Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 116

Chapter 1163,390 wordsPublic domain

Sheep, šîp, schaap, schapen (ook fig.): Wolf in sheep’s clothing; Sheep’s-eye = bedeesde, verliefde blik, lonk, “oogje”: She has been casting sheep’s-eyes at him many a day = toegelonkt; Sheep’s-head = schaapskop, schapekop; To part (divide) the sheep from the goats = de bokken van de schapen scheiden; He is the black sheep of the family = het schurfte schaap; She seems to have become a white sheep = haar leven gebeterd te hebben; Sheep-cot, Sheep-cote = kleine schaapskooi; Sheep-dog = (schaap)herdershond; Sheep-faced = bedeesd, schaapachtig, dom; Sheepfold = schaapskooi; Sheep-hook = herdersstaf; Sheep-market = schapenmarkt; Sheep-master = schapenhouder of -fokker; Sheep-run = schapenweide; Sheep-shearer = schapenscheerder; Sheep-shearing; Sheep-shears; Sheepskin = schaapsvel, perkament; Sheep-tick = schapeteek of -luis; Sheepwalk = schapenweide; Sheep-whistling = schapen hoeden; Sheepish = schaapachtig, sullig, bedeesd; subst. Sheepishness.

Sheer, šîə, subst. vorm, lijnen van een schip; adj. en adv. zuiver, rein, eenvoudig, zeer dun, loodrecht, plotseling, ineens; Sheer verb. geren of gieren: Sheer nonsense = groote onzin; He pitched him sheer into the water = pardoes in; Sheer off = afgieren; Sheer up (alongside) = aangieren (scheepstermen); Sheer-hulk = schip van Sheers (= eene hijschstelling) voorzien, om masten in te hijschen.

Sheerness, šîənes.

Sheet, šît, subst. laken, bedlaken, vel papier, brief (spelden), zeil, watervlak, schoot van een zeil: Sheet of copper = plaat; Sheet of fire = vuurzee; Sheet of snow = sneeuwlaken; Sheet of water = waterplas; A weekly sheet = weekblaadje; I was quietly between the sheets = lag lekkertjes onder de wol; It came down in sheets = in stroomen, het goot; I have got the work in sheets = in losse bladen of vellen; We were sailing with flowing sheets = met gevierde schoten; Sheet-almanac = wandkalender; Sheet-anchor = plechtanker: He held on to it as by a sheet-anchor; Courage is the sheet-anchor of independence; Sheet-copper = bladkoper; Sheet-iron = plaatijzer; Sheet-lightning = weerlicht; Sheeted: Sheeted corpse = in lijkwade gehuld; Sheeted cow = lakenvelder; Sheeted rain = stroomende regen; Sheeted smoke = hangende of zwevende rook; Sheeting = linnen of katoen voor lakens, beddelaken.

Sheik(h), šaik, šeik, šîk, sheik.

Shekel, šek’l, šîk’l, gewicht (± 8 dr.), munt (ƒ 1,50); geld = Shekels.

Sheldrake, šeldreik, zaagbek; Shelduck = ’t wijfje daarvan.

Shelf, šelf, plank, boekenplank, vak, zandbank- of plaat, laag, rots: To be laid on the shelf = ziek, buiten functie zijn; To put (cast) on the shelf = ter zijde leggen; To remain on the shelf = onverkocht blijven; Shelfy = vol ondiepten, rotsig.

Shell, šel, subst. schaal, schil, bolster, schelp, lier, dop, geraamte (van een gebouw), romp, ruwe lijkkist, bom, granaat; Shell verb. schillen, doppen, ontbolsteren, schrapen, bombardeeren, uitvallen, afschilferen, opdokken, afvallen (van schil of bast): Shot and shell = kogels en granaten; To Shell peas = erwten doppen; If you don’t shell out promptly, I shall dun you = dadelijk opdokt; Shell-almond = kraakamandel; Shell-back = zeerob; Shell-fire = granaatvuur; Shell-fish = schaaldier; Shell-jacket = werkkiel (mil.); Shell-lime = schelpkalk; Shell-mounds, Zie Kitchen-middens; Shell-proof = bomvrij; Shell-work = schelpwerk; Shelly = vol schelpen.

Shellac, šelak, šəlak, schellak.

Shelter, šeltə, subst. beschutting, schuilplaats; Shelter verb. beschutten, beschermen, eene schuilplaats geven, schuilen, verschuilen: To take (To seek) shelter; Shelterless.

Sheltie, Shelty, šelti, Shetlandsche hit.

Shelve, šelv, op een plank plaatsen, wegzetten, ter zijde leggen, negeeren, zacht hellen: The land shelves away to the water = loopt zacht naar zee af; The shore shelved gently up from the water’s edge = liep zacht hellende op; Society shelved him = negeerde hem; Shelving, hellend: This is a shelve-trap for the admission of casks = een luik met zacht afloopende plank.

Shelves, šelvz, pl. v. Shelf.

Shelvy, šelvi, schuin.

Shem, šem, Sem; Shemitic = Semitic.

Sheol, šîoul, Hebreeuwsche onderwereld.

Shepherd, šepəd, subst. (schaap)herder; Shepherd verb. hoeden, passen op; Shepherd-boy; Shepherd-dog; Shepherd’s crook = herdersstaf; Shepherd’s-dog = herdershond; Shepherd’s-needle = naaldenkervel; Shepherd’s pouch = herderstaschje; Shepherd’s rod (staff) = behaarde kaardebol; Shepherdess = herderin, landmeisje.

Sherbet, šɐ̂bət, sorbet; soort ijs.

Sherd, šɐ̂d, brok, stuk.

Shereef, šərîf, šerif, Mohamm. vorst of heerscher, eerste magistraat v. Mecca.

Sheridan, šerid’n.

Sheriff, šerif, schout, bestuurder van een graafschap; Sheriff-clerk = griffier aan het Sheriff’s Court; Sheriff-officer = deurwaarder bij dit Court; Sheriffalty, Sheriffdom, Sheriffship = rechtsgebied of ambt van een Sheriff.

Sherlock, šɐ̂lok; Sherman, šɐ̂m’n.

Sherry, šeri, sherry(wijn); Sherry-cobbler = sherry, suiker en ijswater, dat door een rietje opgezogen wordt.

Sherwood, šɐ̂wud, Shetland, šetland, eilandengroep = Shetland Islands; Shetland-pony; Shetlander.

Shew, šou; Zie Show.

Shibboleth, šibəleth, wachtwoord, kenmerk, etc. eener partij.

Shield, šîld, subst. schild, scherm, schut, beukelaar; Shield verb. beschermen: God shield you from your enemies = bescherme u voor; Shieldless = onbeschut; subst. Shieldlessness.

Shieling, šîliŋ, hut in de Hooglanden.

Shift, šift, subst. verandering, vervanging, verwisseling, schoft, (vrouwen)hemd, list, uitvlucht, hulpmiddel; Shift verb. verschuiven, overbrengen, omleggen, overgieten, verwisselen (v. kleeren), verhuizen: That’s my only and last shift = redmiddel; He made shift to get there in time = legde het zóó aan; He made shift to live = hij redde zich, sloeg er zich door; This is only a makeshift = behelp, behulp; Within a week we had shifted, bag and baggage = waren we met pak en zak over; You are always shifting about = ge weet niet wat ge wilt; He was shifting about on his chair = bewoog zich zenuwachtig heen en weer; You must shift for yourself = uzelf redden; I have shifted it off = de zaak uitgesteld; You shift off my arguments = ge ontduikt; The wind shifted to the east = draaide naar; To shift one’s berth = van ligplaats veranderen; To shift the helm = omleggen; The scene was shifted = werd veranderd; We shifted our shirts = deden een ander hemd aan; Shifter = rangeermachine, slimmerd; Shiftiness, subst. v. Shifty; Shifting sand = drijfzand; Shiftless = onbeholpen; subst. Shiftlessness; Shifty = veranderlijk, slim, loos.

Shikar, šikâ, jacht; Shikaree, šikârî, jager, sportsman (Brit. Ind.).

Shillalah, šileila, Shillela(g)h, šəlîlag, šəlîla, dikke eiken stok of knots (Ierland).

Shilling, šiliŋ, Eng. munt (= ƒ 0,60): To take the King’s (Queen’s) shilling = dienst nemen; Shilling-dreadful, Shilling-shocker = sensatieroman (van één shilling).

Shilly-shally, šilišali, subst. besluiteloosheid, aarzeling; adj. besluiteloos; Shilly-shally verb. aarzelen = To be at shilly-shally.

Shimmer, šimə, subst. schemering, schittering; Shimmer verb. schemeren, gloren: The snow lay shimmering brightly in the wintry sun = helder te glanzen.

Shin, šin, subst. scheen(been); Shin verb. rondloopen om geld los te krijgen (= Shin about); klimmen (= Shin up): A shin of beef = lendestuk; Shin-bone = scheenbeen; Shin-plaster = beenpleister, papiergeld (vooral beneden een dollar, Amer.).

Shindy, šindi, standje, herrie; voorliefde (Amer.): Eat your words or there will be a shindy = of we krijgen ruzie; To kick up a shindy = herrie maken.

Shine, šain, subst. zonneschijn, glans; standje, ruzie; Shine verb. schijnen, schitteren, blinken, krachtig uitkomen (out); glimmend maken: You were true to me through good and evil, storm and shine, in shine or rain = onder alle omstandigheden des levens; Have a shine, Sir? = poetsen, Mijnheer? To take the shine off = den glans der nieuwheid ontnemen; He took the shine out of him = stelde hem in de schaduw; The busy bee improves each shining hour = gebruikt den dagtijd goed; It shone forth in all its glory = schitterde; Shiner = goudstuk, schoenpoetser.

Shingle, šiŋg’l, subst. dakspaan, keisteentjes, klein uithangbord (Amer.); Shingle verb. met dakspanen dekken, kort afscheren (Shingles = gordelroos): To hang out one’s shingle = een zaak openen; Shingle-beach = strand met keisteentjes.

Shininess, šaininəs, glans; Shining, šainiŋ, glimmend, uitstekend.

Shinny, šini = Shinty, šinti, soort v. kolfspel, kolfstok; Shinny verb. kolven.

Ship, šip, subst. schip; Ship verb. inschepen, aan boord nemen; verschepen, verzenden, monsteren, innemen, over krijgen: His ship has come home = zijn schip met geld is aangekomen; Ship of the desert = de kameel; Ship of the line = linieschip; Ship’s company = bemanning; To burn one’s ships (fig.); To take ship = zich inschepen; To ship off = verschepen, verzenden; To ship the oars = innemen; To ship a sea = een stortzee over krijgen; Ship-biscuit; Ship-board: To be (To go) on ship-board = aan boord zijn (gaan); Ship-breaker = slooper; Ship-broker = cargadoor; Ship-builder = scheepsbouwmeester: Ship-builder’s yard = werf; Ship-canal; Ship-carpenter = scheepstimmerman; Ship-chandler = handelaar in scheepsbenoodigdheden; Ship-chandlery; Ship-load = vracht (ook fig.); Shipmate = scheepskameraad; Ship-meter = scheepsmeter; Ship-money = belasting vroeger in Eng. geheven op havensteden en aan de zee grenzende graafschappen ten behoeve van de landsverdediging; Ship-owner = reeder; Ship-shape = netjes, behoorlijk in orde: To put ship-shape; Ship’s-husband = walkapitein; Ship’s-roll = monsterrol; Ship-timber = spant; Shipwreck = schipbreuk; Shipwreck verb. schipbreuk lijden, te gronde richten: We were Shipwrecked; Shipwright = scheepsbouwmeester (-timmerman); Shipyard = werf; Shipment = verscheping, lading; Shipped: Shipped weight = aan boord genomen vracht; Shipper = inscheper, verscheper, exporteur; Shipping, subst. alle schepen te zamen, scheepsmacht, vloot, tonnenmaat; adj. scheeps...: They took shipping = gingen scheep; Shipping-agent = scheepsbevrachter; Shipping-articles = monsterrol.

Shire, šaiə (in samenst.: šə, als Wiltshire, wiltšə), graafschap; Shire-mote = vroegere graafschapsrechtb. bestaande uit: Sheriff, Bishop en Ealdorman.

Shirk, šɐ̂k, vermijden, op slinksche wijze ontduiken, zich onttrekken aan, spijbelen: He never shirked his work; subst. Shirker.

Shirr, šɐ̂, ingeweven elastiek: Shirred garters = elastieken kousebanden.

Shirt, šɐ̂t, subst. hemd; Shirt verb. een hemd aandoen, bedekken, bekleeden: Shirt of mail = maliënkolder; He has not a shirt to (put on) his back = hij is zoo arm als Job; To take one’s shirt off = uittrekken; Shirt-bosom (= Shirt-front); Shirt-button; Shirt-collar; Shirt-cuff; Shirt-pin = borstspeld; Shirt-sleeve: In one’s shirt-sleeves; Shirt-stud; Shirting = katoen voor hemden.

Shive, šaiv, schijfje, sneetje.

Shiver, šivə, subst. brok, schaard, schilfer, leirots, rilling; Shiver verb. verbrijzelen, beven, rillen, sidderen, huiveren: The glass fell in shivers = in gruzelementen; To put the shivers on a person = doen rillen; To send a shiver through = doen huiveren; Shivering; Shivery = broos, trillend.

Shoal, šoul, subst. groote troep, school, menigte; zandbank, ondiepte; adj. ondiep; Shoal verb. wemelen, samenscholen, ondieper worden; Shoaliness, subst. v. Shoaly = vol ondiepten.

Shoat, šout, speenvarken; luilak (Amer.).

Shock, šok, subst. schok, botsing, hevige aanval, beroerte, hoop graanschoven, dikke haarbos, ruigharige hond; Shock verb. stooten, botsen, aanstoot geven, kwetsen; adj. ruigharig: A shock of earthquake was felt; Shocks of yellow hair; To be shocked at = getroffen, gekwetst, geërgerd zijn over; Shock-headed = met een dikken bos haar; Shocker = wie of wat schokt; een draak v. een roman; Shocking = aanstootelijk, stuitend, ijselijk, omgehoord; Shockist = schrijver van sensatieromans.

Shod, šod, beslagen, imp. en p.p. van to shoe.

Shoddy, šodi, subst. kunstwol, prullegoed, parvenu; adj. prullerig, leelijk, dom aanmatigend, parvenuachtig: He tried to establish the worship of the god of shoddy = den eeredienst voor de godheid van prulwerk en oppervlakkigheid; New and shoddy people = parvenus; They were deemed the very shoddiest of shoddy = tot zeer parvenuachtige families te behooren; Shoddyism = domme aanmatiging; parvenus; The world seemed to him to go shoddywards = minder degelijk te worden.

Shodkin, šodkin, huwelijksmakelaar (bij de Joden).

Shoe, šû, subst. schoen, hoefijzer, ijzeren beslag; Shoe verb. beslaan, eene biljartqueue van een pomerans voorzien, schoeien: That is quite another pair of shoes = andere thee (fig.); I wish I were in your shoes = dat ik in uwe schoenen stond; To die in one’s shoes = gehangen worden; To shake in one’s shoes = bibberen van angst; She stepped into my shoes = nam mijn plaats in; A pair of wooden shoes = klompen; Shoeblack = schoenpoetser; Shoe-blacking = schoensmeer; Shoe-brush = schoenborstel; Shoe-buckle = schoengesp; Shoe-butt = zoolleer; Shoe-factory; Shoe-horn = schoenhoorn; Shoe-lace = schoenveter; Shoe-latchet = riem; Shoe-leather = schoenleder: To save shoe-leather = zich een gang besparen; Shoemaker = schoenmaker; Shoe-string; Shoe-tacks = schoenspijkers; Shoe-thread = pikdraad; Shoe-vamp = bovenleer; Shoeing: Shoeing-horn = schoenentrekker, hulpmiddel, tusschenpersoon; Shoeless: Shoeless and stockingless children = zonder schoenen of kousen, doodarm; Shoer = hoefsmid.

Shone, šon, imperf. en part. perf. van to shine.

Shoo, šû, ksh!

Shook, šuk, imperf. van to shake.

Shook, šuk, duigen, duighout.

Shoot, šut, subst. schot, schietwedstrijd, jachtpartij, vuilnisplaats, jonge tak of scheut, spruitje of knop; slede, glijplank, houten glijbaan, stroomversnelling; Shoot verb. schieten, jagen, snel bewegen door, uitbotten, uitspruiten, steken, afvuren, doodschieten, treffen, afjagen, voorschuiven, leegstorten: To shoot the bolt = den grendel schuiven voor; We shot the bridge = voeren snel onder de brug door; He has shot the moon = is met de noorderzon vertrokken; Don’t shoot rubbish or soil here = hier geen puin of afval neer te werpen; Rubbish shot here = plaats voor puin, etc.; The light boat shot the water = vloog over; He shot ahead of us = schoot ons voorbij, kwam ons voor; To shoot flying = in de vlucht; He shot at everything within range = schoot op alles wat onder zijn bereik kwam; Let them shoot out the lip at me, if they like = de lip verachtelijk tegen mij uitsteken; They were all shot out (of the boat) into the water = in het water geslingerd; They shot out the tongue at this = staken de tong er voor uit; To shoot over dogs = met honden jagen; He shoots a mass of raw materials upon us in these bulky volumes = hij overstelpt ons met; Shooter = schieter, schutter, vuurwapen: A six-shooter = zesloopsrevolver; Shootesses = jageressen; Shooting = jagen, schieten, het afschieten, het pijnlijk door de leden schieten, jachtterrein: To go out shooting = uit jagen gaan; Shooting-box = jachthuis; Shooting-gallery = schiettent, jachthuisje; Shooting-iron = jachtgeweer, revolver (Amer.); Shooting-jacket = jachtvest; Shooting-license = akte; Shooting-match = wedstrijd; Shooting-range = schietterrein; Shooting-season; Shooting-seat = jachthuis; Shooting-star = vallende ster.

Shop, šop, subst. winkel, werkplaats; Shop verb. inkoopen doen, winkelen: No shop in company (Cut the shop) = niet over het vak praten; Wine-from-the-wood shop = bodega; To keep (a) shop; To open a shop; We shut up shop at 8 = sluiten om 8 uur; He has shut up shop = heeft zich uit de zaken teruggetrokken; That smells of the shop = ruikt naar het vak; To sink the shop = niet over het vak praten; He talks the most unlimited shop = heeft het eeuwig en altijd over zijn vak; We have been shopping = wij hebben gewinkeld; Shop-assistant = winkelbediende; Shop-bill = prijscourant; Shop-board = werkbank, toonbank; Shop-book = winkelboek; Shop-girl; Shopkeeper = winkelier, winkelknecht (fig.); Shop-lifter = ladelichter; Shopman = kleinhandelaar, winkelknecht; Shop-soiled = verkleurd of gevlekt in de étalage; Shop-walker = winkelchef; Shop-worn = verlegen; Shopocracy, špokrəsi, rijke winkelmenschen.

Shore, sö, subst. kust, oever, strand, schraag, stut; Shore verb. aan den wal (in zekerheid) brengen, schragen, schoren, stutten: They went on shore = aan wal; To stand in, off shore = in, uit den wal liggen (scheepsterm); Shore it up = stut het; Shore-battery = strandbatterij; Shore-ice = pakijs; Shoreless = zonder oever of kust, onbegrensd.

Shorling, šöliŋ, vacht van een levend geschoren schaap, pas geschoren schaap.

Shorn, šön, p.p. van to shear: God tempers the wind to the shorn lamb = geeft kracht naar kruis.

Short, šöt, subst. korte inhoud, kort begrip, tekort; adj. kort, beperkt, beneden peil, schraal, gebrekkig, onverdund, kortaf, driftig, broos: The long and the short of it is = de hoofdzaak is, om kort te gaan; Shorts = mengsel van zemelen en meel; korte broek; The baby was put into shorts (= short clothes) = kwam uit de lange kleeren; To be short at the sleeves; Called for short = kortweg; He is a fool in short = kortom hij is gek; To be short with = kortaf, bits; To be two shillings short = te kort komen, te weinig ontvangen hebben; The time was very short now = de tijd begon aan te loopen; He is short of sight = bijziende, kortzichtig (fig.); I am short of money just now = slecht bij kas; Short of heaven, he could lead his men anywhere = behalve naar den hemel; It fell short of my expectations = beantwoordde niet aan; Nothing short of having my tooth extracted could rid me of that toothache = niets minder dan; This deed is little short of heroic = komt nabij; The translation is short of the original = blijft beneden; A few minutes short of twelve = vóór 12; I am rather short of hands = kom te kort; Let it be short = maak het kort; He cut me short = viel mij in de rede; We have gone short frequently to save up for a dinner = vaak “krom gelegen”; To make short of a long story (= To make a long story short) om kort te gaan; To run short = opraken; To sell short = à la baisse speculeeren; To stop short = plotseling stilhouden, blijven staan, ophouden; To turn short = zich plotseling omkeeren; Short allowance = schrale kost: To put on short allowance = op klein rantsoen stellen; Short cut = binnenpad, kortere weg; At the time I wore short petticoats = toen ik nog korte rokken aan had; Short rib = korte rib; To give short shrift = korte metten maken met; To put on short work = de werkuren inkorten; To make short work of = korte metten maken met; Short-bread (Short-cake) = broos gebakje; Short-breathed, šötbretht, kortademig; Short-circuit = kortsluiting; The little one was short-coated = kwam uit de lange kleeren; His shortcomings are many = tekortkomingen; Short-commons = schraal maal; Short-dated = van korten duur, op korten termijn; Shorthand = kortschrift: To take down in shorthand = stenographisch opnemen; We are rather shorthanded for gentlemen = hebben eigenlijk geen heeren genoeg; Shorthorn = beroemd (Durham) veeras (met korte horens); Short-lived, šötlaivd: Ours is a short-lived family = wij worden geen van allen oud; Short-sight(edness) = bijziendheid; Short-sighted = bijziende, kortzichtig; Short-tempered = kort aangebonden (= Short of temper); Short-waisted = kortlijvig; Short-winded = kortademig; Short-witted = met weinig oordeel; Shortage = tekort: There was a shortage of teachers; Shorten = verkorten, verminderen, samentrekken, afsnijden, zacht maken: They shorted sail = minderden zeil; Shorted of his prey = beroofd van; Shorter = wie of wat verkort, enz.; Shortly = (in het) kort, binnenkort: He wrote shortly = schreef een klein briefje; Shortly before the war; Shortness = kortheid: Shortness of breath; Shortness of memory.

Shot, šot, subst. schot, kogel, schroot, hagel, bereik (van kogel of geweer), schutter; gelag, rekening; adj. changeant, met een weerschijn; Shot verb. laden (ook imperf. en p.p. van to shoot): Blank shot = met los kruit; Shot with ball = met scherp; Shot of distress = noodschot; To be received by a volley of shot = een hagelbui van kogels; He is not worth powder and shot = hij is geen schot kruit waard; As long as there is a shot in the locker = nog een kogel in ’t geweer, nog geld in de beurs is; The shot came home, fell aboard = was raak; He is a crack, a dead, an excellent, a splendid shot = wat hij onder schot krijgt is “er bij”; One of the best shots of the day; To fire random (wild) shots = in ’t wilde schieten; Let me have a shot at it = laat mij ’t eens probeeren; He made a shot at a French word for “intended” = sloeg een slag naar; I have got to pay the shot = ik moet betalen; The photographer took two shots at my face = nam me tweemaal; To be (get) shot of = kwijt zijn, raken; He was off like a shot = vloog weg; I gave up my promise like a shot = dadelijk; Mistaken am I? Not by a long shot = volstrekt niet; He is out of (within) shot = hij is buiten (onder) schot; Shot silk = zijde met een weerschijn; Shot-bag = schrootzak; Shot-belt = lange lederen riem voor hagel als gordel gedragen; He came off Shot-free = zonder kleerscheuren; Shot-gauge = kogelmal; Shot-gun = gladloops jachtgeweer; Shot-hole = kogelgat; Shot-pile = kogelstapel; Shot-prop = houten prop om een Shot-hole te stoppen; Shot-tower = hageltoren; A heavy shotted gun = met kogel van zwaar kaliber geladen kanon; Shotted chain = ketting met kogel (voor galeiboeven); The article is too heavily shotted for the ordinary reader = al te zwaar, geleerd; Shotten = de kuit geschoten hebbende; ontwricht; gestremd.

Shough, šok, ruige hond.

Should, šud, imperf. van shall: Tell him so if he should come = als hij mocht komen; Not as it should be = niet zoo het hoort; As who should say = alsof iemand zou zeggen; No better than they should be = niet beter dan dat soort gewoonlijk is.

Shoulder, šouldə, subst. schouder, schoft, schouderstuk; Shoulder verb. met den schouder duwen, krachtig duwen, op den schouder nemen, òvernemen (van het geweer): One shoulder of mutton draws (drives) down another = hoe meer men heeft, hoe meer men wil hebben; Shoulder of mutton sail = driehoekig bootzeil; No sooner was he in the room, than she attacked him straight from the shoulder = in ééns, op den man af; He clapped me on the shoulder saying: You are my prisoner = hij legde de hand op mijn schouder; He gave us the cold shoulder = zag ons met den nek aan; I have a good deal on my shoulders just now; He has round shoulders = een ronden rug; He hit out straight from the shoulder = gaf een krachtigen slag; You cannot put old heads upon young shoulders = jeugd heeft geen deugd; Put (set) your shoulder to it = zet er uw schouder onder; To rub shoulders = in nauwe aanraking komen; He shrugged his shoulders = hij haalde de schouders op; To stand shoulder to shoulder = schouder aan schouder staan; You have taken too much on your shoulders; Shoulder arms! = over ’t geweer; I shouldered the responsibility = nam... op mij; He shouldered me aside = duwde mij op zij; The French were shouldered off the direct way to Berlin = werden belet direct op Berlijn aan te rukken; Shoulder-belt = draagband; Shoulder-blade, Shoulder-bone = schouderblad; Shoulder-knot = schouderbedekking; Shoulder-points = vangsnoeren; Shoulder-shotten = lam in de schouders (van paarden); Shoulder-slip = schouderontwrichting; Shoulder-strap = schouderriem, schouderklep; He is a broad-shouldered fellow = breedgeschouderd.

Shout, šaut, subst. gejuich, geroep; Shout verb. juichen, hard roepen: They shouted like anything = juichten “van je welste”; To shout newspapers in the street = luidkeels (met) kranten venten; Shouter.

Shove, šɐv, subst. duw, stoot; Shove verb. duwen, stooten, voortduwen: Shove the animal at the hedge = drijf, duw, jaag naar; The measure was shoved by = terzijde gelegd, verworpen; We shoved from shore = duwden af.