Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 122

Chapter 1223,261 wordsPublic domain

Spin, spin, subst. het spinnen of draaien, snelle, onafgebroken beweging, snelle rit of loop; Spin verb. spinnen, lang rekken, doen draaien, snel ronddraaien, zich snel voortbewegen, voortsnorren, zakken, etc.: Your life is not worth the spin of a farthing = is geen duit waard; A spin on a bicycle = toertje; He was spun at courting = liep een blauwtje; He was spun at the examination = hij zakte; I’m glad that the prig has got spun = dat die verwaande fat den wind van voren kreeg, zakte; The carriage was seen spinning along the road = zag men voortsnorren; The blow sent him spinning back = deed hem achteruit vliegen; The blood spun from the wound = gutste uit; To spin round = ronddraaien; To spin a top = zetten; I will spin you a yarn = een verhaal doen (gew. uit het zeemansleven); Spin-drift = nevel van opgewaaid schuim; Spin-text = langdradig prediker; Spinner = spinner, spinmachine, spinnekop: A capital spinner of a yarn = verteller; Spinneret = spinklier; Spinnery = spinfabriek; Spinning: Spinning-jenny = spinmachine; Spinning-mill = spinfabriek; Spinning-wheel = spinnewiel.

Spinaceous, spineišəs, tot de spinazieplanten behoorende; Spinach, Spinage, spinidž, spinazie: All gammon and spinach = allemaal bedriegerij.

Spinal, spain’l, tot de ruggegraat behoorende: Spinal column = ruggegraat; Spinal consumption = ruggemergstering; Spinal cord (Spinal marrow) = ruggemerg; Spinal curvature = verkromming; Spine, spain, doorn, stekel, ruggegraat, rug.

Spindle, spind’l, spoel, dunne en puntige as, spille-linie, dunne stengel: Her mouth is a spindle-edition of her uncle’s = de vrouwelijke pendant van; Spindle-legged, Spindle-shanked = met spillebeenen; Spindle-legs, Spindle-shanks = spillebeenen; Spindle-shaped = spoel- of spilvormig; Spindle-side = vrouwelijke (spille) linie.

Spinescent, sp(a)ines’nt, doornachtig; Spiniferous, spainifərɐs, doornig, doornen hebbend.

Spink, spiŋk, boekvink, schildvink.

Spinnaker, spinəkə, groot bijzeil van yachts.

Spin(n)et, spinət, spinet.

Spinn(e)y, spini, struikgewas, boschje.

Spinose, spainous, spainous, doornig, vol doornen; Spinosity, spainositi, doornigheid, netelige kwestie; Spinous, spainəs = Spinose.

Spinozism, spinouzism, spainəzizm, wijsgeerig stelsel van Spinoza; Spinozist = volgeling van S.

Spinster, spinstə, jonge dochter, ongetrouwde vrouw; ook adj.; Spinsterhood = Spinstership.

Spiny, spaini, doornig, moeielijk, delicaat.

Spiracle, sp(a)irək’l, luchtgat, luchtbuis.

Spiraea, spairîə, spiraea.

Spiral, spair’l, subst. spiraal; adj. puntig, met eene spits, kronkelend, schroefvormig: Spiral spring = spiraalveer; Spiral staircase, stairway = wenteltrap.

Spirant, spair’nt, schuringsgeluid.

Spire, spaiə, subst. sprietje, halm, spits toeloopend voorwerp, top, torenspits, spiraallijn; Spire verb. zich verheffen als eene piramide of spits, uitspruiten, opschieten.

Spires, spaiəz, Spiers.

Spirit, spirit, subst. geest, leven, levenskracht, geestverschijning, spook, geestkracht, opgewektheid (gew. meervoud), aard, temperament; geestrijke dranken (steeds meerv.); Spirit verb. bezielen, aanvuren, in stilte wegvoeren of doen verdwijnen: The (Holy) Spirit = de H. Geest; Father, Son and Spirit; Evil (Good) spirit = kwade (goede) geest; Public spirit = belangstelling in de publieke zaak; Spirit of the age (time) = tijdgeest; Spirit of turpentine; Spirit of wine; Animal spirits = opgewektheid; Ardent spirits = spiritualiën; Choice spirits = buitengewone geesten; To be in spirits = opgewekt, vroolijk; dronken; He was in low, in high spirits = terneergeslagen, opgewekt; His flow of spirits was wonderful = zijne vroolijkheid; You cannot raise a person’s spirits = iemand opmonteren; She recovered her spirits = kreeg haar bewustzijn terug; It was spirited away = verdween ongemerkt; The servant was spirited out of the country = in alle stilte buiten het land gebracht; Spirit-lamp = spirituslamp; Spirit-level = luchtbelwaterpas; Spirit-license = vergunning; Spirit-rapper = geloover in Spirit-rapping = spiritistische manifestaties, zooals geklop, het bewegen van tafels, enz.: She has gone stark mad on the spirit-rapping imposition = die spiritistische koolverkooperij heeft haar stapelgek gemaakt; Spirit-trade = handel in spiritualiën; Spirited = bezield, levendig, opgewekt: Dull-spirit = saai, suf; A high-spirit man = fier; Low-spirit = terneergeslagen; Mean-spirit = laag; Narrow-spirit = bekrompen; Spiritism = spiritisme; Spiritist = spiritist; Spiritless = geesteloos, terneergeslagen, suf; Spiritual, spiritjuəl, geestelijk, onstoffelijk, verstandelijk: Spiritual adviser = geestelijk adviseur; Spiritual court = geestelijk gerechtshof; Spiritual wife = elke volgende vrouw na de eerste, bij de Mormonen; Spiritualism = geestelijke aard, leer dat geest geheel onderscheiden is van stof, spiritisme; Spiritualist = spiritist; Spiritualistic, spiritjuəlistik: Spiritualistic meetings = spiritistische bijeenkomsten; Spirituality, spiritjualiti, onstoffelijkheid, geestelijke aard; Spiritualities = inkomsten v. een bisschop; Spiritualization, subst. v. Spiritualize, spiritjuəlaiz, geestelijk maken, met geest bezielen, eene geestelijke beteekenis geven; Spirituous, spiritjuəs: Spirituous liquor = sterke drank; Spiritus = ademhaling; spiritus: Spiritus asper = geaspireerde letter; Spiritus lenis = niet geaspireerde letter; Spirometer, spairomətə, spirometer.

Spirt, spɐ̂t. Zie Spurt.

Spiry, spairi, spits.

Spit, spit, subst. (braad)spit, landtong, spadevol (spit), speeksel, koekoeksspog (v. het schuimbeestje), evenbeeld; Spit verb. aan het spit steken, doorboren, spuwen: That boy is the (dead) very spit of his father = evenbeeld zijns vaders; He was spat upon (at) everywhere = men spuwde op (naar) hem; Spitbox = Spittoon; Spitfire = driftkop.

Spitalfields, spit’lfîldz.

Spitchcock, spîtškok, subst. speetaal; Spitchcock verb. aal in de lengte splijten en braden.

Spite, spait, subst. spijt, wrok, wrevel, kwaadaardigheid; Spite verb. kwaadaardig dwarsboomen, krenken, kwellen: I did it (in) spite of warnings = ten spijt van; I bear you a spite = koester wrevel (wrok) tegen u; Spiteful = spijtig, kwaadaardig; subst. Spitefulness.

Spittle, spit’l, speeksel; Spittoon, spitûn, spuwbak, kwispeldoor.

Splash, splaš, subst. bemoddering, plons, geplas, geklater; Splash verb. bespatten, beslijken, plassen, klateren: He made a big splash = baarde heel wat opzien; The undertaking is sure to make a splash in the book world = zal heel wat opzien baren; The splash of the great fountain = het klateren; Splash-board = spatbord; Splasher = spatbord; Splashy = modderig, slijkerig; chic.

Splatter, splatə, plassen, klateren; Splatter-dash = spektakel.

Splay, splei, subst. binnenwaartsche verwijding v. eene opening; adj. buitenwaarts gekeerd, lomp, plomp; Splay verb. naar binnen verwijden; Splay-foot = buitenwaarts gekeerde voet; Splay-mouth = groote mond, scheeve mond; Splay-shouldered = kreupel.

Spleen, splîn, milt, miltzucht, zwaarmoedigheid, wrok, toorn, haat: To vent one’s spleen on = zijn wrok koelen aan; Spleen-sick = miltzuchtig, zwaarmoedig; Spleenful = toornig, gemelijk, zwaarmoedig = Spleenish = Spleeny.

Splendent, splend’nt, schitterend; Splendid, splendid, prachtig, luisterrijk, rijk, weelderig, grootsch: We gained a splendent victory over the enemy = eene glansrijke overwinning; subst. Splendentness; Splendour, splendə, pracht, praal, glans: Sun in splendour = de zon voorgesteld met menschengelaat en door stralen omringd (Herald.); Splendrous, splendrəs, prachtig.

Splenetic, splənetik, gemelijk, slecht geluimd; subst. hypochonder; Splenic, splenik: Splenetic fever = miltvuur; Splenitis, splənaitis, ontsteking van de milt.

Splice, splais, subst. splitsing; Splice verb. splitsen, trouwen: He ran over to England to get spliced = om te trouwen; To splice the main brace = bezaanschoot aantrekken (een extra oorlam geven).

Splint, splint, splinter, spalk; Splinter, splintə, subst. splinter; Splint verb. splinteren; Splinter-bar = zwengelhout; Splinter-proof = bomvrij; Splintery = uit splinters bestaande, als splinters, schilferig, met schilfers.

Split, split, subst. scheur of barst, scheiding, verdeeling, scheuring, halve flesch; adj. gescheurd, verdeeld, gescheiden; Split verb. scheuren, splijten, scheiden, bersten, (ver)klappen, stranden, mislukken: Split Infinitive = de door een bijw. gescheiden deelen v. een infinitive, zooals: Allow me to heartily congratulate you; To split a bottle of wine = met zijn tweeën drinken; Two brandies and a soda split = en een fleschje soda-water voor 2 personen; To split the difference = deelen; To split one’s votes = op kandidaten van verschillende partijen stemmen; We split (our sides) with laughing = barstten van lachen; The ship split on a rock = werd tegen eene rots verbrijzeld; He has split on a rock = is niet geslaagd, in zijne verwachtingen bedrogen; To split upon = een medeschuldige verklappen; Split-peas(e) = spliterwten; A splitting headache = razende, brekende hoofdpijn.

Splosh, sploš, geld.

Splotch, splotš, vlek, smet; adj. Splotchy.

Splutter, splɐtə, subst. gespat, gesputter, geraas, drukte; Splutter verb. spatten, sputteren: My pen spluttered = spatte; Splutterer.

Spoil, spôil, subst. buit, plundering, roof; Spoil verb. rooven, plunderen, bederven, schaden, verijdelen: The soup would have spoiled = zou bedorven zijn; A spoiled child; He spoiled me of the best furniture I had = beroofde mij van; He came in, and was spoiling for a fight in a minute = en dadelijk jeukten hem de handen om te vechten; Spoil-sport = spelbederver; Spoiler.

Spoke, spouk, spaak, sport, remketting: I’ll put a spoke in your wheel = eene spaak in het wiel steken.

Spoke, spouk, Spoken, spouk’n, imp. en p.p. van to speak: To be well (ill) spoken = zich keurig (slecht) uitdrukken: (on)vriendelijke woorden gebruiken; Spokesman = woordvoerder, voorspraak.

Spoliate, spoulieit, (be)rooven, plunderen; subst. Spoliation; Spoliator = roover, plunderaar.

Spondaic, spondeiik, uit een spondeus bestaande; Spondee, spondî, spondeus.

Sponge, spɐnž, subst. spons, gerezen deeg, spoor v. een hoefijzer, klaplooper, tafelschuimer, kanonwisscher; Sponge verb. (af)sponzen, uitwisschen, inzuigen, klaploopen; rijzen (van deeg): He chucked, threw up the sponge = hij gaf zich gewonnen; Let us pass a sponge over it = de spons er over halen (fig.); Sponge-cake = een spongieus gebak; Spongelet = sponsje; That fellow is a downright sponger = een echte klaplooper; Sponginess = sponsachtigheid; Sponging-house, spɐnžiŋhaus, huis van een gerechtsdienaar waar gijzelaars 24 uur werden gehouden om hun vrienden gelegenheid te geven voor hen te betalen; Spongy = sponsachtig.

Sponsion, sponš’n, borgtocht.

Sponsor, sponsə, borg, peetvader, peetmoeder: The poor child was barely sponsored = had zoo te zeggen niemand, die het onder zijne vleugels nam; To stand sponsor = borg (peet) zijn voor; He had stood sponsor for her dramatic talent = had ontwikkeld; Sponsorial, sponsôriəl, tot een sponsor behoorende; Sponsorship.

Spontaneity, spontənîiti, vrijwilligheid, eigen aandrift; Spontaneous, sponteinjəs, vrijwillig, uit eigen beweging, spontaan, in ’t wild groeiend, zelf...: Spontaneous combustion = zelfont- en zelfverbranding; Spontaneous generation; subst. Spontaneousness.

Spontoon, spontûn, soort kleine piek.

Spoof, spûf, bedrog: To play spoof = bedriegen.

Spook, spûk, spook; Spook verb. spoken.

Spool, spûl, spoel, klos.

Spoom, spûm, lenzen (scheepst.).

Spoon, spûn, subst. lepel, kolfstok, sukkel; liefje; Spoon verb. met een lepel eten, vangen (met lepelhaak) “flirten”, vrijen: To be past the spoon = de kinderschoenen ontwassen; Brought up with a spoon = met kunstmatig voedsel grootgebracht; Don’t stand staring like a spoon = sta daar niet zoo ezelachtig te gapen; He is dead spoons on the girl = hij is “smoorlijk” op het meisje; He is the wooden spoon = hij is de laagste op de ranglijst bij het wiskundig Honours Exam. voor den B.A. graad te Cambridge; Dessert-spoon, Gravy-spoon, Table-spoon, Tea-spoon (in Sport Slang respectievelijk 10, 20, 15 en 5 duizend £); He has spooned her for ever so long = hij heeft naar haar gevrijd; He had all the tackle, necessary for spooning pike = om snoek met een lepelhaak te vangen; Spoon-bill = lepelaar (zwemvogel); Spoon-diet = soep-dieet; Spoon-meat, Spoon-victuals, spûnvit’lz = lepelkost; Spoon-wort = gewoon lepelblad; Spoonful; Spoon(e)y, subst. sukkel, hals; adj. sullig, “smoorlijk”: He is spoon(e)y on her = vol verliefd op haar.

Spoon-drift, spûndrift, opgejaagd, warrelend schuim.

Spoor, spûə, subst. spoor (v. een dier); Spoor verb. een spoor volgen (Z. Afr.).

Sporadic(al), spəradik’l, verspreid, sporadisch voorkomend: Sporadic plants, Sporadic disease.

Spore, spö, spoor (bij cryptogamen); Sporiferous, spəriferɐs, sporen dragend.

Sporran, spor’n, tasch of beurs der Hooglanders.

Sport, spöt, subst. vermaak, spel, tijdverdrijf, scherts, (voorwerp van) spot, speeltuig (fig.), speling, sport; Sport verb. zich vermaken of verlustigen, spelen, geuren met, varieeren (biolog.): In (For) sport = uit de grap; Sport of nature = speling; That is sport to him = dat doet hij spelend; He made sport of (with) me = hield me voor ’t lapje; I won’t spoil sport = de spelbreker zijn; To spoil a person’s sport = een streep door de rekening halen; He sports a gold watchchain = geurt met een gouden horlogeketting; Sportful = vroolijk, dartel, uit de grap; Sporting: Sporting-dog = jachthond; I am not a sporting man = ben geen sportsman; Sporting-paper = sportblad; Sportive = vroolijk, speelsch, wat op sport betrekking heeft: His sportive knowledge is very wide = hij is van sport geheel op de hoogte; Sportsman = iemand die aan sport doet, jager: Sportmanlike = zooals een sportsman past; Sportmanship = bedrevenheid in en liefde voor sport; Sportswoman = vrouw die aan sport doet.

Spot, spot, subst. spat, vlek, smet, klad, plek(je), oog, acquit (bilj.); Spot verb. besmetten, bevlekken, marmeren, bespikkelen, acquit geven, herkennen, indentificeeren, ontdekken, snappen: Do it on the spot = onmiddellijk; That went to the spot = die was raak; Dove-colour spots with the rain = vlekt; I spotted it at once = ik snapte het dadelijk; He attacked Mr. “Spots” with his sword = den luipaard; Spot-ball = de roode bal; Spot-hazard = stoppen van den rooden bal van ’t acquit in een der bovenzakken; Spot-price = naaste prijs; Spot-stroke = een serie van Spot-hazards: Spotless = vlekkeloos; subst. Spotlessness; Spotted = gevlekt, bont: Spotted fever = vlektyphus; Spotter = detective, tramcontroleur (Amer.); Spottiness, subst. v. Spotty = vol vlekken, gespikkeld.

Spousal, spauz’l, subst. huwelijk, bruiloft (gew. meerv.); adj. huwelijks - - -, echtelijk: Spousal ring = trouwring; Spouse, spauz, gemaal, gade: The spouse of Christ.

Spout, spaut, subst. tuit, pijp, buis, spuit, waterstraal, soort lift voor goederen (vooral in de pandjeshuizen); Spout verb. uitgieten, spuiten, met vertoon of hoogdravend spreken (declameeren), verpanden: My watch is up the spout = is bij “Oome Jan”; He spouted some poetry of Byron = reciteerde (ironisch); If I had a gold watch, I would spout it like a shot = ging het dadelijk naar den lommerd; Spouter = hoogdravend redenaar of acteur; walvisch.

Sprain, sprein, subst. verrekking, verstuiking; Sprain verb. verrekken, verstuiken: I have sprained my ankle = mijn enkel verstuikt.

Sprang, spraŋ, imperf. van to spring.

Sprat, sprat, sprot: To throw (To fling away) a sprat to catch a whale = een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen.

Sprawl, sprôl, languit en nonchalant (gaan) liggen, zich rekken, spartelen; onregelmatig ontplooien (v. cavalerie): To go sprawling = languit neervallen.

Spray, sprei, subst. schuim, sproeiregen, irrigator, sproeier; takje, rijsje; verb. (be)sproeien.

Spread, spred, subst. uitgebreidheid, omvang, uitgestrektheid, ontplooiing, disch; Spread verb. zich uitstrekken, verbreiden, ontplooien, verspreiden, dekken, spreiden, bijzetten, smeren: The pea-cock spreads his tail = pronkt; Yours is a good figure for our artist to spread himself on = aan uwe taille kan onze coupeur zijne kunst eens toonen (Amer.); You spread it thin = gij smeert de boterhammen dun; The report was spread abroad everywhere = werd overal bekend gemaakt; The table was spread (over) with good cheer = het was een welvoorziene disch; Spread-eagle, subst. adelaar met uitgespreide vleugels (herald.); gebraden, opengesneden en met truffels opgediende vogel; adj. bombastisch, ijdel: To make a spread-eagle of a person = voor de brits geven; Spread-eaglism = bombast, grootspraak; nationale bluf, chauvinisme (Amer.); Spreader = spatel.

Spree, sprî, pret, drinkgelag: On the spree = aan den boemel: Berlin is a merry town, being always on the spree.

Sprig, sprig, subst. takje, rijsje, stift; Sprig verb. m. takjes of bloemen versieren, spijkertjes slaan in; Spriggy = vol takjes of spruitjes.

Spright, sprait, subst. geest, gesteldheid; Spright verb. rondwaren, spoken; Sprightliness, subst. v. Sprightly = levendig; vroolijk, opgewekt, dartel.

Spring, spriŋ, subst. sprong, veerkracht, veer, drijfveer, bron, lente, fontein; Spring verb. springen, opspringen, ontspringen, voortkomen, opkomen, aanbreken, opschieten, doen springen, boren, opjagen (van wild): The lion took a spring = deed in eens een sprong; He sprang at us = sprong naar ons toe; The water springs forth from the earth = borrelt uit den grond; He had sprung from the people = was voortgekomen uit; All his faults spring from neglect = komen uit achteloosheid voort; The mountain-goat sprang on from rock to rock = sprong van rots tot rots; Plants spring (up) from the earth = komen uit den grond; The diplomat sprang this treaty on the congress = verraste het congres met; The death of the heroine is sprung upon the reader = de schrijver valt den lezer onverhoeds op het lijf met; To spring a leak = een lek krijgen; The police sprang their rattles = sloegen hunne ratels op; To spring a well = graven, boren; Spring-bed = springveermatras; Spring-board = springplank; Springbok = antilope (Z. Afr.); Spring-carriage = rijtuig op veeren; Spring-cart = karretje op veeren; Spring-chicken = piepkuiken; Spring-halt = hanespat (v. een paard); Spring-head = fontein, bron, oorsprong; Spring-mattress; Spring-tide(s) = springtij; Spring-time = lentetijd; Spring-wheat = zomertarwe; Springal, spriŋg’l, spring-in-’t-veld; Springer = springer, opjager van wild, naam voor springbok en jonge dolfijn; Springiness = elasticiteit; Springing: Springing-board = springplank: He used his position as a springing-board to higher flights; Springy, spriŋi, elastisch.

Springe, sprinž, subst. strik, lus, valstrik; Springe verb. strikken, in een strik vangen.

Sprinkle, spriŋk’l, subst. gesprenkel, stofregen (= Sprinkle of rain); Sprinkle verb. (be)sprenkelen, sprengen, bestrooien, stofregenen: To sprinkle the linen; The floor had been sprinkled with sand = met zand bestrooid; Sprinkler = sprengvat (-kwast); Sprinkling = sprenkeling, sprankel: He has got a sprinkling of Spanish = weet een hap en een snap van het Spaansch; There was a fair sprinkling from the two universities at the meeting = de beide hoogescholen waren op de bijeenkomst vrij goed vertegenwoordigd.

Sprint, sprint, korte, snelle wedloop (= Sprint-race); Sprint verb. er hard van door gaan; Sprinter = deelnemer aan een Sprint-race.

Sprit, sprit, subst. spriet, boegspriet; Spritsail = sprietzeil.

Sprite, sprait, geest, kabouter.

Sprod, sprod, zalm in het tweede jaar.

Sprout, spraut, subst. spruit, loot; Sprout verb. (uit)spruiten, opschieten: Sprouts = spruitjes.

Spruce, sprûs, subst. gewone spar; adj. netjes, keurig, vlug, piekfijn; Spruce verb. keurigjes opschikken of opflikken; Spruce-beer = jopenbier, bier waarbij de bladen en takjes van de Spruce-fir (soort spar), in plaats van hop worden gebruikt; subst. Spruceness = keurigheid.

Spruit, sprût, stroompje: A little spruit or runnel of water (Z. Afrika).

Sprung, sprɐŋ, part. perf. van to spring.

Spry, sprai, levendig, vlug, wakker; bij-de-hand, glad (Am.): As spry as a lark = zoo vlug en vroolijk als een leeuwerik.

Spud, spɐd, korte spade om wortels uit te graven, alles wat kort en dik is, dwerg, aardappel.

Spume, spjûm, subst. schuim; Spume verb. schuimen; Spumescence, spjûmes’ns, het schuimen; Spumescent, spjûmes’nt, schuimend; Spumous, spjûməs, schuimend, sponsig.

Spun, spɐn, imperf. en p. perf. van to spin: Spun butter = door een zeef geperste boter; Spun glass; Spun hay = gesponnen hooi (mil.); Spun silver; Spun yarn = schiemansgaren.

Spunge, spɐnž. (Zie Sponge): Her black gown was spunged and turned and lengthened into something like decent mourning = werd geperst en gekeerd en verlengd tot ze een fatsoenlijke rouwjapon geleek.

Spunk, spɐŋk, tonder, zwam; vuur, geest; Spunk verb. ontvlammen: Man of spunk = driftkop; Spunky = vurig.

Spur, spɐ̂, subst. spoor, prikkel, spoorslag, aansporing; hoofdwortel, uitlooper van een gebergte, sneb, kniestuk, moederkoren; Spur verb. de sporen geven, aanzetten, van sporen voorzien, zich haasten, snel rijden: To clap (give, put, set) spurs to, To strike with the spurs = de sporen geven, aansporen; The horse did not obey the rider’s spur = luisterde niet naar de sporen; To win one’s spurs = zijne sporen verdienen (fig.); He did not know what to say on the spur of the moment = zoo gauw zou antwoorden; He acted on the spur of the moment = hij volgde zijne ingeving; He was spurring on at the top of his speed = hij reed spoorslags voort; Spur-gall, subst. spoorwond; Spur-royal = gouden munt uit den tijd van Eduard VI; Spur-rowel = spoorraadje; Spur-way = rijpad; Spur-wheel = tandrad; Spurless; Spurred rye = moederkoren; Spurrer; Spurrier = sporenmaker.

Spurge, spɐ̂dž, wolfsmelk; Spurge-laurel = laurierbladig peperboompje.

Spurious, spûriəs, onecht, valsch: Yours is a spurious edition = is een nadruk; Spurious shillings; subst. Spuriousness.

Spurling, spɐ̂liŋ, spiering, zeezwaluw; Spurling-line = lijn van het stuurrad naar den “verklikker” in de kajuit.

Spurn, spɐ̂n, subst. smadelijke verwerping of behandeling; Spurn verb. verachten, versmaden: I spurn doing this action = acht het beneden me dit te doen; Spurner.

Spurry, spɐri.

Spurt, spɐ̂t, subst. krachtige straal, aandrang, korte en plotselinge inspanning; Spurt verb. uitspuiten, zich plotseling tot het uiterste inspannen: I heard the quick spurt of a match and he lit another cigar = het plotseling knappen (knetteren) van een lucifer; He tried to get a spurt of work out of me = trachtte gauw wat werk van mij gedaan te krijgen; He made (put on) a spurt and won = hij zette voor ’t laatst krachtig aan; He was spurting for the goal = deed op het laatste moment krachtig zijn best om den eindpaal te bereiken.

Sputter, spɐtə, subst. gespat, herrie; Sputter verb. sputteren, spatten: He sputtered at me = hij voer hevig tegen mij uit = Sputtered his gall; Sputterer.

Sputum, spjûtəm, speeksel, fluim(en); meerv. Sputa.

Spy, spai, subst. spion; Spy verb. in ’t oog krijgen, bespeuren, ontdekken, spionneeren, bespieden, navorschen: Don’t spy into it = vorsch er niet naar; I Have not been able to spy it out = het uit te vorschen; Spy-boat = adviesjacht; Spy-glass = kijker; Spy-hole = kijkgat; Spy-mirror = spionnetje.

Squab, skwob, subst. jonge duif, jong ding, soort van rustbank, kussen; adj. kort en dik, plomp, nog ongevederd; Squab verb. plomp neervallen; adv. plomp: He fell squab into the pit = viel plompverloren; Squab-pie = duivenpastei; Squabbish = log, plomp.

Squabble, skwob’l, subst. ruzie, gekrakeel, geharrewar; Squabble verb. krakeelen, twisten, scheef zetten; Squabbler = ruziemaker.

Squabby, skwobi = Squabbish.

Squad, skwod, escouade, sectie, rot: Awkward squad = troep rekruten, nog niet genoeg geoefend om in de compagnieschool mee te doen; Servile squad = meiden en knechts (scherts.).