Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 70

Chapter 703,407 wordsPublic domain

Lascivious, ləsivjəs, wulpsch; subst. Lasciviousness.

Lash, laš, subst. slag (dun eind) van een zweep, zwiepende slag, zweepslag, geeseling, sarcasme, schimprede; wimper; Lash verb. zweepen, slaan, geeselen, doorhalen, hekelen, schimpen, vastbinden; He is under the lash of his wife = onder de plak; The horse gave a sudden lash out = begon plotseling achteruit te slaan; To lash out = achteruit slaan; uit den band slaan (fig.); Lashing = sjorring (scheepst.); Lashings = massa’s.

Lass, las, lâs, meisje, deern; Lassie = jong meisje.

Lassell, ləsel.

Lassitude, lasitjûd, moeheid, matheid.

Lasso, lasou, subst. lasso; Lasso verb. met een lasso vangen.

Last, lâst, subst. last; leest; volharhardingsvermogen; adj. laatste, uiterste, geringste, jongstleden; Last verb. duren, uithouden; To put (set) (up)on the last = leest; Shoemaker, stick to your last = hou je bij je leest; At last = ten laatste, eindelijk; At long last = ten langen leste; At the last = op het einde, laatste oogenblik; He retained his wits to the last = tot het laatste toe; Last though not least = het laatste maar niet het minste; The last century = vorige; The last event = de dood; Of the last importance = van het grootste belang; To be on one’s last legs = ten einde raad zijn; The affair is on its last legs = bijna uit, over; Last night = gisteren avond; He was in the last straits = lag op het uiterste; The Last Supper = l. Avondmaal; He breathed his last = blies den laatsten adem uit; The last I saw of him = de laatste keer, dat ik hem zag; Shall I never hear the last of it? = houdt dat dan nooit op? It will last his time = zijn tijd duren; It would have lasted us out handsomely = we zouden er ruim genoeg aan gehad hebben; Lastage = lading, laadruimte, vracht; Lasting = volhardend, duurzaam; subst. volharding, duur; soort stof; That is to your lasting honour = strekt u eeuwig tot eer; Lastingness = duurzaamheid; Lastly = ten slotte.

Latch, latš, subst. klink; Latch verb. met de klink sluiten; Latch-key = huissleutel, lichter van de klink; For you the string of the latch is on the outside = gij zijt ten allen tijde welkom; The latch-string is out = de deur staat (voor iedereen) open.

Latchet, latšət, schoenriem.

Latching, latšiŋ, lijn waarmee de bonnet aan het gaffelzeil wordt verbonden.

Late, leit, laat, vergevorderd, wijlen, overleden, ex-late, pas gebeurd: The late Cabinet = het vorige ministerie; My late employer = mijn vroegere patroon; The late king = wijlen de koning; Mr. N. late of her Majesty’s service = eertijds in; You are five minutes late = vijf minuten ná uw tijd; The train is an hour late = te laat; Late in the day = (te) laat; Of late days (years) = in den laatsten tijd, onlangs; The late rains have spoiled the crops = de in den laatsten tijd gevallen regens; I have seen much of him of late = in den laatsten tijd; I saw him lately = onlangs; It did not happen until very lately = pas (onlangs); So lately as February = nog in F.; Lateness = laatheid; Later on in the day = later op den dag; What’s the latest? = wat is er voor nieuws?

Lateen, lətîn: Lateensail, driehoekig latijn- of emmerzeil; Lateenyard = de ra hiervoor (Middell. Zee).

Latency, leitənsi, verborgenheid; Latent, leit’nt, latent, verborgen: Their steps awaked the latent echoes in the house = de slapende echo’s; Latent heat = latente warmte.

Lateral, latər’l, zijdelingsch, zijde - -.

Lateran, latər’n, Het Lateraan, het aan de Johanneskerk grenzende paleis van den Paus: Lateran councils = de in de kerk van St. Jan van Lateraan gehouden synoden.

Lath, lâth, subst. lat; Lath verb, met latten bedekken of bespijkeren: He is as thin as a lath = zoo mager als een houtje; Lath-and-plaster = van bepleisterde latten; Lath-work; Lathy = (zoo) dun (als eene lat), van latten gemaakt.

Latham, leith’m.

Lathe, leidh, draaibank.

Lathee, latî, lange, met ijzer beslagen stok (Brit. Ind.).

Lather, ladhə, subst. zeepsop, schuim; Lather verb. inzeepen, schuimen, met schuim bedekken (bedekt worden), afranselen.

Laticostate, latikostit, met breede ribben.

Latidentate, latidentit, met breede tanden.

Latifoliate, latifouliit, Latifolious, latifouliəs, met breede bladeren.

Latimer, latimə.

Latin, latin, subst. Latijn, Romein, lid der R.K. kerk; adj. Latijnsch, Romeinsch: Latin Church = Roomsche Kerk; Latin cross = kruis (symbol); Latin races = Franschen, Spanjaarden en Italianen; Latin union = muntconventie tusschen Frankrijk, België, Italië, Zwitserland en Griekenland; Latinism = Latinisme; Latinist = Latinist; Latinity = zuiver Latijnsch idioom, gelatiniseerde Engelsche uitdrukking; Latinization = verlatijnsching; Latinize = Latijnsche vormen of uitgangen geven, Latijnsche woorden en spreekwijzen gebruiken; aan den Pauselijken Stoel onderwerpen.

Latitude, latitjûd, breedte, breedtegraad, hemelstreek, ruimte, omvang, onbepaaldheid, onnauwkeurigheid, vrijheid, speelruimte, ruimte van opvatting, afwijking; Latitudinal, latitjûdin’l, breedte..; Latitudinarian, latitjûdinêriən, onbeperkt, vrij, vrijzinnig, verdraagzaam; subst. vrijzinnige; Latitudinarianism, latitjûdinêriənizm = vrijzinnigheid.

Latrine, lətrîn, privaat.

Latten, lat’n, subst. messing: ook adj.; Latten-brass = messingblik; Latten-wire.

Latter, latə, laatste (van twee), nieuw, pas gebeurd: Latter end = slot, stervensuur; achterste; In his latter years = lateren tijd; Latter-day Saints = geestdrijvers uit Cromwell’s tijd, die zich alléén onderdanen van Jezus noemden, en eene vijfde groote monarchie (na die van Assyrië, Perzië, Griekenland en Rome) onder Jezus verwachtten; de Mormonen; The latter-day lights of London = de Londensche sterren (op tooneel- en ander gebied) van den laatsten tijd; Lattermath = nagras, etgroen; Latterly = onlangs, in den laatsten tijd.

Lattice, latis, subst. open lat- of traliewerk; Lattice verb. van traliewerk voorzien; Lattice-pew = kerkbank met traliewerk; Lattice-window; Lattice-work.

Laud, lôd, subst. lof, loflied, hymne; Lauds = de Lauden, het tweede der kerkelijke getijden; Laud verb. lofzingen, prijzen; Laudable = lofwaardig, prijzenswaardig; gezond; subst. Laudableness; Laudation, lôdeiš’n, lof; Laudatory, lôdətəri, lovend, prijzend; Laudatories = lofrede.

Laudanum, lôdənɐm, lodənɐm, laudanum.

Laugh, lâf, subst. lach, gelach; Laugh verb. lachen: Till you have had your laugh out = tot je uitgelachen bent; Those laugh best, who laugh last = wie ’t laatst lacht, lacht het best; He laughed his consent = gaf lachend zijn toestemming; He laughed at me = lachte mij uit; He laughed outright in (to) my face = lachte mij royaal in het gezicht uit; He laughed in his sleeve = in zijn vuistje; He laughed on the wrong side of his mouth (face), ook: He laughed on the other side (corner) of his mouth = lachte als een boer, die kiespijn heeft; To laugh one out of = iemand ergens van afbrengen, door het bespottelijk te maken; He laughed my proposal to scorn = hij versmaadde mijn voorstel: Laugh-and-lie-down = een soort kaartspel; Laughable = lachwekkend, belachelijk; subst. Laughableness; Laugher = lacher, lachduif; Laughing: It is no laughing matter = ’t is geen gekheid; Laughing-gas = lachgas; Laughing-stock = voorwerp v. bespotting, mikpunt van spotternij; Laughter = gelach: To break out into fits of laughter = in lachen uitbarsten; I could not contain my laughter = mijn lachen niet houden; To shake with laughter; She looked at me with laughter-brimming eyes = met stralende oogen.

Launce, lâns, lans; zand-aal.

Launcelot, lansəlot; Launceston, lâns-t’n.

Launch, lônš, lânš, subst. het van stapel (laten) loopen; barkas, motorboot: Electric (Steam-)launch = motorboot (stoombarkas); Launch verb. slingeren, werpen, doorboren, van stapel (laten) loopen, vooruitschieten, in zee steken, uitweiden over, iets nieuws beginnen; I’m launching out a bit = neem het er eens van; I was launched upon (into) the world when quite young = de wereld ingezonden; We launchd a boat = streken; The ship was launched = werd te water gelaten; He launched an ultimatum = zond een ultimatum.

Launder, lôndə, lândə, waschtrog voor erts; Laundress, lôndrəs, lândrəs, waschvrouw; vrouw, die de in de Inns of Court op kamers wonende heeren bedient; Laundry, lôndri, lândri, waschhuis; Laundry-maid = waschmeisje.

Laura, lôrə, Laura; soort monnikendorp onder ’t opzicht van een Overste.

Laureate, lôri-it, gelauwerd; gelauwerde; Laureate verb. (lôrieit) lauweren: Poet Laureate = Eng. hofdichter; Laureateship = ambt van hofdichter.

Laurel, lôr’l, lor’l, laurier, lauwerkrans: You may sleep on your laurels = op je lauweren rusten; To win laurels.

Laurence, lôr’ns.

Lauwine, lôwin, lawine.

Lava, lâvə, lava.

Lavation, ləveiš’n, wassching, reiniging; Lavatory, lavətəri, wasschend, wasch - -; subst. waschvertrek, wassching, toiletkamer, retirade: Ladies’ (Men’s) lavatory = toilet; Lavatory carriages = rijtuigen met retirade.

Lavender, lav’ndə, subst. lavendel; adj. zacht lila: To lay (up) in lavender = in lavendel leggen; zorgvuldig bewaren, met lavendel parfumeeren; in de gevangenis werpen, naar den lommerd brengen.

Laver, leivə, eetbaar zeewier; waschbekken.

Laverock, lavərək, leeuwerik.

Lavic, lâvik, lava-achtig, lava - - -.

Lavish, laviš, adj. verkwistend, kwistig; Lavish verb. verkwisten, verspillen: He lavished his bounties on all around him = gaf kwistig aan; To lavish oneself on = zich verslingeren aan; Lavisher = verkwister; subst. Lavishness.

Law, lô, subst. wet, recht, proces, rechtswetenschap, voorsprong (jachtterm), tijd, speelruimte: The Rejoicing of the Law = Vreugde der Wet: The Scrolls of the law = wetsrollen; He is a student in law = studeert in de rechten; To be at law = in proces liggen; The fox was given a law = liet men een voorsprong nemen; To go to law = gaan procedeeren; I will have the law of you = zal je vervolgen; To take the law into one’s own hands = zich zelf recht verschaffen; You must not sin against the laws of honour = niet zondigen tegen; Law of exchanges = wisselrecht; Law of insurance against sickness and accident = ongevallenwet; Laws of nations = volkenrecht; Law-abiding = ordelievend; Law-binding = lichtgeel leeren band; Lawbook = wetboek; Law-breaker = wettenschender; Law-court = gerechtshof; Lawgiver = wetgever; Law-latin = advokatenlatijn; Law-lord = een Peer, die een hoog rechterlijk ambt bekleedt; Lawmaker = wetgever; Law-merchant = handelsrecht; Law-monger = beunhaas; Law-officer = dienaar der wet; Law-stationer = verkooper van schrijfbenood. voor gerechtsh. etc.; copiïst van gerechtelijke acten en documenten; Lawsuit = proces, rechtsgeding; Law-writer = copiïst van acten; juridisch auteur; Lawful = wettig, rechtmatig; subst. Lawfulness; Lawless = wetteloos, onwettig, woest, losbandig; subst. Lawlessness; Lawyer = wet- of rechtsgeleerde, advocaat; schriftgeleerde; stok: A Penang lawyer weighted with lead; Sea lawyer = een matroos, die den mond vol heeft over alles wat hij niet verplicht is te doen.

Law(s), lô(z), goeie genade (verbastering van Lord).

Lawn, lôn, grasveld; fijn kamerdoek, batist; Lawn-mower = tuinmaaimachine; Lawn-sleeves = batisten mouwen der bisschoppen; bisschoppen (iron.); Lawn-tennis = een raketspel; Lawny = van batist, doorzichtig.

Lax, laks, los, slap, laks, slordig, loslijvig; Laxative, laksətiv, laxeerend; laxeermiddel; Laxity = losheid, laksheid, slordigheid: Lax of the bowels = loslijvigheid.

Lay, lei, imp. van to lie = liggen.

Lay, lei, subst. lied, ballade; richting, ligging, bocht; winstaandeel (Amer.), werk; adj. leeken ...; Lay verb. leggen, dekken, neerwerpen, neertrappen, lesschen, doen liggen, stillen, doen bedaren, bannen, uitspreiden, beleggen, aanleggen, aangaan, richten, enz.: They were on the same lay as myself = hadden hetzelfde plan; Anything on the lay here? = iets aan de hand? Lay-by = ligplaats; Lay-days = (toegestane) ladings- en lossingsdagen; Lay-brother = leekebroeder; Lay-clerk = leek, die de “responses” leest in de kerk, of in colleges; Lay-down = dutje; Lay-down collar = liggende boord; Lay-elder = ouderling (in de Presbyteriaansche kerk); Lay-figure = ledepop; Layman = leek, oningewijde; ledepop; Lay-out = aanleg, uitrusting; They laid the guilt at my door = schoven op mij; To lay by the heels = inrekenen; That was laid to my charge = mij ten laste gelegd; To lay to heart = ter harte nemen; To lay breakfast = klaar zetten voor (dekken); To lay a cable; To lay the cloth = dekken; The rain has laid the dust = het stof neergeslagen; To lay a ghost = een spook voorgoed doen verdwijnen, bezweren; I cannot lay my hand upon it = niet vinden; He laid hands upon himself = sloeg de hand aan zich zelf; They laid their heads together = staken de koppen bij elkaar; To lay hold of = vastgrijpen, aanpakken; To lay a plot against = samenspannen; To lay siege to = het beleg slaan voor; To lay the table = dekken; To lay a wager = een weddingschap aangaan; He was laid low = hij (stierf en) werd begraven; They laid themselves open to chaffing = lokten het uit, om hen voor den gek te houden; To lay waste = verwoesten; He laid about him with his cudgel = sloeg om zich heen met; To lay aside = ter zij leggen, opsparen; He laid his work before the public = maakte zijn werk publiek; To lay by = ter zij leggen, bewaren; I would lay down my life for him = zou willen geven; To lay down the law to = de wet stellen; To lay down a plan = opmaken; To lay down reasons = aanvoeren; To lay down as a rule = vaststellen; To lay down the keel of a ship = de kiel leggen, op stapel zetten; To lay in = verzamelen, vergaren; Lay on = sla toe; To lay on gas, water to a house = gas- of waterleiding aanleggen; To lay on dogs = op ’t spoor brengen; To lay the blame on = de schuld geven; You lay it on rather thick = gij overdrijft niet weinig, gij werkt met sterke kleuren; To lay out a garden = aanleggen; The expedition was laid out = op touw gezet, voorbereid; I have laid out my pocket-money in a watch = heb voor mijn zakgeld gekocht; They laid out the corpse = legden af; He laid himself out to turn a penny = beulde zich af, spande zich in om; It was laid over with rust = geheel bedekt; The ship was laid to = bijgelegd; To lay to heart = ter harte nemen; I hope you will lay it to old age = toeschrijven aan; To lay under water = onder water zetten; To lay a person under an obligation = aan zich verplichten; He was laid up with the rheumatism = lag te bed met; To lay up = bijleggen, voor anker gaan liggen, rust nemen, opsparen, opleggen (scheepst.); Layer, lêə, laag, bed, aflegger of loot; richter, leghen, bookmaker; Layer verb. stekken; gaan liggen; Layer-out = lijkbezorger, aflegger; Layer-up = verzamelaar; Laying = het leggen, de gelegde eieren, oesterbank: A hen past laying = die niet meer legt; The laying on of hands = (kerkelijke) bevestiging door handoplegging.

Layard, leiəd.

Lazar, leizə, melaatsche; Lazaret(to) = pesthuis, hospitaalschip, quarantaine-plaats; bergplaats voor provisie op schepen; Lazarus, lazərɐs.

Laze, leiz, lummelen.

Laziness, leizinəs, subst. v. Lazy, leizi, lui, vadsig: A lazy morning = morgen om niets te doen; He is a lazy-body (-bones, -boots) = luiwammes; Lazy-tongs = een soort tang, die saamgedrukt zich verlengt.

Lazzaroni, lazərouni.

Lea, lî, vlakte, weide, landouw; adj. braak.

Leach, lîtš, subst. loog, loogvat; Leach verb. uitloogen; Leach-tub = loogvat.

Lead, led, subst. lood, metaalplaatje tot het scheiden der regels bij het drukken; plat, met lood bedekt dak (steeds meervoud); plombe (zegellood), peillood, potlood; adj. looden; Lead verb. met lood bedekken of bekleeden, plombeeren, door metaalplaatjes afscheiden: White lead = loodwit; My room is under the leads = het met lood bedekte dak; A widely leaded volume = boek met veel wit op de bladzijden; Lead-ash(es) = loodasch; Lead-colic = loodkoliek; Lead-foil = bladtin; Lead-glance = loodglans; Lead-line = loodlijn; Lead-pencil = potlood; Lead-poisoning = loodvergiftiging; Leadsman = matroos die het peillood ophaalt; Leadworks = loodhut; Leaded = in lood gevat, ook = separated by leads (= ver uiteen gezet); Leaden = van lood, loodkleurig, loom, dom, dof: Leaden pills = “blauwe boonen”, geweerkogels.

Lead, lîd, subst. voorgang, leiding, voorhand, eerste plaats, hoofdrol; Lead verb. leiden, vooropgaan, den weg wijzen, de leiding hebben, aanvoeren, aan het hoofd staan, dirigeeren, eerste stem of viool spelen, uitspelen, eerst spelen, enz.: They would not follow that statesman’s lead = hem niet als leider volgen; He is now playing lead at the Savoy = hij speelt nu de hoofdrollen in het S.-theater; To take the lead = de leiding nemen, de eerste viool spelen; He led me to expect it = spiegelde me voor; I was led to regard him as a noble fellow = men hield mij altijd voor, dat....; He led my sister to the altar = voerde; You have led us a pretty dance = heel wat last op den hals gehaald; He leads them a dog’s (a pretty sort of) life = zij hebben een hondenleven bij hem; Will you lead the way? = voorop gaan? To lead along = (voort)leiden; To lead astray = op een dwaalspoor of den verkeerden weg (fig.) leiden; To lead away = wegleiden; The manager will lead off with Hamlet = zal het seizoen openen met; He leads off with some good verses in that periodical = begint het nummer met; I led off on that subject = bracht het gesprek erop; The girl led him on = hield hem aan ’t lijntje; She led the conversation round to her son = bracht het gesprek op; This measure led up to success = leidde tot; Leader, subst. (ge)leider, gids, chef, aanvoerder, orkestmeester, eerste viool, voorste paard, hoofdartikel: I stood at the leader’s head, and my groom at the wheeler’s = bij het voorste paard; Leader-writer = schrijver van hoofdartikels; Leaderette, klein hoofdartikel; Leadership; Leading article = hoofdartikel; Leading counsel = voornaamste advocaat in een proces; Leading fashion = heerschende mode; Leading lady = de actrice voor hoofdrollen; Leading part = hoofdrol; Leading question = een vraag waarbij men ’t antwoord als ’t ware in den mond legt (Jur.); He is dangling at his wife’s Leading-strings = loopt aan den leiband van; He is in leading-strings = is de marionet van anderen; Leading word = slagwoord; Men of leading = toonaangevers, leiders.

Leaf, lîf, subst. blad, vizierklep, helft van eene porte-brisée; Leaf verb. bladeren krijgen: The fall of the leaf = de herfst; To burst into leaf = bladeren krijgen; He took a leaf out of my book = hij heeft mij nagevolgd; Don’t turn down the leaf = maak geen ezelsooren; You will have to turn over a new leaf = zult een ander leven moeten beginnen, u moeten beteren; The examples were given overleaf = op de andere pagina; Leaf-bridge = soort van ophaalbrug; Leaf-bud = bladknop; Leaf-fall = het vallen der bladeren; Leaf-gold = bladgoud; Leaf-green = bladgroen; Leaf-lard = bladreuzel van varkens niervet; Leaf-louse = bladluis; Leaf-metal = klatergoud; Leaf-mould = verrotte bladeren als mest; Leaf-silver = bladzilver; Leaf-table = klaptafel; Leafage = loof; Leafed = bebladerd; Leafiness; Leafless = bladerloos; subst. Leaflessness; Leaflet = klein blad, tractaatje, blaadje; Leafy = bebladerd.

League, lîg, subst. verbond, verdrag, verbintenis; mijl; League verb. zich verbinden, een verbond aangaan; Leaguer = bondgenoot; legerplaats, belegering; Leaguer verb. belegeren.

Leak, lîk, subst. lek; Leak verb. lek zijn; lekken, doorlaten: To spring a leak = een lek krijgen; Nothing has leaked out yet = er is nog niets uitgelekt; Leakage = lekkage, verlies, vermindering; Leakiness = lek zijn; Leaky = lek; praatziek, babbelzuchtig.

Leal, lîl, trouw, loyaal.

Leamington, lemiŋt’n.

Lean, lîn, mager, dun, schraal, onvruchtbaar, onbeteekenend; subst. mager vleesch; Lean-faced = met mager gezicht; Lean-witted = flauw, afgezaagd; Leanness = magerheid.

Lean, lîn, leunen, scheef staan, overhangen, neigen (ook fig.); subst. schuine stand: On the lean = scheef; All his faults lean to the side of virtue = hij heeft de gebreken van zijne deugden; Leaning = scheef; subst. overhelling, neiging; Lean-to, adj. leunend tegen of gesteund door: A lean-to (building) = gebouw, waarvan de balken weer op een ander gebouw steunen, aanbouw.

Leap, lîp, subst. sprong, sprongwijdte; Leap verb. springen, springen over, opspringen, dekken, laten springen: A leap in the dark = sprong in het duister; The consumption of Lemon Squash went up by leaps and bounds = nam kolossaal toe (eig. met groote sprongen); He leaps the most difficult passages = springt heen over; Can you leap this wall = over dien muur springen? He leaped in the saddle = hij sprong in het zadel; His heart is ready to leap into his mouth = hij is buiten zichzelve van vreugde; I’m ready to leap out of my skin = dat is om uit je vel te springen; Leap-frog = haasjeover; springkikker; Leap-year = schrikkeljaar; Leaper = springer, springpaard; Leaping-pole = polsstok.

Leapt, lept, P. Imp. en P.P. v. to leap.

Learn, lɐ̂n, leeren, vernemen: I will learn it by heart = van buiten leeren; He would not learn by the lessons of experience = niet van de ondervinding leeren; He is learned in that matter = knap in; He will never learn wit = hij wordt nooit wijzer; A fool may learn a wise man wit = een wijze kan van een dwaas nog leeren; Learned = geleerd, ervaren; Learner = leerling, scholier, beginneling; Learning = geleerdheid, wetenschap.

Learnt, lɐ̂nt, P. Imp. en P.P. v. to learn.

Leasable, lîsəb’l, verhuur-, of verpachtbaar; Lease, lîs, subst. verhuring, verpachting, pacht, huur, pacht-, of huurcontract, pacht-, of huurtijd, duur; Lease verb. (ver)huren, (ver)pachten: Building leases = bouwpachtrechten; His lease of life = levensduur; We hold this house on a twenty years’ lease = wij hebben 20 jaar huur aan dit huis; To let by (out on) lease = verhuren, verpachten; To take on lease = huren, pachten; You have taken a new lease of your life = je hebt weer ingehuurd (kunt weer een tijdje mee); Leasehold, subst. pachthoeve; adj. gepacht; Leaseholder = pachter.

Lease, lîz, weide, meente; Lease verb. lezen (van aren).

Leash, lîš, subst. koppel, leeren riem, drietal (bij jacht), band; Leash verb. aan een koppel leiden, koppelen.

Least, lîst, minst, geringst, kleinst: At least = ten minste; At (the) least = op zijn minst; Not in the least = hoegenaamd niet; Least of all = in ’t allerminst; Least said soonest mended = hoe minder er van gezegd hoe beter; Leastways (wise) = minstens, ten minste.

Leat, lît, molenvliet; kruising van wegen.

Leather, ledhə, subst. leer of leder, huid, (voet)bal; ook adj.; Leather verb. met leer bekleeden; er op los slaan, ranselen: Nothing like leather = niets gaat boven mijn waar (boven wat ik aanprijs); To ride hell-for-leather = spoorslags; To lose the leather = zich doorrijden of loopen; Leathers = leeren broek (slobkousen); She may leather away till Christmas = er op ranselen zoo lang als ze wil; The drum was leathering away to his heart’s content = sloeg er naar hartelust op los; Leather-apron = schootsvel; Leather-belt = drijfriem; Leather-coat = goudrenet; Leather-dresser = leerbereider; Leather-merchant = leerkoopman; Leatherette = imitatieleer; Leathern = lederen, taai; Leathery = leerachtig, taai: Leathery toast.