Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 133
Thick, thik, subst. dikke gedeelte, heetst (van den strijd), dikte; adj. dik, dicht, troebel, mistig, onduidelijk, opeengedrongen, snel, overvloedig, intiem; Thick verb. verdikken: He is such a thick = zoo’n domkop; He was in the thick of the fight; To back through thick and thin = meegaan door dik en dun (fig.); This is a bit too thick = te kras; They are as thick as peas in a shell = zeer overvloedig; zijn vrienden als olifanten; They are as thick as thieves together = het zijn twee handen op één buik, zij spelen onder één hoedje; His blows came down as thick as hail = zoo snel en hard als hagelsteenen; To be (To become, To get) thick with = intiem zijn (worden) met; To lay it on thick = overdrijven, er dik op leggen; I am thick of hearing = hardhoorig; Thick of sight = met slecht gezicht; Thick of speech = slecht bespraakt; A thick one = goudstuk; A thick pronunciation = onduidelijke; A thick-and-thin supporter of the government = iemand die door dik en dun meegaat; Thick-grown = dicht; Thickhead = dik- of domkop; Thick-headed = dom, stomp; Thick-leaved; Thick-legged; Thick-lipped; Thick-nosed; Thick-planted; Thick-ribbed = met krachtige ribben; Thick-set = dicht beplant, rijk aan; kort en sterk (dik); subst. dichte heg, een gestreepte stof; Thick-side = dikhuid(ig): His thick-side patience = olifantachtig geduld; Thick-skin = ongelikte beer, vlegel, domkop; Thick-skull = domkop; Thicken = verdikken, vermeerderen, verduisteren: The crowd thicks = het gedrang neemt toe; The plot thicks = de verwikkeling neemt toe.
Thicket, thikət, boschje.
Thickish, thikiš, ietwat dik.
Thief, thîf, dief: A thief was in the candle = er was een dief aan de kaars; Stop thief! = houdt den dief; Set a thief to catch a thief; Thief-catcher = dievenvanger; Thieves’ Latin = dieventaal.
Thieve, thîv, stelen; Thievery = het stelen, dieverij; Thievish = diefachtig, steelswijze, sluiksch; subst. Thievishness.
Thigh, thai, dij; Thigh-bone = dijbeen.
Thill, thil, lamoen; Thill-horse = lamoenpaard = Thiller.
Thimble, thimb’l, vingerhoed, kous (ring); Thimble-berry = soort braambes; Thimble-case = foudraal; Thimble-rig, Thimble-rigger = bedrieger, die laat wedden onder welk van drie bekertjes een balletje door hem is gestopt; ook verb.; Thimbleful = vingerhoedvol.
Thin, thin, dun, licht, slap, zwak, mager, dunnetjes, flauw, gering; ledig, doorzichtig; Thin verb. verdunnen, ijler maken, dunnen, afnemen, uitverkoopen: His disguise was very thin = erg doorzichtig; This month’s number is a little thin = is vrij dunnetjes; To get (grow) thin = mager worden; Thin diet = magere kost; Thin streets = ledige straten; The strata were thinning out and away = werden langzamerhand dunner en verdwenen eindelijk geheel; Thin-faced = met een smal en schraal gezicht; Thin-leaved; Thin-lipped; Thin-skinned = met fijne huid; overgevoelig, prikkelbaar; Thin-sown; Thin-spun; subst. Thinness.
Thine, dhain, van u, het of de uwe.
Thing, thiŋ, ding, zaak, iets, persoontje, verhaal, lied (Things = dingen, zaken, goed, spullen): He is a thing of nothing = een kerel van niets; That’s a thing of naught (nothing) = niets waard; She isn’t quite the thing = niet recht wel; That’s the (very) thing = moet ik net hebben, zoo is het precies; Neither one thing nor another = geen visch en geen vleesch; When things are the worst they will sometimes mend = als de nood op het hoogst is, is de hulp nabij; Things past may be repented but not recalled = gedane zaken nemen geen keer; As things stand = zooals de zaken staan; It comes all to the same thing = komt alles op hetzelfde neer; You have got the wrong thing = het verkeerde; He knows (is up to) a thing or two = hij is slim, goed op de hoogte; He made a tidy (good) thing of it = hij sloeg er een slaatje uit; I like him above all things = bovenal; It was quite in the nature of things = het sprak (volgde) vanzelf, lag in den aard der zaak, in de rede.
Thingummy, thingəmi, Dinges, dingsigheidje, goedje: His name was held up to thingummy = aan de verachting prijs gegeven; Their pink silk thingummies = hunne rose zijden japonnetjes.
Think, thiŋk, denken, vinden, meenen, oordeelen, bedoelen, onderstellen, achten: Only think = denk eens aan; To think = als men bedenkt; I should think not indeed = dat moest er nog bijkomen; I should think so = dat zou ik denken; To think about a thing = ergens over denken; More than you think for = dan ge verwacht; What do you think of him? = wat denkt ge van hem; Now that I come to think of it = nu ik mij eens goed bezin; I have thought better of it = mij bedacht; He thinks much of you = schat u hoog, heeft een hoog idee van u; To think on (over) = nadenken over; No, thought I to myself = dacht ik bij mezelf; I think with you there = dat ben ik met u eens; Methinks = mij dunkt (verouderend); Thinkable = denkbaar; Thinker = denker; Thinking: To my thinking you might have profited more by it = mijns inziens; He is of my way of thinking = ’t met mij eens.
Thionville, tîənvil, Diedenhoven.
Third, thɐ̂d, subst. en adj. derde (deel), terts, tertia wissel; (Thirds = het derde van de bezittingen van den overleden man, waarvan de weduwe het vruchtgebruik heeft): The Third Estate = de burgerij; Third-class; Third-rate = 3de rangs; Thirdly = ten derde; Thirdsman = scheidsman.
Thirl, thɐ̂l, doorboren, perforeeren.
Thirst, thɐ̂st, subst. dorst (ook fig.); Thirst verb. dorsten, vurig verlangen: His (the) thirst after wealth and honour = zijn dorst naar; A thirst(ing) for power = een haken naar; My throat is parched with thirst = is droog, ik versmacht van dorst; Thirstiness, subst. v. Thirsty = dorstig, droog, versmachtend: I am thirsty = ik heb dorst.
Thirteen, thɐ̂tîn, subst. en adj. dertien(tal); Thirteenth, subst. en adj. dertiende (deel); Thirtieth, thɐ̂tiəth, subst. en adj. dertigste (deel); Thirty, thɐ̂ti, subst. en adj. dertig(tal): The Thirty Years’ War = Dertigjarige Oorlog.
This, dhis, deze, dit: This day week = vandaag vóór een week; This is Thursday = ’t Is vandaag; This one and the other = deze en gene; It was Miss Mary this and Miss M. that = vóór en na; Generals this and that = die en die; Just allow it for this once = dezen éénen keer; You must be ready by this (time) = thans; From this to X. = van hier naar X.; This much he told me = zooveel heeft hij mij verteld; Come this way = hiernaartoe; I have not seen him these three months = in geene drie maanden.
Thistle, this’l, distel: Order of the Thistle = Distel- of Andreasorde; Thistledown = distelpluisjes: As light as thistledown = als een veertje; Thistly = vol distels.
Thither, dhidhə, daarheen; Thitherto = tot daartoe; Thitherward(s) = derwaarts.
Tho’, dhou = Though.
Thole, thoul, subst. dol = Thole-pin.
Thomas, toməs: A very Thomas in disbelief = een ongeloovige Thomas; Thomism, tomizm, wijsgeerig-godsdienstig stelsel van Th. Aquinas; Thomist = Thomist; Thompson, tom(p)s’n; Thomson, toms’n.
Thong, thoŋ, riem, snoer.
Thor, thö, Thor: Thor’s hammers = steenen werktuigen en gereedschap.
Thoracic, thərasik, borst...: Thoracic fins = buikvinnen; Thorax, thôrəks, borst(kas), borststuk.
Thorn, thön, doorn(struik), stekel, prikkel: To be a thorn in a person’s side (flesh) = een doorn in ’t oog zijn; To be (sit) upon thorns = op heete kolen zitten; He that handles thorns shall prick his fingers = wie met pek omgaat wordt er mede besmet; Thorn-apple = doornappel; Thorn-back = stekelrog; Thorn-bush = doornstruik; Thorn-but = tarbot; Thorn-hedge = doornhaag; Thorn-letter = de oudste A.S. lettervorm voor de tegenwoordige th; Thorn-set = met doornen bezet of beplant; Thorny = doornachtig, scherp, lastig, kwellend, netelig.
Thorough, thɐrə, volkomen, volmaakt, grondig, volledig, doortastend, doordringend: He is a man of thorough = hij tast door; Thorough-bred = volbloed (Thorough horse), beschaafd, ontwikkeld, grondig, doortastend; Thoroughfare = doorgang, (hoofd)straat: No thoroughfare = voor het verkeer gesloten; Thoroughgoing = doortastend, afdoend, radicaal: A military reconstruction of the most thoroughgoing kind = zoo radicaal mogelijk; The thoroughgoingness of a newspaper = de durf van eene courant; Thorough-lighted = met ramen aan tegenovergestelde zijden; Thorough-paced = afgericht, voltooid, volmaakt, aarts...: A thorough-paced villain = een volleerde schurk; Thoroughness = volkomenheid, grondigheid.
Thorp(e), thöp, dorp, gehucht.
Those, dhouz, (mv. v. That), die: There are those who pretend = er zijn er.
Thou, dhau, gij; verkorting voor thousand; Thou verb. met thou aanspreken.
Though, dhou, ofschoon, indien al, niettegenstaande: Though I say it = al zeg ik het zelf; Though it were true = al was het ook waar; He is a good fellow though = hij is tòch een goede kerel; What though the body dies = wat hindert het of het lichaam sterft; You would though, if you had been present = en toch zou je dat wel, als, etc.; He should play more though = overigens moest hij meer spelen.
Thought, thôt, imperf. en p.p. van to think.
Thought, thôt, gedachte, overweging, bepeinzing, oordeel, meening, voornemen, voorstelling, schijntje: He was a thought taller than the ordinary run of people = een ietsje langer; I will be back upon a thought = in een wip; That thought occurred to (struck) me = die gedachte kwam bij mij op; I didn’t give it thought = heb er geen oogenblik aan gedacht; I had some thoughts of going = liep rond met ’t idee; I cannot read your thoughts = uwe gedachten niet lezen of raden; You had better take thought and not be rash = u goed te bedenken; He took no thought for to-morrow = bekommerde zich niet om; Thought-reader = gedachtenlezer; Thought-reading = het gedachtenlezen; Thoughtful = bepeinzend, vol gedachten, attent, bedachtzaam, bedacht: He is thoughtful of his interests = bedacht op; A thoughtful book = een boek dat tot nadenken stemt; Very thoughtful of you not to forget my birthday = erg attent van u; She talked thoughtfully and sensibly = bedachtzaam; subst. Thoughtfulness; Thoughtless = gedachteloos, zorgeloos; subst. Thoughtlessness.
Thousand, thauz’nd, subst. en adj. duizend(tal): It is a thousand pities = het is doodjammer; It is a thousand nuts to an orange pip = tien tegen één; He is one in a thousand = één uit de duizend; I have a thousand things to do = allerlei dingen; They appeared in their thousands = in grooten getale; Thousand-legs = duizendpoot; Thousandfold = duizendvoudig; Thousandth, subst. en adj. duizendste (deel).
Thrace, threis, Thracië; Thracian = Thrasisch; Thraciër.
Thraldom, thrôld’m, slavernij, lijfeigenschap; Thrall, thrôl, slaaf, slavernij.
Thrash, thraš, dorschen, afranselen, van alle kanten bekijken of bespreken: To thrash over old straw = stroo dorschen (fig.), zich afsloven; Thrashel = dorschvlegel; Thrasher = dorscher; zeevos (soort haai); Thrashing: He got a sound thrashing = een duchtig pak slaag; Thrashing-floor = dorschvloer; Thrashing-machine, Thrashing-mill = dorschmachine.
Thread, thred, subst. draad, garen, meeldraad, vezel, ader; Thread verb. een draad in eene naald steken, zich een doorgang banen, doorheen dringen (= To thread one’s way through): The thread of a screw = draad van een schroef; To lose the thread of one’s discourse; To pick up threads = het gesprek aan den gang krijgen; To take up the thread of a tale; Its existence was hanging on (by) a (slender) thin thread = hing aan een zijden draadje; I hadn’t a dry thread on me = geen drogen draad aan mijn lijf; Air threads = herfstdraden; To thread the needle = figuur in een dans, waarbij de paren onder opgeheven en verbonden handen doorgaan; Threadbare = kaal, versleten, afgezaagd; subst. Threadbareness; Thread-bobbin = garenklos; Thread-paper(s) = dunne reepjes papier, papillotten: I am not going to fret myself into thread-paper for her = denk me niet dood te kniezen; Thread-worm = draadworm; Threadiness, subst. v. Thready = draderig, dun.
Threat, thret, subst. bedreiging: Empty threat = ijdele; Threaten = dreigen, bedriegen, schrik aanjagen (door bedreigingen), een dreigend aanzien hebben; Threatener; Threatening: Threatening-letter = dreigbrief.
Three, thrî, subst. en adj. drie(tal): In three copies = in triplo; To fold in threes = in drieën; I had round number three with him = ik heb duchtig met hem afgerekend; The rule of three = regel v. drieën; The three F’s = eischen der Iersche Landliga: Free Sale, Fixity of Tenure, Fair rent; I won’t sell it under three figures = onder £ 100; Three-figure accidents are almost unknown now = ongelukken, waarbij 100 of meer menschen hun leven verliezen; Three-act(ed) = in 3 bedrijven; Three-cornered = met 3 hoeken of punten: Three-cornered constituency = kiesdistrict dat drie leden afvaardigt, terwijl ieder kiezer slechts op twee van deze mag stemmen; Three-decker = driedekker; ouderwetsche kansel met drie verdiepingen of lezenaars; Threefold = drievoudig; Three-foot stool = driepoot; Three-headed = met drie koppen of hoofden; The Three Hours’ Agony (Service) = dienst op Goeden Vrijdag van 12–3; Three-pence, thrip’ns, driestuiverstukje; Threepenny, thrip’ni, van drie stuivers; gering, gewoon; Threepenny bit = Three penny piece; It’s a threepenny concern = sjofel boeltje; Threepenny piece = driestuiverstuk; A Three-piled Persian carpet = rijk, zwaar Perzisch kleed; Threescore = zestig; Three-square = driehoekig, met drie punten; A bottle of three-star brandy = fijne cognac (etiket met drie sterren erop); Three-tailed pasha = met 3 paardestaarten.
Threnody, threnədi, klaagzang.
Thresh, threš; Thresher. Zie Thrash.
Threshold, threšould, drempel, ingang, begin.
Threw, thrû, imperf. van to throw.
Thrice, thrais, driemaal; Thrice-blest = overgelukkig; Thrice-favoured = buitengewoon begunstigd.
Thrid, thrid, doorsteken. Zie Thread.
Thrift, thrift, zuinigheid, spaarzaamheid, voorspoed; anjelier; Thriftiness = spaarzaamheid, voorspoed; Thriftless = verkwistend; subst. Thriftlessness; Thrifty = spaarzaam, voorspoedig.
Thrill, thril, subst. siddering; drilboor; Thrill verb. doordringen, doorboren, trillen, rillen; kweelen: This sent a thrill of horror through the world = deed van afgrijzen rillen; It thrilled him with a vague dread = eene onbepaalde vrees doortrilde hem; He thrilled at hearing this = sidderde; Thrillers and curdlers = sensatie-romans.
Thrive, thraiv, bloeien, vooruitkomen, gelukkig zijn, gedijen, toenemen: He that will thrive Must rise at five, He that has thriven May lie till seven = Zal het u goedgaan, Wil dan vroeg opstaan, Hebt ge ’t geld verdiend, Lig dan langer, vriend; Ill weeds are sure to thrive = onkruid vergaat niet; Thriven, thriv’n, p.p. van Thrive; Thriver = voorspoedig man; Thriving = voorspoedig, bloeiend; subst. Thrivingness.
Thro’, thrû = Through.
Throat, throut, keel, strot, stem, ingang, nauwe doorgang: To clear one’s throat = schrapen; These two merchants are cutting each other’s throats = werken elkaar er onder; You cut your own throat by doing this = benadeelt uzelf; I was down her throat in a moment = hield haar onmiddellijk aan haar woord; Don’t jump down my throat = stuif niet zoo op tegen me; I felt a ball rising in my throat = ik kreeg een prop in de keel; He lied in his throat = loog schandalig; It still sticks in my throat = zit me nog hoog (fig.); He held a knife to my throat = hij zette mij het mes op de keel; I have the exhibition up to my throat = de tentoonstelling hangt me de keel uit; Throat-band = Throat-latch = keelriem (v. een paard); Throat-wort = halskruid (soort v. klokje); A full-throated song = lied uit volle borst; Throaty = gutturaal, uit de keel; vraatzuchtig.
Throb, throb, subst. klopping; Throb verb. kloppen: My heart throbs.
Throe, throu, subst. hevige pijn; Throe verb. in barensnood verkeeren, groote pijn lijden; Throes = barensweeën: Last throes = doodstrijd.
Throne, throun, subst. troon; Throne verb. zie Enthrone; Speech from the throne = troonrede; To ascend (mount) the throne = bestijgen; To come to the throne; Throne-room = troonzaal.
Throng, throŋ, subst. gedrang, groote menigte; Throng verb. verdringen, opdringen, toestroomen: The people came thronging in = stroomden naar binnen; Thronged-out streets = schoongeveegde straten; Thronged with = vol.
Throstle, thros’l, zanglijster.
Throttle, throt’l, subst. luchtpijp, keel; Throttle verb. smoren, (ver)stikken: Throttled to death; Throttler.
Through, thrû, door, doorheen, geheel, wegens: To be wet through = doornat zijn; Through and through = door en door; It’s all through you = ’t komt al door u; Through the year = het geheele jaar door; To be through = klaar zijn; My intention will be carried through = doorgezet worden; The plan has fallen through = viel in duigen; To get (go) through = te boven komen, ten einde brengen, komen door (een examen); I read it through from cover to cover = las het heelemaal door; He saw through my intentions = doorzag; Through-carriage = doorgaand rijtuig; Through-line = doorloopend spoor; Through-passenger = doorgaand passagier; Through-ticket; Through-traffic = transitohandel; Through-train = doorgaande; Through-waybill = dóorbevrachting v. het continent naar eenig deel van Engeland; Throughout: Throughout the day = den geheelen dag lang; All of a through piece = geheel uit één stuk.
Throve, throuv, imperf. van to thrive.
Throw, throu, subst. gooi, worp; Throw verb. werpen, smijten, slingeren, in haast aan- of omdoen, afwerpen, slaan, opwerpen, dobbelen, verliezen, etc.: To throw light on = licht werpen op; I wrestled with my pride and threw it = en overwon hem; They have thrown stones at us = ons met steenen gegooid; She threw herself away on a drunken baronet = verslingerde zich aan; That’s throwing money away = geld in ’t water gooien; Good advice is thrown away upon him = is niet aan hem besteed; The reflectors threw back the light = kaatsten terug; To throw by = ter zijde werpen, verwerpen; To throw down = neergooien, omgooien, tegen den grond gooien; He threw himself down = ging liggen; Allow me to throw in a word = mag ik ook een woordje meespreken? I was thrown into enthusiasm = gebracht tot; I have thrown him off = wil niets meer met hem te maken hebben; I threw on my trousers = schoot mijne broek aan; I throw myself on your mercy = geef me over; He threw it out quite suddenly = kwam er in eens mee voor den dag; The bill was thrown out = werd verworpen; We find ourselves thrown out = teleurgesteld; She has thrown him over = de bons gegeven; To throw to the winds = de brui geven van; Her jet ornaments threw up the whiteness of her skin = deden uitkomen; He has thrown up the sponge = heeft zich gewonnen gegeven; He was thrown with that girl = verkikkerd op; I had never thought I should be thrown much with such people = aangehaald worden, veel omgang hebben met; A throw-down cracker = voetzoeker; Thrower = werper, gooier, draaier, twijnder; Throwing back = atavisme; Thrown = getwijnd, gedraaid; Throwster = twijnster (v. zijde).
Thrum, thrɐm, subst. zelfkant, kwast, meeldraad (Thrums = grof garen, garenafval); Thrum verb. (eene mat) spekken; krassen, tjingelen, trommelen (op piano): The thrumming of an old guitar = het tjingelen op.
Thrush, thrɐš, zanglijster; spruw.
Thrust, thrɐst, subst. stoot, steek, aanval, horizontale drukking; Thrust verb. stooten, drijven, duwen, steken, indringen: He thrust (made a thrust) at me = stiet naar mij; He thrust himself in(to) our society = drong zich; Thruster = doorsteker.
Thud, thɐd, slag, plof, bons; Thud verb. dreunen, kloppen: He fell with a dull thud on the path = met een doffen slag; A dull, thudding pain = drukkende, zware pijn.
Thug, thɐg, sluipmoordenaar, lid v. een vroegere moordenaarsbende (Brit. Indië); Thuggee = mysteriën of bedrijf der thugs = Thuggery = Thuggism.
Thule, thjûli: Ultima Thule = het einde der wereld.
Thumb, thɐm, subst. duim; Thumb verb. beduimelen, betasten, met de vingers trommelen, onhandig doen: Tom Thumb = Klein Duimpje; His fingers are all thumbs = zijne handen staan hem verkeerd; To have (hold) under one’s thumb = onder den duim houden; I was left to twirl my thumbs = ik kon op mijn duim zuigen; Thumb-lock = drukslot; Thumb-mark; Thumb-nail, subst. nagel van den duim, penkras; adj. klein: I dashed off a thumb-nail on the envelope = gooide een schetsje op de enveloppe; Thumb-nail sketches = penkrassen; Thumb-screw = duimschroef; Thumb-stall = duimeling; Thumbkins = duimschroeven.
Thump, thɐmp, subst. zware slag, bons, plof; Thump verb. stompen, ploffen, zwaar neerkomen: It is a downright thumping lie = een groote leugen; That thumping rascal = die vervloekte schurk; Thumper = iets kolossaals, een groote leugen.
Thunder, thɐndə, donder, donderslag, onweer, banbliksem; Thunder verb. donderen, bulderen, slingeren: By thunder = voor den donder; What in thunder do you want = wat donder wil je eigenlijk? Rolling peals of thunder = ratelende donderslagen; It is the thunder that strikes, but the lightning that smites = de donder ratelt, de bliksem slaat in (= groote woorden zijn maar wind); We shall have thunder to-day = krijgen onweer; Thunder of applause; Thunder of cannon; Thunder and lightning trousers = broek van donkergrauwe stof met witte spikkels; To thunder out an excommunication; Thunderbolt = bliksemstraal, donderslag, banbliksem: Like a (thunder)bolt from the blue = gelijk een donderslag uit onbewolkten hemel; Thunder-clap = donderslag = Clap of thunder; Thunder-cloud = onweerswolk; Thunder-dart = bliksemschicht; Thunder-peal = slag; Thunder-pick = pijlsteen, dondersteen; Thunder-storm = onweer; Thunder-struck = (als) door den bliksem getroffen; Thunderer = donderaar (naam van “The Times”); Thunderous: Thunderous roar = donderend geraas.
Thurible, thjûrib’l, wierookvat; Thurifer, thjûrifɐ̂, wierookvatzwaaier; Thuriferous, thjurifərɐs, wierook bevattend of voortbrengend; Thurification = bewierooking.
Thuringia, thjurinžiə, Thuringen; Thuringian, (bewoner) van Th.; Thuringsch.
Thursday, thɐ̂zdi, Donderdag: Holy Thursday = Hemelvaartsdag; Maundy Thursday = Witte Donderdag.
Thus, dhɐs, subst. wierook.
Thus, dhɐs, aldus, dientengevolge, dus, tot aan: Thus far = tot hiertoe; As thus = als volgt; I told you thus much = dit (alles) heb ik u gezegd.
Thwack, thwak, subst. harde slag, stomp; Thwack verb. slaan, stompen; Thwacking = pak slaag.
Thwart, thwöt, subst. doft; adj. dwars, schuin; adv. dwars; prep. dwarsover; subst. tegenstand, belemmering; Thwart verb. kruisen, dwarsboomen; Thwartness = dwarsheid, weerbarstigheid; Thwartships = dwarsscheeps.
Thy, dhai, bez. vnw.: uw; Thyself = uzelf.
Thylacine, thailəsain, buidelwolf.
Thyme, taim, tijm; Thymy, vol tijm, geurig.
Thyroid, thairôid, schildvormig; Thyroid-cartilage = schildvormig kraakbeen.
Thyrse, thɐ̂s (Thyrsus, thɐ̂səs), Bacchusstaf; Thyrsoid, thɐ̂sôid, in den vorm van een B.
Tiara, taiêrə, taiârə, tiara, driedubbele pausenkroon, pausel. waardigheid, soort v. diadeem: Tiaraed, taiêrad met een tiara getooid.
Tib, tib: St Tib’s Eve = Juttemis; Tib-cat = kat.
Tib, tib: Tib out = uitknijpen (Schoolslang).
Tibald, tibəld; Tiber, taibə, Tiber; Tiberius, taibîriəs; Tibet, tibət, tibet.
Tibia, tibiə, scheenbeen, adj. Tibial.
Tic, tik, neuralgie, aangezichtspijn.
Tichborne, titšbən.
Tick, tik, subst. teek, tijk, tikje, teeken, stip, getik; crediet, rekening; Tick verb. tikken, borgen, crediet geven of krijgen, ter contrôle aanschrappen op een lijst: He that has no money, needs no purse, but tick = heeft crediet en geene beurs noodig; A state of tick = toest. v. geldgebrek; He buys everything on tick = op den pof, op crediet; To give one no end of tick; You cannot tick a man off into columns in a parliamentary return = men kan een mensch niet in rubrieken verdeelen in eene regeeringsstatistiek; Tick-bean = paardeboon; Tick-tack of the clock; Ticker = horloge.
Ticken, tik’n, stof voor beddetijk.