Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 11

Chapter 113,347 wordsPublic domain

Behave, biheiv, zich gedragen: To behave oneself = zich (netjes) gedragen, zoet zijn: If you are pretty behaved = zoet bent; Behaviour, biheivjə, gedrag, optreden: To put a person upon his good behaviour = iemand verantwoordelijk stellen voor zijn goed gedrag; vermanen zich goed te gedragen.

Behead, bihed, onthoofden; Beheading, onthoofding.

Beheld, biheld, imperf. van to behold.

Behemoth, bihîməth of bîhimoth, Behemoth (Job. XL. 15–24); kolossaal dier.

Behest, bihest, bevel, opdracht.

Behind, bihaind, subst. achterkant, achterste; prep. achter, minder dan, na: Behind before = achterste voren; To fall behind = achterblijven; To leave behind = achterlaten; To look behind = omkijken; To stay behind = thuisblijven, achterblijven; Behind your back = achter uw rug (ook fig.); Behind the scenes = achter de schermen (ook fig.); You are behind your time = over; The train is behind time = over zijn tijd; To be behind the times = achterlijk; There was something behind his words = stak wat achter; Behindhand = achterlijk, achterstallig, ten achteren: To be behindhand in the world = in moeielijke omstandigheden zijn, aan lager wal zijn geraakt; Behindment(s) = achterstallige schulden (Amer.).

Behn, ben.

Behold, bihould, aanschouwen, waarnemen, zien: Behold! = kijk! Behold me = daar ben ik.

Beholden, bihould’n, verplicht, dankbaar (to, for).

Behoney, bihɐni, met honig besmeren (ook fig.).

Behoof, bihûf: In (On, For the) behoof of = On behalf of.

Beho(o)ve, bihouv, bihûv, passen, noodzakelijk zijn: It beho(o)ves one to be = men dient te zijn.

Behring, beriŋ, bîriŋ.

Beige, beiž, beige.

Being, bîiŋ, aanzijn, wezen, bestaan, verblijf: For the time being = voor het oogenblik; toenmalig.

Beiram, Zie Bairam.

Beknown, binoun, bekend.

Belabour, bileibə, afrossen, ranselen.

Belate, bileit, ophouden, vertragen: Belated = vertraagd, te laat, door den nacht overvallen: A belated traveller; Belated efforts; Belated wild roses.

Belaud, bilôd, uitbundig prijzen.

Belay, bilei, vastzetten, vastjorren: Belaying-pin = houten of ijzeren nagel (scheepsterm); Belay there = houd op! maak vast!

Belch, belš, oprispen, uitspuwen, uitbraken (out, forth); subst. oprisping, etc.

Belcher, beltšə, donkerblauwe halsdoek met witte stippen en donkerblauw hart (waarschijnlijk genoemd naar Jim Belcher, een beroemd bokser in zijn tijd): A Belcher handkerchief = een zakdoek van die stof.

Beldam, beld’m, oude vrouw, heks.

Beleaguer, bilîgə, belegeren, insluiten, blokkeeren.

Belecture, bîlektšə, kapittelen.

Belfast, belfâst.

Belfry, belfri, klokketoren, klokkekamer.

Belgian, beldž’n, Belg(isch); Belgic = Belgisch; Belgium = België.

Belgrade, belgreid, Belgrado.

Belgravian, belgreivj’n, adj. tot Belgravia, een aristocratisch deel van West-Londen, behoorende; aristocratisch, modisch; subst. aristokraat, een van de Upper ten thousand.

Belial, bîliəl, Belial: Son (man) of Belial = slecht mensch.

Belibel, bilaib’l, in geschrifte belasteren.

Belie, bilai, belasteren, logenstraffen, teleurstellen: Your looks belie your words; Our hopes belied our fears = we misleidden onszelf met te blijven hopen.

Belief, bilîf, geloof, weten, overtuiging: To the best of my belief = naar mijn beste weten; That is past all belief = bepaald ongeloofelijk; My firm belief is = ik ben vast overtuigd.

Believable, bilîvəb’l, geloofelijk; Believe, bilîv, gelooven, onderstellen: Nice weather, isn’t it? I believe you = dàt zal wel waar wezen, dàt beloof ik je; To believe in = gelooven aan; That fellow believes, that the moon is made of green cheese = die vent gelooft van alles; Come, let us make believe! = een kinderspelletje doen, waarbij men ’t een of ander voorstelt; He made believe to read = hij deed net of hij las; Believer, geloover, geloovige.

Belike, bilaik, misschien, waarschijnlijk.

Belittle, bilit’l, verkleinen, kleineeren: To belittle noble deeds, a man; Belittlement, kleineering.

Bell, bel, subst. bel, klok, schel (Bells = glazen-, scheepst.), kelk; verk. v. Arabelle of Isabella; Bell verb. de bel aanhangen; schreeuwen (van herten in den bronsttijd); in den vorm van een kelk groeien: There is the front-door bell = er wordt gebeld; Funeral bell = doodsklok; To answer the bell = komen als gebeld wordt, opendoen; To bear the bell = de belhamel zijn; To bear (carry) away the bell = de overwinning behalen; To curse one with bell, book and candle = excommuniceeren; met verwenschingen overladen; To pull (ring, touch) the bell (the streetdoor bell) = bellen, aanbellen; To toll the bell = plechtig luiden, kleppen; Coral and bells = rinkelbel; Who is going to bell the cat? = wie zal de kat de bel aanbinden? Bell-buoy = klokkeboei; Bell-button = electr. belknop; Bell-flower = campanula of klokbloem; Bell-founder = klokkegieter; Bell-glass = glazen stolp; Bell-harness = tuig met bellen; Bellman = omroeper; Bell-metal = klokkespijs; Bell-pull (Bell-rope) = schellekoord; Bell-punch = instrument met bel om kaartjes te knippen; Electric bell-pushes = knoppen; Bell-ringer = klokluider; Bell-shaped; Bell-wether = belhamel (ook fig.).

Belladonna, belədonə, belladonna.

Bellerophon, bəlerəfon.

Bellicose, belikous, belikous, oorlogzuchtig, strijdlustig.

Belligerence, bəlidžərens, Belligerency, oorlogvoeren, staat van oorlog; Belligerent, oorlogvoerend(e natie).

Bellona, bəlounə, Bellona.

Bellow, belou, verb. bulken, luid schreeuwen; subst. gebulk, etc; Bellower, afroeper, omroeper.

Bellows, belouz, beləz, blaasbalg: Bellows-blower = orgeltrapper.

Belly, beli, subst. buik, schoot; Belly verb. zwellen, dik worden, uitzetten: Your eyes are too big for your belly = je oogen zijn grooter dan je maag; To eat the calf in the cow’s belly = de kip slachten, die de gouden eieren legt; A man given to (fond of) his belly = die slechts zijn buik dient; Hoof to belly = ventre à terre; The bellied sails = bolle zeilen; Belly-ache = buikpijn, koliek; Belly-band = buikriem; Bellyful = buikvol; pak slaag; Belly-god (Belly-slave) = gulzigaard; Belly-pinched = uitgehongerd; Belly-timber = voedsel; Belly-worm = spoelworm.

Belong, biloŋ, toebehooren, behooren bij (tot), betreffen, voegen, geschikt zijn voor, wonen (Amerik.): Where do you belong? = waar hoor jij thuis? That word does not belong here = is niet op zijn plaats; Belongings = eigendom, hebben en houden, toebehooren, aanhang.

Beloved, bilɐvid, dierbaar, geliefd: The Beloved = de Zoon Gods.

Below, bilou, adv. en prep. onder, naar onderen, beneden, op aarde, in de hel (onderwereld): The realms below = het schimmenrijk; It is below him = beneden hem.

Belt, belt, Belt: The Great and the Little (Lesser) Belt.

Belt, belt, subst. gordel (ook als ridderattribuut), koppel, drijfriem, ring (van Jupiter); kampioensgordel; Belt verb. omgeven, omringen: Belt-railway = ceintuurbaan; To have the belt = ‘de week’ hebben (van officieren); To have too much wine under one’s belt = achter de knoopen; To hit below the belt = een gemeenen slag toebrengen (bij het boksen), ook fig.; To hold the belt = kampioen zijn; Belted cruiser = kruiser met een pantsergordel langs de waterlijn.

Beltane, Beltein, beltin, een Heidensch zonnefeest, in Ierland gehouden op 21 Juni, in de Hooglanden van Schotland in Mei, waarbij, te midden van allerlei plechtigheden, vuren werden gebrand op de heuvels.

Belvedere, belvidîə, belvedère, uitzichttoren, uitzichtkoepel.

Belvoir, bîvə.

Bemire, bimaiə, beslijken, bezoedelen.

Bemoan, bimoun, weeklagen, bejammeren: To bemoan oneself = zijn lot beklagen.

Ben, ben, berg(top) (Schotl.); binnenkamer, (Schotl.); adv. in, van binnen; verkorting voor Benjamin en Benefit (night).

Bench, benš, subst. bank, schaaf- of draaibank; de rechters; Bench verb. van banken voorzien; tot aanzien brengen: The bench and the bar = de rechters en de balie; Court of Queen’s (King’s) Bench = oud gerechtshof; thans de Queen’s Bench Division van het High Court of Justice; The Treasury Bench = bank der ministers in The House of Commons; He was raised to the bench = tot rechter benoemd; Bencher = vroeger bestuurslid van een Inn of Court; thans lid van het uit de besturen der 4 Inns gevormde college: Council of Legal Education, dat de examens voor Barrister afneemt; Bench-warrant = bevel tot inhechtenisneming uitgevaardigd door een Court of Judge.

Bend, bend, subst. bocht, kromming, knoop, steek; Bend verb. buigen, krommen, lichten, zich toeleggen, overhellen tot, besloten zijn, onderwerpen, overhangen, aanslaan: Bends = berghout; The Bend (Bar) sinister, eene lijn in een wapenschild, van den linkerbovenhoek naar den rechterbenedenhoek getrokken, en onechte geboorte aanduidend; We have been on the bend = wij zijn eens “uit” geweest; To go on a bend = bokkesprongen maken (fig.); He bent his brow = fronste zijn voorhoofd; To bend a sail = aanslaan; They bend their way homewards = richten hunne schreden; Bent on going, on pleasure, on mischief = besloten te gaan, geneigd tot pret maken, kwaad doen; He was bent on his work = ingespannen bezig met; As the twig is bent, the tree’s inclined = jong gewend, oud gedaan; We must not bend the bow till it breaks = de boog kan niet altijd gespannen zijn; Bend-leather, zoolleer; Bendable, buigbaar; Bender = spanner; sixpence; been, fuif (Amer.).

Beneaped, binîpt, vastzittend (door ebbe).

Beneath, binîth, beneden, lager dan, onder, op aarde: It is beneath you (your dignity); He thinks it beneath him; On the earth beneath.

Benedicite, benədisitî, of benədaisitî, God zegene u! subst. gebed vóór den maaltijd; een danklied.

Benedick, benədik, Benedict, benədikt, Benedictus; een pas gehuwde; bekeerde oude vrijer.

Benedictine, benədiktin, subst. Benedictijner monnik; Ben. likeur; adj. Benedictijnsch.

Benediction, benidikš’n, benedictie, inwijding, inzegening, lofrede; dankzegging; Benedictional = zegenformulier boek; Benedictory, benədiktəri, Benedictory prayers = heilbeden.

Benefaction, benifakš’n, weldaad, weldoen, schenking; Benefactor (Benefactress), weldoener (weldoenster).

Benefice, benəfis, leen, prebende, de door den Patron te vergeven predikantsplaats: The benefice was only open to = voor de prebende kwamen slechts in aanmerking.

Beneficence, bənefisens, weldadigheid; Beneficent, weldadig; Beneficial, benəfiš’l, voordeelig, nuttig, heilzaam; Beneficialness: Beneficiary, benəfišəri, subst. hij, die in ’t bezit is van een benefice; een provenier, vasal; hij, die een beurs heeft (Amer.); ontvanger van een geldelijk bedrag; beneficiant (van een leen of eene beurs) adj. in betrekking tot een benefice; mild.

Benefit, benəfit, subst. weldaad, gunst, voordeel, weldadigheidsvoorstelling of benefiet (= Benefit night); Benefit verb. nuttig zijn voor, van dienst zijn, bevorderen, nut of voordeel trekken uit (by): Benefit of Clergy = een vroeger voorrecht om niet voor een wereldlijke rechtbank terecht te staan; Maternity benefit = uitkeering (volgens de ziektewet) bij bevalling; Medical benefit = genees-, en heelkundige hulp; Sanatorium benefit = verpleging in sanatoria; Let us give him the benefit of the doubt = laten we den bestaanden twijfel in zijn voordeel uitleggen; For the benefit of his health = in het belang; The Egyptians never benefited by French influence; Benefit-society = verzekeringsgezelschap tegen ziekte en ouderdom; Benefit building-society = vereenig. voor het bouwen van arbeiderswoningen.

Benevolence, bənevəl’ens, welwillendheid, weldaad; bede; Benevolent, welwillend, weldadig: Benevolent fund = ondersteuningsfonds.

Bengal, beŋgôl, Bengalen; een dunne uit zijde en haar vervaardigde stof; adj. Bengaalsch: Bengal cane = Spaansch riet; Bengal light = Bengaalsch vuur; Bengal tiger = koningstijger; Bengalee, Bengali, beŋgôlî, Bengalese, beŋgôlîz, Bengalees, Bengaleezen, het Bengaalsch.

Benighted, binaitid, door den nacht overvallen, achterlijk, ouderwetsch, dom.

Benign, binain, liefderijk, weldadig, mild, goedaardig; Benignant, binign’nt, liefderijk, etc.; Benignity, binigniti, liefderijkheid, goedheid, welwillendheid.

Benjamin, benžəmin, Benjamin; benzoë; soort van overjas (in de mode in het begin dezer eeuw); lage stroohoed met breeden rand.

Benjy, benži, verkorting van Benjamin.

Bennet, benət, nagelkruid.

Bent, bent, gebogen, krom, geneigd, gesteld, belust, besloten; subst. neiging, drang, trek, grootste (in)spanning, helling: He has fooled me to the top of my bent = tot het uiterste; Bent (= Bent-grass) = struisgras; To take (to) the bent = ontsnappen, vluchten.

Benumb, binɐm, verstijven: Benumbed with cold; subst. Benumbedness.

Benzine, benzin, benzîn, benzine; Benzol(e), benzol, benzoul, benzol = Benzoline, benzəlîn.

Beowulf, beiəwulf, bîəwulf.

Bepraise, bipreiz, buitensporig prijzen.

Bepuff, bipɐf, vreeselijk in de hoogte steken.

Bequeath, bikwîth, bikwîdh, nalaten, vermaken; subst. Bequeathal = Bequeathment; Bequest, bikwest, legaat.

Berate, bireit, doorhalen of hekelen.

Berber, bɐ̂bə, Barbarijsche taal (of bewoner); adj. Barbarijsch.

Bereave, birîv, berooven, wegnemen; Bereavement = zwaar verlies.

Bereft, bireft, imperf. en part. perf. van to bereave.

Berenice, berinais; Beresford, berəsfəd.

Bergamot, bɐ̂gəmot, bergamotcitroen, bergamotolie, bergamotpeer; soort grof tapijtwerk.

Bergander, bɐ̂gandə, bergeend.

Berlin, bɐ̂lin, Berlijn, berline, garen handschoen (= Berlin glove); adj. Berlijnsch: Berlin blue = Pruisisch blauw; Berlin shop = tapisseriewinkel; Berlin wool = fijne breiwol.

Berm(e), bɐ̂m, berm, walrand.

Bernard, bɐ̂nəd, Bernardus; Bernardine, bɐ̂nədin, Bernardijn; adj. Bernardijnsch.

Berne, bɐ̂n, Bern: The Bernese (bɐ̂nîz) Highlands = Berner Oberland.

Bernoose, bɐ̂nûs, bɐ̂nûs, burnous.

Berre(t)ta, bəretə, baret (zwart voor priesters, violet voor bisschoppen (te Rome meest zwart), rood voor kardinalen.)

Berry, beri, subst. bes, boon, eitje van visch of kreeft; Berry verb. bessen voortbrengen, of plukken.

Berserk (Berserkar, Berserker, Berserkir), bɐ̂sɐ̂k(ə), subst. Berserker, woesteling; adj. woest: Berserker rage; His berserker forefathers = woeste.

Berth, bɐ̂th, subst. ruimte tusschen zeilende schepen, ankerplaats, ligplaats, kooi, hut, post, (goed) baantje; Berth verb. een slaapplaats aanwijzen; eene ankerplaats aanwijzen: He has got a good berth = baantje; To give a man (the coast) a wide berth = uit den weg (de kust) blijven; Berthage, bɐ̂thidž, ankerplaats, liggeld.

Berwick, berik, bɐ̂wik (Amer.).

Beryl, beril, beril; adj. lichtgroen = Berylline.

Besant (W.), bəzânt.

Beseech, bisîtš, smeeken, dringend verzoeken.

Beseem, bisîm, passen, voegen; subst. Beseemingness.

Beset, biset, omringen, insluiten, belegeren, in ’t nauw brengen, bestormen: Beset with enemies = omringd en bestookt door; Besetment: That was his great besetment = daarvan was hij de slaaf; Besetting-sins = zonden, waartoe men lichtelijk vervalt (Hebr. XII, 1.).

Beshrew, bišru, vervloeken, verwenschen: Beshrew me, my heart = waarachtig! Beshrew the hour! = vervloekt zij.

Beside, bisaid, naast, nabij, buiten, afgescheiden van: He was beside himself with rage = buiten zichzelven; He is beside the mark = de plank mis; That’s beside the present point = dat doet hier niet ter zake; Besides, bisaidz, bovendien, behalve.

Besiege, bisîdž, belegeren, bestormen; subst. Besiegement; Besieger, belegeraar.

Beslaver, bislavə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslime, bislaim, met slijm bevuilen.

Beslobber, bislobə, bekwijlen; likken (fig.).

Beslubber, bislɐbə, bekwijlen.

Besmear, bismîə, besmeren, bevuilen.

Besmirch, bismɐ̂tš, bevuilen, bezoedelen.

Besmut, bismɐt, (met roet) bevuilen.

Besom, bîz’m, bezem, bezemkruid.

Besot, bisot, dronken voeren, verdwazen; Besotted = dronken, aan den drank, dwaas (verliefd).

Besought, bisôt, imp. en p.p. van to beseech.

Bespangle, bispaŋg’l, versieren (bezaaien) met loovertjes.

Bespatter, bispatə, bespatten, bekladden.

Bespeak, bispîk, subst. benefiet; Bespeak verb. vooraf bespreken, bestellen, beteekenen, verzoeken om, aanspreken, aankondigen, boeien: We were at a play last night: it was a bespeak; The bespeak party occupied two boxes = de dames en heeren die het stuk lieten spelen; I bespeak the attention of every man for our foreign affairs = vraag ieders aandacht; His language Bespeaks him a scholar = bewijst dat hij is; Bespeak bootmaker = op maat; Bespeak tailoring at ready-made prices = op maat doch tegen confectie prijzen; Imperf. en P.P. = Bespoke, Bespoken.

Besprinkle, bispriŋk’l, besprenkelen.

Bess, bes, verkorting van Elizabeth.

Bessemer, besəmə: Bessemer process = bessemeren, gietijzer onder hooge temperatuur smelten en er in gesmolten toestand lucht doorheen voeren; Bessemer steel.

Best, best, subst. best; adj. best; Best verb. overtreffen, beetnemen: Sunday best = Zondagskleeren; The best part of the week = grootste gedeelte; At (its) best = op zijn mooist, hoogstens; To see a person at his best = van zijn besten kant; To the best of my ability (belief) = zoo goed ik kan (naar mijn beste weten); To do one’s best = zijn best doen; To get (have) the best of = er het best afkomen, de overhand hebben; To keep the best (wine) to the end = het lekkerste (beste) voor het laatst bewaren; To look one’s best = op zijn voordeeligst; To make the best of a bad bargain = zich er zoo goed mogelijk doorheen slaan; To make the best of a chance = zooveel mogelijk partij trekken van; To make the best of a bad husband = zich schikken in, verzoenen met het idee; To make the best of one’s way home = zich zoo snel mogelijk begeven; We had performed the best of our way = het grootste gedeelte afgelegd; To play one’s best; To speak for the best = om bestwil; To wear for best = voor best; Put your best foot forward; Best-maid = bruidsmeisje (Schotl.); Best-man = bruidsjonker; Best-pleased = ingenomen.

Bestead, bisted, van dienst zijn, helpen; past part. en adj. omgeven, geplaatst, gelegen: Hard bestead = in ’t nauw; Ill bestead = in moeielijken toestand.

Bestial, bestj’l, beestachtig, zinnelijk; Bestiality = beestachtigheid, etc.; Bestialize = verdierlijken.

Bestir, bisɐ̂, in vlugge en krachtige beweging brengen, roeren, inspannen: You must bestir yourself = u inspannen, voortmaken.

Bestow, bistou, aanwenden, verleenen, werpen, schenken, besteden, opbergen; Bestowal = Bestowment = gave.

Bestraddle, bistrad’l = Bestride.

Bestrew, bistrû, bestrooien.

Bestride, bistraid, schrijlings zitten op of staan over; stappen over, bestijgen; P.P. Bestridden; P. Imp. Bestrode.

Bestud, bistɐd, met studs of kno(o)pjes versieren.

Bet, bet, subst. weddenschap, inzet; Bet verb. wedden, eene weddenschap aangaan; It is an even bet = weddenschap met gelijken inzet; He made a bet of a bowl of punch = wedde om; I’ll bet you ten pounds = ik wed met u om; You bet! (Amer.) = Zeker! Dat wed ik met je! Better (Bettor) = wedder; Betting-book = boekje voor het noteeren van weddenschappen; Betting-man = iemand, die wedrennen geregeld bezoekt om te wedden, gokker.

Betake, biteik: Betake oneself to = zich begeven naar, zijn toevlucht nemen tot, zich bedienen van, aanvatten.

Betel, bît’l, betel; Betelnut = betelnoot.

Bethel, beth’l, heilige plek, kerk voor dissenters of zeelui.

Bethink, bithiŋk, (zich) herinneren, overwegen: I bethought myself of it at the right moment; He bethought of him = herinnerde zich zijner.

Betide, bitaid, overkomen, geschieden: Woe betide you = wee u.

Betime(s), bitaim(z), in tijds, weldra.

Betoken, bitouk’n, aanduiden, voorspellen: That dark cloud betokens a storm.

Beton, bet’n, beton.

Betony, betəni, betonie.

Betook, bituk, imperf. van to betake.

Betray, bitrei, verraden, misleiden, bedriegen: He betrayed his ignorance = liet blijken; My head is all right, but my legs betray me = geven het op (ik kan niet meer loopen of staan); Betrayal = verraad; Betrayer, verrader.

Betroth, bitroudh of bitroth, verloven, beloven te huwen; tot bisschop aanstellen; Betrothal (Betrothment) = verloving; Betrothed, verloofde.

Better, betə, adj. en adv. beter; Better verb. overtreffen, verbeteren, beter worden: Better and better = al beter en beter; Betters = meerderen; All (so much) the better = des te beter; As long again and better = meer dan eens zoo lang; Two heads are better than one = twee weten meer dan een; To be better = beter zijn, zich beter bevinden; Is my father any better? Is your foot better? She would be better married = ’t was beter, dat zij getrouwd ware; Being better at stairs than her husband = beter kunnende trappen klimmen; To be better off = zich in betere, gunstiger omstandigheden bevinden; To be the better for = in beteren toestand zijn; He was the better for the sea-air; To become, get, grow better = beter worden; To change for the better = ten goede; To get, gain the better of a person = iemand de baas, te slim af zijn; To go one better = overtreffen; To have the better of a person = iemand overtreffen, overwinnen; You had better go = deedt beter; To marry for better for worse = of het geluk of ongeluk moge brengen; To think better of it = zich bedenken, zich bezinnen; The better half = de grootste helft; wederhelft (fig.); Bettermost = beste, voornaamste; Better part = grootste deel; The better opinion is = we weten niet beter of; To better oneself = zich verbeteren; een betere positie verwerven; Bettering, subst. verbetering; adj. verbeterend; Betterment = verbetering; Betterness = voortreffelijkheid, verbetering.

Betty, beti, Betty; Jan Hen.

Between, bitwîn, tusschen: They bought the house between them = met hun beiden; Between ourselves (you and me) = onder ons gezegd; Between this and then = tot zoolang; In between = in den tusschentijd; Between ... and = zoowel door ... als door; (Few and) far between = zeldzaam; Between-deck(s), subst. en adj. tusschendek(s); Betweenwhiles = nu en dan.

Betwixt, bitwikst, tusschen: There’s many a slip ’Twixt the cup and the lip = tusschen bekerrand en lippen, kan u meen’ge kans ontglippen; It is Betwixt and between = zoo zoo, la la.

Beulah, bjûlə; Bevan, bev’n.

Bevel, bev’l subst. winkelhaak, hoekmeter; adj. schuinsch, scherphoekig; Bevel verb. hoekig maken, schuin toeloopen: Bevel-angle = scherpe (of stompe) hoek.

Beverage, bevəridž, drank.

Beverley, bevəli; Bevis, bîvis.

Bevy, bevi, vlucht, troep, gezelschap.

Bewail, biweil, beklagen, beweenen; weeklagen; Bewailable = beklagenswaardig; Bewailing = gejammer.

Beware, biwêə, oppassen, zich hoeden voor: Beware of the dog = wacht u voor; Beware them both, but most of all beware this boy = houd in ’t oog; Beware lest ... pas op, dat niet.

Beweep, biwîp, beweenen.

Bewick, bjûik.

Bewilder, biwildə, in de war brengen, verbijsteren; Bewilderedness, Bewilderment = verwarring.

Bewitch, biwitš, beheksen, betooveren; subst. Bewitchery = Bewitchment.

Bewray, birei, ontdekken, verraden: This poem bewrays itself as a translation = men ziet dadelijk, dat het vertaald is; Her dress bewrays her = toont duidelijk wat ze is.

Beyond, bi-jond, verder dan, aan de andere zijde van, voorbij, boven, overtreffende: The Great Beyond = hiernamaals; It is beyond me = mij te hoog, te moeielijk; It goes beyond my comprehension, powers, beyond me = mij te hoog; That is beyond dispute = buiten kijf; The better land is beyond the tomb = aan de overzijde van; You are beyond that handbook = het is te gemakkelijk voor u; You have got beyond that cheap violin = speelt te goed voor; Beyond words = niet om uit te drukken, sprakeloos; To go beyond one = overtreffen, te slim af zijn; To go beyond one’s depth = zoo ver gaan, dat men niet meer staan kan (ook fig. = te hoog gaan, te moeielijk worden); To stay beyond one’s time = te lang blijven.

Bezel, Bezil, bez’l, scherpe kant van een beitel; kas van een ring, waarin de steen zit; het gleufje, waarin het horlogeglas past.

Bezoar, bîzö of bezö, bezoar of maagsteen.

Biangular, bai-aŋgjulə, tweehoekig.