Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 12

Chapter 123,157 wordsPublic domain

Bias, baiəs, subst. eenzijdige verzwaring van den bal (bij Bowling); schuine loop of snede; neiging, vooroordeel, voorliefde; adj. schuin, diagonaal; Bias verb. doen overhellen naar één zijde, vooringenomen doen zijn: There is an admirable absence of bias in this paper = afwezigheid van vooringenomenheid; I have biased him; I am strongly biased (in his favour) = voor (hem) ingenomen.

Bib, bib, subst. slabbetje, borstlap (van een schortje), steenbolk; Bib verb. slurpen, pimpelen: Best bib and tucker = feestkleedij; A bibacious, baibeišəs fellow = aan den drank verslaafd; Bibacity = drankzucht; (Wine-)Bibber = (wijn)drinker, zuiper.

Bible, baib’l, bijbel: Bible-clerk = student aan het Magdalen College te Oxford, die uit den bijbel moest voorlezen; Bible-oath = eed op den Bijbel; Bible Society = bijbelgenootschap; Biblical, bijbelsch; Biblicism, geloof aan den tekst der Schrift als eenige geloofsregel; bijbelkennis; Biblicist, letterknecht; bijbelkenner.

Bibliographer, bibliogrəfə, bibliograaf; Bibliographical = bibliographisch; Bibliography = bibliographie; Bibliomancy, bibliomansi, voorspelling naar aanleiding van toevallig opgeslagen of open liggende teksten; Bibliomania, bibliəmeinjə, bibliomanie; Bibliomaniac = bibliomaan; Bibliophil(e), bibliəfil, boekenliefhebber of verzamelaar.

Bibulous, bibjulɐs: Bibulous paper = vloeipapier.

Bice, bais, bergblauw.

Bicentenary, baisentənəri, subst. en adj. tweehonderdjarige (gedenkdag).

Bicephalous, baisefəlɐs, tweehoofdig.

Biceps, baisəps, tweehoofdige opperarmspier.

Bicker, bikə, subst. strijd, twist; Bicker verb. kibbelen, twisten; flikkeren, zich slingeren; ratelen, klepperen.

Bickern, bikən, aambeeld met twee punten.

Biconjugate, baikonžugit, paarsgewijze.

Bicorn(ed), baikön(d), Bicornous, baikönəs, tweehoornig.

Bicycle, baisik’l, subst. rijwiel; Bicycle verb. wielrijden; Bicyclist = wielrijder.

Bid, bid, subst. bod, poging; Bid verb. verzoeken, bevelen, aanbieden, voorstellen, wenschen, uitnoodigen, bieden op (for): The book fell to my bid = werd mij toegeslagen; To make a bid for = moeite doen om te verkrijgen; Will you bid him walk in = verzoeken; He bade them witness it = riep hen tot getuige; What’s bid for this? = is geboden? The reserve price was not bidden; To bid beads = den rozenkrans bidden; To bid defiance to = tarten, trotseeren; To bid fair = beloven, doen verwachten; To bid good-day (bid-morning, farewell, welcome) = goeden dag zeggen etc.; Biddable = gehoorzaam, gezeggelijk; Bidder: The best (highest) bidder = meestbiedende; Bidding = het bieden, bod, bevel, uitnoodiging.

Biddery-ware, bidəriwêə = Bidri biddery-ware, metalen voorwerpen uit Bidar, met zilver of goud ingelegd.

Biddy, bidi, Bridget; Iersch dienstmeisje (Amer.); kiep (in: kiep! kiep!).

Bide, baid, verblijven, verwijlen; afwachten, verbeiden, verdragen, uitstaan: I will bide my time; That flower does not bide handling = kan niet tegen aanpakken; Let that bide = rusten.

Bident, baidənt, gaffel; Bidental, Bidentate, baidentit, tweetandig.

Bidet, bidet, bidei, klein paard; bidet.

Biennial, baienj’l, tweejarig.

Bier, bîə, draag-, lijkbaar: Bier right = baarrecht.

Bifacial, baifeiš’l met twee gelijke ruggelings verbonden zijden (of gezichten).

Bifarious(ly), baifêriəs(li), in twee rijen.

Biferous, bifərəs, tweemaal ’s jaars dragend.

Biffin, bifin, een (vooral in Norfolk gekweekte) appel; platgedrukte en gedroogde appel.

Biflorate, baiflôrit, Biflorous, baiflorəs, tweebloemig.

Bifoliate, baifouljit, tweebladig.

Bifold, baifould, tweevoudig, dubbel.

Bifurcate, baifɐ̂keit, in twee takken verdeelen; adj. Bifurcate(d), baifɐ̂kit(id): Bifurcation, vertakking, splitsing, Bifurcous = in twee takken verdeeld.

Big, big, dik, groot, zwaar, zwanger, vol, opgeblazen; voornaam, voortreffelijk (Amer.): Big Ben = de groote klok in ’t Parlementsgebouw; Big with = vol van, zwanger van; To get big = groot worden (van kinderen); To look big = er verwaand of dreigend uitzien; den neus in den wind steken; To talk big = een groot woord hebben; Big bugs = groote hanzen; Big guns = groote hanzen; groote kanselredenaars: That was his big gun = hooge troef, beste kaart (fig.); Big heart = edel, grootmoedig; Big man = man van invloed; Big pot = hooge oome: He is a big pot, and you are only a kettle; Big wig (= Big pot); Bigness = grootte, etc.

Bigamist, bigəmist, iemand, die zich aan bigamie schuldig maakt; Bigamous = bigamistisch; Bigamy = bigamie.

Biggin, bigin, filtreerkan; muts, kindermutsje.

Biggonet, bigənət, begijnekap, nonnenkap.

Bight, bait, baai, bocht (van een touw), buiging.

Bignonia, bignounjə, trompetbloem.

Bigot, bigət, bekrompen ijveraar, onverdraagzaam dweper; Bigoted = bigot, bijgeloovig, kwezelachtig, fanatiek; Bigotry, kwezelarij; blinde aanhankelijkheid, fanatieke ijver.

Bijou, bîžû, juweel, kleinood.

Bijugate, baidžugit, baidžûgit, Bijugous, baidžugɐs, met twee koppen in profiel, elkaar gedeeltelijk bedekkend; tweeparig.

Bike, baik, subst. fiets; Bike verb. fietsen.

Bilander, biləndə, bailəndə, bijlander.

Bilberry, bilbəri, soort v. blauwe boschbes.

Bilbo, bilbou, Spaansche degen (van Bilboa, bilbouə, in Spanje); Bilboes, bilbouz, scheepsvoetboeien, verschuifbaar langs lange stangen.

Bilboquet, bilbəket, bal met beker, waarin hij moet worden gevangen.

Bile, bail, gal, bitterheid: To stir up the bile = boos maken.

Bilge, bildž, subst. buik (van een vat), buikdelling (zeeterm); Bilge verb. een lek krijgen in de kim; buiken; lens pompen; Bilge-keel = kimkiel.

Biliary, biljəri, gal - -; gallig: Biliary calculus = galsteen.

Bilingual, bailiŋgwəl, Bilinguar, bailiŋgwə, Bilinguous, bailiŋgwəs, in twee talen, twee talen sprekend.

Bilious, biljəs, gallig, galzuchtig; subst. Biliousness.

Bilk, bilk, subst. bedrog, dwaasheid; bedrieger; Bilk verb. bedriegen, afzetten; zich heimelijk verwijderen, of verlaten: I don’t intend to bilk my lodgings; Bilker = afzetter.

Bill, bil, aanklacht, wetsontwerp, wissel, biljet, nota, rekening, programma, lijst, rol, bankbiljet (Amer.); aanplakbiljet; Bill verb. registreeren, aankondigen: To make out (= schrijven), pay, run up, send in, settle bills = rekeningen; To bring in, drop, pass, reject a bill = wetsontwerp; To post (up), to stick bills = biljetten aanplakken; Stick no bills! = hier niets aanplakken! He has a bill in chancery against you = eisch tot schadevergoeding bij de Chancery Division van het High Court; To bring in (to find) a true bill = een aanklacht gegrond verklaren (Dit geschiedt door de Grand Jury, die de zaak dan verwijst naar de Petty Jury, die een Verdict uitspreekt;—het ongegrond verklaren wordt to ignore of to throw out genoemd); It’s a true bill = (ongelukkig) maar al te waar (fig.); She fills that bill exactly = voldoet precies aan die eischen; Bill of credit, kredietbrief; Bill of divorce = scheidbrief (Joodsche wet); Bill of entry = declaratie van inkomende rechten; Bill of exchange = wissel (Inland bill, Foreign bill, Forged bill); Bill of fare = menu; Bill of fares = tarief van vracht en vervoerprijzen; Bill of health = gezondheidspas; Bill of indemnity = acte v. schadeloosstelling; Bill of lading = vrachtbrief; Bill of mortality = sterfte-statistiek; Bill of Rights = Eng. grondwet 1689; Bill of sale = machtiging tot verkoop van roerend goed voor schulden; Whenever he saw a circus billed = door biljetten aangekondigd; Bill-board = aanplakbord; Bill-book = wisselboek; Bill-broker = makelaar in wissels; Bill-sticker = aanplakker.

Bill, bil, snavel, ankerklauw, kromme snoeibijl, houweel, hellebaard; Bill verb. trekkebekken, minnekoozen = Billing and cooing; Bill-hook = sikkelmes; Billman = hellebardier.

Billet, bilət, subst. briefje, inkwartieringsbiljet, kwartier, baantje, dienst; blok hout, staaf; Billet verb. inkwartieren: Every bullet has its billet = heeft zijne bepaalde bestemming; Secretaryships and all such billets = baantjes; You have a very comfortable billet there = gemakkelijke betrekking; He charged upon the young man with a billet of wood; The regiment was billeted upon the inhabitants; I wish I could get you billeted on that ship = geplaatst.

Billiards, biljədz, biljardspel; Billiard-ball (Billiards-cloth; Billiards-cue; Billiards-hole = Billiards-pocket; Billiards-marker; Billiards-table); A game of billiards; To play at billiards.

Billingsgate, biliŋzgit: (Billingsgate language) vischwijventaal; adj. plat, gemeen; Billingsgate pheasant = bokking.

Billion, bilj’n, billioen (in Frankrijk en Amerika: 1000 × millioen).

Billot, bilət, ongemunt goud of zilver (in staven of blokken).

Billow, bilou, subst. baar; Billow verb. golven, opzwellen: The billow-and-breaker-beaten coast = de door golven en branding gebeukte kust; Billowy = ruw, golvend.

Billy, bili, kameraad; stok, ploertendooder, (koffie)keteltje, zijden halsdoek; ook gemeenz. voor Willy, William; Billycock, bilikok, laag, rond en stijf hoedje van vilt (of stroo), “kaasbolletje”; Billy-boy = platboomd vaartuig; Billy-goat = bok.

Biltong, biltoŋ, biltong (Zuid-Afr.).

Bimana, bimənə, baimənə, tweehandigen; Bimanous, bimənɐs, of baimənɐs, tweehandig.

Bimonthly, baimɐnthli, subst. en adj. tweemaandelijksch (tijdschrift).

Bin, bin, subst. kist, trog, bak, wijnrek; Bin verb. in eene kist, etc. bergen.

Binary, bainəri, binair.

Binate, bainit, paarsgewijs groeiend.

Bind, baind, binden, verbinden, ontwikkelen, beperken, verplichten, bevestigen, hard maken, eene grens vormen, verplichten (volgens contract); subst. band, verbinding, ijzerhoudend leem; rank, hopstengel, 250 (A bind of eels): Bound down by contract = gebonden; This apprentice was bound out to service = in dienst gedaan; He was bound over to appear again before the court within a week = moest eene som gelds deponeeren, die hij verbeurde als hij niet verscheen; To bind to secrecy = geheimhouding doen beloven; To bind up wounds = verbinden; That man is entirely bound up in his work, studies, etc. = wordt geheel ingenomen door, gaat geheel op in; Binder = (boek)binder, band; Bindery = boekbinderij; Binding = band, verband, het binden: The snow is less binding = pakt niet zoo goed meer; Bindweed = winde.

Bine, bain, rank (van hop), hop.

Binervate, bainɐ̂vit, met twee nerven.

Bing, biŋ, hoop; Bing verb. ophoopen.

Bin(n)acle, binək’l, kompashuisje.

Binny, bini, barbeel (van den Nijl).

Binocle, binok’l, binocle; Binocular = binoculair; binocle (= Binocles); Binoculate = binoculair.

Binomial, bainoumj’l, binominaal; binomium: Binomial theorem = binomium v. Newton; Binominal, bainomin’l, met twee namen.

Biograph, baiəgrâf = verbeterde kinematograaf; Biographer = biograaf; Biographic(al) = biographisch; Biography, biographie.

Biological, baiəlodžik(’l), biologisch; Biologist, bioloog; Biology = biologie.

Biparous, bipərɐs, tweelingen barend.

Biped, baiped, subst. en adj. tweevoetig (dier); Bipedal, baipəd’l, adj. tweevoetig.

Biplane, baiplein, tweedekker.

Biquadratic, baikwədratik, 4emachts; vierdemacht.

Birch, bɐ̂tš, berk, berkenroede, berken canoe (Amer.); Birch verb. met de roede straffen, ranselen; adj. berken = Birchen; Birch-broom = stalbezem.

Bird, bɐ̂d, subst. vogel; lieveling: Birds Protection Act; Neither bird nor fish = geen vleesch en geen visch; Birds of a feather flock together = soort zoekt soort; The early bird catches the worm = de morgenstond heeft goud in den mond; Fine feathers make fine birds = kleeren maken den man; A little bird told me = ik heb er een muisje van hooren piepen; A bird in the hand is worth two in the bush = ... beter dan tien in de lucht; It is an ill bird that fouls its own nest = wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht; The bird has flown (ook fig.); To hit the bird in the eye = den spijker op den kop slaan; To kill two birds with one stone (at one blow); To lime one’s bird to the twig = lijmen, vangen, (fig.); Bird of Jove = adelaar; Bird of Juno = pauw; Bird of Minerva = uil; Bird of night = uil; Bird of passage = trekvogel; Bird of prey = roofvogel: Bird verb. vogels vangen of schieten; Bird-baiting = vangen met slagnet; Bird-batting = vangen met den lichtbak; Bird-boy = jongen, om vogels te verjagen; Bird-cage; Bird-call = fluitje (van den vogelaar); Bird-cherry = vogelkers; Bird-fancier = vogelliefhebber; vogelkoopman; Bird-lime = vogellijm; Bird-man, (Bird-catcher) = vogelaar; Bird’s-eye = subst. soort van tabak; adj. in vogelvlucht gezien: A bird’s eye view of Cologne = Keulen in vogelvlucht; Bird’s eye wood = geaderd, gemarmerd hout; They went bird’s-nesting = vogelnestjes uithalen; Nobody goes bird’s-nesting without a fall at times = wie wat onderneemt, struikelt wel eens; Bird-witted = vluchtig, van het een op het ander; Birdie = vogeltje; lieveling.

Biretta = Beretta.

Birmingham, bɐ̂miŋ’m, bɐ̂miŋham.

Birth, bɐ̂th, geboorte, afkomst, oorsprong, stand, vrucht, jong: To give birth to = bevallen, jongen werpen; To kill at birth = in de wieg smoren (fig.); To produce two young ones at a birth = twee jongen werpen; He is an Englishman by birth = van geboorte; New birth = wedergeboorte (fig.); Birth-certificate = Certificate of birth = geboorteakte; Birthday; Birth-hour; Birthplace; Birthright; Birth-roll = geboorteregister; Birth-sin = erfzonde.

Biscay, biskei, Biscaje; Biscayan, biskeiən = (bewoner) van Biscaje.

Biscuit, biskit, beschuit; biscuit (aardewerk); klein zacht broodje (Amer.).

Bise, bîz, biz, N. (O.) wind in Zwitserland en Provence.

Bisect, baisekt, in tweeën deelen; Bisection = halveering; Bisector = bisector.

Bisexual, baisekšu’l, tweeslachtig.

Bishop, bišəp, subst. bisschop; een warme drank; tournure of kussentje (Amer.); slabbetje; raadsheer (in het schaakspel); bisschopsmuts (hoornschelp); lievenheersbeestje; Bishop verb. bevestigen, bisschoppen benoemen, tot bisschop wijden; het gebit van een oud paard zóó opknappen, dat het jonger lijkt; beetnemen; Bishop’s-Bible = bijbelvertaling van 1568; Bishop’s-weed = zevenblad; Bishopess, vrouw van een Angl. bisschop; Bishopric = bisdom.

Bison, b(a)is’n, biz’n, bison.

Bissextile, bisekstil, schrikkeljaar; adj. bisextiel; Bissextile year.

Bistre, bistə, bister, roetbruin.

Bistoury, bisturi, opereermes.

Bistort, bistöt, slangenwortel.

Bit, bit, subst. boorijzer (boorspits), schaafijzer, baard v. een sleutel, gebit; beetje, hapje, kleinigheid, klein geldstuk: Not a bit of it = geen kwestie van; He is every bit as good as you = in alle opzichten; I am not a bit the wiser = ik ben geen haar wijzer; Bit by bit = stukje voor stukje; The coachman draws bit = begint het paard in te houden; The horse got the bit between his teeth and ran away; A six-penny bit = een munt van sixpence; A long bit = 15 cents (Amer.); A short bit = 10 cents (Amer.); Bit-bridle = stanggebit (van een paardetoom).

Bitch, bitš, teef, wijfje; snol.

Bite, bait, subst. beet, greep, mondvol, voedsel; streek, bedrog, afzetterij; Bite verb. bijten, steken, prikken, branden, grijpen, uitbijten, geeselen (fig.), bedriegen: His bark is worse than his bite = hij blaft harder dan hij bijt; He gave me a bite and a sup (ook sip) = wat te eten en te drinken; The biter bit = de bedrieger bedrogen; Once bit(ten) twice shy = een ezel stoot zich geen tweemaal aan den zelfden steen; Dead dogs don’t bite = doode honden bijten niet; To bite the dust = in het stof bijten; He bit his lip = beet op; To bite one’s nails = nagelbijten; He bit the thumb at me (ten teeken van verachting of uitdaging): Biter: He is no biter = hij bijt niet; Biting = bijtend, sarcastisch; Bitten = gebeten, geëtst (= Bitten in): Frost-bitten = bevroren; Hunger-bitten = verhongerd; To be bitten with = verliefd op.

Bithynia, bithinjə, Bithynië.

Bitt, bit, subst. beting; Bitt verb. om de beting leggen (scheepstermen).

Bitten, bit’n, Zie Bite.

Bitter, bitə, bitter, scherp, pijnlijk, smartelijk; subst. bitter; slag om de beting; Bitters = bitter, maagbitter, bitter bier; tegenspoeden; Bitter verb. bitter maken: To the bitter end = tot het (droeve) einde; Bitter-almond, Bitter-apple (Bitter-gourd) = kolokwint; Bitter-sweet = bitterzoet; soort appel; The bitter and the sweet of independence = lief en leed; Bitter-wort = gentiaanwortel: Bitterish = eenigszins bitter; Bitterness = bitterheid.

Bittern, bitən, roerdomp; moederloog.

Bitumen, bitjûm’n, bitjum’n, aardhars, aardpek; Bituminize = bitumineeren; Bituminous, aardpekachtig (aardpekhoudend).

Bivalve, baivalv, met twee schelpen of kleppen; subst. mossel met twee schelpen, vrucht met twee kleppen; Bivalvous, baivalvəs, Bivalvular, baivalvjulə, tweekleppig, etc.

Bivouac, bivwak, bivuak, subst. biv(ou)ak; Bivouac verb. bivakkeeren.

Biweekly, baiwîkli, baiwîkli, subst. en adj. veertiendaagsch (tijdschrift); adv. om de 14 dagen.

Biz, biz, verkorting voor Business.

Bizarre, bizâ, bizar.

Blab, blab, er uit flappen, wauwelen, verklikken; subst. snapper, wauwelaar, klikker = Blabber.

Black, blak, zwart, donker, duister, grimmig, somber, treurig, ellendig, snood; subst. zwarte kleur, zwartsel, rouwkleeding, zwarte vlek, roos (bij het boogschieten), neger, zwartrok, roetdeeltje, scheldnaam, brand (in ’t koren); Black verb. zwart maken, bevuilen, bezoedelen: Black as your hat, Black as a gipsy’s eyes, Black as ink, Black as a nigger-meeting; Black as November, Black as sables, Black as thunder; Lampblack = lampzwart; To be in a black temper = zoo nijdig als een spin; In black and white = zwart op wit = (To give) black on (and) white; To be in (put into) black = in het zwart (rouw) zijn (steken); To beat black and blue = bont en blauw; To look black = boos, nijdig; To be black with people = zwart van menschen; He is not fit to black your boots = uwe schoenriemen te ontbinden; Blackamoor, blakəmûə, neger; Black art = zwarte kunst; Blackball, subst. zwarte bal (bij ’t stemmen); brand (in tarwe), zwartsel, schoensmeer; Blackball verb. tegenstemmen, uitsluiten; Black-band = soort van ijzersteen; rouwband; Black beer = Dantzigsch bier; Blackbeetle = kakkerlak; Blackberry = braambes: As plentiful as blackberries = zeer overvloedig; Blackbird = subst. meerle, gevangen neger; Blackbird verb. negers vangen voor den slavenhandel; Blackboard = schoolbord; Blackboding = onheilspellend; Blackbook = rapport (onder Hendrik VIII) over de toenmalige kloosters; tooverboek; het zwarte boek, conduitelijst, lijst v. dubieuse debiteuren: I am in his black books = sta ongunstig bij hem aangeschreven; Black-browed = dreigend, norsch (fig.); Black-cap = zwarte muts door rechters bij het uitspreken van een doodvonnis opgezet; zwartkop koolmees, kapmeeuw; breedbladige lischdodde, zwarte framboos; Black cattle = zwart rundvee (Schotl.); Black-coat = zwartrok; Black-cock = korhaan; Black Country = de kolendistricten van Stafsh. en Warwsh.; Black-currant = zwarte aalbes; Black death = pest; To have a black dog (monkey) on one’s back = To ride the black donkey = slecht gemutst zijn; Black drop = laudanum droppel; Black earth = teelaarde; Black-edged note-paper = met rouwrand; Black-faced = somber, donker; Black-fellow = Australische neger; Blackfoot = huwelijksbemiddelaar (Schotl.); N.A. Ind. stam; Black Forest = Zwarte Woud; Black-friar = Dominikaner; Blackguard, blagəd, subst. ploert, deugniet; adj. laag, gemeen; (ook: Blackguardly); Blackguard verb. op gemeene wijze beschimpen, gemeene taal van of tegen iemand gebruiken; Blackguardism = gemeen optreden; Black-hole, subst. cachot, hondegat; Black-hole verb. in het cachot zetten; Blacking = schoensmeer; Black-lead, subst. potlood; Black-lead verb. potlooden; Black-leg = klauwzeer, vlekkoorts; oplichter, bedrieger; onderkruiper: They actually black-leg them by cutting (het drukken der) prices; Black-letter = oud Gothische letter; Black-list = officieele lijst van bankroetiers of misdadigers; verb. op die lijst plaatsen; Black-mail = geldafpersing, brandschatting: To levy black-mail = geldafpersen, brandschatten; Black-mail verb. afpersen; Black Maria = dievenwagen; Blackmartin = muurzwaluw; Black Monday = ongeluksdag, Paaschmaandag 1360; de eerste Maandag na de vacantie; Blackmonks = Benediktijner monniken; Black-mouthed = lasterend; Black night = (iron.) zwarte-rokkenavond; bijeenkomst voor heeren alleen; Black pudding = beuling; Black Rod = soort ceremoniemeester en intendant van het Hoogerhuis; Black Sea = Zwarte Zee; Black-sheep = schurftig schaap, deugniet; onderkruiper; Blacksmith = grofsmid; Black-thorn, sleedoorn; Black Watch = het 42e regiment Hooglanders; Blackwood = pokhout, rozenhout; Black-work = grof smidswerk; Blacken, blak’n = zwart maken of worden, bezoedelen, besmetten; Blackey = zwartje.

Bladder, bladə, blaas, buil, blaar; windzak; Bladdered = opgeblazen; Bladdery = met blaren.

Blade, bleid, subst. grasspriet, halm, blad, schep, plat gedeelte, lemmet, kling, zwaard, degen, vent, kerel; Blade verb. van een lemmet voorzien, opsnijden, zwetsen; Blade-bone = schouderblad; Blade-smith = zwaardveger.

Blain, blein, blaar, zweer; keeldroes.

Blamable, bleiməb’l = Blameable; Blame, bleim, berispen, laken; subst. berisping: You are to blame = het is uw schuld; To lay the blame on = ten laste leggen; No blame attaches to you = gij hebt geen schuld; Blameable, berispelijk; subst. Blameableness; Blameful = berispelijk; subst. Blamefulness; Blameless = onschuldig; subst. Blamelessness; Blameworthy = berispelijk; subst. Blameworthiness.

Blancard, blaŋkəd, soort van Normandisch linnen.

Blanch, blânš, bleeken, laten trekken, vertinnen, (doen) verbleeken, verzachten (over); Blanch subst. witte vlek, stuk erts: To Blanch almonds = schillen; Blanch fever = bleekzucht; Blanching-liquor = bleekwater.

Blanch(e), blânš, Bianca.

Blanc-mange(r), bləmonž, blanc manger.

Bland, bland, zacht, vriendelijk, minzaam; subst. Blandness.

Blandiloquence, blandiləkw’ns = vleitaal; Blandiloquent = vleiend.

Blandish, blandiš, vleien, streelen; Blandishment = vleitaal; liefkoozing.

Blank, blaŋk, blanco, niet ingevuld, wit, blind, ledig, los, vruchteloos, volkomen, zuiver, rijmloos, mistroostig, verbluft, beschaamd; subst. blanco papier, leemte, niet, pauze, (doel)wit, muntplaatje; Blank verb. verlegen maken, verijdelen, aan ’t gezicht onttrekken, een euphem. uitdrukking voor damn: The voting-paper was blank; I tell you so point-blank = in je gezicht; A lottery ticket that has drawn a blank = met een niet is uitgekomen (Verg.: To prove blanks = met een niet uitkomen); He looked blank = zag er beteuterd uit; Blank cartridge = losse patroon; Blank door = blinde deur; Blank practice = oefeningen met losse patronen; Blank shots = schoten met los kruit; Blank verse = niet rijmende verzen; Blank him! = Damn him! What the blankety blank do you want to know for? = waarom voor den drommel? Blankness = witheid, enz.

Blanket, blaŋkət, subst. deken; Blanket verb. jonassen; de loef afsteken: To get between the blankets = onder de dekens kruipen; To put a wet blanket on (To throw a wet blanket over) = koud water gieten op (fig.); Born on the wrong side of the blanket = onwettig; Blanketing = stof voor (wollen) dekens.

Blare, blêə, subst. geloei, gebrul; verb. loeien, brullen: Blare of trumpets = trompetgeschal.

Blarney, blâni, subst. grove vleitaal, geschetter; verb. vleien, bepraten, bedotten: With your gift of blarney = talent om te vleien; To put the blarney over a person = inpakken door vleierij; Try the three B’s: B(larney), B(lather) and B(unkum); He has kissed the blarney-stone = hij kan goed vleien en liegen.

Blaspheme, blasfîm, godslasterlijke taal spreken, spotten; Blasphemer; Blasphemous, godslasterlijk; Blasphemy, blasfimi, godlasterlijke taal.