Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 62
Imbecile, imbəsîl, imbesil, subst. en adj. zwak(ke naar lichaam of geest), idioot; subst. Imbecility, imbəsiliti.
Imbibe, imbaib, (in)drinken, inzuigen, opslorpen, zuipen, opnemen; subst. Imbibition.
Imbow, imbou, welven.
Imbricate, imbrikeit, elkander bedekken gelijk dakpannen; met dakpanvormige versieringen bedekt (imbrikit) = Imbricated; subst. Imbrication.
Imbroglio, imbrouljou, verwarring, verwikkeling.
Imbrue, imbrû, bezoedelen, baden (in bloed), (bloed) vergieten.
Imbrute, imbrût, verdierlijken.
Imbue, imbjû, doortrekken, drenken, verven, vervullen, doordringen.
Imitability, imitəbiliti, navolgbaarheid; Imitable, imitəb’l, navolgbaar; Imitate, imiteit, nabootsen, navolgen; Imitation, imiteiš’n, navolging, nabootsing; ook adj.: In imitation of = in navolging van; Imitation-lace = onechte kant; Imitative, nabootsend, nagebootst (of); Imitator = nabootser, naäper.
Immaculate, imakjulit, onbevlekt, onberispelijk: Immaculate Conception = Onbevlekte Ontvangenis; subst. Immaculateness.
Immanence, imənens, subst. van Immanent = immanent, onafscheidelijk.
Immanuel, imanjuəl, “God met ons” (naam van Jezus).
Immarginate, imâdžinit, zonder rand.
Immaterial, imətîriəl, onstoffelijk, geestelijk, van geen belang of onverschillig: That is quite immaterial to me = mij totaal onverschillig; Immaterialism = immaterialisme, spiritualisme; Immateriality, imətîrialiti, onstoffelijkheid, onwezenlijkheid, onbelangrijkheid.
Immature, imətjûə, onrijp, ontijdig; subst. Immaturity.
Immeasurable, imežərəb’l, onmeetbaar; subst. Immeasurableness.
Immediate, imîdjit, onmiddellijk, dadelijk, direct, oogenblikkelijk; spoed! (op brieven); subst. Immediateness.
Immedicable, imedikəb’l, ongeneeslijk.
Immemorial, imimôriəl, onheugelijk: From (For, Since) time(s) immemorial = sedert onheugelijke tijden.
Immense, imens, onmetelijk, oneindig, onbegrensd, uitstekend, kranig; subst. Immenseness = Immensity.
Immensikoff, imensikof, groote overjas met bont, pelsjas.
Immerse, imɐ̂s, indompelen, onderdompelen, indoopen, verdiepen, verzinken: He was immersed in his studies = verzonken in; subst. Immersion.
Immigrant, imigr’nt, gaande naar of komende in een vreemd land; subst. immigrant; Immigrate, imigreit, zich in een vreemd land vestigen; subst. Immigration.
Imminence, iminens, subst. van Imminent = nabij, dreigend, boven het hoofd hangend.
Immobile, imoubil, onbewegelijk; Immobility, iməbility, onbewegelijkheid; Immobilization = onttrekken v. geld aan den omloop.
Immoderate, imodərit, buitensporig; subst. Immoderateness; Immoderation = gebrek aan gematigdheid, buitensporigheid.
Immodest, imodəst, onbescheiden, aanmatigend; onkiesch, onkuisch; subst. Immodesty.
Immolate, iməleit, (op)offeren; Immolation = offeren, offer; Immolator = offeraar.
Immoral, imor’l, onzedelijk; subst. Immorality.
Immortal, imöt’l, subst. en adj. onsterfelijk(e), onvergankelijk(e); Immortality = onsterfelijkheid; Immortalize = vereeuwigen, onsterfelijk maken; Immortelle, imötel, immortelle.
Immovability, imûvəbiliti, subst. v. Immovable, imûvəb’l, onbewegelijk, onwrikbaar, onveranderlijk, ongevoelig: Immovables = onroerende goederen, wat “spijkervast” is; Immovableness = Immovability.
Immune, imjûn, adj. vrij, onvatbaar voor: Immune horses = “gezouten” paarden (Z. Afr.); To be immune from; Immunity = vrijstelling, ontheffing, privilege; onvatbaarheid: Immunity from disease; To purchase immunity from military service, etc. = zich vrijkoopen; Immunize = immun maken.
Immure, imjûə, opsluiten, als met een muur omringen.
Immutability, imjûtəbiliti, subst. v. Immutable, imjûtəb’l, onveranderlijk; Immutableness = Immutability.
Imogen, imədžen.
Imp, imp, subst. kabouter, booze geest, deugniet, guit; verlengstuk; Imp verb. van nieuwe vederen voorzien, verlengen; Impish, duivelachtig.
Impact, impakt, schok, stoot; To impact = samendrukken, indrijven.
Impair, impêə, benadeelen, beschadigen, doen verminderen, verminderen, verzwakken: His health was not seriously impaired = had niet erg geleden, was niet ernstig aangetast; subst. Impairment.
Impale, impeil, spietsen, vastnagelen, ompalen; subst. Impalement.
Impalpability, impalpəbiliti, subst. v. Impalpable, impalpəb’l, niet voel- of tastbaar, fijn.
Impan(n)el, impan’l, op de lijst der jury plaatsen, uitloten en beëedigen.
Imparisyllabic, imparisilabik, met een ongelijk getal lettergrepen.
Imparity, impariti, ongelijkheid, verschil.
Impark, impâk, tot park maken; in een wildbaan opsluiten.
Impart, impât, verleenen, mededeelen, een deel geven; Imparter.
Impartial, impâš’l, onpartijdig, billijk, belangeloos; subst. = Impartialness = Impartiality.
Impassability, impâsəbiliti, subst. v. Impassable, impâsəb’l, onbegaanbaar, ontoegankelijk; Impassableness = Impassability.
Impassibility, impasibiliti, subst. v. Impassible, impasib’l, ongevoelig, gevoelloos; subst. Impassibleness.
Impassion, impaš’n: Impassioned = hartstochtelijk, vurig.
Impassive, impasiv, ongevoelig, gevoelloos, onverstoorbaar; subst. Impassiveness.
Impastation, impasteiš’n, samenkneding, marmerimitatie; Impaste, impeist, samenkneden (tot deeg), de kleuren er dik opleggen; Impasto = dikke verflaag.
Impatience, impeiš’ns, ongeduld, afkeer: His impatience of oppression = zijn afkeer (afschuw) van; An impatience of poetry = hekel aan poëzie.
Impatient, impeiš’nt, ongeduldig, vurig verlangend; afkeerig: I am impatient for his arrival = verlang vurig; He was impatient of slavery = kon niet dulden.
Impawn, impôn, verpanden.
Impeach, impîtš, in twijfel trekken, bestrijden; aanklagen, in staat van beschuldiging stellen; Impeachable = bestrijdbaar, aanklaagbaar, berispelijk; Impeacher; Impeachment = beschuldiging, aanklacht, etc.
Impearl, impâl, tot paarlen maken, beparelen.
Impeccability, impekəbiliti, subst. v. Impeccable, impekəb’l, onfeilbaar, schuldeloos.
Impecuniosity, impəkjûniositi, geldgebrek, armoede; Impecunious, impəkjûniəs, arm, zonder geld.
Impede, impîd, beletten, verhinderen; Impediment, impediment, beletsel: He has an impediment in his speech = hij kan sommige letters niet zeggen, stamelt, spreekt onduidelijk, lijdt aan spraakbelemmering; Impeditive = hinderlijk, belemmerend.
Impel, impel, voortdrijven, aanzetten; Impeller; Impellent, subst. aandrift, drijfkracht; adj. aansporend, voortdrijvend.
Impend, impend, boven het hoofd hangen, voor de deur staan, dreigen (over); subst. Impendence; Impendent = Impending.
Impenetrability, impenətrəbiliti, subst. v. Impenetrable, impenətrəb’l, ondoordringbaar, ongevoelig, ondoorgrondelijk; Impenetrate = doordringen.
Impenitence, Impenitency, impenitens(i), verstoktheid; adj. Impenitent, ook subst.
Impennate, impenit, zonder vleugels (veeren), met korte vleugels; Impennes, impenîz, het geslacht der Pinguins.
Imperative, imperətiv, gebiedend, verplicht; subst. gebiedende wijs: The categorical imperative = de categorische imperatief; This is imperative on all vessels = wordt geëischt van, is verplichtend voor.
Imperator, impəreitə, impəreitə, imperator, keizer; adj. Imperatorial.
Imperceivable, impəsîvəb’l, Imperceptible, impəseptib’l, onmerkbaar, onwaarneembaar; subst. Imperceptibleness.
Imperence, impərens = Impudence.
Imperfect, impɐ̂fəkt, onvolkomen of onvolmaakt; onvolmaakt verleden tijd; subst. Imperfection = Imperfectness.
Imperforable, impɐ̂fərəb’l, ondoorboorbaar; Imperforate(d), impɐ̂fərit (impɐ̂fəreitid), zonder openingen, niet doorboord.
Imperial, impîriəl, keizerlijk, rijks..., Britsch; vorstelijk, verheven, gebiedend, heerschzuchtig; subst. imperiaal (voor bagage op een rijtuig); plaats buitenop (koets of diligence), imperiaal (papier: 55 bij 80 cM.), haarbosje aan de onderlip; koepeldak, oude gouden munt: Imperial city = Duitsche vrije rijksstad; Imperial federation = plan tot bevestiging van het Britsche rijk, waarbij de rechten der koloniale parlementen onaangetast blijven; Imperial Institute = een museum in Londen (gesticht in 1887); Imperialism = keizerregeering, federatiepolitiek, streven naar wereldmacht; Imperialist, aanhanger van het imperialisme; adj. Imperialistic.
Imperil, imperil, in gevaar brengen.
Imperious, impîriəs, gebiedend, aanmatigend; heerschzuchtig, dringend; subst. Imperiousness.
Imperishable, imperišəb’l, onvergankelijk, eeuwig; subst. Imperishableness.
Imperium, impîriəm, oppermacht.
Impermanent, impɐ̂mənent, niet duurzaam of standvastig; subst. Impermanence.
Impermeability, impɐ̂miəbiliti, subst. v. Impermeable, impɐmiəb’l, ondoordringbaar: Impermeable to water = waterdicht.
Impersonal, impɐ̂sən’l, subst. en adj. onpersoonlijk (werkwoord); subst. Impersonality.
Impersonate, impɐ̂seneit, verpersoonlijken, voorstellen; Impersonation = vertolking; Impersonator = vertolker.
Impertinence, -cy, impɐ̂tinens(i), wat niet tot de zaak behoort; ongepastheid, onbeschaamdheid, onbehoorlijkheid: Miss Impertinence = kleine wijsneus; adj. Impertinent, ook subst.
Imperturbability, impətɐ̂bəbiliti, subst. v. Imperturbable, impətɐ̂bəb’l, onverstoorbaar, leuk.
Impervious, impɐ̂viəs, ondoordringbaar, ontoegankelijk; subst. Imperviousness.
Impetuosity, impetjuositi, subst. v. Impetuous, impetjuəs, ontstuimig, woest, heftig: subst. Impetuousness.
Impetus, impitɐs, beweegkracht, drijfkracht, aandrift.
Impi, impi, troepenafdeeling der Kaffers.
Impiety, impaiəti, goddeloosheid, ongeloof; adj. Impious, impiəs; subst. Impiousness.
Impinge, impinž, stooten, raken, zondigen tegen: The first circle impinges on the second = raakt (snijdt); The song of the skylark impinged on her ear = trof haar oor; subst. Impingement; adj. Impingent.
Implacability, impleikəbiliti, subst. v. Implacable, impleikəb’l, onverzoenlijk, onverbiddelijk; subst. Implacableness.
Implant, implânt, zaaien, enten, inprenten; subst. Implantation.
Implausible, implôzib’l, onwaarschijnlijk.
Implement, impləment, werktuig, gereedschap.
Implicate, implikeit, inwikkelen, verwikkelen: Two others were implicated (in it) = er bij betrokken; Implication: By implication = erin begrepen, stilzwijgend = Implicative (of).
Implicit, implisit, stilzwijgend of daaronder begrepen, onvoorwaardelijk, blind; ingewikkeld: I have an implicit faith in you = vertrouw u onvoorwaardelijk; subst. Implicitness.
Imploration, imploreiš’n, smeeking; Implore, implö, smeeken.
Imply, implai, insluiten, stilzwijgend er onder begrijpen, beteekenen, insinueeren, te verstaan geven: That is implied in it = er in begrepen.
Impolicy, impolisi, gebrek aan overleg.
Impolite, impəlait, onbeleefd, lomp; subst. Impoliteness.
Impolitic, impolitik, onverstandig, onoordeelkundig.
Imponderability, impondərəbiliti, subst. v. Imponderable, impondərəb’l, onweegbaar: Imponderables = imponderabiliën.
Import, impöt, invoer, belang, gewicht, beteekenis, invloed, nut, inhoud: Imports and exports = in- en uitvoer; Import duties = inkomende rechten; Import trade.
Import, impöt, invoeren, beteekenen, van belang zijn; Importable = invoerbaar; subst. Importation, impöteiš’n: Importations = import artikelen; Importer = importeur.
Importance, impöt’ns, belang, gewicht, invloed, beteekenis, gewichtigheid; Important = belangrijk, gewichtig doende.
Importunate, impötjunit, lastig, aanhoudend, dringend; subst. Importunateness.
Importune, impötjûn, impötjûn, aanhoudend aandringen, lastig vallen; Importunity, impötjûniti, overlast, etc.
Impose, impouz, opleggen, opdringen, voorschrijven, bedriegen, in de handen stoppen: I will not be imposed upon = mij niet laten bedriegen; He never imposed on me on this subject = maakte nooit grooten indruk op mij; Imposing, impouziŋ, indrukwekkend; Imposition, impəziš’n, oplegging, belasting, strafwerk, bedrog: It would be an imposition on his good nature = misbruik maken van.
Impossibility, imposibiliti, onmogelijkheid; adj. Impossible; At impossibly early hours = onmogelijk vroege.
Impost, impoust, belasting, invoerrecht.
Impostor, impostə, bedrieger; Imposture, impostjə, bedrog.
Impotence, Impotency, impətens(i), onmacht, machteloosheid, onvermogen; Impotent, impətent, machteloos, onvermogend, impotent.
Impound, impaund, opsluiten (van verdwaald vee in een pound); opsluiten, beslag leggen op.
Impoverish, impovəriš, verarmen, uitputten, uitzuigen; subst. Impoverishment.
Impracticability, impraktikəbiliti, subst. v. Impracticable, impraktikəb’l, ondoenlijk, onuitvoerbaar, onhandelbaar, koppig; subst. Impracticableness.
Imprecate, imprikeit, vervloeken, verwenschen, een vloek roepen op; subst. Imprecation; adj. Imprecatory, imprikətəri, impreikətəri.
Impregnability, impregnəbiliti, subst. v. Impregnable, impregnəb’l, onneembaar, onverwinlijk, onverstoorbaar.
Impregnate, impregneit, bezwangeren, bevruchten; vruchtbaar maken, doortrekken, verzadigen; adj. impregnit, zwanger; subst. Impregnation.
Impresario, impresâriou, imprezâriou, impressario.
Imprescriptible, impriskriptib’l, onverjaarbaar.
Impress, impres, stempel, afdruksel, merk, motto, indruk; het pressen.
Impress, impres, stempelen, merken, teekenen; drukken, indruk maken, inprenten, op het hart drukken, forsch aandringen; pressen, requireeren: A feeling of impending misfortune impressed me = drukte mij terneer; Impress-money, handgeld; Impressibility = ontvankelijkheid; Impressible, ontvankelijk; Impression = indruk, meening, stempel, afdruk, uitgave of oplaag, flauwe herinnering, invloed, uitwerking; Impressionable = licht voor indrukken vatbaar, prikkelbaar; Impressionism, impressionisme; Impressionist = impressionist; Impressionistic, impressionistisch; Impressive, indrukwekkend; subst. Impressiveness; Impressment: Impressment into military service = gedwongen dienstneming.
Imprest, imprest, voorschot; Imprest-office = departement van de admiraliteit dat voorschotten verleent aan officieren van administratie.
Imprimatur, imprimeitə, verlof (van den censor of corrector) tot het drukken (woordelijk: “dat het gedrukt worde”).
Imprint, imprint, afdruk; naam van drukker of uitgever van een boek, etc., met de plaats en den datum der uitgave.
Imprint, imprint, drukken, stempelen, inprenten.
Imprison, impriz’n, gevangen nemen; subst. Imprisonment: False imprisonment = wederrechtelijke gevangenzetting.
Improbability, improbəbiliti, subst. v. Improbable, improbəb’l, onwaarschijnlijk.
Improbity, improbiti, oneerlijkheid.
Impromptu, improm(p)tjû, adj. extemporé, geimproviseerd; ook subst.; Impromptuist = improvisator.
Improper, impropə, ongeschikt, ongepast, onjuist: Improper-fraction = onechte breuk.
Impropriate, improuprieit, zich toeëigenen; kerkelijke inkomsten en bedieningen in handen van leeken stellen; subst. Impropriation = die overdracht, het overgedragene; Impropriator, improuprieitə, die zich rechten toeëigent; leek, die kerkelijke goederen en bedieningen in handen heeft.
Impropriety, imprəpraiiti, ongepastheid, onwelvoegelijkheid, onjuistheid.
Improvable, imprûvəb’l, verbeterbaar; Improve, imprûv, verbeteren, volmaken, voordeel trekken, gebruik maken van, aankweeken, herstellen, vermeerderen, verhoogen, beter worden, stijgen: He has improved the occasion = heeft de gelegenheid waargenomen; He was called upon to improve the death of three young fishermen = hij werd gevraagd om eene stichtelijke toespraak te houden bij de begrafenis van drie jonge visschers; To improve away = verwijderen, verdrijven; That old gate has been improved off the face of the earth = is gelukkig van den aardbodem verdwenen; Some people improve on (upon) acquaintance = vallen hoe langer hoe meer mee bij nadere kennismaking; That cannot possibly be improved upon = laat geen verbetering toe; Improvement = verbetering, vordering, nuttig gebruik, stijging; Improver = verbeteraar; volontair.
Improvidence, improvidens, zorgeloosheid; Improvident, improvident, zorgeloos.
Improvisation, improvizeiš’n, improvisatie; Improvisator, improvizeitə, Improvisatore, imprəvizatôri, improvisator; Improvise, imprəvaiz, imprəvîz, improviseeren.
Imprudence, imprûd’ns, onvoorzichtigheid; Imprudent, imprûd’nt, onvoorzichtig.
Impudence, impjûdens, onbeschaamdheid; Impudent, impjudent, onbeschaamd; Impudicity = Impudence.
Impugn, impjûn, bestrijden, weerspreken; Impugnable, impjûnəb’l, bestrijdbaar, weerlegbaar; subst. Impugnation; Impugner.
Impulse, impɐls, Impulsion, impɐlš’n, aandrang, aandrift, aansporing; stoot; Impulsive, impɐlsiv, aandrijvend, impulsief; subst. Impulsiveness.
Impunity, impjûniti, straffeloosheid: With impunity = straffeloos.
Impure, impjûə, onrein, onzuiver, besmet, vuil, onkuisch; subst. Impureness = Impurity, impjûriti.
Imputability, impjûtəbiliti, subst. v. Imputable, impjûtəb’l, toerekenbaar; Imputation, impjûteiš’n, beschuldiging, aantijging, verwijt: I will not suffer an imputation on my brother’s character; Impute, impjût, toeschrijven, toerekenen, ten laste leggen (to): Don’t impute the ill success to me = wijt mij niet; Imputer.
In, in, prep. en adv. in, op, naar, bij, tehuis; subst. meest mv.; In verb. inbrengen: In the air = in de lucht; The news is in the air = gaat rond; To be in arms = onder de wapenen; In conclusion = tot besluit, om kort te gaan; In the daytime = overdag, des daags; He is not worthy to be mentioned in the same day as his friend = op één dag; In drink = dronken; In fact = inderdaad; In favour of = ten gunste van; He gave me twenty in fifty in billiards = gaf me 20 op de 50 vóór; In fine = ten slotte; In haste = haastig; In love = verliefd; In name of = bij wijze van; In the name of = in naam van; In the night = ’s nachts; In obedience to = ingevolge; In my opinion = naar mijne meening; In order to = ten einde; In for a penny, in for a pound = wie A zegt, moet ook B zeggen; A penny in the pound = een stuiver van of op de ƒ 12; In the reign of = onder de regeering van; In regard, respect to = met betrekking tot, ten opzichte van; My membership in your society = van uwe vereeniging; I spoke these words more in sorrow than in anger = meer uit droefheid dan uit toorn; A great pleasure is in store for you = staatje te wachten; He is one in a thousand = één uit de duizend; In time = op tijd; In due time = op den rechten tijd; If these things be done in the green tree, what will be done in the dry = in de jeugd... op ouden leeftijd; In vain = te vergeefs; In virtue of his office = krachtens zijn ambt; In writing = in geschrifte, schriftelijk; Are you curious in books on London = gesteld op boeken over L.?; I am in for it = ik ben er bij, kan er niet aan ontsnappen; How soon shall we be in? = in de haven, binnen zijn; They are in and out twenty times a day = hebben standjes en worden weer goed twintigmaal per dag; The liberals are in now = zijn nu aan de regeering; Champagne is not in it = haalt er niet bij; You are not in it with your friend = gij haalt niet bij; To be in with = iets uit te staan hebben (connecties hebben) met; Caught in the act = op heeterdaad betrapt; Come in = kom binnen; He had it in him = het lag in zijn aard, hij kon; In that = aangezien, daar, omdat; In-and-in-breeding = fokken met hetzelfde fokmateriaal; In and out running = afwisselend winnen en verliezen (bij rensport); subst. The ins and outs = hoeken en gaten, moeielijkheden; bijzonderheden: The ins and outs of a town = de hoeken en gaten van eene stad; The ins and outs = regeering en oppositie; The ins and the outs of the matter = alle bijzonderheden of het fijne van.
Inability, inəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen.
Inaccessibility, inəksesibiliti, subst. v. Inaccessible, inəksesib’l, ontoegankelijk, ongenaakbaar.
Inaccuracy, inakjurəsi, onnauwkeurigheid; Inaccurate(ness), inakjurit(nəs), onnauwkeurig(heid).
Inaction, inakš’n, werkeloosheid, rust, traagheid; Inactive, inaktiv, werkeloos, vadsig, zonder uitwerking, zonder handeling, flauw (handelsterm), bewegingloos, onwerkzaam; subst. Inactivity, inəktiviti.
Inadequacy, inadikwəsi, onevenredigheid, ongelijkheid, onvoldoendheid; Inadequate, inadikwit, onevenredig, ongelijk, onvoldoende (to); Inadequation, inadikweiš’n, gebrek aan overeenkomst.
Inadmissibility, inədmisibiliti, subst. v. Inadmissible, inədmisib’l, onaannemelijk, niet toelaatbaar.
Inadvertence, -cy, inədvɐ̂t’ns(i), zorgeloosheid, onachtzaamheid; Inadvertent = onbewust, zonder er bij te denken.
Inalienability, ineiljənəbiliti, subst. v. Inalienable, ineiljənəb’l, onvervreemdbaar.
Inalterability, inôltərəbiliti, subst. v. Inalterable, inôltərəb’l, onveranderlijk.
Inane, inein, ledig, zinloos, doelloos, waardeloos; subst. (de) ledige ruimte.
Inanimate, inanimit, onbezield, levenloos, flauw (handelsterm): Inanimate bird = Clay-pigeon; subst. Inanimateness.
Inanition, inəniš’n, ledigheid, uitputting (Med.).
Inanity, inaniti, zinloosheid, zinlooze opmerking, holheid, ledigheid; Inanities = dwaasheden, zinledige gezegden.
Inappellable, inəpeləb’l, waartegen niet geappelleerd kan worden, laatste.
Inappetence, -cy, inapitens(i), gebrek aan eetlust of verlangen; adj. Inappetent.
Inapplicability, inaplikəbiliti, subst. v. Inapplicable, inaplikəb’l, ontoepasselijk, niet behoorende bij.
Inappreciable, inəprîšəb’l, onschatbaar, onmerkbaar.
Inapproachable, inəproutšəb’l, ongenaakbaar, weergaloos.
Inappropriate, inəproupriit, ongeschikt, ongepast; subst. Inappropriateness.
Inapt, inapt, ongeschikt, niet voegzaam, onbekwaam; subst. Inaptitude, inaptitjûd = Inaptness.
Inarch, inâtš, enten zonder den geënten tak van de moederplant te scheiden.
Inarticulate, inâtikjulit, onduidelijk, onverstaanbaar, sprakeloos, zonder geledingen; Inarticulated (inâtikjuleited); subst. Inarticulateness; Inarticulation = onduidelijkheid (in het spreken).
Inasmuch, inəzmɐtš, aangezien, voor zooverre als.
Inattention, inətenš’n, onoplettendheid, achteloosheid; Inattentive, inətentiv, onoplettend, achteloos.
Inaudibility, inôdibiliti, subst. v. Inaudible, inôdib’l, onhoorbaar; subst. Inaudibleness.
Inaugural, inôgjur’l, inauguraal; subst. inaugurale rede (Amer.); Inaugurate, inôgjureit, plechtig in een ambt bevestigen, inhuldigen, openen, beginnen met, in ’t leven roepen; subst. Inauguration: The inauguration of the Queen; Inauguratory, inôgjurətəri, inwijdend, huldigend.
Inauspicious, inôspišəs, onheilspellend, ongelukkig, ongunstig.
Inboard, inböd, adj. binnenboordsch; adv. aan boord: Inboard cargo = vracht in ’t ruim.
Inborn, inbön, aangeboren, natuurlijk.
Inbreathe, inbrîdh, inademen, inspireeren.
Inbred, inbred, aangeboren, inlandsch; door inbreeding verkregen.
Inbreed, inbrîd, fokken met steeds hetzelfde materiaal.
Inca, inkə, vorst (van Peru, vóór 1531).
Incalculable, inkalkjuləb’l, onberekenbaar; subst. Incalculableness.
Incandesce, inkandes, gloeien, doen gloeien; subst. Incandescence = gloeien, gloeihitte; Incandescent = gloeiend, witgloeiend, gloei—: Incandesce lamp = (electrische) gloeilamp; Incandesce light = gasgloeilicht.
Incantation, inkanteiš’n, tooverformule, betoovering.
Incapability, inkeipəbiliti, onbekwaamheid, onbevoegdheid; Incapable, inkeipəb’l, onbekwaam, onbevoegd; Incapacitate, inkəpasiteit, onbekwaam of onbevoegd maken; subst. Incapacitation; Incapacity, inkəpasiti, onbekwaamheid, ongeschiktheid (of, for).
Incarcerate, inkâsəreit, gevangen zetten; Incarcerated hernia = beklemde breuk; Incarceration = gevangenzetting, beklemming.
Incarnate, inkâneit, vleesch worden: To be incarnated = vleesch (mensch) geworden; adj. inkânit: God incarnate = Godmensch; A devil incarnate, an incarnate fiend = een duivel in menschengestalte; Incarnation, inkâneiš’n, vleeschwording, verpersoonlijking, vleeschvorming.
Incase, inkeis. Zie Encase.
Incautious, inkôšəs, onvoorzichtig; subst. Incautiousness.
Incendiarism, insendjərizm, brandstichting, ophitsing: Incendiary, insendjəri, subst. brandstichter, oproermaker, aanstoker; adj. brandstichtend, oproer stokend, ophitsend, vuur—, brand—.
Incense, insens, subst. wierook (ook fig.); Incense verb, insens, insens, bewierooken (ook fig.); Incense-boat = wierookdoosje.
Incense, insens, woedend maken, vertoornen (against, with).