Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 4

Chapter 43,050 wordsPublic domain

Album, alb’m, album; vreemdelingenboek (Amer.).

Albumen, albjûm’n, eiwitstof; Albuminize = in eiwit omzetten; met een laagje eiwithoudende vloeistof bedekken; Albuminous (matter) = eiwithoudend (eiwitstof).

Albuminuria, albjuminjûriə, nierziekte (v. Bright).

Alburnum, albɐn’m, spint.

Alcazar, alkâthâ of alkazâ, burcht, paleis; café in Moorschen stijl; campagne.

Alcedo, alsîdou, ijsvogel, koningsvisscher.

Alchemist, alkimist, alchemist; Alchemy, alchemie.

Alcibiades, alsibaiədîz; Alciphron, alsifrən.

Alcohol, alkəhol, alcohol, wijngeest: Wood alcohol = houtgeest; Alcoholic liquors = sterke dranken; Alcoholism = alcoholisme; Alcoholization = rectificatie; Alcoholize = in alcohol omzetten, rectificeeren.

Alcoran, Alkoran, alkərən, alkərân, al-koran, de koran; Alcoranist, uitlegger of aanhanger van den koran.

Alcove, alkouv of alkouv, alkoof, nis; prieel, grot.

Alcyon, alsiən. Zie Halcyon.

Alder, ôldə of oldə, elzeboom.

Alderman, ôldəm’n, wethouder, schepen: Alderman in chains = met saucijsjes behangen kalkoen; Aldermancy (Aldermanship) = de waardigheid van een Alderman; Aldermanlike = als een alderman, statig.

Alderney, ôldəni, Alderney; koe v. A.

Aldershot, ôldešot, stad, waarbij een groot militair kamp.

Ale, eil, (Engelsch) bier: Bottled ale = ale op flesschen; Ale-bench = bierbank; Alegar, algâ = bierazijn; Ale-hoof = hondsdraf; Ale-wife = bierhuishoudster; haringvormige visch.

Alee, əlî, aan (naar) lij: To put the helm alee.

Alembic, əlembik, destilleerkolf.

Alert, əlɐ̂t, waakzaam; subst. een waarschuwingssein: To be on the alert = op zijne hoede zijn; vurig uitzien naar (for); subst. Alertness, wakkerheid.

Aleutian Islands, aliûš’nail’ndz, Aleutische eilanden.

Alexander, aləgzandə, Alexandra, aləgzandrə; Alexandria, aləgzandriə; Alexandrian, aləgzandriən, alexandrijnsch; Alexandrine, aləgzandrin, alexandrijn.

Alf(red), alf(red).

Alga, algə, alge; Algae, aldži, algen; Algal, algenachtig.

Algebra, aldžəbrə, algebra; Algebraic(al), algebraïsch; Algebraist, aldžəbrei-ist, algebraïst.

Algeria, aldžîrjə, Algerije; Algerian = Algerijn(sch).

Algernon, aldženən.

Algid, aldžid, koud; Algidity = koude.

Algiers, aldžîəz Algiers.

Algous, algəs, algenachtig, vol algen.

Alguazil, algwazîl, (Spaansch) konstabel.

Algy, aldži; Ali, âlî.

Alias, eilias, adj. anders genoemd; subst. alias; Inter alia, intəreiljə onder anderen.

Alibi, alibai, subst. alibi: I proved my alibi = bewees mijn alibi.

Alice, alis.

Alien, eilj’n, vreemd, buitenlandsch, in strijd met (to); subst. vreemdeling, iemand niet in het bezit der burgerschapsrechten; Alien-Act = vreemdelingenwet; Alienability = vervreemdbaarheid; Alienable = vervreemdbaar, overdraagbaar; Alienate, eiljənit, adj. vervreemd; Alienate verb. (eiljəneit) vervreemden, overdragen; subst. Alienation: Mental Alienation = waanzin; Alienee = nieuwe eigenaar. Alienism = vreemdelingschap; Alienist = dokter voor krankzinnigen.

Alight, əlait, adj. aangestoken, brandend, verlicht: Her eyes are alight = schitteren; He intends to set the Thames alight = hij heeft groote plannen; The crocuses were alight = in bloei.

Alight, əlait, uitstappen, afstijgen, neervallen, neerstrijken, aantreffen: To alight at an hotel = afstappen; To alight from a horse = afstijgen; The bird alighted on the branch = neerstrijken.

Align, əlain, (zich) richten; Alignment, richting; tracé.

Alike, əlaik, gelijk, op dezelfde wijze: They are very much alike = gelijken veel op elkaar; They are all treated alike = op dezelfde wijze; Alike brilliant and ... = zoowel ... als.

Aliment, aliment, subst. voedsel; levensonderhoud; Aliment verb. (iemand) onderhouden; Alimental, voedzaam; Alimentary, voedend, voedings...: Alimentary canal = voedingskanaal; Alimentation, voeding, voedzaamheid, onderhoud: Derangements of Alimentation = voedingsstoornissen.

Alimony, aliməni, onderhoud, alimentatie.

Aline, əlain = Align.

Alive, əlaiv, in leven, levend, levendig, gevoelig voor; lettend op, bewust: The best man alive = van de wereld; No man alive = geen sterveling; All alive = met oogen en ooren open; He is terribly alive to an affront = zeer gevoelig voor; To be alive with = wemelen van; Look alive = vlug wat, maak voort; They skinned him alive = vilden hem levend, sloegen hem rauw.

Alkali, alkəli, loogzout; Alkaline, alkəl(a)in, alkalisch; Alkalization, alkalisatie; Alkalize, alkaliseeren; Alkaloid, alkəlôid, alkalisch; alkaloïde.

All, ôl, subst. het geheel, het alles, allen; adj. en adv. geheel, gansch, volkomen: When all is said (told) = bij slot van rekening = After all; That’s all = en daarmee is het uit; They have lost their (little) all = al wat zij bezaten; My boy is my all; All and sundry = allen zonder onderscheid; I have known him all along = al dien tijd; It is all along of you = alles uw schuld; All but = bijna; This sentence is all capitals = bestaat geheel uit; All day (the town) = de geheele; I am all ears and eyes = ik luister en zie zoo scherp toe als me mogelijk is; On all fours = op handen en voeten; It is all one (the same) to me = hetzelfde; He is a fool all over = een groote dwaas; That’s D. all over = net iets voor, lijkt precies op; He is all right = gezond, klaar, binnen, etc.; Did it cost all that? = zóóveel? Not all there = niet recht snik; All through = van begin tot einde; All of a sudden = plotseling; All the better = des te beter; All the better for = veel beter vanwege; If you do it at all = nog, soms mocht doen; I asked her if she was at all acquainted with him = soms ook; If you are telling a lie at all = toch eenmaal liegt; What she did at all, she did thoroughly = wat ze nu eenmaal deed; The be all and end all of life = in zijn geheel; Take that man for all in all = geheel zooals hij is; For all I know = voor zooverre ik weet; This is a time of all others = vooral een tijd; How can you say such things, and about me of all people = en nog wel van mij; To-night of all nights = nog wel van avond; Fifteen all = 15 gelijk (bilj.); How could you understand at your age and all = trouwens ook op jou leeftijd; Not at all = in ’t geheel niet; All-comers = allen, die zich aanmelden; All-father = alvader, godheid; All-fools’ Day = de eerste April; All-fours = een zeker kaartspel; An all-gone sensation = gevoel, dat men voor de poes is; All-hail = gegroet! All-hallow(s) = Allerheiligen, 1e November; An all-in match = wedstrijd, waaraan allen meedoen, bijv. potspel (bilj.): All-over, ziek, misselijk; All-overish = onlekker; All-round = rondom, in den regel, veelzijdig, van zessen klaar: An all-round actor = voor alle rollen geschikt; All-round price (rate) = uniform vracht, prijs van een artikel in zijn verschillende soorten; All-Souls’ Day = Allerzielen, 2e November; All-spice, myrt, nagelbol, pimentbes; The All-wise (All-powerful, and All-good) = de Alwijze, etc.

Allah, ala, Allah; Allahabad, alahabâd.

Allay, əlei, doen bedaren, stillen, verzachten, verlichten; Allayer, verzachter, verzachtend middel.

Allegation, aligeiš’n, bewering, getuigenis; citaat.

Alledge, Allege, əledž, verklaren, aanvoeren, beweren; adj. Alledgeable.

Alleghany, aləgeini: Alleghany Mountains.

Allegiance, əlîdž’ns, trouw: Oath of allegiance = eed van trouw; To swear allegiance; Allegiant, trouw.

Allegoric(al), aləgorik(’l), allegorisch; Allegoricalness; Allegorization = allegor. behandeling; Allegorize = allegor. voorstellen; Allegory = allegorie.

Alleluia, alilûjə, Hallelujah!

Al(l)emanni, aləmanai, Allemannen; Allemannic, Allemanisch.

Alleviate, əlîvjeit, verlichten, verzachten; Alleviation = verzachting(smiddel); Alleviator = verzachtend middel.

All(e)y, ali, steeg, laan, gang, baan (kegel baan): Blind All(e)y = blinde steeg.

Alliance, əlai’ns, verbond, verbintenis, verwantschap, band: To enter into (form, make) an alliance = een verbond aangaan.

Alligation, aligeiš’n: Rule of alligation = alligatie rekening.

Alligator, aligeitə, (Amerikaansche) krokodil, kaaiman.

Alliterate, əlitəreit, allitereeren; Alliteration, əlitəreiš’n, stafrijm, alliteratie; Alliterative, allitereerend.

Allocate, aləkeit, toewijzen; Allocation, toewijzing.

Allocution, aləkjûš’n, allocutie, Latijnsche toespraak v. d. Paus tot de verg. kardinalen.

Allodial, əloudj’l, allodiaal; Allodium, əloudj’m, allodium.

Allonge, Fransche uitspr., verlengstuk; uitval; leireep.

Allopath, aləpath, allopaat; adj. Allopathic; Allopathist = allopaat; Allopathy, əlopəthi, allopathie.

Allot, əlot, volgens het lot toebedeelen, toewijzen; Allotment = toewijzing; halve soldij of huur aan het gezin van soldaat of matroos: Allotments-act (1887) = wet, waarbij de Sanitary Authority v. een district wordt gemachtigd stukken grond te koopen of te onteigenen ten behoeve van arbeiders, die zich voor het huren daarvan aanmelden; Allotee = wien iets toebedeeld wordt; Allotter = toebedeeler.

Allow, əlau, toestaan, veroorloven, erkennen, aftrekken, beweren (Amer.): Allow for = in aanmerking nemen; aftrekken; He was allowed a hundred a year = hij kreeg; He is allowed to be a fool = iedereen geeft toe dat hij is; The estimate does not allow for any increase of value = bij de schatting is geen rekening gehouden met; He allows of your excuse = neemt aan; The season allows of it now = veroorlooft; Allowable, veroorloofd, af te trekken, rechtmatig; Allowance = vergunning, rabat, rantsoen, toelage; Allowance verb. eene toelage geven; op dieet stellen: Dress allowance = kleedgeld; Regulation allowance = rantsoen; His weekly allowance = weekgeld; I will give due allowance for that fact = voldoende rekening houden met; You must make allowance(s) for his hard words = door de vingers zien; To place on an allowance = op rantsoen stellen.

Alloy, əlôi, subst. allooi, bijmenging, vermindering; Alloy verb. legeeren: Without alloy = onvermengd; Alloyage, legeering.

Allude, əl(j)ûd, zinspelen, toespelen: Did you allude to that circumstance?

Allure, əl(j)ûə, aanlokken, verlokken; Allurement, verlokking, aas, aantrekkelijkheid.

Allusion, əl(j)ûž’n, toespeling; Allusive = toespelend; subst. Allusiveness.

Alluvial, əl(j)ûvj’l, alluviaal; Alluvion, alluvie; Alluvium = alluvium.

Ally, əlai, subst. bondgenoot; verb. verbinden: To be allied = verbonden (verwant) zijn.

Alma(h), alma, Oostersche zangeres en danseres.

Almadia, almədîə; Almadie, almədi, eene boot of kano van boombast (Indië, Afrika).

Almagra, əlmagrə, almagra.

Almanac, ôlmənak, almanak: Pictorial almanac = geïllustreerde; Almanac of the million = volks-almanak.

Almandine, alm’nd(a)in, roode granaat.

Almightiness, ôlmaitinəs, almacht; Almighty, ôlmaiti, almachtig: subst. de Almacht(ige): God Almighty; The Almighty dollar = de almacht v. h. geld.

Almond, âm’nd of almənd, amandel: Jordan almonds = Malaga amandelen; Soft-shelled almond = kraakamandel; Almond-nails = fijne, schoon geronde nagels.

Almoner, almənə, aalmoezenier; Grand Almoner, Lord High Almoner = Groot-aalmoezenier; Almonry, alm’nri, woning v. d. aalmoezenier; plaats in een klooster waar aalmoezen worden uitgedeeld.

Almost, ôlmoust, bijna, nagenoeg: He is an almost Protestant; My almost sister = mij bijna zoo dierbaar als een zuster; Almost never = bijna nooit.

Alms, âmz, aalmoes, aalmoezen: Alms-bag = kerkezakje; He lives on the alms-basket = van liefdadigheid; Alms-box = offerbus = Alms-chest; Alms-deed = daad van liefdadigheid; Alms-house = hofje, armenhuis; Alms-man, âmzman, provenier, bedeelde (vr. Alms-woman); Alms-people = bedeelden.

Alnwick, anik, Alnwick.

Aloe, alou, aloe; Aloes, alouz, aloesap; Aloetic = aloeachtig; aloepreparaat.

Aloft, əloft, omhoog, boven aan (in) den mast: To go aloft = naar boven (in het want) gaan; To pipe aloft = een fluitsignaal daartoe geven.

Alone, əloun, alleen, eenzaam: Let alone = om nog niet te spreken van; Let (leave) him alone = laat hem met rust, begaan; Let it alone = blijf er af; Let well alone = als iets goed is, wees daar dan ook tevreden mee; stuur den boel niet in de war door je bemoeizucht; Let him alone to be in time = laat hem maar loopen, hij komt wel op tijd; Let your brother alone for a clever administrator = die broeder van u is toch; She can walk alone = alléén loopen.

Along, əloŋ, voort, vooruit, langs: Come along = kom mee; She made her way along = zette voort; Twenty miles along = verder op; All along = over de geheele lengte; al dien tijd; I guessed it all along = al dien tijd, altijd wel; It is all along of you = ’t komt alles door u; Go along with you = och loop! We went there along with him = in zijn gezelschap; Take this along with you = neem het mee; Along shore = langs de kust: Along-shore-man = scheepssjouwerman; Along-side = langs zij.

Aloof, əlûf, op een afstand, ver; te loevert: To keep aloof = zich op een afstand houden, neutraal blijven; This sorrow shook her aloof from life = vervreemdde haar van; The Scotch and the Frisians stand in the repute of characteristic Aloofness = hebben den naam, dat hun aard niet toeschietelijk is; An aloofness from people = gereserveerdheid.

Alost, âlost, Aalst (stad).

Aloud, əlaud, luide.

Alow, əlou, beneden, naar beneden.

Alp, alp, alp, bergweide; Alpine, alp(a)in, adj. alpijnsch, alpen..., zeer hoog: Alpen-horn; Alpenstock = alpenstok; The Alps.

Alpaca, alpakə, alpaca.

Alpha, alfə: Alpha and Omega.

Alphabet, alfəbet, subst. Het Abc; Alphabet verb. alphabetisch rangschikken: They have to learn the alphabet of their business = het A.B.C., de grondbeginselen; Alphabetarian, beginneling; Alphabetic(al), alphabetisch.

Already, ôlredi, reeds.

Alroy, ôlrôi; Alsace, alsâs, Alsatia, alzeišə, de Elzas; ook: een vroeger berucht gedeelte van Londen; Alsatian, Elzasser, subst. en adj.

Also, ôlsou, eveneens, ook.

Alt, ôlt, alt(stem).

Altar, ôltə, altaar, de avondmaalstafel, heiligdom: He led her to the altar = naar het altaar; Altar-cloth = altaardwaal; Altar-piece = altaarstuk; Altar-table, altaartafel; Altar-tomb = altaartombe.

Alter, ôltə, veranderen: To alter one’s condition = van betrekking veranderen; huwen; Alterability = veranderlijkheid; Alterable, veranderlijk; subst. Alterableness; Alteration, verandering; Alterative = veranderend, subst. bloedzuiverend geneesmiddel.

Altercate, altəkeit, twisten, kijven; Altercation = ruzie.

Alternate, altɐ̂nit, ôltɐ̂nit, adj. alternatief, beurtelings, afwisselend; subst. plaatsvervangend predikant; Alternate verb. altəneit, ôltəneit, beurtelings doen, afwisselen; subst. Alternateness; Alternation, afwisseling; permutatie; beurtzang; Alternative = alternatief; ook subst.: They went there alternat(iv)ely = om beurten.

Althea, al-thîə, althea, stokroos.

Altho(ugh), ôldhou, (al)hoewel, ofschoon.

Altimeter, altimətə, altimeter; Altimetry, altimetrie.

Altitude, altitjûd, hoogte, hoogtepunt: To take the sun’s altitude = de zon schieten (zeet.); He is in his altitude = buitengewoon vroolijk; adj. Altitudinal.

Alto, altou, alt: Alto-clef (= klef) = alt-sleutel = Alto-key.

Altogether, ôltəgedhə, in het geheel, volkomen: That’s altogether wrong = heelemaal mis; Altogether they formed a picture = alles te zamen, alles bijeen genomen.

Altruism, altruizm, altruïsme; Altruist, altruïst; Altruistic = altruïstisch.

Alum, al’m, subst. aluin; Alum verb. met aluin vermengen; Alum-water = aluinwater.

Aluminium, aljuminj’m = aluminium.

Alutaceous, aljuteišəs, lederachtig, lederkleurig.

Alveary, alvjəri, bijenkorf, (buitenste) oorholte.

Alveolar, alvîələ, alviələ, tand...; Alveolus, əlvîəlɐs, honigcel, tandholte.

Alvine, alv(a)in, onderbuiks...

Alway(s), ôlwi(z), altijd, steeds, geregeld.

Alwin, alwin, Alewijn.

Amadou, amədû, tonder, zwam.

Amain, əmein, met alle kracht, in eens, gauw: Let go amain = strijk! vallen!

Amalgam(a), əmalgəm(ə), amalgaam, mengelmoes; Amalgamate, əmalgəmit, vermengd; Amalgam verb. əmalgəmeit, amalgeeren, (zich) vermengen; Amalgamation, amalgatie.

Amanuensis, əmanjuensis, amanuensis.

Amarant(h), amərant(h), Amaranthus, aməranthəs, amarant; purperkleur; Amaranthine, amarant; onvergankelijk.

Amaryllis, amərilis, amarillis.

Amass, əmas, ophoopen; Amassment, ophooping.

Amateur, amətɐ̂, amətjuə, amətjuə, amateur; His work is Amateurish = als van een dilettant; Amateurism, dilettantisme.

Amatory, amətəri, verliefd, liefde...; minnedrank.

Amaurosis, amôrousis, zwarte staar; adj. Amaurotic.

Amaze, əmeiz, verbazen, ontstellen; subst. verbazing = Amazement.

Amazon, aməz’n, amazone, manwijf, heldin; Amazonian = strijdbaar.

Ambages, ambeidžiz of ambədžiz, omhaal van woorden, uitvluchten; adj. Ambagious.

Ambassador, ambasədə, (af)gezant; Ambassadorial, gezantschaps..., diplomatiek; Ambassadorship; Ambassadress, afgezante, vrouw van den afgezant.

Amber, ambə, subst. amber, barnsteen; adj. amber: Ambergrease = Ambergris = ambergrijs.

Ambidexter, ambidekstə, iemand, die beide handen even vaardig kan gebruiken; een onoprecht, dubbelhartig mensch; Ambidexterity, vaardigheid met, etc.; Ambidextrous, vaardig met beide handen; dubbelhartig.

Ambient, ambj’nt, omringend: Ambient air = dampkring.

Ambiguity, ambigjûiti, Ambiguous(ness), ambigjuəs(nəs), dubbelzinnigheid.

Ambition, ambiš’n, eerzucht; wrok, nijd (Amer.); Ambitious = eerzuchtig, begeerig, hoogdravend, aanstellerig, schitterend; subst. Ambitiousness.

Amble, amb’l, subst. telgang, kalme gang; verb. (laten) loopen als een telganger; voorzichtig of gemaakt loopen; Ambler = telganger.

Ambrose, ambrouz, Ambrosia, ambrouž(i)a, ambrosia, godenspijs; Ambrosial, ambrozijnsch, hemelsch; zwierig: They appeared in Ambrosial locks and rolling collars; Ambrosian = Ambrosial.

Ambry, ambri, etenskast, vliegenkast.

Ambs-ace, amzeis, eimzeis, dubbel een of aas; ongeluk.

Ambulance, ambjul’ns, ambulance, ambulance-wagen = Ambulance-cart (-wagon); Ambulance-man = drager.

Ambulate, ambjuleit, rondtrekken; Ambulator = afstandsmeter; Ambulatory court = rondgaand gerechtshof.

Ambuscade, ambəskeid, Ambush, ambuš, subst. hinderlaag; Ambush verb. in hinderlaag liggen, plotseling aanvallen: To lay an ambush for (To lie in ambush).

Ameer, əmîə, (Afghaansch) emir.

Amelia, əmîljə, Amalia.

Ameliorable, əmîljərəb’l, te verbeteren; Ameliorate, əmîljəreit, verbeteren, beter worden; Amelioration, verbetering, stijging; Ameliorative, verbeterend.

Amen, eimen, âmen, het zij zoo, amen: To say Yes and Amen to everything.

Amenable, əmînəb’l, verantwoordelijk; afhankelijk (to); onderworpen; vatbaar, ontvankelijk voor; Amenableness = verantwoordelijkheid, etc.

Amend, əmend, verbeteren, amendeeren; beter worden: He amended his ways = beterde zich; Amendable, voor verbetering vatbaar; Amendatory = verbeterend (Amer.); Amendment, verbetering, amendement: To move an amendment; Amends = excuus, vergoeding: To make amends for.

Amenity, əmeniti, aangenaamheid, vriendelijkheid; Amenities = beleefdheden, lievigheden.

Amerce, əmɐ̂s, beboeten met geld (in money); Amercement, boete.

America, əmerikə, American, əmerik’n, subst. en adj. Amerikaan(sch): American fair = een soort liefdadigheidsbazaar; American leather = een soort van donkerbruin wasdoek; The America Cup = een beker, die voor ’t eerst in 1851 door de Royal Yacht Squadron als prijs werd aangeboden; Americanism = voorliefde v. het Amerik.; Amerik. eigenaardigheid v. taal, etc.; Americanist = kenner v. Amerik. toestanden; Americanize = veramerikaanschen; Americomania = manie voor alles wat Amerik. is.

Amesbury, eimzbri.

Amethyst, aməthist, amethist; purperkleur; Amethystine, violetkleurig.

Amiability, eimjəbiliti, beminnelijkheid; Amiable, eimjəb’l, beminnelijk, lief; Amiableness.

Amiant(h)us, amian-təs, asbest, steenvlas.

Amicability, amikəbiliti, vriendschappelijkheid; Amicable, amikəb’l, vriendschappelijk, welwillend; subst. Amicableness.

Amice, amis, amictus, de strook linnen, die de priester bij de mis over den schouder draagt; soort toga.

Amid(st), əmid(st), te midden van: Amidships = mid(den)scheeps.

Amir, əmîə = Ameer.

Amiss, əmis, verkeerd, te onpas: Don’t take it amiss = kwalijk; That is not amiss = niet kwaad.

Amity, amiti, vriendschappelijke verhouding: All is amity and sweetness = pais en vree, botertje tot den boom.

Amma, amə, breukband.

Ammonia, əmounjə, ammonia: Liquid ammonia = salmiakgeest: Ammoniac = Ammoniacal, ammoniak....; Ammonium, ammonium.

Ammunition, amjuniš’n, krijgsvoorraad; ’model’-(mil.): Ammunition-boots = “model” schoenen; Ammunition-bread = kommiesbrood; Ammunition-cart = munitiewagen.

Amnesia, amnîsiə, verlies van ’t geheugen.

Amnesty, amnəsti, subst. amnestie; verb. amnestie verleenen.

Amock, əmok. Zie Amuck.

Among(st), əmɐŋ(st), vermengd met, te midden van: Among ourselves = onder ons gezegd; We bought the house and garden Among us = met ons allen (méér dan twee).

Amorist, amərist, minnaar; Amorous, verliefd, liefdes..; subst. Amorousness.

Amorphous, əmöfəs, vormloos, amorphe.

Amortization, əmötizeiš’n, overdracht, amortisatie; Amortize, əmötaiz, goederen schenken of overdragen (in de doode hand); amortiseeren; subst. Amortizement.

Amount, əmaunt, subst. som, bedrag; hoofdinhoud: Amount of balance = saldo: verb. bedragen: The debit Amounts to 50 guilders a head = bedraagt.

Amour, əmûə, minnarij.

Amove, əmûv, wegzenden, ontzetten.

Amphibia, amfibjə, amphibieën; Amphibian, amfibjən, tweeslachtig (dier); Amphibiology = de leer der amphibieën; Amphibious = tweeslachtig.

Amphibrach, amfibrak, amphibrachys (⏑ – ⏑).

Amphiscians, amfisiənz; Amphiscii, amfisiai, dubbelschaduwigen.

Amphitheatric(al), amfithiatrik(’l), amphitheatersgewijze; Amphitheatre, amfithîətə, amphitheater.

Amphitrite, amfitraiti, vrouw van Poseidon; kokervorm.

Amphora, amfəra, amphora.

Ample, amp’l, groot, ruim, breedvoerig, prachtig; Ampleness, grootte, etc.; Amplification = vergrooting, uitweiding; Amplify = vergrooten, uitbreiden, uitweiden.

Amplitude, amplitjûd, grootte, uitgestrektheid, rijkdom; amplitudo: Amplitude of oscillation = slingerwijdte.

Ampulla, ampɐla, fleschje bij de Romeinen in gebruik ter balseming van het lichaam na het baden; glazen karafjes bij het Misoffer gebruikt; zilveren (tinnen) busjes met H. olie gevuld; fleschjes met bloed gevuld en gelegd bij de graven der martelaren; Ampullaceous, blaasvormig.

Amputate, ampjuteit, afzetten; Amputation = amputatie; Amputator = hij, die amputeert.

Amsel, ams’l, lijster.

Amuck, əmɐk, amok: To run amuck against = in blinde woede aanvallen.

Amulet, amjulet, amulet.

Amuse, əmjûz, (aangenaam) bezighouden, vermaken: To be amused at (by, in, with) = zich vermaken met, pret hebben over; Amusement, vermaak, tijdverdrijf; Amuser = iemand die met beloften paait; handlanger.

Amy, eimi.

Amygdalate, əmigdəleit, subst. amandelmelk; adj. amandelachtig.

An, ən, art. het onbepaald lidwoord (vóór vokalen); conj. indien, of; prep. = on.

Ana, einə of ânə, letterkundige anecdoten over, uitspraken van: Shakespeariana.

Anabaptism, anəbaptizm, Anabaptisme; Anabaptist = Anabaptist; Anabaptistic(al) = Anabaptistisch.

Anachronism, ənakrənizm, anachronisme, Anachronistic = anachronistisch.

Anaconda, anəkonda, python, reuzenslang.

Anacreon, ənakrion, Anacreon; Anacreontic, anacreontisch (vers).

Anaemia, ənîmiə, bloedarmoede; Anaemic, ənemik, bloedarm.

Anaesthetic, anəs-thetik, gevoelloos, verdoovend; subst. verdoovend middel; Anaesthetize = verdooven.

Anagram, anəgram, anagram; Anagrammatic(al), een anagram betreff. of vormend.

Anak, einak: Son of Anak.

Analecta, anəlekta, Analects, anəlekts, bloemlezing; Analectic, Anal. betreffende.

Analepsis, anəlepsis, herstel van krachten; Analeptic, subst. en adj., versterkend (middel).

Analepsy, anəlepsi, herstelling.

Analogical, anəlodžik’l, analogisch; Analogism, ənalədžizm, gevolgtrekking uit analogie; Analogize = analogisch verklaren; Analogous = analogisch; Analogue = analogon; Analogy, ənalədži, analogie: By false analogy with; In analogy with; On the analogy of.