader op zoon moet overgaan; de regeling van de overdracht van goederen; Entail verb. vermaken (zóó, dat het vermaakte onvervreemdbaar is), na zich sleepen, meebrengen, leiden tot: My property has got no entail on it = ik kan vrij beschikken over; To cut off the entail = The Estate in Tail veranderen in een Estate in Fee Simple, waarover de erflater vrij beschikken mag; subst. Entailment.
Entangle, əntaŋg’l, verstrikken, verwarren, verlegen maken; subst. Entanglement = verwikkeling, verwarring, verlegenheid, valstrik, havenversperring.
Enter, entə, binnengaan, binnenkomen, instroomen, intreden, zich begeven in, lid worden van, toelaten, inschrijven, boeken, aanvangen, beginnen, inklaren (v. goederen), indringen, ingaan (fig.), indrijven: To enter the cargo = bij de douane aangeven; To enter the church = geestelijke worden; He entered the lists against a formidable adversary = trad het strijdperk binnen, bond het gevecht aan met; He entered his office = trad binnen; To enter a protest against = aanteekenen tegen; To enter into conversation = aanknoopen; I enter into your feelings = begrijp volkomen, deel in; To enter into the Kingdom of Heaven = binnengaan; To enter into (on) one’s rest = de eeuwige rust ingaan; He was entered of the Inner Temple = werd lid van; A new actor entered on the scene = trad op; She entered to him = zij kwam bij hem op het tooneel; Entered to national account = geboekt voor het rijk; To enter upon the joys of Heaven = deelachtig worden; He entered upon his office = aanvaardde zijn ambt.
Enteric, ənterik, darm...: Enteric fever = typheuse koorts; Enteritis, entəraitis, ingewandsontsteking; Entero..., entərou (in samenstellingen), ingewands..., buik...
Enterclose, entəklous, doorgang tusschen twee kamers.
Enterprise, entəpraiz, subst. onderneming, waagstuk, speculatie, energie, ondernemingsgeest; ook verb.; Enterprising = ondernemend, vermetel.
Entertain, entətein, onthalen, zich onderhouden, bezighouden, handhaven, voeden of koesteren, in overweging nemen, vermaken: I do not entertain the idea of it = ik denk er niet over; To entertain an offer, an overture = op een aanbod (voorstel) ingaan; To be entertained at (to) dinner = de gast zijn; Entertainer = onderhouder, patroon, gastheer: I am the entertainer = ik betaal; Entertaining = amusant; Entertainment = onthaal, gastvrijheid, feestmaal, vermaak, geestesgenot, koesteren (van gedachten).
Enthral, ənthrôl, tot slaaf maken, onderwerpen, betooveren; subst. Enthralment.
Enthrone, ənthroun (Enthronize, ənthrounaiz), ten troon verheffen, zetelen, wijden (een bisschop); subst. Enthralment.
Enthuse, ənthjûz, in geestdrift (in vuur) geraken, vol geestdrift zijn (Am.): To Enthuse over; Enthusiasm, ənthjûziazm, geestdrift, overdreven ijver; Enthusiast = geestdriftig, vurig bewonderaar of vereerder; adj. Enthusiastic(al).
Entice, əntais, verlokken of verleiden; subst. Enticement.
Entire, əntaiə, adj. geheel, volkomen, oprecht, onbetwist, zuiver; subst. bier (direct v. de brouwerij), niet gecastreerd paard; subst. Entireness = Entirety.
Entitle, əntait’l, aanspraak of recht geven op, betitelen, noemen.
Entity, entiti, zijn, aanwezen, bestaand iets: That remarkable entity, the French people = dat merkwaardig geheel.
Entoil, əntôil, verstrikken.
Entomb, əntûm, (levend) begraven; Entombment = begrafenis.
Entomologic(al), entəməlodžik(’l), entomologisch; Entomologist = entomoloog; Entomology, entəmolədži, insectenleer.
Entozoön, entəzouən, ingewandsworm.
Entrails, entreilz, ingewanden, binnenste.
Entrain, əntrein, ten gevolge hebben, meesleepen; inladen (in een trein): The troops entrained for Kimberley.
Entrammel, əntram’l, verwarren, verstrikken.
Entrance, entr’ns, binnenkomst, intrede, intocht, optreden, aanvaarding, toelating, ingang, monding, inklaring: His entrance into his office = het aanvaarden van zijn ambt; Entrance-examination = toelatingsexamen; Entrance-duty = invoerrecht; Entrance-fee = inleggeld, entrée(geld); Entrance money = toegangsprijs; Entrance subscription = entree (bij het lid worden.)
Entrance, əntrâns, verrukken, in geestverrukking brengen; subst. Entrancement.
Entrant, entr’nt, optredende, deelnemer.
Entrap, əntrap, in eene val vangen, verstrikken.
Entreat, əntrît, smeeken, dringend verzoeken: Entreative words = smeekbeden; Entreaty = dringend verzoek, smeekbede.
Entrée, Fr. uitspr., toegang; Entrées = Entremets, Fr. uitspr., tusschengerechten (in Engel.).
Entrench, əntrenš, verschansen (m. loopgr.); subst. Entrenchment.
Entrepot, Fr. uitspr., hoofdstapelplaats, magazijn, entrepôt.
Entrust, əntrɐst (Zie Intrust): He was entrusted with your interests = hem werden toevertrouwd.
Entry, entri, ingang, (binnen)komst, intocht, optreden, steeg, boeking, post, inklaring, declaratie, inbezitneming: To make one’s entry = zijn intocht houden; To make an entry = declareeren (van goed); Will you make an entry of this = dit opschrijven? The entries were six in all = deelnemers; (Book-keeping by) Double, Single entry = dubbel, enkel boekhouden; Bill of entry = lijst der voor invoer in te klaren goederen; Entry-money.
Entwine, əntwain, Entwist, əntwist, omwinden, omslingeren.
Enucleate, injûklieit, ontwarren, ophelderen; subst. Enucleation.
Enumerate, ənjûməreit, optellen, opnoemen; Enumeration = optelling, lijst; adj. Enumerative.
Enunciate, inɐnšieit, uiten, uitspreken, verklaren; Enunciation = uitdrukking, bewoordingen, uitspraak, verklaring; adj. Enunciative.
Envelop, ənveləp, omringen, omwikkelen, verbergen; Envelope, envəloup, omslag, enveloppe; de coma (zie dit woord) van een planeet, omhulsel, versterkte wal: A visiting-card is carried in an open envelope for one centime — kan worden verzonden; Envelopment = inwikkeling, omslag.
Envenom, ənvenəm, vergiftigen, verbitteren.
Enviable, enviəb’l, benijdenswaardig; Envied, envid, benijd; Envious, enviəs, afgunstig: The envious flood = de boosaardige golven (vloed); subst. Enviousness.
Environ, ənvair’n, omringen, omgeven, insluiten; Environs ook envir’nz, omstreken, omgeving; subst. Environment.
Envisage, ənvizidž, onder de oogen zien, beschouwen.
Envoy, envôi, afgezant, bode; slotstrophe welke een opdracht bevat (ook ənvôi); Envoyship = ambt v. envoy.
Envy, envi, subst. nijd, afgunst, voorwerp van afgunst; kwaadaardigheid; Envy verb. benijden, misgunnen: In envy = uit jaloerschheid, nijd.
Enwrap, ənrap, omwikkelen, inwikkelen, omhullen.
Enwreathe, ənrîdh, be-, omkransen.
Eolian, ioulj’n, Eolic, iolik, Eolisch.
Eon, îən, eeuw, eeuwigheid.
Eostre, îəstə, Angelsaksische godin.
Epact, îpakt, epakt, epacta.
Eparch, epək, gouverneur, bisschop (Grieksche kerk); Eparchy = provincie; diocees.
Epaule, əpôl, hoek van een bastion; Epaulement = epaulement, borstwering.
Epaulet(te), epôlet, epaulette.
Epenthesis, ipenthisis, epenthesis.
Ephemera, ifemərə, ééndagsvlieg, ding van één dag; Ephemeral, kortstondig, ephemeer; Ephemeris, ifeməris (Meerv. Ephemerides, îfemeridîz), sterrekundige tafel, astronomische almanak; Ephemeron, ifeməron, = Ephemera.
Ephesian, ifîž’n, subst. Ephezer; adj. van Ephesus, efəsɐs.
Ephialtes, efialtîz, nachtmerrie.
Ephod, efod, rijk en kort opperkleed der Joodsche (hooge)priesters.
Ephor, efö, opziener; mv. Ephors of Ephori, efərai, ephoren (Sparta).
Epic, epik, adj. episch, verhalend; subst. epos, heldendicht.
Epicede, episîd, lijk- of klaagzang.
Epicene, episîn, gemeenslachtig.
Epicure, epikjuə, epicurist, gastronoom; Epicurean, epikjurîən, adj. epicuristisch, weelderig; subst. epicurist, lekkerbek; Epicureanism, epikjurîənizm = Epicurism = epicurisme.
Epidemic, epidemik (Epidemy, epidəmi), epidemie: An epidemic of typhoid was raging; Epidemic(al) = heerschend, epidemisch.
Epidermis, epidɐ̂mis, opperhuid.
Epigastric, epigastrik, tot het bovendeel van den onderbuik (= Epigastrium) behoorende.
Epiglottis, epiglotis, keelklep; adj. Epiglottic.
Epigram, epigram, puntdicht, epigram; adj. Epigrammatic(al); Epigrammatist, epigramətist, maker van puntdichten; Epigram verb. Epigrammatize.
Epigraph, epigraf, opschrift, motto.
Epilepsy, pilepsi, vallende ziekte; Epileptic, epileptik, subst. epilepticus; adj. epileptisch (= Epileptical).
Epilogical, epilodžik’l, Epilogistic, epiləžistik, epilogisch, tot een epiloog behoorend; Epilogue, epilog, epiloog.
Epiphany, əpifəni, Driekoningen (6 Jan.).
Epiphyte, epifait, woekerplant.
Epirus, epirəs.
Episcopacy, əpiskəpəsi, bisschoppelijke regeering der kerk; Episcopal, əpiskəp’l, episcopaal; Episcopalian, əpiskəpeilj’n, subst. lid v. de episcop. kerk; adj. bisschoppelijk; Episcopate, əpiskəpit, subst. bisdom, waardigheid van bisschop; het episcopaat.
Episode, episoud, episode, voorval, tusschenverhaal; Episodial, episoudj’l; Episodic(al), episodik(’l), tot eene episode behoorend, toevallig.
Epistle, ipis’l, subst. brief, Zendbrief; gedeelte van de Zendbr., dat bij ’t Avondmaal wordt voorgelezen; Epistle side = rechterzijde van het altaar (als men er vóór staat) waar dit voorgelezen wordt; Epistolary, əpistələri: Epistolary style = briefstijl.
Epistyle, epistail, architraaf.
Epitaph, epitaf, grafschrift.
Epithalamium, epithəleimj’m, bruiloftsdicht of lied.
Epithelium, epithîliəm, opperhuid, slijmhuid.
Epithet, epithet, subst. epitheton, toenaam, bijnaam.
Epitome, əpitəmî, korte inhoud, kort begrip; Epitomist = maker van een epitome; Epitome verb. Epitomize = condenseeren.
Epoch, epok, îpok, tijdstip, tijdperk; Epoch-making; Epochal, epək’l, opzienbarend.
Epode, epoud, epode, slotzang, refrein.
Epopee, epəpî, Epos, epos, heldendicht.
Epsom Salts, eps’msôlts, Engelsch zout.
Equability, îkwəbiliti, ekwəbiliti, gelijkmatigheid; Equable, îkwəb’l, ekwəb’l, gelijkmatig, gelijkvormig.
Equal, îkw’l, subst. gelijke, wederga; adj. gelijk, gelijkvormig, opgewassen tegen; Equal verb. gelijk zijn (worden, maken), evenaren: His mental (social) equal; He is not (does not feel) equal to it = hij is er niet tegen opgewassen; Equal to the occasion = berekend voor zijn taak, slagvaardig; Not to be equalled = zijns gelijke niet hebben; Equality, ikwoliti, gelijkheid, enz.; Equalization, ikwəl(a)izeiš’n, gelijkmaking; Equalize = gelijkmaken.
Equanimity, îkwənimiti, gelijkmoedigheid.
Equate, ikweit, herleiden tot een gemiddelde, in den vorm van een vergelijking brengen; Equation, ikweiš’n, vergelijking, equatie of verevening: Equation of time = tijdsverevening.
Equator, ikweitə, evenaar, aequator; Equatorial, îkwətôri’l, adj. aequatoriaal, ook subst. = bepaalde astronomische kijker; Equatorial current = aequatoriaalstroom; Equatorial regions = de tropen.
Equer(r)y, ekwəri, ikweri, stalmeester.
Eques, îkwiz = Equites.
Equestrian, ikwestriən, subst. ruiter, kunstrijder; adj. te paard zittend, tot het rijden behoorend: Fair equestrian = amazone; Equestrianism = rijkunst; Esquestrienne, ikwestrien, ikwestrien, kunstrijderes.
Equiangular, îkwiaŋgjulə, gelijkhoekig.
Equibalance, îkwibal’ns, subst. evenwicht; Equibalance verb. in evenwicht zijn met.
Equidifferent, îkwidifər’nt, met gelijke verschillen.
Equidistant, îkwidist’nt, op gelijken afstand.
Equilateral, îkwilatər’l, subst. en adj. gelijkzijdige (figuur).
Equilibrate, îkwilaibreit, in evenwicht zijn (houden, brengen), in evenwicht blijven; Equilibration = evenwicht; Equilibrist, ikwilibrist, ikwilaibrist, koorddanser; Equilibrity, îkwilibriti, evenwicht; Equilibrium, îkwilibriəm.
Equimultiple, îkwimɐltip’l, subst. en adj. met hetzelfde getal vermenigvuldigd (getal).
Equine, îkw(a)in, paardachtig, paarde...
Equinoctial, îkwinokš’l, subst. evenachtslijn; adj. tot de e. behoorende: Equinox, îkwinoks, ekwinoks, dag- en nachtevening: Vernal and autumnal equinox = lente- en herfstnachtevening.
Equip, ikwip, uitrusten; Equipment = equipement.
Equipage, ekwipidž, uitrusting, stoet, gevolg, (staatsie)rijtuig.
Equipoise, îkwipôiz, evenwicht.
Equipollence, îkwipol’ns, gelijkheid van macht of kracht, gelijkwaardigheid; Equipollent = gelijkwaardig.
Equiponderance, îkwipondər’ns, gelijk gewicht; Equiponderant, îkwipondər’nt, van gelijk gewicht; Equiponderate, îkwipondəreit, opwegen tegen, in evenwicht brengen.
Equitable, ekwitəb’l, billijk, onpartijdig; subst. Equitableness.
Equitation, ekwiteiš’n, rijkunst; Equites ekwtîz, de tweede adellijke orde in het oude Rome, die oorspronkelijk de cavalerie vormde.
Equity, ekwiti, billijkheid, rechtvaardigheid; soort van aanvullingsrecht (meer naar den geest dan naar de letter der wet) voor gevallen waarin de oude Common Law niet voorzag: Equity of redemption = de tijd, iemand toegestaan, om de hypotheek op zijne landerijen af te lossen; het hem toekomende overschot na verkoop; Court of Equity = rechtbank waar Equity-recht werd gesproken, vroeger ressorteerend onder het oude Court of Chancery; sedert 1878 onder de Chancery Division van het High Court of Justice.
Equivalence, ikwivəlens, gelijkwaardigheid; Equivalent = equivalent, adj. en subst.
Equivocal, ikwivək’l, dubbelzinnig, verdacht, onzeker; subst. Equivocalness; Equivocate, ikwivəkeit, dubbelzinnig spreken, het niet nauw met de waarheid nemen; subst. Equivocation; Equivocator = draaier.
Equus, îkwɐs, paard.
Era, îrə, tijdperk, jaartelling.
Eradicate, iradikeit, met wortel en tak uitroeien, verdelgen; subst. Eradication; Eradicative, iradikətiv, subst. en adj. radicaal uitroeiend (middel).
Erase, ireis, uitschrappen, uitwisschen; Erasement = uitkrassing, uitschrapping; Eraser = radeermesje; radeergomelastiek; Erasure, ireižə, uitkrassing, geradeerd gedeelte.
Erasmus, irazməs.
Erastian, irastj’n, Erastiaan(sch), genoemd naar Erastus, irastəs, die de Kerk wilde ondergeschikt maken aan den Staat.
Ere, êə, eer, vroeger dan, vóór: Ere ever = voordat; Erelong = eerlang; Erenow = vóór dezen; Ere this = vroeger, te voren; Erewhile = vroeger.
Erebus, eribɐs, Erebus, onderwereld.
Erect, irekt, adj. rechtop, loodrecht, vast, flink; Erect verb. oprichten, stichten, bouwen, monteeren, verheffen, uitzetten, stijf worden, zich verheffen: To Erect a perpendicular = eene loodlijn oprichten; Erectile, irektil, wat opgericht kan worden; Erecting-shop = stelkamer; Erection = oprichting, verheffing, stichting; erectie; gebouw; Erective = oprichtend; Erectness = opgerichte stand of houding; oprechtheid; Erector = oprichter, spier, die ter oprichting dient.
Eremite, erəmait, (h)eremiet, kluizenaar; adj. Eremitic(al).
Ergo, ɐ̂gou, dus, derhalve.
Ergot, ɐ̂gət, moederkoren; Ergotism = moederkoren, vergiftiging hierdoor.
Eric, îrik, erik.
Erica, iraikə, heidekruid.
Erie, îri: Lake Erie; Erin, îrin, Ierland: Son of Erin = Ier.
Erinnys, irinis, irainis, Erinnyen, wraakgodinnen; furiën; Erlking, ɐ̂lkiŋ, elfenkoning.
Ermin(e), ɐ̂min, hermelijn, hermelijnen mantel; rechterlijke waardigheid: Ermined = met rechterl. of pairs-waardigheid bekleed.
Ern(e), ɐ̂n, zee-arend.
Ernest, ɐ̂nəst.
Erode, iroud, wegvreten, invreten: Erodent = wegvretend (middel).
Eros, îros.
Erosion, irouž’n, wegvreting, weggevreten plaats; kanker; adj. Erosive, irousiv.
Erotic, irotik, erotisch; minnedicht.
Erotomania, əroutəmeinjə, Erotomany, erətoməni, minnewaanzin, erotomanie.
Err, ɐ̂, dwalen, een fout begaan, zondigen.
Errand, er’nd, boodschap: Bent on an errand = op een boodschap uit; To go (on) an errand, To run errands = boodschap(pen) doen; To be sent on a fool’s errand = voor gek loopen; Errand-boy = loopjongen.
Errant, er’nt, dolend, dwalend: Knight errant = dolende ridder; Errantry = zwerftocht, leven van een dolenden ridder.