Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 113

Chapter 1133,156 wordsPublic domain

Scutellate(d), skjûtəlit (skjûtəleitid), met schildjes of schoteltjes; Scutelliform = schildvormig = Scutiform.

Scutter, skɐtə, snel wegloopen.

Scuttle, skɐt’l, subst. breede ondiepe mand, kolenbak, luik; vlugge tred, hardloop; Scuttle verb. vlug loopen, rennen; gaten boren in bodem of zijde van een schip om het te doen zinken; Scuttle-butt, Scuttle-cask = watervat (op schepen); Scuttle-fish = inktvisch.

Scutum, skjût’m, schild der zwaar bewapende Romeinsche soldaten; schildvormig plaatje.

Scylla, silə: Between Scylla and Charybdis.

Scythe, saidh, zeis.

Scythia, sithiə, Scythië, de Krim; Scythian, subst. en adj. (bewoner) van Scythië of de Krim.

’Sdeath, sdeth, sapperloot.

’Sdainful, sdeinf’l, verachtelijk.

Sea, sî, subst. zee, oceaan, golf, baar, branding, deining, richting der golven, groote hoeveelheid: Chopping, Cross sea = holle zee; Pitch sea = stamp-zee; You are at sea = op zee; glad mis, in de war; Ships out at sea = in volle zee; Between the devil and the deep sea = tusschen Scylla en Charybdis; The pockets in my pocket-book are full of sea = vol zeewater; He was half seas over = “sikker”; On the high seas = in volle zee; Oversea settlers; The sea was rolling and tossing = de zee stond zeer hol; Calling of the sea = gonzend geluid, dat van de kust uitgaat, en soms verscheidene mijlen landwaarts in gehoord wordt; These fishing-smacks can bow the sea = goed zee bouwen; To go to sea, To follow the sea = matroos worden, zijn; To go by sea = over zee; When do they put to sea = steken ze in zee; Sea-acorn = zeepok; Sea-air = zeelucht; Sea-anemone = zeeanemoon; Sea-bank = zeekust, dijk; Sea-bar = zeezwaluw; Sea-bathing place; Sea-battle: Sea-beat(en) = door de golven gebeukt; Sea-board, subst. aan zee grenzend land, zeekust; adj. aan zee grenzend; Sea-boat = zeeschip; Sea-borne = overzeesch; Sea-bottom; Sea-boy = scheepsjongen; Sea-breach = doorbraak; Sea-breeze = zeewind; Sea-calf = zeehond, zeekalf; Sea-captain = scheepskapitein; Sea-change = verandering door de zee teweeggebracht: The great gift of Thackeray has suffered a sea-change in a voice which knows few satirical tones = Th.’s groot talent heeft in dezen (Amerikaanschen) schrijver eene groote door de zee bewerkte verandering ondergaan in eene stem die weinig satirieks heeft; Sea-chart; Sea-chest = zeemanskist; Sea-chestnut = zeeappel; Sea-coal = steenkool; Sea-coast = zeekust; Sea-cook = scheepskok: Son of a sea-cook = schooier; Sea-cow = zeekoe; Sea-crow (Sea-cormorant, Sea-drake) = aalscholver; Sea-dog = rob, waterrat (fig.); Sea-egg = zeeappel; Sea-elephant = zeeolifant; Seafarer = zeeman; Sea-faring man = varensgezel; Sea-fight = zeegevecht; Sea-fish = zeevisch; Sea-fowl = zeevogel; Sea-fox = zeevos; Sea-ga(u)ge = diepgang, toestel om peilingen te doen; Sea-girt = door de zee omringd; Sea-god = zeegod; Sea-going = zee...; ter zee varend; Sea-green = zeegroen(e kleur); Sea-hog = bruinvisch; Sea-holly = zeedistel; Sea-horse = zeepaardje, walrus, fabelachtig dier (half paard en half visch); Sea-island cotton = katoen van de kusten van Georgia, Z. Carolina en Florida; Sea-kale = zeekraal; Sea-king = viking; Sea-legs: I have got my sea-legs now = ik kan me nu vrijelijk op het dek bewegen; Sea-leopard, zeehond uit de Zuidzee; Sea-letter = zeebrief (in oorlogstijd aan ieder onzijdig schip uitgereikt); Sea-level = niveau; Sea-line = kim; lange vischlijn; Seaman = zeeman, matroos; Seamanlike = als een zeeman; Seamanship; Sea-mark = baken; Sea-mew = zeemeeuw; Sea-needle = geep; Sea-pad = zeester; Sea-pass = Sea-letter; Sea-pie = gerecht van groente en vleesch met een korst gebakken; Sea-piece, (Seascape) = zeegezicht, zeestuk (schilderij); Sea-pike = geep; Seaport = zeehaven, zeestad; Sea-purse = lederachtig omhulsel waarin haaien hunne eieren leggen; Sea-risk = zeegevaar; Sea-robber = zeeroover; Sea-room: To get Sea-room = het ruime sop bereiken; Sea-rover = zeeschuimer, kaperschip; Sea-serpent = zeeslang; Sea-shell = zeeschelp; Sea-shore = zeekust; Sea-sick = zeeziek; Sea-sickness = zeeziekte; Seaside = zee, zeekant: We are going to the seaside this summer = gaan naar eene (zee)badplaats; Sea-stores = (magazijn van) scheepsbehoeften; Sea-tang = soort van zeewier; Sea-term = matrozen- of zeemansuitdrukking; Sea-tossed = door de zee geslingerd; Sea-unicorn = narwal; Sea-urchin = zeeappel; Sea-view; Sea-voyage; Seaward = zeewaarts(ch); Seaway = zeeweg; Sea-weed = zeegras, wier; Sea-wind; Sea-wing = hamdoublet; Sea-wolf = zeewolf, viking; Sea-worthiness = zeewaardigheid van een schip; Sea-worthy = zeewaardig.

Seal, sîl, subst. rob, zeehond; zegel, lak, bezegeling, bevestiging, verzekering; Seal verb. zegelen, bezegelen, stempelen, bevestigen, sluiten, zijn zegel hechten aan: The great seal = ’s rijks zegel; Lord Keeper of the great seal = grootzegelbewaarder; Writs were issued under the great seal = met ’s rijks zegel; To affix (put, set) one’s seal to = zijn zegel hechten aan; A sealed book = een boek met 7 zegelen (fig.); To seal a letter = lakken; Seal-engraver = stempelsnijder; Seal-ring = zegelring; Seal skin = robbevel; Sealer = robbenvisscher (persoon en vaartuig); Sealer of weights and measures = ijker (Amer.); Sealery = robbenvangst, plaats daarvoor; Sealing = zegel - -; robbe - -; Seal-vessel = schip voor robbenvangst; Seal-wax = zegellak.

Seam, sîm, subst. zoom, naad; litteeken, laagje, maat van 8 bushels (290,8 L.); Seam verb. zoomen; met litteekens bedekken; Seamless = zonder zoom of naad; Seamy = met naden of zoomen: You see only the seamy side of things = slechts van den ongunstigen kant; Everything has its fair as well as its seamy side = je kunt de dingen van twee kanten beschouwen; He wore his coat the seamy side without = het binnenste buiten.

Seamstress, semstrəs, naaister.

Seance, Fr. uitspr. séance (vooral spiritistisch).

Sear, sîə, adj. droog, dor; subst. dorheid; Sear verb. schroeien, branden, ongevoelig maken: In the sear of the leaf = in den herfst; The wound was seared up = dichtgeschroeid; Seared = verdroogd, dor, verhard, ongevoelig.

Search, sɐ̂tš, subst. het zoeken, onderzoek; Search verb. onderzoeken, nasporen, sondeeren, visiteeren, fouilleeren, bestrijken (mil.), doordringen (v. koude): To go in search of (To make search after (for)) = zoeken, navorschen; To institute a strict search into = een nauwkeurig onderzoek instellen naar; The right of search = het recht aan bevelhebbers gegeven om schepen en scheepspapieren van andere naties in oorlogstijd te onderzoeken; In search of = zoekende naar; The truth was searched out at length = werd uitgevorscht; Search-light = (electrisch) zoeklicht; Search-warrant = machtiging tot huiszoeking; Searcher = onderzoeker, visiteur, sonde, boterboor; Searching, subst. nauwkeurig onderzoek; adj. onderzoekend, nauwkeurig, scherp: There were searchings of heart over that religious question = die godsdienstvraag leidde hen er toe tot zichzelven in te keeren; He gave me a searching look = zag mij doordringend aan; Searching smell = doordringend, scherp; A searching March-wind = een snerpende Maartsche wind; Searchingness = doordringendheid.

Season, sîz’n, subst. seizoen, geschikte tijd, tijdperk, jaargetijde; Season verb. geschikt maken, gewennen, rijp maken of worden, kruiden, smakelijk maken, uitdrogen (van hout): Oranges were not in season = ’t was niet de tijd voor; He came in season = hij kwam van pas; Your remark is out of season = niet op hare plaats; The dead, dull, silly season = komkommertijd; The London season = de tijd van Maart-Augustus (in Londen, wanneer het parlement zijne zittingen houdt); The compliments of the season = gelukwensch met kerstmis en nieuwjaar; The height of the season = de tijd dat de “season” in vollen gang is; Season-ticket = maand- of abonnementskaart; Season(-ticket) holder = houder van eene maand- of abonnementskaart; The meat is not well seasoned = niet goed gekruid; He is seasoned to it = er tegen gehard; He seasoned his speech with pleasant anecdotes = kruidde; Seasonable = geschikt, gepast, gelegen: It is seasonable weather for Christmas = net weer voor; Seasoner; Seasoning = toebereiding, kruiderij.

Seat, sît, subst. zetel, stoel, bank, zitting, zitplaats, landhuis, lustslot, tooneel; Seat verb. zetten, plaatsen, inwijden, vaststellen: A city is or has been the seat of a bishop; The seat of war was transferred to Bohemia = het tooneel van den oorlog; Keep your seat = blijf zitten; He resumed his seat = ging weer zitten; Take a seat = ga zitten; He wanted to vacate his seat = zijn ambt neer te leggen; Pray be seated, Will you not be seated? = wil u niet gaan zitten; Seating = stof voor zittingen (van stoelen, enz.).

Sebaceous, sibeišəs: Sebaceous gland = vetklier.

Sebastian, sibastj’n.

Secale, sikeilî, rogge: Secale cornutum = moederkoren.

Secant, sîk’nt, subst. snijlijn; adj. snijdend, verdeelend.

Secede, sisîd, zich afscheiden of terugtrekken: He seceded from the royal party; Seceder = afvallige, afgescheidene.

Secern, sisɐ̂n, scheiden, afscheiden; Secernent, subst. en adj. afscheidingsorgaan, afscheiding bevorderend (middel).

Secession, siseš’n, afscheiding: The war of secession = de burgeroorlog in Amerika (1861–65); Secessionist = afgescheidene; iemand die het in den burgeroorlog met de Zuidelijke staten hield (Amer.); deze wordt ook kortweg Secesh, siseš, genoemd: The Secession Bauers = de Boeren, die niet Krügers regeering steunden.

Seclude, siklûd, afsluiten, buitensluiten, afzonderen; Secluded = afgezonderd: He leads a secluded life = leeft zeer afgezonderd en eenzelvig; Seclusion, siklûž’n, afzondering, uitsluiting: To live in seclusion; Seclusive, siklûsiv, afzonderend, uitsluitend.

Second, sek’nd, subst. tweede, secondant, helper, seconde, secundawissel; adj. tweede, tweede (inferieure) kwaliteit, volgende op, ondergeschikt, ander; Second verb. steunen, helpen, laten volgen: I can play a second on the piano = accompagneeren; Second in command = onderbevelhebber; I am second to none in love of country = doe voor niemand onder; He got his second breath (wind) = kwam weer op adem; Every second day = om den anderen dag; To play second fiddle = de tweede viool spelen; On second thoughts = bij nader inzien; Second youngest = op een na de jongste; The motion was seconded = werd gesteund; He came off second-best = was op één na de beste, trok aan ’t kortste eind; Second-cousin = achterneef (-nicht); Second-hand = uit de tweede hand, voor oud: A second-hand bookseller = tweedehandsboekhandelaar; Second-hand witness = getuige, die wat hij meedeelt, slechts van hooren zeggen heeft; Second-mourning = lichte rouw; Second-rate = van den tweeden rang: A second-rate actor = acteur van den 2en rang; Second-sight = vermogen om profetische visioenen te zien; Secondary, subst. afgevaardigde, gedelegeerde; adj. ondergeschikt, niet oorspronkelijk, ontleend, bijkomend: Secondary circumstances = bij-omstandigheden; Secondary colours = secundaire kleuren; Secondary tints = zachte, grijze tinten; Seconder = steuner, bevestiger.

Secrecy, sîkrisi, geheimhouding, eenzaamheid, omzichtigheid: In secrecy = in ’t geheim, stilletjes; I bound them over to secrecy, enjoined secrecy on them = legde hun geheimhouding op; I trusted to (relied on) your secrecy = vertrouwde (rekende) op uwe geheimhouding: Secret, sîkrət, subst. geheim, stil gebed (bij de mis); adj. geheim, verborgen, stil, vertrouwelijk: The great secret = het hiernamaals; Official secret = ambtsgeheim; It was an open secret = publiek geheim; In secret = stilletjes; Can you keep a secret? Then keep this (a) secret = een geheim bewaren? Houd dit dan geheim; I would not let him into this secret = ik wou hem niet in dit geheim inwijden; To let out a secret = verklappen; subst. Secretness.

Secretariat(e), sekrətêriat, secretariaat; Secretary, sekrətəri, secretaris, minister, secretaire, secretarisvogel: The Home, Colonial, Foreign secretary = de Minister van Binnenl. Zaken, van Koloniën, van Buitenl. Zaken; The Secretary of War = Minister van Oorlog; Private secretary = particulier secretaris; Secretary of an embassy (legation) = gezantschapssecretaris; Secretaryship.

Secrete, sikrît, verbergen, verhelen, afzonderen, afscheiden (uit het bloed, enz.); Secretion, sikrîš’n, afscheiding; Secretive = afscheiding bevorderend; geheim, heimelijk; subst. Secretiveness; Secretory of Secretory = afscheidend.

Sect, sekt, sekte; Sectarian, sektêriən, subst. afgescheidene; ook adj.: Sectarian school = confessioneele school; Sectarianism = sektegeest; Sectarianize = van sektegeest doortrekken; Sectary = aanhanger eener sekte.

Sectile, sektil, splijtbaar.

Section, sekš’n, snijding, doorsnede, sectie (med.), afdeeling, paragraaf, stuk (staats)land van 640 acres (Amer.); Section verb. in secties verdeelen: Longitudinal section = overlangsche doorsnede; Transverse section = dwarse doorsnede; Sectional = tot eene section behoorende, uit sections bestaande; Sectionalism = particularisme; Sector = sector; Sectorial, sektôriəl, subst. snijtand; adj. snijdend.

Secular, sekjulə, subst. wereldlijk priester; adj. wereldlijk, honderdjarig, wat men slechts na groote tijdsruimten kan waarnemen, seculair: Secular clergy = seculieren; Secularism = naam van een ethisch stelsel op de natuurlijke zedeleer gegrond; Secularist, subst. aanhanger van Secularism; adj. tot Secularism behoorende; Secularity, sekjulariti, wereldsgezindheid; Secularization = secularisatie; Secularize = seculariseeren.

Secundine, sekəndain, nageboorte.

Secure, sikjûə, adj. veilig, vertrouwend op, zeker, verzekerd; Secure verb. beveiligen, vastmeeren (van schepen), verzekeren, beschermen, beperken, zich verzekeren van, pakken, opsluiten: The name of a great man is already secure to him = hem al gewaarborgd; I have secured two seats in the stalls = twee plaatsen genomen; In this way you will be secured against such mistakes = zult gij u hoeden of bewaren voor; Amply secured = voldoende gewaarborgd; Security = veiligheid, verzekerdheid, pand, borg(tocht), waarborg, obligatie: Government securities = staatspapieren; Security is mankind’s greatest enemy = het zich veilig weten of wanen met daaruit voortspruitende zorgeloosheid is ’s menschen grootste vijand.

Securiform, sikjûriföm, bijlvormig.

Sedan, sidan, draagstoel = Sedan-chair.

Sedate, sideit, kalm, rustig, bezadigd; subst. Sedateness.

Sedative, sedətiv, subst. en adj. pijnstillend of kalmeerend (middel).

Sedentariness, sed’ntərinəs, subst. v. Sedentary, sed’ntəri, zittend: Mine is a sedentary life = ik heb een zittend leven.

Sederunt, sidîr’nt, zitting van een hof; uitdrukking om aan te wijzen wie ter zitting waren.

Sedge, sedž, zegge, rietgras.

Sedgemoor, sedžmûə; Sedgwick, sedžwik.

Sedgy, sedži, met sedge begroeid.

Sedilia, sidailjə, officieele zitplaats van den celebreerenden priester aan de rechterzijde van het altaar = Sedile, sədaili.

Sediment, sediment, bezinksel, neerslag, ketelsteen; Sedimentary = sedimentəri, sedimentair: Sedimentary rocks.

Sedition, sidiš’n, opstand; Seditious, sidižəs, oproerig, muitziek; subst. Seditiousness.

Seduce, sidjûs, verleiden, verlokken; subst. Seducement; Seducer = verleider, lokmiddel; Seducible = verleidbaar; Seduction, sidɐkš’n, verleiding; Seductive = verleidend, verleidelijk, verlokkend; Seductress = verleidster.

Sedulity, sidjûliti, naarstigheid; adj. Sedulous, sedjulɐs; subst. Sedulousness.

See, sî, subst. rechtsgebied of waardigheid van een (aarts)bisschop: Apostolic (Holy, Papal) See = de Heilige Stoel.

See, sî, zien, aanschouwen, ondervinden, bezoeken, spreken, omgaan met, geleiden, zorgen voor, oppassen, inzien, doorzien: That’s the truth, see! = snap je; Don’t you see = zie je wel? I See = jawel; He came to see my daughter (Amer.) = maakte het hof; See that everything is in order = zorg dat alles in orde is; I’ll see you paid = zorgen, dat je je geld krijgt; We don’t see much company, much of him = ontvangen weinig bezoek, zien hem niet vaak; Will you see him to bed? = te bed brengen; To see to the door = uitlaten; He saw me downstairs = ging met mij de trap af en liet mij uit; I have seen quite enough of him = ik ben hem moe; He wanted to see all fair = dat alles in den haak was; I’ll see you home, (to the station) = u thuis, naar het station brengen; I will see you somewhere first = vóór dit gebeurt mag jij naar den duivel loopen; I will see about it = er voor zorgen, het overwegen; To see after = zorgen voor, toezien op; I see into your plans = ik doorzie uwe plannen; I will see you off = naar trein of boot brengen; He soon saw round their plans = doorzag, begreep geheel; I will see you through = er doorhelpen; Will you see to it? = er voor zorgen; I will see to your dinner = zorgen dat je wat te eten krijgt; Let me go and see = eens gaan kijken; Seeing, subst. gezichtsvermogen; conj. aangezien, voor zoover; Seer, sîə, ziener, profeet; Seeress = profetes.

Seed, sîd, subst. zaad, nakomelingschap, afstamming; Seed verb. zaaien, zaad schieten: The few seed = de weinige zaadjes; The seed of David = Davids nageslacht; The flowers have run to seed = hebben zaad geschoten; The business has run to seed = is verloopen, achteruitgegaan; To sow the seeds of discord; Seed-basket = zaaikorf; A seed-bed of crime = broeinest van misdaad; Seed-bud = zaadknopje; Seed-cake = kruiderig gebak, kruidkoek; Seed-coat = zaadbolster, zaadomhulsel; Seed-corn, Seed-grain = zaaikoren; Seed-leaf, Seed-lobe = zaadvlies, zaadlob; Seed-pearl = stofpareltje; Seed-plat, Seed-plot = kweekerij, zaaibed; Seed-seller, Seedsman = zaadhandelaar; Seed-time = zaaitijd; Seed-trade; Seeded = zaaddragend, bezaaid; Seedling, subst. zaaiplant; adj. uit zaad ontsproten; Seediness, subst. v. Seedy = vol zaad, kruiderig; kaal, schabbig; “katterig”.

Seek, sîk, verb. zoeken, doorzoeken, begeeren, zijne toevlucht nemen tot, pogen, etc.: In his knowledge of men and things he is sadly to seek = is hij al bitter slecht op de hoogte; A man so much to seek is ill qualified for that post = iemand die zóó slecht op de hoogte is; To seek every possible means = beproeven; You must seek after truth = naar waarheid streven; I have sought for it = ik heb er om gezocht; To seek a lady in marriage = dingen naar de hand van; Seeker = (onder)zoeker.

Seem, sîm, schijnen, lijken, doorgaan voor: I seemed to see him = ik meende, dat; Things are not what they seem = de schijn bedriegt; It would seem that he has been slandered = het schijnt wel; It seems to me that you are right = het schijnt mij toe; Seeming, subst. schijn, voorkomen; adj. schijnbaar, oogenschijnlijk; He is seemingly virtuous = in schijn; subst. Seemingness, Seemliness = fatsoen, aangenaam voorkomen; Seemly = betamelijk, geschikt, gepast: It is not seemly for you to be present = het past u niet.

Seen, sîn, p. part. van to see.

See-saw, sîsô, subst. wip(plank), wippen, schommelen; adj. op en neer (heen en weer) gaand; See-saw verb. op en neer (heen en weer) gaan, wippen: Life is a see-saw between gravity and jest = beweegt zich tusschen; To have a game (To play) at see-saw = wippen.

Seethe, sîdh, koken, zieden; Seether = kookketel.

Seg(g), seg, os.

Segment, segm’nt, subst. segment; Segment verb. in s. verdeelen: Segment of a circle (sphere); Segmental, segment’l, segməntəl, segment....; Segmentation = verdeeling (verdeeld zijn) in segmenten.

Segregate, segrigit, adj. afgescheiden, afgezonderd, uitgelezen; Segregate verb. segrigeit, afzonderen, afscheiden; subst. Segregation, segrigeiš’n.

Seid, sîd, sei-id, sî-id; Seidlitz, sedlits: Seidlitz powder = bruispoeder; Seidlitz water.

Seignior, sînjə, subst. heer: Grand seignior = grootwaardigheidsbekleeder, de sultan van Turkije; Seigniorage, sînjəridž, regaal, muntloon, winstaandeel van uitvinder of schrijver; Seigniorial, sinjôriəl, heeren - -.

Seine, sein.

Seine, sîn, zegen (vischnet); Seiner.

Seize, sîz, grijpen, vatten, confisqueeren, beslag leggen op, in ’t bezit stellen, aantasten, bevangen: I will seize the very first opportunity = de eerste de beste gelegenheid aangrijpen; We were landowners now duly seized and possessed = behoorlijk in genot en bezit van land gesteld = We had been duly seized of our property; To be seized with a cramp = kramp krijgen; Seizer; Seizin, sîzin, bezit, inbezitneming; Seizor = beslaglegger.

Seizure, sîžə, inbezitneming, beslaglegging, arrestatie, plotselinge aanval (van eene ziekte, b.v.), overrompeling: I told her the cause of her father’s seizure = haar vaders aanval van beroerte; To take seizure of = in bezit nemen.

Sej(e)ant, sîdž’nt, zittend met recht vooruitstekende voorpooten (Herald.).

Seldom, seld’m, zelden: Seldom or never = zelden of nooit; Seldom if ever = zoo ooit.

Select, silekt, adj. uitgelezen, keurig; Select verb. uitkiezen: The company is small but select = klein maar rein; Select committee = speciale parlementaire commissie; Select writers = uitgelezen schrijvers; Select-man = jaarlijks gekozen ambtenaar om de belangen der stad en de naleving der wetten te bevorderen (Amer.); Selection, silekš’n, keuze, keur: He formed a choice selection of pictures = eene keurige verzameling; Natural selection = natuurlijke teeltkeus; Selective, silektiv, nauwkeurig uitkiezend; Selectness, silektnəs, uitgelezenheid; Selector, silektə, uitkiezer.

Selene, səlîni, Selene, de maan.

Self, self, subst. en pron. persoon, ik(heid), bloem of bloesem van uniforme kleur: I am not myself = mezelf niet; Scrooge saw his former self = zijn vroeger ik; He is my other self = mijn tweede ik; He leads a life for self = is een egoist; The thing speaks for itself = is duidelijk genoeg; The love of self is innate to man = de eigenliefde is den mensch aangeboren; He did it of himself = uit eigen vrijen wil; Self do, self have = niets gaat boven den man zelf; Self-abasement = zelfverlaging, zelfvernedering; Self-absorption = het opgaan in zichzelf; Self-abuse = misbruik van eigen vermogens, zelfbevlekking; Self-acting = zelfwerkend; Self-annihilation = zelfvernietiging; Self-assertive = aanmatigend; subst. Self-assertion; Self-command = zelfbeheersching; Self-communing = te rade gaan met zichzelf; Self-complacency = zelfingenomenheid; Self-conceit = ingebeeldheid; Self-conceited = ingebeeld; Self-confidence = zelfvertrouwen; Self-conscious = zelfbewust; Self-consumer = haard met rookverbranding; Self-contained = eenzelvig, zichzelf meester, afgesloten: Self-contained flats = bovenhuizen met aparten opgang; Self-control = zelfbeheersching; Self-denial = zelfverloochening; Self-destruction = zelfmoord; Self-effacing = zichzelf wegcijferend; Self-esteem = achting voor zichzelf; Self-evident = klaarblijkelijk, zoo klaar als de dag; Self-existence = zelfstandig bestaan; Self-feeder = zich zelf voedende (regelende) machine; Self-fertilization = zelfbevruchting; Self-glorification = zelfverheerlijking; Selfgovernment = zelfregeering, eigenbestuur; Self-importance = eigendunk; Self-interest = eigenbelang; Self-love = eigenliefde; Self-made = door zichzelf gebracht waar men is, door eigen inspanning geslaagd; Self-moved = automatisch; Self-possessed = kalm, bedaard; To regain one’s self-possession = zelf beheersching; Self-registering; Self-reliance = zelfvertrouwen; Self-reproach = zelfverwijt; adj. en subst; Self-reproving; Self-respect; Self-righteous = eigengerechtigd; subst. Self-righteousness; Selfsame = precies dezelfde; Self-seeker = egoïst; Self-seeking = zelfzuchtig; Self-sufficiency = zelfgenoegzaamheid, eigenwaan; adj. Self-sufficient; Self-supporting = in eigen behoeften voorziend; Self-trust = zelfvertrouwen; Self-will = eigenzinnigheid, koppigheid; Self-willed = koppig, zelfstandig, onafhankelijk; Selfish = zelfzuchtig; subst. Selfishness.