Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 39

Chapter 392,899 wordsPublic domain

Elbe (The), dhi-elb, Elbe; Elberfeld, elbəfeld: The Elberfeld system of poor relief = Elberfelder stelsel van armenverzorging.

Elbow, elbou, elleboog, bocht, hoek; Elbow verb. met de ellebogen duwen; bochten: I am at your elbow = vlak bij u; He is out at elbow(s) = hij is in slechten doen; hij zit met zijn elleboog(en) door de mouwen; I am up to my elbows in work = zit tot over de ooren in het werk; He jogged (nudged) my elbow = hij gaf mij een duwtje (ter herinnering); To lift (crook) one’s elbow = onmatig drinken; To shake one’s elbow = dobbelen, spelen; He elbowed people about = duwde op zij; He elbowed his way through the crowd = baande zich met geweld een weg door; Elbow-chair = armstoel; Elbow-grease = harde handenarbeid; Elbow-rest = leuning; Elbow-room = ruimte van beweging.

Eld, eld, ouderdom, grijsaard; oude tijden: Like the princesses of eld.

Elder, eldə, subst. oudere, ouderling, voorvader; adj. ouder, senior; Elder-brethren = de regenten van Trinity House; Elder hand = speler aan de voorhand (kaartspel); My elders = ouderen dan ik; The Elders = voorvaderen; ouderlingen; An elderly gentleman = bejaard, oudachtig heer; Eldership = de betrekking van ouderling, de ouderlingen; hooge ouderdom; eerstgeboorte; Eldest = oudste: Elder born = eerstgeborene.

Elder, eldə, vlier: Elder-gun = proppenschieter.

El Dorado, eldərâdou, eldəreidou, Eldorado.

Eldri(t)ch, eldritš, vreemd, spookachtig, ijzingwekkend.

Eleanor, eliənö, elənö; Eleazer, îlieizə.

Elecampane, elək’mpein, alant.

Elect, ilekt, subst. uitverkorene, gekozene; adj. uitverkoren, gekozen; Elect verb. uitkiezen, verkiezen, kiezen: The Lord Mayor Elect = de nieuw gekozen (nog niet zijne functies aanvaard hebbende); The Elect = de uitverkorenen Gods; Election = keus, verkiezing, praedestinatie, genadekeus: Election auditor = iemand belast met het opmaken van de kosten voor eene parlementsverkiezing; Election cry = verkiezingsleus; Election judges = twee rechters, die de protesten (Petitions) tegen eene verkiezing onderzoeken; Electioneer, ilekšənîə, stemmen werven bij verkiezingen: Electioneering-agent = verkiezingsagent; Elective = uitkiezend, verkiezend: Elective affinity = chem. verwantschap, affiniteit; Elective franchise = kiesrecht; Elector = kiezer, keurvorst; Electoral college = kiescollege; Electoral law = kieswet; Electoral offences = knoeierijen; Electorate, ilektərit, de gezamenlijke kiezers; keurvorstendom; Electorship = ambt van een keurvorst; Electress = keurvorstin.

Electrepeter, ilektrepətə, stroomwisselaar.

Electric, ilektrik, electrisch, electriseer...: Electric battery = electr. batterij; Electric car = electr. tramwagen; Electric circuit = kringstroom; Electric clock; Electric column = kolom van Volta; Electric current = electr. stroom; Electric eel = sidderaal; Electric jar = Leidsche flesch; Electric launch = motorboot met electr. beweegkracht; Electric light; Electric machine = electriseermachine; Electric plant = electr. installatie; Electric railway; Electric ray = sidderrog; Electric shock = electr. schok; Electric spark = electr. vonk; Electric wire = telegraafdraad; Electrical engineer = electr.-technicus; Electrical engineering = electrotechniek; Electrician, ilektriš’n, elektriš’n = electricien; Electricity, ilektrisiti, elektrisiti, electriciteit; Electrification, ilektrifikeiš’n, subst. electriseeren; Electrificate verb. Electrify, ilektrifai, electriseeren (ook fig.); Electrization, ilektrizeiš’n, subst. electriseeren; Electrize verb. Electrize, ilektraiz.

Electro, ilektrou, in samenstellingen: electro, electrisch; Electrocution, ilektrəkjûš’n, terechtstelling door electriciteit (Amer.); Electrology, ilektrolədži, de wetenschap der electriciteit; Electrolyze, ilektrəlaiz, door electriciteit ontleden; Electro-motion, ilektrəmouš’n, beweging door electriciteit; Electrophorus, ilektrofərɐs, electrophoor; Electro-plate, ilektrəpleit, galvanisch verzilverd of verguld; ook subst. en verb.; Electroscope, ilektrəskoup, electroscoop; Electron = electroon.

Electrum, ilektr’m, barnsteen; mengsel van goud met ⅕ deel zilver, zilverhoudend gouderts.

Electuary, ilektjuəri, electuarium, likkepot.

Eleemosynary, elimosinəri, subst. de van aalmoezen levende, adj. uit liefdadigheid gegeven, weldadigheids—.

Elegance, Elegancy, eləg’ns(i), sierlijkheid, bevalligheid: Elegances = beschaafde gebruiken of manieren; Elegant = fijn, smaakvol, voornaam.

Elegiac, elidžaiak, elîdžiak, elegisch; elegie; Elegist, elədžist, dichter van elegieën; Elegize = elegie dichten, weeklagen; Elegy = elegie.

Element, eləment, (hoofd) bestanddeel, element: I am in (out of) my element in this company = voel mij in dit gezelschap (niet) thuis; Elements = beginselen; brood en wijn (aan ’t avondmaal); Elemental, eləment’l, de elementen betreffend, elementair, aanvankelijk, oorspronkelijk: Elemental spirits = de geesten van vuur, aarde, lucht en water, i.e. salamanders, gnomen, sylphen en undinen; Elementalism, eləmentəlizm, de theorie volgens welke de goden der oudheid verpersoonlijkte natuurkrachten waren; Elementariness, eləmentərinəs, elementaire toestand, eenvoudigheid; Elementary, eləmentəri, eenvoudig, elementair: Elementary education = lager onderwijs.

Elephant, eləf’nt, olifant: White elephant = een weinig benijdenswaardig bezit (meer kostbaar dan voordeelig): To buy a white elephant = er in loopen; To see the white elephant = de merkwaardigheden van eene stad zien (meest in ongunst. zin); To have seen the white elephant = de nieuwste knepen kennen, slim zijn; Elephantpaper = olifantspapier (711 × 534 mM.); Elephantiasis, eləfɐntaiəsis, olifantsziekte; Elephantine, eləfant(a)in, olifants-, olifantachtig, reusachtig, onbeholpen; Elephantoid, eləfantoid, eləfantoid, olifantachtig.

Eleusinian, eljusiniən.

Elevate, eləveit, verb. verheffen, verhoogen, veredelen, opvroolijken, van trots doen zwellen; adj. verheven, hoog = Elevated: Slightly elevated = aangeschoten; Elevated railway = luchtspoorweg; Elevation, eləveiš’n, verhevenheid, verhooging, opheffing, verheffing, hoogte, verticale opstand (tegeno. platte gr.): To my tallest elevation = in mijne volle lengte; Elevator = ascenseur, elevator; Elevatory = opheffend.

Eleven, ilev’n, elf, elftal: The Eleven = de Apostelen; At the eleventh hour.

Elf, elf, subst. elf, kabouter, fee; Elf-arrow, Elf-bolt, Elf-dart = vuursteen (in den vorm van een pijl); Elf-child = wisselkind (door feeën achtergelaten voor het echte); Elf-fire = dwaallicht; Elf-lock = Poolsche vlecht (haarziekte); Elfin, subst. fee; adj. tot de feeën behoorende; Elfish = elfachtig, elven—, kwaadaardig.

Elgin marbles, elginmâb’lz, de beelden uit den tempel van Minerva te Athene, door Earl Elgin tusschen 1801–1802 naar Engeland gebracht.

Elia, îliə, Eliah, ilaiə, Elia (I Kron. VIII, 27).

Elicit, ilisit, uitlokken, krijgen uit, aan het licht brengen.

Elide, ilaid, een klinker of lettergreep weglaten.

Eligibility, elidžibiliti, verkiesbaarheid, enz.; Eligible, elidžib’l, verkiesbaar, bevoegd; begeerlijk, verkieselijk, huwbaar: An eligible = geschikte partij; subst. Eligibleness.

Elijah, ilaîdžə, Elia (I Kon. XVII, 1).

Eliminant, ilimin’nt, eliminante.

Eliminate, ilimineit, verdrijven, buiten beschouwing laten, terzijde stellen, elimineeren; subst. Elimination.

Elinor, elinö; Eliot, eljət; Elisabeth, ilizəbeth; Elisha, ilaišə.

Elision, iliž’n, elisie, bijv. o’er voor over.

Elite, ilît, élite.

Elixir, iliksə, elixer, bitter, hartsterking: Elixir of life = levenselixer = Life’s elixir.

Eliza, ilaizə; Elizabeth, ilizəbeth; Elizabethan, ilizəbeth’n, ilizəbeth’n, ilizəbîth’n, uit den tijd van koningin E.

Elk, elk, eland; wapiti (Amer.); wilde zwaan, wilde eend.

Ell, el, lengtemaat (in Engeland ± 114 c.M., in Schotl. ± 94,5 c.M., in Holland 69 c.M.): Give him an inch, he will take an ell = als men hem den vinger geeft, neemt hij de geheele hand; Ell-wand = ellestok, el.

Ellen, el’n; Ellesmere, elzmîə; Ellinor, elinö; Elliot(t), eljət.

Ellipse, ilips, ellips; Ellipsis, ilipsis, uitlating; Elliptic(al), iliptik(’l), elliptisch; subst. Ellipticity.

Elm, elm, iep; Elmen = iepen; Elm(en)-tree; Elmy = met veel iepen.

Elmo’s-fire, elmouzfaiə, St. Elmusvuur.

Elocution, eləkjûš’n, (gekunstelde) voordracht; Elocutionary = de wijze van spreken betreffend; Elocutionist = bekwaam in, of leeraar in voordracht.

Elodes, iloudîz, zweetziekte.

Elohim, ilouhim, eləhim, een der namen voor God in het Oude T.

Elongate, iloŋgeit, îloŋgeit, verlengen, uitrekken; subst. Elongation.

Elope, iloup, wegloopen (met een minnaar), zich laten schaken; subst. Elopement.

Eloquence, eləkwens, welsprekendheid; adj. Eloquent.

Else, els, ander, anders, bovendien: What else? = nog iets? Else-ways = op eene andere manier; Elsewhere = elders, ergens anders; Somewhere else = ergens anders.

Elsinburg, elsinbɐrə; Elsinore, elsinö, Elseneur.

Elucidate, il(j)ûsideit, verduidelijken, ophelderen, verklaren; subst. Elucidation; Elucidative = verklarend; Elucidator = verklaarder; Elucidatory: Elucidatory notes = verklarende aanteekeningen.

Elude, il(j)ûd, ontduiken, ontwijken, ontsnappen; subst. Elusion; adj. Elusive; Elusory = bedriegelijk.

Elul, îləl, de 6de maand van het Joodsche burgerlijk jaar.

Elvish, elviš = Elfish.

Ely, îli; Elysian, iliž’n, Elyzeesch, hemelsch; Elysium, iliž’m, Elysium, Paradijs.

Elytra, elitrə, schildvleugels; enkelv. Elytrum.

Elzevir, elzəvɐ̂ elzəviə, een van de Elzevier-uitgaven der klassieken gedurende de 16e en de 17e eeuw te Amsterdam en Leiden: Elzevir editions.

’Em, əm, samentrekking van them.

Emaciate, imeišieit, vermageren, wegkwijnen; subst. Emaciation.

Emanant, emən’nt, voortkomende uit; Emanate, eməeit, voortkomen uit; The emanations of radium = uitstraling.

Emancipate, imansipeit, vrij maken, emancipeeren; subst. Emancipation; He was an emancipationist = voorstander van de vrijverklaring der slaven; Emancipator = bevrijder; Emancipist = vrijgelaten gedeporteerde (Austral.).

Emarginate, imâdžinit, uitgerand, uitgetand.

Emasculate, imaskjuleit, ontzenuwen, castreeren; subst. Emasculation.

Embale, əmbeil, emballeeren.

Embalm, əmbâm, balsemen, doorgeuren, bewaren; subst. Embalmment.

Embank, əmbaŋk, indijken, van eene kade voorzien; Embankment = indijking, dijk, kade.

Embargo, əmbâgou, subst. beslag (op schepen), verbod, belemmering; Embargo verb. beslag leggen en tegenhouden.

Embark, əmbâk, (zich) inschepen, zich wagen of begeven in: He embarked his fortune in trade = stak ... in; Don’t embark in such a trade = laat u niet in met; Embarked in litigation = in een proces gewikkeld; subst. Embarkation, embâkeiš’n.

Embarrass, əmbarəs, beletten, in moeielijkheden brengen, verlegen maken, verwarren; Embarrassment = verwarring, verlegenheid, moeielijkheid.

Embassador. Zie Ambassador.

Embassy, embəsi, gezantschap, zending, gezantschapshotel.

Embattle, əmbat’l, in slagorde scharen; van kanteel en voorzien: Embattled fields = slagvelden.

Embed, əmbed, als in een bed leggen, bedelven.

Embellish, əmbeliš, verfraaien, versieren; subst. Embellishment.

Ember, embə: Ember days = Woensdag, Vrijdag en Zaterdag van een bepaalde week in ieder jaargetijde, waarop vasten en onthouding is voorgeschreven; quatertemper; Ember-fast; Ember-tide.

Ember, embə, ijsduiker = Emberdiver, Ember-goose.

Embers, embəz, gloeiende asch of sintels.

Embezzle, əmbez’l, verduisteren; subst. Embezzlement; Embezzler = verduisteraar.

Embitter, əmbitə, verbitteren.

Emblaze, əmbleiz, in brand zetten, verlichten, doen schitteren; blazoeneeren; Emblazon, əmbleiz’n, blazoeneeren, schitterend versieren, verheerlijken; Emblazement, Emblazery, heraldieke versiering.

Emblem, embl’m, subst. zinnebeeld, attribuut; Emblemata, əmblemətə, losse figuurtjes van goud of zilver, waarmede de ouden hunne gouden en zilveren vaten plachten te versieren; Emblematic(al) = zinnebeeldig; Emblematize, əmblemətaiz, embləmətaiz, zinnebeeldig voorstellen.

Emblements, embləments, opbrengst van bouwland, oogst.

Embodiment, əmbodiment, belichaming; Embody, əmbodi, belichamen, vereenigen, omvatten, organiseeren.

Embolden, əmbould’n, aanmoedigen, verstouten.

Embolism, embəlizm, inlassching van eene maand, embolie, verstopping in een bloedvat; Embolus, embəlɐs, klontertje dat embolie veroorzaakt.

Emboss, əmbos, reliefwerk maken, drijven; Embossed = gedreven.

Embouchure, Fr. uitspraak, monding, mondstuk.

Embowed, əmbaud, gewelfd, gebogen.

Embowel, əmbau’l, de ingewanden uitnemen, ontweien; subst. Embowelment.

Embower, əmbauə, in een lustwarande verblijven of verbergen.

Embrace, əmbreis, subst. omhelzing; Embrace verb. omhelzen, gretig aangrijpen, aannemen, omvatten, bevatten; trachten om te koopen (van jury); Embrace(o)r = omkooper; Embracery = poging om eene jury om te koopen; Embracive = alles omvattend: That is an embracive title.

Embrangle, əmbraŋg’l, verwarren, dooreenhaspelen: To embrangle messages.

Embrasure, əmbreižə, schietgat of opening; schuinsche verbreeding van deur- of vensteropening.

Embrocate, embrəkeit, een pijnlijk lichaamsdeel met een smeersel wrijven; Embrocation = wrijving, smeersel.

Embroider, əmbrôidə, borduren (ook fig. = fantaseeren); Embroidery = borduurwerk, kunstmatige versiersels (ook fig.): Embroidery frame = borduurraam.

Embroil, əmbrôil, verwarren, verwikkelen: Embroiled with each other = met elk. gebrouilleerd; subst. Embroilment.

Embryo, embriou (Embryon, embriən), embryo, kiem: In embryo = in den eersten en onvolkomen toestand; Embryonal = kiem- -; Embryonic = embryonaal.

Emend, imend, emendeeren, verbeteren = Emendate, îməndeit, subst. Emendation; Emendator, emendeitə, îməndeitə = emendator; adj. Emendatory.

Emerald, emər’ld, smaragd, bep. Eng. drukletter: Emerald green = smaragdgroen; Emerald Isle = Ierland.

Emerge, imɐ̂dž, oprijzen uit, zich verheffen, te voorschijn komen, ontstaan; subst. Emergence, ook Emergency = plotselinge verschijning, onverwachte gebeurtenis, moeilijkheid, dringende noodzakelijkheid: In case of emergency = geval van nood; In an emergency = desnoods; Emergency-door = nooddeur; Emergency-loan; Emergency-man = noodhulp, ook bij geboycotte Iersche landheeren; Emergent = opduikend, ontstaand, dringend.

Emeritus, imeritɐs, emeritus: Pastor emeritus = emeritus predikant.

Emerods, emərodz, aambeien.

Emersion, imɐ̂š’n, oprijzing; emersie.

Emerson, eməs’n.

Emery, eməri, amaril: Emery-paper = schuurpapier; Emery-wheel = slijprad.

Emetic, imetik, subst. en adj. braakwekkend (middel): Tartar emetic = braakwijnsteen.

Emeu, îmju. Zie Emu.

Emigrant, emigr’nt, subst. landverhuizer; ook adj.; Emigrant-ship; Emigrate, emigreit, uit het land verhuizen; subst. Emigration.

Emilia, imîljə; Emily, emili.

Eminence, eminens, verhevenheid, hoogte, hooge rang, beroemdheid, onderscheiding, eminentie; Eminent = verheven, uitstekend; Eminently = in hooge mate.

Emir, imîə, îmə, emir.

Emissary, emisəri, subst. (geheime) gezant, bespieder.

Emission, imiš’n, uitstraling, uitstrooming, emissie, uitgifte, het bedrag in omloop gebracht; Emissive = uitstralend, uitzendend = Emissory.

Emit, imit, uitzenden, uitstralen, (laten) uitstroomen, uiten, uitwerpen, uitgeven, in omloop brengen.

Emma, emə; Emmanuel, əmanjuəl.

Emmet, emət, mier.

Emollient, imolj’nt, subst. en adj. weekmakend, verzachtend (middel).

Emolument, imoljument, emolument, nut, voordeel, salaris.

Emotion, imouš’n, aandoening, ontroering, gisting; Emotional = ontroerend, gemoeds...

Empale, əmpeil, omheinen, met palen omgeven; spietsen.

Empan(n)el, əmpan’l, subst. lijst van de gezworenen; Empale verb. zulk een lijst maken, hen oproepen.

Emperil, əmperil = Imperil.

Emperor, empərə, keizer: Purple Emperor = pauwenoog (kapel); Emperor paper = grootst formaat teekenpapier, 165 cM. bij 118 cM.

Emphasis, emfəsis, nadruk, klem: I wish to emphasize this fact = den nadruk te leggen op; Emphatic = nadrukkelijk: Emphasis form = de vorm van een bevestigend werkwoord met to do.

Empire, empaiə, keizerrijk, rijk, heerschappij, macht: The Empire City = (bijnaam van) New-York; Empire Day = 24 Mei (geboortedag van Koningin Victoria); Empire gown.

Empiric, əmpirik, empirisch (= Empirical); subst. empiricus, kwakzalver; Empiricism, əmpirisizm = empirie; kwakzalverij.

Employ, əmplôi, subst. bezigheid, beroep, dienst; Employ verb. gebruiken, besteden, aanwenden, bezig zijn met: He has many men in his employ = aan ’t werk; To be employed = in dienst zijn; He employed himself actively whilst there = werkte hard; Employable = bruikbaar; Employee = emplôi-î, employé; Employer = werkgever, principaal; Employment = bezigheid, beroep, plaatsing, belegging: Thrown out of employment = werkloos.

Emporium, əmpôriəm, handelscentrum, stapelplaats, entrepot, bazaar, magazijn.

Empower, əmpauə, machtigen, in staat stellen.

Empress, emprəs, keizerin.

Emptiness, em(p)tinəs, ledigheid, holheid, waardeloosheid.

Empty, em(p)ti, adj. ledig, leeg, hongerig, leegstaand, vergeefsch, ijdel, nutteloos, woest en ledig; Empty verb. ledigen, uit- of weggieten, leeg worden, zich ontlasten: The room was empty of everything but a lamp = er was niets in de kamer dan; The empties = alle ledige dingen (zooals bussen, flesschen, zakken, kisten, enz.); He got (they gave him) the empties = den bons; Empty-handed = met leege handen; Empty-headed = onwetend; Empty-hearted = harteloos; Emptyings = droesem van bier, cider, etc.; gist (Amer.).

Empurple, əmpɐ̂p’l, purperrood kleuren.

Empyreal, əmpiriəl, empirîəl, den hemel betreffend; hemelsch, vurig = Empyrean, empirîən, əmpiriən, subst. hoogste hemel, firmament.

Ems, emz.

Emu, îmjû, casuaris (Australië); Emu-wren = klein Australisch vogeltje.

Emulate, emjuleit, wedijveren met, nastreven: He emulated popularity; Emulation = wedijver, naijver, concurrentie; Emulator = wedijveraar.

Emulgent, imɐldž’nt, subst. en adj. afvoerend (middel).

Emulous, emjulɐs, wedijverend, naijverig.

Emulsion, imɐlš’n, emulsie; amandelmelk; Emulsive = geschikt voor emulsie, verzachtend.

Emunctory, imɐŋktəri, afscheidend.

Enable, əneib’l, in staat stellen, machtigen.

Enact, ənakt, vaststellen, bepalen, tot wet verheffen; voorstellen, spelen, volvoeren: To enact a part = eene rol spelen; Enactment = wetsbekrachtiging, wet, verordening; Enactor = wetgever; Enacture = volbrenging.

Enamel, ənam’l subst. email, glazuur; Enamel verb. emailleeren, glazuren, opsmukken; Enamellar, adj. op email gelijkend, glad, glanzig; Enameller = emailleerder, brandschilder.

Enamour, ənamə, verliefd maken, bekoren: To be enamoured of = verliefd op.

Encamp, ənkamp, (laten) kampeeren; subst. Encampment.

Encase, ənkeis, in een koker sluiten, omsluiten: Encased in black silk = gestoken, gedost.

Encash, ənkaš, in baar geld uitbetalen (ontvangen), incasseeren.

Enceinte, Fr. uitspr., subst. wal, ringmuur; adj. zwanger.

Enchafe, əntšeif, sarren, boos maken.

Enchain, əntšein, ketenen, boeien; Enchainment = aaneenschakeling.

Enchant, əntšânt, bekoren, verrukken, betooveren: Enchanted ring = tooverkring; Enchanter = toovenaar, betooveraar; Enchantment = betoovering; Enchantress = heks, betooverende vrouw.

Enchase, əntšeis, zetten (b.v. van juweelen in goud), ciseleeren; drijven, sieren; Enchaser = graveur, ciseleur.

Encircle, ənsɐ̂k’l, omringen, omgeven, omarmen, omsluiten.

Enclasp, ənklâsp, omvatten, omsluiten.

Enclitic, ənklitik (= Enclitical), enklitisch, onafscheidelijk verbonden.

Enclose, ənklouz, omgeven, omringen, omheinen, insluiten: The enclosed = bijgaande (ingesloten) stukken; Enclosure = omheining, afsluiting, insluiting.

Encomiast, ənkoumiast, lofredenaar; Encomiastic = lovend; Encomium, ənkoumj’m, lof, loftuiting.

Encompass, ənkɐmpəs, omringen, omgeven; subst. Encompassment.

Encore, âŋkö, verb. bisseeren: To give an encore = biscouplet geven; Encore! = bis!

Encounter, ənkauntə, subst. ontmoeting, treffen, gevecht; Encounter verb. (onverwacht) ontmoeten, stooten op, beloopen worden door, het hoofd bieden.

Encourage, ənkɐridž, aanmoedigen, steunen; subst. Encouragement; Encourager = begunstiger.

Encroach, ənkroutš, inbreuk maken op (on), benadeelen, indringen, inbreuk maken, misbruiken: He encroached on my kindness = maakte misbruik van; Encroachment = inbreuk, benadeeling, aanmatiging.

Encrust, ənkrɐst, incrusteeren, (zich) omkorsten.

Encumber, ənkɐmbə, belemmeren, versperren, nauwer maken, met schulden belasten; Encumbrance = hindernis, last, hypotheek: Married people, no encumbrance = zonder kinderen tot hun last; Encumbrancer = hypotheekhouder.

Encyclic(al), əns(a)iklik(’l), subst. rondgaand schrijven, encycliek; adj. rondgaand.

Encyclop(a)edia, ənsaikləpîdjə, encyclopedie; Encyclop(a)edian = Encyclopedic(al), ənsaikləpîdik(’l), ənsaikləpedik(’l), encyclopedisch; Encyclopedist, ənsaikləpîdist, encyclopedist (1750–1770 in Frankrijk).

End, end, subst. einde, eindje, stukje, besluit, uitslag, dood, grens, oogmerk, doel, resultaat, nut; End verb. eindigen, ophouden, een einde maken aan, besluiten, voleindigen: The end justifies the means = het doel heiligt de middelen; The end is not yet = het einde is niet te voorzien; There’s an end of the matter = daar is de zaak mee uit; At an end = ten einde, uit; At the end = ten slotte; At one’s wit’s (wits’) end = ten einde raad; In the end = bij slot van rekening; No end = vreeselijk, erg, enorm: No end of a fool (fun, a row, time) = een groote dwaas (veel, hoogloopend, zeer veel); For a fortnight on end = veertien dagen aan één stuk; This train runs 80 miles on end = zonder stoppen; His hair stood on end = was te berge gerezen; To no end = vergeefs; To this end = met dit doel; World without end = van eeuwigheid tot amen; To come (draw) to an end = afloopen; He cannot make both ends meet = hij kan niet rondkomen (vergel. Joindre les deux bouts); He put an end to it (to himself) = maakte er een einde aan (aan zijn leven); He roamed to the ends of the earth = zwierf tot de uiterste grenzen der aarde; All’s well that ends well = eind goed, al goed; End-all = slot, einde voorgoed; Ending = einde, uitgang; Endless = eindeloos; subst. Endlessness; Endlong = rechtuit; Endmost = laatst, uiterst; Endways, Endwise = overeind, rechtop, in de lengte.

Endanger, əndeinžə, in gevaar brengen, aan schade blootstellen.

Endear, əndîə, bemind of dierbaar maken; Endearing, dier, lief: Endearing terms = lieve namen of woorden; Endearment = toegenegenheid, teederheid, bekoring.

Endeavour, əndevə, subst. poging, inspanning; Endeavour verb. pogen, trachten.

Endecagon, əndekəgon, elfhoek.

Endemic, əndemik (= Endemical), subst. endemie, locale ziekte; adj. inheemsch, endemisch.

Endirons, endaiənz, standaards waarin het spit draait, of die dienen om de houtblokken te steunen.

Endive, endiv, andijvie.

Endocardium, endəkâdj’m, binnenste hartvlies; Endocarditis = hartvliesontsteking.

Endogamy, əndogəmi, huwelijk onder de leden van denzelfden stam; adj. Endogamous: Endogamous marriage.

Endogastritis, endəgastraitis, maagvliesontsteking.

Endorse, əndös, endosseeren, in omloop brengen, bevestigen, onderschrijven: These typewriters are endorsed as the best = verklaard de beste te zijn; Endorsee = iemand aan wien een wissel, etc. geëndosseerd is; Endorsement = endossement, giro, bevestiging; Endorser = endossant.

Endow, əndau, begiftigen, doteeren; Endower = schenker; Endowment = huwelijksgift, schenking, dotatie; talent, gave.

Endue, əndjû, aantrekken, bekleeden met.

Endurable, əndjûrəb’l, verdraaglijk; Endurance, əndjûr’ns, duur, voortduring; lijden, lijdzaamheid, geduld, uithoudingsvermogen; Endure, əndjûə, duren; verdragen, dulden, uithouden: He was very enduring = kon het lang uithouden.

Endymion, əndimiən; Eneid, îniid, de Eneïde.

Enemy, enəmi, vijand, tegenstander: The Enemy = de Duivel; de tijd; How goes the enemy? = hoe laat is het; The hands of the enemy = wijzers v. d. klok.