Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 33
Desert, dizɐ̂t, verlaten, deserteeren, afvallig worden van; Deserter = deserteur, afvallige; Desertion, dizɐ̂š’n, verlatenheid, wanhoop, desertie.
Deserve, dizɐ̂v, verdienen, waardig zijn: He has deserved well of his country = heeft zich verdienstelijk gemaakt jegens; Deservedly = terecht; The deserving poor man = fatsoenlijke arme; Deserving of a better cause = eene betere zaak waardig.
Deshabille, dezəbîl = Dishabille.
Desiccant, disik’nt, desik’nt, subst. en adj. opdrogend (geneesmiddel); Desiccate, desikeit, disikeit, opdrogen; subst. Desiccation; Desiccative, disikətiv = Desiccant.
Desiderate, dəsidəreit, wenschen, noodig hebben, missen: I could have desiderated a fuller treatment of that subject = eene vollediger behandeling ware wenschelijk geweest; A desiderated reform = gewenscht, maar niet verkregen; Desiderative, dəsidərətiv, subst. en adj. gewenscht(e zaak); Desideratum, desideratum.
Design, dizain, disain, subst. schets, plan, ontwerp, voornemen, bedoeling, aanslag, dessin; Design verb. schetsen, ontwerpen, bedoelen, aanwijzen: Industrial design = vakteekenen; A school of design = ambachtsteekenschool; Through design = opzettelijk; Designedly = opzettelijk; Designer = ontwerper, intrigant; Designing, subst. het ontwerpen van dessins, etc.; adj. intrigeerend, listig.
Designate, designeit, aanwijzen, onderscheiden, noemen, bestemmen voor; subst. Designation.
Desilver(ize), disilvə(raiz), ontzilveren; subst. Desilverization.
Desirable, dizairəb’l, wenschelijk; subst. Desirableness = Desirability; Desire, dizaiə, subst. begeerte, wensch, verlangen; Desire verb. verlangen, begeeren, verzoeken: He is not all that can be desired = hij kon wel beter zijn; I desired him to walk upstairs = verzocht hem; Desirous = begeerig: Desirous of praise = begeerig naar lof.
Desist, disist, dizist, ophouden, nalaten, afzien van (from); subst. Desistance.
Desk, desk, subst. lessenaar, lezenaar: Desk-work = schrijfwerk, zittend werk.
Desolate, desəlit, adj. verlaten, droevig, somber, eenzaam, woest; Desolate verb. (desəleit), verwoesten, eenzaam maken, ontvolken, vernietigen; subst. Desolateness; Desolater, Desolator, deseleitə, verwoester; Desolation = verwoesting, eenzaamheid, troosteloosheid.
Despair, dispêə, subst. wanhoop; Despair verb. wanhopen: In despair = wanhopig; His life was despaired of = er werd gewanhoopt aan.
Despatch, dispatš, subst. verzending, wegzending, afdoening, spoed, bericht; Despatch verb. afzenden, afmaken, volbrengen, afdoen, dooden: Happy despatch = de Jap. Harakiri; Despatch-box = portefeuille, schrijfmap; Despatch-goods = ijlgoederen; Despatch-money = premie op vlug laden of lossen; Despatcher = dispacheur.
Desperado, despəreidou, dolle waaghals, wanhopige schurk, woesteling.
Desperate, despərit, adj. vertwijfeld, wanhopig, verloren, hopeloos, roekeloos, geweldig: Desperate of = wanhopend aan; subst. Desperateness = vertwijfeling, razernij; Desperation = vertwijfeling.
Despicable, despikəb’l, verachtelijk, laag, gemeen, waardeloos; subst. Despicableness; Despise, dispaiz, verachten, versmaden.
Despite, dispait, subst. boosaardigheid, spijt, verachting; He did it (in) despite of warning = trots alle; Despiteful = boosaardig; subst. Despitefulness.
Despoil, dispôil, berooven, plunderen; Despoliation, despoulieiš’n, dispoulieiš’n, plundering, berooving.
Despond, dispond, moedeloos of hopeloos worden, wanhopen; Despondency = moedeloosheid; adj. Despondent = Desponding.
Despot, despot, alleenheerscher, tiran; adj. Despotic(al); Despotism = despotisme.
Despumation, despjumeiš’n, afschuiming.
Dessert, dəzɐ̂t, dəsɐ̂t, dessert; Dessert-dish; Dessert-spoon.
Destination, destineiš’n, bestemming; Destine, destin, bestemmen (to, for); Destiny, destini, bestemming, lot, noodlot: The Destinies = de drie Parcae of Schikgodinnen.
Destitute, destitjût, ontbloot van, behoeftig, verlaten, hulpeloos; ook subst.; Destituteness = verlatenheid; Destitution = groote armoede.
Destroy, distrôi, vernietigen, verwoesten, afbreken, dooden, verdelgen: Never destroy anything = doe nooit iets weg; Destroying angel = worgengel.
Destructibility, distrɐktibiliti, vernietigbaarheid; adj. Destructible; Destruction, distrɐkš’n, vernieling, verdelging, verwoesting, ondergang; Destructive, distrɐktiv, subst. radicale hervormer; adj. vernietigend, verderfelijk; subst. Destructiveness.
Desudation, desjudeiš’n, overmatig zweeten.
Desuetude, deswitjûd, (in) onbruik (raken).
Desulphurate, disɐlfjureit, ontzwavelen = Desulphurize.
Desultoriness, desəltərinəs, subst. v. Desultory, des’ltəri, onsamenhangend, vluchtig, oppervlakkig, van den hak op den tak.
Detach, ditatš, scheiden, losmaken, afkeerig maken, detacheeren: The Free Staters will not be detached from their alliance = zich niet losmaken; Detachable = scheidbaar; Detached house = vrijstaand; Detachment = scheiding, onbevangenheid, detachement.
Detail, diteil, dîteil, subst. omstandig verhaal, omstandigheid, bijzonderheid, afdeeling manschappen (voor speciale diensten): In detail = omstandig, stuk voor stuk; He entered into details = trad in bijzonderheden; Further details = nadere bijzonderheden, details.
Detail, diteil, omstandig verhalen, in bijzonderheden mededeelen; voor speciale diensten aanwijzen: A detailed account = omstandig verslag.
Detain, ditein, afhouden, ophouden, terughouden, onthouden, gevangen houden: A writ of detainer was issued against them = bevel tot verlengde gevangenhouding werd tegen hen uitgevaardigd; Forcible detainer = gewelddadige inbezithouding.
Detect, ditekt, ontdekken, betrappen, aan ’t licht brengen; Detectable of Detectible = ontdekbaar; Detecter (Detector) = indicateur; Detection = ontdekking, betrapping; Detective = subst. geheime agent; ook adj.: The detective force = geheime politie.
Detent, ditent, lichter, drukker, trekker.
Detention, ditenš’n, terughouding, uitstel, opsluiting; het nablijven: Detention-colony = strafkolonie; Detention-work = strafwerk; House of detention = huis van bewaring.
Deter, ditɐ̂, afschrikken, afhouden; Deterrent = afschrikkend (middel of voorbeeld).
Deterge, ditɐ̂dž, eene wond zuiveren; Detergent = reinigend (middel).
Deteriorate, ditîriəreit, ontaarden, verergeren; subst. Deterioration.
Determinability, ditɐ̂minəbiliti, subst. v. Determinable, ditɐ̂minəb’l, bepaalbaar, beslisbaar; Determinate, ditɐ̂minit, bepaald, beperkt, beslist; Determination, ditɐ̂mineiš’n, einde, beslissing, bepaling, besluit, vaststelling, beslistheid, vastberadenheid; Determinative = bepalend; Determine, ditɐ̂min, bepalen, beperken, besluiten, beslissen, vergewissen; Determinism, ditɐ̂minizm, determinisme.
Detest, ditest, verfoeien; Detestability = Detestableness = verfoeielijkheid; Detestation, dîtəsteiš’n, verfoeiing, walging.
Dethrone, dithroun, onttronen; subst. Dethronement.
Detinue, detinjû: Action of detinue = actie tot teruggave van onwettig onthouden goederen.
Detonate, detəneit, (doen) ontploffen: Detonating cap, gas, powder = slaghoedje, knalgas, donderpoeder; Detonation = explosie; Detonator, slaghoedje, knalsignaal (= Detonating fog-signal), donderbus.
Detour, ditûə, kromming, omweg, omhaal, wijking.
Detract, ditrakt, wegnemen, smaden, verkleinen, belasteren: That does not detract from my wish to serve you = dit belet niet, dat ik wensch; subst. Detraction; adj. Detractive = Detractory; Detractor, smaler, lasteraar; aftrekspier.
Detrain, ditrein, uit een spoortrein laden, uitstijgen.
Detriment, detriment, schade, nadeel; Detrimental; adj. nadeelig, schadelijk; subst. jongmensch, dat meisjes het hof maakt, en ernstige aspiranten daardoor afschrikt.
Detroit, ditrôit.
Detruncate, ditrɐŋkeit, knotten, afsnijden; subst. Detruncation.
Deuce, djûs, twee (op dobbelsteenen of kaarten), beide spelers 3 slagen (Lawntennis); duivel, droes, drommel: I had the deuce’s own trouble with him = drommels veel moeite met; The deuce is in it = daar speelt de duivel mee; He is the deuce to talk = hij is een vervelende babbelaar; Deuced difficult = verduiveld moeilijk; Deuce-ace = de één en twéé bij het dobbelen.
Deus ex machina, dîəseksmeikinə.
Deuteronomy, djûteronəmi, Deuteronomium.
Deuxponts, djûpoŋ, Tweebruggen.
Devastate, devəsteit, verwoesten; subst. Devastation; Devastator = verwoester.
Develop, diveləp, (zich) ontwikkelen, verduidelijken, ontvouwen; Developer = ontwikkelaar; Development = ontwikkeling, ontvouwing.
De Vere, də vîə; Devereux, devərû.
Devest, divest, vervreemden (van recht of titel); verloren gaan: Zie Divest. He devested himself of his power = hij legde af.
Deviate, dîvieit, afwijken, afdwalen; subst. Deviation.
Device, divais, subst. plan, oogmerk, devies, motto, list, vinding; Full of devices = vindingrijk, slim.
Devil, dev’l, subst. duivel, drukkersloopjongen, scheurmachine (in lompenfabrieken); sterk gekruid vleeschgerecht; Devil verb. aan flarden scheuren (van lompen), sterk kruiden of peperen; handlangen: What comes over the devil’s back, goes under his belly = onrechtvaardig verkregen goed gedijt niet; Devil’s bones = dobbelsteenen; Devil’s books = speelkaarten; Devil’s dirt = duivelsdrek; Devil’s Own = het 88e linie-regiment; Devil’s tattoo = het trommelen met de vingers op eene tafel, etc.; Between (the) devil and (the) deep sea = tusschen Scylla en Charybdis; He must needs go whom the devil drives = wie den duivel aan boord heeft moet met hem varen; Devil take the hindmost = loope wie loopen kan; He gave the devil his due = hij heeft hem recht laten wedervaren; The boy plays the devil with his teachers = plaagt verschrikkelijk; It is enough to kill the devil = je zou er des duivels van worden; That is the devil of it = dat is het beroerde van de zaak; What the devil do you want? = wat duivel moet je; Devil a bit I care = het kan me geen zier schelen; A devil-may-care fellow = onverschillig, roekeloos; Devilish = duivelsch, verduiveld; Devilment = schurkerij: There’s devilment in him = hij heeft leelijke streken; Devil(t)ry = duivelsche slechtheid, streken.
Devious, dîvjəs, afwijkend, afdwalend: Devious path (way) = omweg; Devious step = misstap; subst. Deviousness.
Devisable, divaizəb’l, bedenkbaar; vermaakbaar; Devise, divaiz, subst. erflating; testament; Devise verb, verzinnen, overleggen, overwegen, nalaten (by will); Devisee, devizî, wien de grondbezittingen worden vermaakt; Deviser = plannenmaker; Devisor = erflater.
Devitrification, dəvitrifikeiš’n, subst. v. Devitrify, divitrifai, tot matglas maken.
Devocalize, divoukəlaiz, stemloos maken.
Devoid, divôid, ontbloot (of).
Devoir, Fr. uitspr., plichtpleging.
Devolution, devəl(j)ûš’n, toevallen bij erfenis; verwijzing naar eene commissie (Parl.).
Devolve, divolv, overdragen, overgaan, toevallen, tebeurtvallen, neerkomen op: It devolves on you = komt op u neer; subst. Devolvement.
Devon, dev’n = Devonshire; Devonian = uit D.; Devonport; Devonshire: Devonshire colic = loodkoliek.
Devote, divout, verb. wijden, offeren, doemen; Devoted = gewijd, gedoemd; innig verknocht; subst. Devoteness; Devotee, devətî, aanbidder, enthousiast; bekrompen dweper, kwezel; Devotion, divouš’n, toewijding, opoffering, godsvrucht, godsdienstoefening, gebed, gehechtheid, vurige liefde: Devotions = gebeden, godsdienstige plichten, godsdienstoefening; Devotional = godvruchtig, vroom, stichtelijk.
Devour, divauə, verslinden, verteren, vernietigen.
Devout, divaut, vroom, innig, oprecht; subst. Devoutness.
Dew, djû, subst. dauw; Dew verb. bedauwen, bevochtigen; Dew-beater = dauwtrapper; voet; Dew-berry = dauwbraam; Dew-dropping = dauwend, zacht neervallend als dauw; Dewlap = kossem, halskwabbe; Dew-point = dauwpunt; Dew-worm = aardworm, pier; Dewy = bedauwd.
D’Ewes, djûz.
Dexter, dekstə, rechtsch, ter rechter (Herald.); Dexterity, deksteriti, handigheid, vaardigheid; Dext(e)rous, dekstrəs, (dekstərɐs), handig, vaardig.
Dextrine, dekstrin, dextrine.
Dey, dei, (Turksche titel voor) stadhouder.
Dhobi(e), doubi, Brit. Ind. waschvrouw; Dhole, doul, wilde hond; Dhotee, Dhoti, douti, lendendoek (Brit. Ind.).
Dhow, dau, Arabisch vaartuig.
Dhurra, dɐrə, Indisch en Egypt. gierst.
Diabetes, daiəbîtîz, suikerziekte; adj. Diabetic: Diabetic sugar = druivensuiker.
Diablerie, Diablery, diabləri, diâbləri, = Devilry; Diabolic(al), daiəbolik(’l), duivelsch, kwaadaardig; subst. Diabolicalness; Diabolism, daiabəlizm, duivelachtigheid, bezetenheid.
Diaconal, daiakən’l, een deacon betreffend; Diaconate = decanaat.
Diacritic, daiəkritik, onderscheidend; subst. onderscheidingsteeken; adj. Diacritical.
Diadem, daiədem, diadeem; Diadem spider = kruisspin.
Di(a)eresis, daiîrisis, daierisis, diaeresis.
Diagnose, daiəgnouz, daiəgnous, de diagnose bepalen; Diagnosis, daiəgnousis, diagnose; Diagnostic = kenmerkend (teeken); Diagnostics = diagnostiek.
Diagonal, daiagən’l, adj. en subst. diagonaal.
Diagram, daiəgram, subst. diagram; adj. Diagrammatic.
Diagraph, daiəgraf, een soort teekenaap; Diagraphic(al) = beschrijvend.
Dial, dai’l, zonnewijzer, wijzerplaat, draaibord: Arabic, Roman dial(-plate) = wijzerplaat met Arab. of Romeinsche cijfers.
Dialect, daiəlekt, dialekt, tongval; adj. Dialectal = Dialectical = de dialectiek betreffend = Dialectic; Dialectician, dialecticus; Dialectics, dialectiek; Dialectology = studie en kennis der dialecten.
Dialogic(al), daiəlodžik(’l), dialogisch; Dialogist; Dialogue, daiəlog, subst. tweegesprek, tweespraak; verb. een d. houden.
Diameter, daiamətə, middellijn; Diametric(al) = diametraal.
Diamond, dai(ə)m’nd, subst. diamant, diamantletter, ruit; ook adj.: It is diamond cut diamond = ze zijn aan elkaar gewaagd; Nine of diamonds = ruiten negen; Diamond-cutting = diamantslijpen; The windows were diamond-pane lattices = in lood gevatte ruiten; A diamond-shaped figure = ruitvormige figuur; Diamondiferous = diamanten bevattend.
Diana, daianə, daieinə, Diana.
Diapason, daiəpeiz’n, algemeene toonomvang van stem of instrument; algemeen aangenomen toonhoogte, diapason.
Diaper, daiəpə, subst. soort van damast, servet; adj. gebloemd; Diaper verb. figuren of bloemen maken (in eene stof), schakeeren; Diaper-pavement, Diaper-work = mozaïekvloer.
Diaphane, daiəfein, doorschijnende stof, zijden stof met doorschijnende figuren.
Diaphanous, daiafənɐs, diaphaan.
Diaphoretic, daiəfəretik, subst. en adj. zweetverwekkend (middel).
Diaphragm, daiəfram, middenrif; diaphragma (microsc.).
Diarist, daiərist, houder v. een Diary.
Diarrhoea, daiərîə, buikloop; adj. Diarhoetic, daiəretik.
Diary, daiəri, dagboek.
Diastase, daiəsteis, diastase.
Diastole, daiastəlî, uitzetting van het hart na samentrekking; verlenging van eene korte lettergreep.
Diatribe, daiətraib, schimprede, schotschrift.
Dib, dib, subst. bikkel; fiche; Dib verb. hengelen; Dibs = bikkelspel; geld; Dibber = hengelaar; pootijzer.
Dibble, dib’l, subst. pootijzer; Dibble verb. planten met een pootijzer; hengelen; Dibbler.
Dice, dais, subst. dobbelsteenen, dobbelspel; Dice verb. dobbelen; Dicer = dobbelaar; Dice-box = dobbelkoker; Dicing-house = dobbelhol.
Dicephalous, daisefəlɐs, tweekoppig.
Dick, dik, (verkorting voor) Richard; een soort pudding: Dick, Tom and Harry = Jan, Piet en Klaas; The children were making dick-duck-drakes in the sea with flattish pebbles = keilden platte kiezelsteentjes over de zeeoppervlakte.
Dickens, dik’nz, Dickens; duivel: What the Dickens = wat drommel!
Dicker, dikə, subst. tiental, tien paar; ruilhandel (Amer.); Dicker verb. (ruil)handel drijven (Amer.).
Dick(e)y, diki, achterbok (van een rijtuig), voorhemdje, slabbetje, ezel; adj. twijfelachtig, vreemd, onwel.
Dicotyledon, daikotilîd’n, plant met twee zaadlobben; adj. Dicotyledonous.
Dictate, diktit, subst. voorschrift, inspraak; Dictate verb. dikteit, voorschrijven, gebieden, dicteeren; Dictation = dictee: voorschrift; Dictator; Dictatorial = gebiedend, dictatoriaal; Dictatorship.
Diction, dikš’n, wijze van zeggen, uitdrukking, stijl; Dictionary, dikš’nəri, woordenboek; Dictum, dikt’m (Meerv. Dicta, diktə), uitspraak, bewering: Obiter Dicta = beweringen “in ’t voorbijgaan”.
Didactic(al), didaktik(’l), didactisch: Didactic poetry = didactische; Didactics = didactiek.
Didder, didə, rillen (van koude).
Diddle, did’l, zwendel; Diddle verb. bedotten; waggelen: He diddled me out of it = zette het mij af; Diddler = zwendelaar.
Dido, daidou, bokkesprong: He is cutting didos = hij maakt bokke(kromme)sprongen.
Die, dai, subst. dobbelsteen (Meerv. Dice), muntstempel (Mv. Dies, daiz); teerling, kubusvormig voetstuk: As straight as a die = zoo recht als eene kaars; The die is cast = de teerling is geworpen; Die-sinker = graveur: Those dies are well sunk = goed gegraveerd.
Die, dai, sterven, vergaan, omkomen, achteruitgaan, verdwijnen, verdorren, verwelken, uitgaan, gaan liggen, wegsterven, smachten naar: To die hard = onbevreesd sterven, een taai leven hebben; Never say die = geef het nooit op; He died of hunger, for thirst, from poison, with terror = van honger, dorst, aan vergif, van schrik; This man has died to the world = is der wereld afgestorven; I am dying to see you = brand van verlangen.
Dies irae, daiîzairi, dag des toorns, aanvangswoorden van een ouden boetpsalm; Per diem = per dag.
Diesis, daiisis, dubb. dolk: ‡ of ⌗.
Diet, daiit, subst. voedsel, dieet; rijks- of landdag; Diet verb. voeden, eten; een dieet volgen of voorschrijven: I think I ought to diet you = op dieet zetten; Dietary = het dieet betreffend, verplegings..., keuken...; subst. dieet; Dietetic = tot diet behoorende; Dietetics, daiətetiks, leer der juiste voeding.
Differ, difə, verschillen, zich onderscheiden van; niet eens zijn, twisten: He differs from you = verschilt van (is anders dan) u; He differed with me in opinion = was ’t niet met me eens; Difference, subst. verschil, onderscheid; strijd, geschilpunt; Difference verb. onderscheiden; To arrange a difference = een geschil uitmaken; It makes no difference = het maakt niet uit; To pay the difference = het ontbrekende bijbetalen; With a difference = met eenig verschil; Reason differences man from the brutes; Different = verschillend; Differential, difərenš’l, verschil of onderscheid makende; subst. differentiaal: Differential calculus = differentiaalrekening; Differential duties = differentiaalrechten; Differentiate, difərenšieit, (zich) onderscheiden, differentieeren; subst. Differentiation.
Difficult, difikɐlt, moeilijk, lastig; Difficulty = moeilijkheid: He is in difficulties = in geldelijke verlegenheid.
Diffidence, difidens, gebrek aan zelfvertrouwen, schroom, bedeesdheid; Diffident = beschroomd, bescheiden.
Diffract, difrakt, breken; Diffraction, breking (van stralen).
Diffranchise, difranšaiz = Disfranchise.
Diffuse, difjûs, adj. verspreid, verstrooid; wijdloopig; subst. Diffuseness.
Diffuse, difjûz, (zich) verspreiden, uitspreiden, uitgieten; Diffused = verspreid; subst. Diffusedness = wijdloopigheid = Diffuseness; Diffusibility = diffusievermogen; Diffusible = verspreidbaar; Diffusion = verspreiding, verstrooiing, uitstorting, overvloed; Diffusive, difjûsiv, verspreidend, uitstortend, wijdloopig; subst. Diffusiveness.
Dig, dig, subst. stomp, duw, blokker, steek (fig.); Dig verb. graven, spitten, uitgraven, indrukken; blokken: To have a sly dig at; To give a dig = (stiekum) een steek onder water geven; To dig away at = blokken op, aanhoudend werken aan; The wall was dug down = werd ondermijnd; The ground was dug up = uitgehold; Digger = graver, schop; Diggings = goudvelden, goudmijnen (in Californië, etc.); woonplaats, district, woning, kast.
Digest, daidžəst, digesten, pandecten, verzameling van Romeinsche wetten.
Digest, didžest, daižest, rangschikken, verteren, slikken (fig.), dulden, rijpelijk overdenken; zacht laten worden (door hitte), tot mest prepareeren; Digester = verteringbevorderend middel: Papin’s digest = Papiniaansche pot; Digestibility = verteerbaarheid; Digestible = verteerbaar; Digestion = vertering, het prepareeren van mest; Digestive = verteringbevorderend: Digestive organs = verteringsorganen.
Dight, dait, tooien, sieren.
Digit, didžit, subst. vinger, vingerbreedte, 1⁄12 van de middellijn van zon of maan; cijfer: Number of three digits = getal van drie cijfers; Digital = vinger..., vingervormig; Digitalis, didžiteilis, vingerhoedskruid; Digitat(ed) = gevingerd; Digitigrade = op de teenen gaande; subst. teenganger.
Dignified, dignifaid, waardig, deftig; Dignify, dignifai, met eer bekleeden, onderscheiden, eerbied wekken; Dignitary, dignitəri, waardigheidsbekleeder; kerkvoogd; Dignity, digniti, waardigheid, deftigheid, rang: To stand on one’s dignity = op zijn point d’honneur staan.
Digraph, daigraf, twee letters met één klank (de ea in head).
Digress, d(a)igres, afdwalen, afwijken; subst. Digression = afwijking, uitweiding, afdwaling; adj. Digressive.
Dike, daik, subst. sloot; dijk, grensmuur; ader: Dike verb. indijken; draineeren; Dike-grave(-reeve) = dijkgraaf.
Dilapidate, d(a)ilapideit, laten vervallen, neerhalen, afbreken; subst. Dilapidation.
Dilatability, d(a)ileitəbiliti, rekbaarheid; uitzetbaarheid; adj. Dilatable, d(a)ileitib’l; Dilatation, d(a)iləteiš’n, uitzetting; Dilate, d(a)ileit, Dilate verb. uitzetten, verwijden, uitwijden: Dilated eyes = opengesperde.
Dilatoriness, dilətərinəs, traagheid, nalatigheid, uitstellen; adj. Dilatory = tot uitstellen geneigd.
Dilemma, d(a)ilemə, dilemma: To find oneself on (To place between) the horns of a dilemma = zich bevinden in (iem. plaatsen voor) een dilemma.
Dilettant(e), dilətant, dilettant; Dilettant(e)ism = dilettantisme.
Diligence, dilidž’ns, ijver, naarstigheid; adj. Diligent.
Dilly, dili, diligence (verkorting van Diligence, Fr. uitspr.).
Dilly-Dally, dilidali, (ver)treuzelen.
Diluent, diljûent, met water verdunnend; subst. bloedverdunnend middel.
Dilute, d(a)il(j)ût, adj. verdund, zwak; Dilute verb. verzwakken, verslappen, verdunnen; Dilution = verdunde oplossing (van vloeistoffen).
Diluvial, d(a)il(j)ûv’l; Diluvian, diluviaal; tot den zondvloed behoorend; Diluvium, d(a)il(j)ûvj’m, diluvium.
Dim, dim, adj. donker, dof, onduidelijk, schemerig, suf, mat; Dim verb. verduisteren, dof maken, dof worden; Dim-eyed = met zwakke oogen; Dim-sighted = bijziend; Dim-twinkling = zwak schijnend.
Dime, daim, zilveren muntstukje, 1⁄10 van een dollar, kwartje: Dime-novels = goedkoope prulromans; Dimes = geld.
Dimension, dimenš’n, afmeting, graad, grootte; adj. Dimensional.
Dimeter, dimətə, (versregel) van twee of vier voeten.
Dimidiate, dimidjit, gehalveerd.
Diminish, diminiš, verminderen, verkleinen, verlagen, afvallen, afnemen: Our opponents may well hide their diminished heads = beschaamd afdruipen; Diminution, diminjûš’n, vermindering, verkleining, verlaging; Diminutive, diminjutiv, subst. verkleinwoord; adj. klein, gering; subst. Diminutiveness; Diminuendo, diminjuendou, verminderingsteeken: >.
Dimissory, dimisəri, wegzendend, ontslag...
Dimity, dimiti, diemet.
Dimness, dimnəs, duisterheid, dofheid.
Dimple, dimp’l, subst. kuiltje; Dimple verb. (zich) rimpelen, kuiltjes vormen: A pretty, dimpled face = gezichtje met kuiltjes erin; Dimply = vol kuiltjes, gerimpeld.
Din, din, subst. geraas, gerammel, gekletter, lawaai; Din verb. verdooven (door geraas), rammelen, kletteren, aan de ooren schreeuwen of zeuren (into a person’s ears).
Dinah, dainə, Dina.
Dine, dain, middagmalen, middagmaal verschaffen: I have dined with Duke Humphrey = heb geen (warm) eten gehad; You can dine a boat’s crew on this piece of meat = aan dit stuk vleesch heeft de bemanning van eene boot genoeg; Diner = eter; restauratiewagen (Amer.): He is a diner-out = hij is bijna altijd op diner, eet buitenshuis; Dining: Dining-car = restauratiewagen; Dining-rooms = eetzalen, restaurant; Dining-table.
Ding, diŋ, met kracht stooten, neerslaan, wegwerpen, inscherpen (into), pochen, klinken, luiden; Ding-dong, diŋdoŋ, bom-bam, gebeier, verdoovend, nadrukkelijk.
Ding(e)y (Dinghy), diŋgi, Indisch bootje; kleinste boot (van een schip).
Dinginess, dinžinəs, donkerbruin, vuil.