Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 26
Conscience, konš’ns, geweten: In conscience = redelijkerwijs; In all conscience = voorzeker; Conscience clause (= Cowper-Temple clause) = bepaling in de Education Act (1870), dat ouders hun kinderen kunnen vrijstellen van het godsdienstonderwijs in de Elementary Schools; Conscience-keeper = iemand die als ons ‘uitwendig’ geweten fungeert; zielverzorger; Conscience money = vrijwillig gezonden bedrag als men te weinig belasting heeft betaald; Conscience-proof = verhard; Conscience-smitten (Conscience-stricken) = gekweld door; Conscientious, konšienšəs, nauwgezet, gewetens - -: subst. Conscientiousness; Conscionable, konšənəb’l, redelijk, billijk; Conscious, konšəs, bewust, gewaar, schuldbewust, zelfbewust: I am not conscious of any guilt = ik ben mij niet bewust van; subst. Consciousness.
Conscript, konskript, subst. iemand, die aangeloot is voor den krijgsdienst; adj. op de dienstrol geplaatst: Conscript fathers = senatoren (van Rome), raadsleden; Conscription = verplichte krijgsdienst.
Consecrate, konsəkrit, adj. geheiligd, gewijd; Consecrate verb. konsəkreit, heiligen, wijden, inwijden, consacreeren; Consecration = wijding, inzegening; Consecrator = inwijder; Consecratory = heiligend, wijdend.
Consecution, konsikjûš’n, opvolging, reeks, gevolgtrekking; Consecutive, k’nsekjutiv, geregeld, opvolgend, volgend; Consecutiveness = ’t op elkaar volgen.
Consensual, k’nsenšuəl, reflex - -; Consensus, k’nsensəs, overeenkomst, -stemming, sympathie.
Consent, k’nsent, subst. overeenstemming, berusting, toestemming; Consent verb. instemmen, berusten, toegeven: Silence gives consent = die zwijgt stemt toe; By (with) one, By common consent = éénstemmig; The age of consent = 14 jar. leeftijd in Engel.; Consentaneity, konsentənîiti, onderlinge overeenkomst; Consentaneous, konsenteinjəs, overeenstemmend, gelijktijdig; subst. Consentaneousness; Consentient, k’nsenšiənt, eenstemmig.
Consequence, konsikwens, gevolg, uitwerking, gewicht: In (By) consequence of = ten gevolge van, dientengevolge; That is of no consequence = van geen belang; He gave a bottle to keep up his consequence = hij schonk eene flesch voor zijn fatsoen; A man of consequence = van invloed; To play consequences = protocollen maken; Consequent = daaruit volgend, consequent; subst. gevolg; Consequential = consequent, gewichtig doende.
Conservancy, k’nsɐ̂v’nsi, behoud, bewaring: Thames Court of Conservancy = College ter bescherming van en toezicht op de visscherij en de scheepvaart op de Theems onder presidium van den Lord Mayor.
Conservation, konsəveiš’n, behoud: Conservation of force, energy = behoud van arbeidsvermogen; Conservatism = conservatisme; Conservative = subst. behoudsman; adj. behoudend, behoedzaam.
Conservatoire, konsɐ̂vətwö, muziekschool.
Conservator, konsəveitə, konsəveitə, bewaarder, conservator; Conservatrix, k’nsɐ̂vətriks.
Conservatory, k’nsɐ̂vətəri, broeikas, serre; muziekacademie (Amer.); adj. conserveerend, conservatief.
Conserve, konsɐ̂v, conserf.
Conserve, k’nsɐ̂v, conserveeren, goed houden; Conserver = inmaker.
Consider, k’nsidə, overwegen, beschouwen, waarnemen, bedenken, beloonen: Consider the end = let op; He put on his considering-cap = hij begon te overleggen; Considerable = aanzienlijk, gewichtig; subst. Considerableness; Considerate = attent, zorgvuldig, kiesch, omzichtig; subst. Considerateness; Consideration, k’nsidəreiš’n, overweging, aanzien, onderscheiding, achting, beweeggrond, invloed, vergoeding, premie, valuta, welwillendheid: He sold the picture for a consideration = voor iets meer dan den kostenden prijs; In consideration of = ter vergoeding van, met het oog op; Out of consideration for your interests = met het oog op; That is a consideration to me = een heele som voor mij; He extended his consideration to me = behandelde mij met consideratie; To take into consideration = in aanmerking nemen; Considerative = beschouwend, peinzend; Considering = in aanmerking nemende, lettende op, wat betreft.
Consign, k’nsain, overdragen, toevertrouwen, overmaken, consigneeren, toewijzen, onderwerpen: Consigned to happiness, to fetters = gewijd aan, verwezen tot; Consignation, konsigneiš’n, endossement, deponeering, consignatie; Consignee, konsainî, factor; geconsigneerde, geadresseerde; Consigner, k’nsainə, consigneerder, vervrachter = Consignor, k’nsainə, konsinô; Consignment, k’nsainm’nt, consignatie; geconsigneerde artikelen.
Consist, k’nsist, bestaan, voortbestaan, bestaanbaar zijn met: Happiness consists in contentment = het geluk is gegrond in de tevredenheid; What does it consist of? = waaruit bestaat het? Such things cannot consist together = zijn niet met elkander bestaanbaar; Consistence = samenstelling, dichtheid; Consistency = overeenstemming, volharding, consequentie: His idol was consistency = consequentie; Consistent, adj. vast, consequent, zich-gelijk-blijvend.
Consistory, konsistəri, kənsistəri, vergadering, consistorie, kerkeraad.
Consolable, k’nsouləb’l, troostbaar; Consolate = To console; Consolation = troost; Consolatory = troostend, troost...
Console, k’nsoul, troosten, bemoedigen, tot berusting aansporen: I hope she will be consoled = dat zij zich zal schikken in haar lot; Consoler = trooster.
Console, konsoul, console; Console-table = consoletafeltje.
Consolidate, k’nsolideit, tot eene vaste en krachtige massa vereenigen, samentrekken, consolideeren; Consolidated fund = de gezamenlijke staatsinkomsten van Engeland en Ierland; Consolidated Stocks = Consols = werkelijke schuld; Consolidation = verdichten, vast worden, combinatie.
Consols, kənsolz, konsolz, Engelsche staatspapieren (Werkelijke Schuld).
Consonance, Consonancy, konsən’ns(i), overeenstemming, harmonie; Consonant = subst. medeklinker; adj. gelijkluidend; overeenstemmend; Consonantal = medeklinker...
Consort, konsöt, gemaal, makker: Prince Consort = Prins Gemaal.
Consort, k’nsöt, omgaan met (with), overeenstemmen, passen bij, vergezellen, escorteeren.
Conspectus, kənspektəs, overzicht, synopsis.
Conspicuous, k’nspikjuəs, duidelijk zichtbaar, buitengewoon, opzichtig: To be conspicuous by one’s absence = schitteren door afwezigheid; He made (rendered) himself conspicuous = maakte, dat de aandacht op hem viel; subst. Conspicuousness.
Conspiracy, k’nspirəsi, samenzwering, complot; Conspirator, k’nspirətə, samenzweerder; Conspire, k’nspaiə, samenzweren, beramen.
Constable, kɐnstəb’l, konstabel, slotvoogd, connetable: County constable = veldwachter; He has been outrunning the constable = heeft te groot geleefd; Constableship = ambt van - -; Constabulary, k’nstabjuləri, subst. de gezamenlijke konstabels, de geheele politiemacht; adj. politie - -: Constablary force.
Constance, konst’ns, Constanz; Constantia.
Constancy, konst’nsi, standvastigheid, volharding, trouw; Constant = onveranderlijk, voortdurend, standvastig, trouw.
Constantia, k’nstanšiə, soort wijn; Constantine, konst’ntain, konst’ntain, Constantijn; Constantinople, k’nstantinoup’l, Constantinopel; Constantinopolitan, adj. en subst.
Constellate, konstəleit, kənsteleit: The constellated sky = de met sterren bezaaide lucht; To be constellated = door zijn geboortester voorbestemd tot; Constellation = gesternte, sterrenbeeld.
Consternate, konstəneit, doen ontstellen; Consternation, konstəneiš’n, ontsteltenis.
Constipate, konstipeit, verstoppen; Constipation = hardlijvigheid.
Constituency, k’nstitjuənsi, de gezamenlijke kiezers; Constituent, subst. wezenlijk bestanddeel, lastgever, afgever, kiezer; adj. vormend, samenstellend, hoofd.., grond.., kies..: Constituent body = kieslichaam; Constitute, konstitjût, samenstellen, vormen, uitmaken, machtigen, benoemen: The constituted authorities = gestelde, wettige machten; We constituted ourselves the champion of the coloured races = wij wierpen ons op als; Constitution = inrichting, samenstelling, aanstelling, ziels- of lichaamsgesteldheid, regeeringsvorm, grondwet, staatsregeling; Constitutional = lichaams - -, geestes - -, gemoeds - -; constitutioneel; subst. wandeling: Constitutional government = grondwettelijke regeering; He went for a constitutional every day = maakte eene wandeling voor de gezondheid; Constitutive = Constituent: Constituent power = wetgevende macht.
Constrain, k’nstrein, dwingen, weerhouden, bedwingen, noodzaken, binden; Constrainable = bedwingbaar; Constrained = gedwongen: Constrained demeanour = gedwongen houding; Constraint = dwang, beperking, verlegenheid.
Constrict, k’nstrikt, samentrekken, samenkrimpen; subst. Constriction; Constrictor = sluitspier: Boa constrictor = reuzenslang.
Constringent, k’nstrinžənt, samentrekkend.
Construct, k’nstrɐkt, bouwen, opbouwen, vormen, plaatsen, construeeren, verklaren; Construction = samenstelling, maaksel, bouw, inrichting, uitlegging, constructie: What construction shall I put upon your words? = welke uitlegging moet ik - - -? The building was in course of construction = in aanbouw; Constructive = vormend, opbouwend; afgeleid, aangenomen: Constructive contempt (trust) = aangenomen smaad (vertrouwen); Constructor = bouwer, maker.
Construe, k’nstrû, konstrû, verklaren, uitleggen, vertalen, prepareeren.
Consuetudinal, konswitjûdin’l, Consuetudinary, konswitjûdinəri, door de gewoonte geijkt.
Consul, kons’l, consul; Consular, konšulə, consulair; Consulate = consulaat = Consulship.
Consult, k’nsɐlt, raadplegen, beraadslagen, letten op, overleggen: They consulted together = staken de hoofden bij elkaar; Consultation = beraadslaging, consult: Writ of Consult = verwijzing weer naar het eerste gerechtshof; Consultative = raadplegend; Consulting-room = spreekkamer (van een dokter).
Consumable, k’nsiuməb’l, verteerbaar, verbruikbaar; Consume, k’nsiûm, vernietigen, uitroeien, verteren, uitteren, gebruiken, afzetten: Consumedly = kolossaal, verduiveld; Consumer = verbruiker, afnemer.
Consummate, k’nsɐmit, adj. volkomen, volmaakt: Consummate verb. kənsɐmeit, konsəmeit, voltooien, afmaken: Consummate scoundrel = doortrapte schurk; Consummation = voltooiing, vervulling, dood; huwelijksgemeenschap.
Consumption, k’nsɐmš’n, uittering, vertering, verbruik, tering; consumptie: To be (go) in (into) a consumption = de tering hebben (krijgen); Far gone in consumption; Consumptive, teringachtig, tering - -; teringlijder.
Contact, kontakt, aanraking, voeling, contact, vereeniging: To come in contact with the law; Angle of contact = hoek, gevormd door een kromme lijn en de tangens daarvan; Point of contact = raakpunt.
Contagion, k’nteiž’n, besmetting, pest, smetstof, gif; Contagious = besmettelijk, giftig: The Contagious Diseases Acts = Wetten op Besmettelijke Ziekten; subst. Contagiousness; Contagium = smetstof.
Contain, k’ntein, bevatten, omvatten, insluiten, bedwingen, (zich) goed houden: We contained the enemy until nightfall; I could not contain my laughter = inhouden, bedwingen; Containable = te bevatten; Container = vat, bak.
Contaminate, k’ntaminit, adj. bevlekt, besmet, bedorven: Contaminate verb. k’ntamineit, bevlekken, besmetten, bezoedelen, bederven: Contaminated fish; Contamination = besmetting, bederf; Contaminative = besmettend.
Contango, k’ntaŋgou, opgeld, betaald om de betaling der gekochte stukken tot over 14 dagen (Settlement-day) te mogen uitstellen (het tegengestelde van Backwardation); Contango-day = afrekeningsdag.
Contemn, k’ntem, verachten, geringschatten.
Contemplate, kont’mpleit, k’ntempleit, beschouwen, overpeinzen, van plan zijn, op het oog hebben, ernstig denken over; Contemplation = beschouwing, nadenken, droomerij: This is in contemplation = overweging; Contemplative = nadenkend, beschouwend, speculatief; subst. Contemplativeness; Contemplator, Contemplator = denker, etc.
Contemporaneous, kəntempəreinjəs, gelijktijdig; subst. Contemporaneousness; Contemporary (with), k’ntemp’rəri, gelijktijdig; subst. tijdgenoot, persoon (blad, tijdschrift) van denzelfden (leef)tijd.
Contempt, k’ntemt, verachting, geringschatting: Contempt of Court = beleediging van het (gerechts)hof; In contempt of = in weerwil van; To hold in contempt = verachten; Contemptible = verachtelijk, nietig; subst. Contemptibleness; Contemptuous, k’ntemtjuəs, smalend, onbeschaamd; subst. Contemptuousness.
Contend, k’ntend, betwisten, betoogen, beweren, strijden, worstelen, streven (met for); Contending = tegenstrijdig.
Content, k’ntent, subst. voldaanheid, berusting; Content verb. tevreden stellen; adj. tevreden, voldaan; vóór (stemmer in het House of Lords): To one’s heart’s content = naar hartelust; I am content = ik stem het toe, ben er voor; Not content = (ik stem) tegen; To content oneself = zich vergenoegen; Contented(ness) = tevreden(heid) = Contentment: Contentment is above riches = tevredenheid gaat boven rijkdommen.
Content, k’ntent, kontent, inhoud: Table of contents = inhoudsopgave; Content bill = inhoudsopgave van sommige couranten.
Contention, k’ntenš’n, strijd, twist, naijver, argument, bewering: My contention is, that.... = ik beweer, durf volhouden, dat....; Contentious, twistziek; subst. Contentiousness.
Conterminous, k’ntɐ̂minɐs, dezelfde grenzen hebbend, aangrenzend.
Contest, kontest, strijd, twist, geschil.
Contest, k’ntest, betwisten, strijden om, worstelen, wedijveren: Contested election = verkiezing, waarbij meer dan één candidaat voor ééne plaats is; To contest a borough = als candidaat optreden voor; Contestable = bestrijdbaar, strijdig; Contestant = mededinger.
Context, kontekst, samenhang; Contesture, k’ntekstjə, samenweefsel, samenstelling, samenhang, bouw.
Contiguity, kontigjûiti, samenhang, nabijheid; Contiguous, k’ntigjuəs, aangrenzend, nabij (met to).
Continence, kontinens, Continency, kontinensi, matigheid, zelfbeheersching, maat, kuischheid.
Continent, kontinent, subst. vastland, Europa (behalve Engeland), stoffelijk omhulsel, aarden vat; adj. kuisch, matig, onafgebroken, bevattend; Continental = continentaal; subst. bewoner van het Continent: The Continental Powers = de Europeesche mogendheden (behalve Engeland); The Continental system, van Napoleon I; Continentalize = zich naar vastelandsgewoonten schikken.
Contingency, k’ntinž’nsi, gebeurtelijkheid, toevallige gebeurtenis: In a certain contingency = onder bepaalde omstandigheden; Contingencies = onvoorziene uitgaven: Contingencies of war = krijgskans; Contingent, k’ntinž’nt, subst. toevallige gebeurtenis, aandeel, contingent; adj. voorwaardelijk, toevallig, mogelijk, eventueel: My promise is contingent on your going away = ik beloof het onder voorwaarde, dat gij weggaat.
Continual, k’ntinjuəl, voortdurend, onophoudelijk, herhaald, voortgezet: Continual fever = aanhoudende koorts; subst. Continualness; Continuance = onafgebroken opeenvolging, volharding, verloop, verblijf: For a continuence = op den duur; In continuence of time = in verloop van tijd; Continuation, k’ntinjueiš’n, voortduring, voortzetting, vervolg, prolongatie: Continuation day = beursdag, waarop de interest verrekend wordt; Continuation-schools = M. U. L. O. scholen; Continuations = broek; Continuative = uitdrukking die, of koppelwoord, dat voortduur uitdrukt.
Continue, k’ntinjû, voortduren, voortzetten, blijven, duren, vertoeven: The weather continued fair for several days = het weer hield zich verscheidene dagen goed (bleef droog); To be continued = wordt vervolgd; Continued in our next = voortzetting in ’t volgend nommer; Continued fever = hardnekkige.
Continuity, kontinjûiti, samenhang, onafgebroken verband, continuiteit; Continuous: Continuious rains = onophoudelijke regens.
Contort, k’ntöt, adj. ineengedraaid; Contort verb. wringen, draaien; Contortion, k’ntöš’n, verdraaiing, verminking (vooral der ledematen); verrekking: To make contortions = zich in alle bochten wringen; Contortionist = slangenmensch; woordverdraaier.
Contour, k’ntûə, kontûə, subst. omtrek, buitenlinie; Contour verb. een omtrek of schets maken.
Contra, kontra, contra: Per contra = in tegenvordering; Contraband, kontrəband, subst. smokkelhandel, verbod, smokkelgoederen (= Contraband-goods); adj. (wettig) verboden: Contraband trade; Contraband of war; Contrabandist, kontrəbandist = smokkelaar.
Contract, kontrakt, contract, verdrag, acte, overeenkomst; huwelijk; huwelijksacte, aanneming (v. bouwwerken, etc.): Contract-work = aangenomen werk.
Contract, k’ntrakt, samentrekken, verkorten, inkrimpen, verloven, zich op den hals halen, aangaan, maken, oploopen, aannemen: To contract friendship = vriendschap aangaan; Contractibility = inkrimpbaarheid, samentrekbaarheid; adj. Contractible, Contractile; Contracting parties = contracteerende partijen; Contracting price = leveringsprijs; Contraction = samentrekking, afkorting, oploopen, aangaan van; Contractor = aannemer, leverancier, sluitspier; Contractor-built houses = bij aanneming gebouwde.
Contra-dance, kontradâns, quadrille.
Contradict, kontradikt, tegenspreken, ontkennen, weerspreken; Contradiction = tegenstrijdigheid: That is a contradiction in terms = tegenstrijdigheid in woorden; Contradictious = tegenstrijdig, twistziek; subst. Contradictiousness; Contradictoriness = tegenstrijdigheid; Contradictory = tegenstrijdig, onbestaanbaar met elkander (of one another).
Contradistinction, kontradistiŋkš’n, tegenstelling: In contradistinction to (from) = in tegenstelling met; Contradistinctive = tegengesteld; Contradistinguish = door tegenstellingen onderscheiden.
Contralto, kəntraltou, tweede alt.
Contrapuntal, kontrapɐnt’l; Contrapuntist. Zie Counterpoint.
Contrariety, kontrəraiiti, tegenstrijdigheid, moeielijkheid = Contrariness = weerspannigheid; adj. Contrarious; Contrary, kontrəri, subst. tegendeel, tegenstelling; adj. tegengesteld, weersprekend, strijdig, vijandig, weerspannig, knorrig: On the contrary = integendeel; To the contrary = niettegenstaande: He will come, all rumours about his health to the contrary; Unless I hear to the contrary = tegenbericht krijg; Contrary to equity = in strijd met de billijkheid; Contrary wind = tegenwind.
Contrast, kontrast, tegenstelling.
Contrast, k’ntrast, tegenover elkander staan of stellen (met with), afsteken bij.
Contra-tenor, kontratenö, tweede tenor.
Contravallation, kontravəleiš’n, door belegeraars opgeworpen reeks van borstweringen.
Contravene, kontravîn, in tegenspraak zijn, tegenwerken, overtreden; Contravener = overtreder; Contravention = tegenwerking, overtreding: He did it in contravention of that rule = vlak tegen dien regel in.
Contributable, k’ntribjutəb’l, bij te dragen; Contribute, k’ntribjût, bijdragen (voor een gemeenschappelijk doel), bevorderen, medewerken; Contribution = bijdrage, brandschatting, belasting (Contribution-bag = kerkezakje); To levy a contribution on = brandschatten; Contributive = bijdragend, bevorderend; Contributor = bijdrager, medewerker, bevorderaar; Contributory = bijdragend: Contributory river = zijrivier; subst. = Contributor.
Contrite, kontrait, berouwvol, boetvaardig; Contrition, k’ntriš’n, diep berouw, droefheid.
Contrivance, k’ntraiv’ns, plan, uitvinding, middel, list; zuinig overleg; Contrive, k’ntraiv, beramen, maken, bedenken, het aanleggen, overlèggen; Contriver = beramer, etc.
Control, k’ntroul, subst. beperking, bestuur, controle, invloed, macht; Control verb. controleeren, in bedwang houden, invloed oefenen: He cannot control himself = zich niet beheerschen; Controllable = te controleeren; Controller = controleur, stroomregelaar; Controlment = Control.
Controversial, kontrəvɐ̂š’l, strijd ..., polemisch; Controversialist = polemicus; Controversy, kontrəvɐ̂si, dispuut, geschil, strijdpunt; Controvert, kontrəvɐ̂t, betwisten, weerleggen; Controvertible = weerlegbaar.
Contumacious, kontjumeišəs, weerspannig, weerbarstig, zich verzettend, niet verschijnend; subst. Contumaciousness; Contumacy, kontjuməsi, (opzettelijke) weerbarstigheid, niet verschijnen; Contumelious = honend, verachtelijk, aanmatigend; Contumely = smaad, hoon.
Contuse, k’ntjûz, kneuzen; subst. Contusion; adj. Contusive.
Conundrum, kənɐndr’m, woordraadsel.
Convalesce, konvəles, beter worden; Convalescence = herstel, genezing; Convalescent = genezend, herstellings - -: Convalescent hospital = hospitaal voor herstellende zieken.
Convallaria, konvəlêrjə de plantensoort, waartoe het lelietje van dalen behoort.
Convection, k’nvekš’n, voortplanting; Convective = voortplantings - -.
Convene, k’nvîn, samenkomen, samenroepen, oproepen; convenieeren (Amer.); Convener = die oproept, etc.
Convenience(-cy), k’nvînj’ns(i), geschiktheid, gepastheid, gemak, gelegen tijd of plaats, wagen, stoel: Do it at your (earliest) convenience = zoo(dra) het u voegt; Consult your own convenience = regel het zooals het u best past; To meet the convenience of = zich regelen naar; Convenient = geschikt, gemakkelijk (gelegen, te vinden): I will make it convenient = zal het schikken, dat....
Convent, konv’nt, (nonnen)klooster.
Conventicle, k’nventik’l, subst. conventikel, geheime godsdienstoefening, bidstond of bedehuis (van afvalligen of uitgestootenen eener kerk); Conventicle verb. behooren tot (bezoeken van) conv.; Conventicler = bezoeker van een conventicle.
Convention, k’nvenš’n, samenkomst, vereeniging, (voorloopig) verdrag van oorlogvoerende partijen, verbond, afspraak, overeenkomst; Conventional, Conventionary = overeengekomen, afgesproken, stilzwijgend gewettigd, gebruikelijk, conventioneel; Conventionalism = conventionalisme, het conventioneele; Conventionalist = aanhanger van het conventioneele; Conventionality = gebruikelijkheid; Conventionalize = convent. voorstellen.
Conventual, k’nventjuəl, klooster - -; subst. kloosterling.
Converge, k’nvɐ̂dž, in één punt samenkomen; Convergence, Convergency = convergentie; Convergent = convergeerend.
Conversant, konvəs’nt, bekend, bedreven in, vertrouwd, gemeenzaam (with).
Conversable, k’nvɐ̂səb’l, gezellig, onderhoudend; Conversation, konvəseiš’n, verkeer, omgang, gesprek: Criminal conversation = echtbreuk; We entered into conversation = wij raakten in gesprek; He joined in the conversation = hij sprak een woordje mee; Conversational = het gesprek betreffend, in gesprekvorm: Conversational powers = spraakzaamheid; Conversationalism: That is a conversationalism = familiare uitdrukking; Conversationalist = Converser.
Conversazione, konvəsatšouni, bijeenkomst ter bespreking van een letterkundig of wetenschappelijk onderwerp.
Converse, k’nvɐ̂s, omgaan (spreken) met, verkeeren; Converser = (onderhoudend) prater.
Converse, konvəs, subst. gesprek, gemeenzame omgang: To hold converse with.
Converse, konvəs, omgekeerd, wederkeerig; subst. omkeering, tegenstelling.
Conversion, k’nvɐ̂š’n, bekeering, verandering, omkeering, conversie, toeëigening; Conversionist = bekeerling: A conversionist sermon = preek van een bekeerling (waarin hij zijne redding vertelt).
Convert, konvət, bekeerde, geredde; leekenbroeder.
Convert, k’nvɐ̂t, veranderen, bekeeren, redden, omzetten in, converteeren, omkeeren, zich veranderen, aanwenden, in eigen gebruik nemen, doen overgaan: He converted his property into money, which he converted to his own use = te gelde maken... aanwenden; Converted India-rubber = gezwavelde; Convertibility = veranderbaarheid, etc.; Convertible = veranderbaar, enz.: Convertible terms = gelijkwaardige uitdrukkingen.
Convex, konveks, subst. en adj. convex; Convexity = convexe vorm; Convexo: Convex-concave = convex-concaaf; Convex-convex = bol aan beide zijden; Convex-plane = plan-convex.
Convey, k’nvei, vervoeren, verschepen (= Convey by water), overdragen, overbrengen, mededeelen; de gedachte wekken: My words do not mean to convey this; Conveyable = overdraagbaar; Conveyance = vervoer, vervoermiddel, rijtuig, overdracht, voortplanting: Letter of Conveyance = akte van overdracht; Conveyancer = Conveyancing-council = een ambtenaar, die akten v. overdracht maakt; Conveyancing-law = recht op de overdracht van eigendom; Conveyer = overbrenger.
Convict, konvikt, veroordeelde, galeiboef; Convict-colony = Convict-establishment = strafkolonie; Convict-ship = transportschip van gestraften.