Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 46

Chapter 463,085 wordsPublic domain

First, fɐ̂st, eerste, voornaamste: This was the first I had heard of it = de eerste maal dat; To be first with a person = iemand vóór zijn; First come first served = die ’t eerst komt, die ’t eerst maalt; First and foremost = in de allereerste plaats; First and last = gemiddeld, alles bijeengenomen; First or last = vroeg of laat, te eeniger tijd; At (the) first = in den beginne, oorspronkelijk; He had resolved it from the first = van den aanvang af; First-begot(ten), First-born = eerstgeboren(e); First-call = ochtendbeurs; First-chop = eerste kwaliteit; First-class = eerste klasse, uitstekend: He got a first-class = den hoogsten graad (bij examens); Firstcomer = de eerste (de beste); First-cost = inkoopsprijs; First-day = naam voor den Zondag bij de Quakers; First-floor = tweede verdieping (Engeland), eerste verdieping (Am.); First-foot = eerste bezoeker in ’t Nieuwe jaar (Schot.); First-fruits = eerstelingen, eerste vruchten, annaten of jaarrechtgelden (= opbrengsten van een geestelijk ambt gedurende het eerste jaar; vroeger aan den Paus, thans aan de fondsen van het Queen Anne’s Bounty overgedragen); First-hand = stuurman op een visschersvaartuig; eerste hand: To buy (at) first; First-mate = eerste stuurman; First-mover = oorspronkelijke beweegkracht; First-nighter = première, iemand die zulke opvoeringen geregeld bijwoont; First-proof = eerste proef (drukw. en alcohol); First-rate = A. 1. = (schip) van de eerste klasse, eerste rang: He is a first-rate second-rate actor = hij is een uitstekend acteur van den tweeden rang; First-water = (van het) eerste water; Firstling, fɐ̂stliŋ, eerstgeborene.

Firth, fɐ̂th, Zie Frith.

Fiscal, fisk’l, adj. fiskaal; subst. fiskaal; ambtenaar van het O.M. (Schot.).

Fish, fiš, subst. visch, fiche, lasch; Fish verb. visschen, afvisschen, opvisschen, uitvisschen: He’s like a fish out of water = niet in zijn element; I have other fish to fry = ik heb wel wat anders (en beters) te doen; All is fish that comes to net = wij kunnen van alles gebruiken; That is a pretty kettle of fish = dat’s een mooie boel! (ironisch); A loose fish = pierewaaier; A strange fish = rare snaak; Fish-bladder = vischblaas; Fish-bone = graat; Fish-carver = vischmes; Fish-culture = vischteelt; Fish-curer = vischzouter, etc.; Fish-fag = vischwijf; Fish-flake = zwemblaas; Fish-fly = kunstvlieg (voor het visschen); Fish-garth = hekken aan den kant van een rivier om het vangen van visch te vergemakkelijken; Fish-gig = elger; Fish-glue = vischlijm; Fish-hawk = vischarend; Fish-hook = vischhaak; Fish-market = vischmarkt; Fish-maw = zwemblaas; Fishmonger = vischkooper; Fish-oil = traan; Fishpond = vischvijver; Fish-slice = Fish-sound = zwemblaas van een visch; Fish-spear = harpoen; Fish-strainer = vischschotel; Fish-tackle = vischgerei; Fish-tail-burner = vleermuis (gasbrander); Fish-torpedo; Fish-trowel = Fish-weir = Fishgarth; Fishwife (Fishwoman) = vischvrouw; He fished for a compliment = hij vischte naar; He has fished it out = het uitgevischt; Fisher = visscher, ijsvogel, Canadeesche marter; Fisher-boat = visschersboot; Fisherman = visscher, visschersschuit; Fishery = visscherij: The fisheries = de visscherijtentoonstelling; Fishiness = vischachtigheid, verdachtheid; Fishing-boat = visschersschuit; Fishing-line = vischsnoer; Fishing-net = vischnet; Fishing-rod = hengel-roede; Fishing-smack = visscherspink; Fishing-tackle = vischtuig; Fishlike = vischachtig; Fishy = vischachtig, vischrijk, dof, ongeloofelijk, verdacht: This looks fishy = ziet er verdacht uit.

Fisk, fisk, druk zijn.

Fissile, fis(a)il, splijtbaar; Fission, fiš’n, splijting; Fissiped, fisiped, zoogdier met gespleten teenen (b.v. kat of beer); Fissure, fišə, subst. kloof, spleet, splijting, fistel; Fissure verb. splijten: Fissure needle = hechtnaald.

Fist, fist, vuist; Fist verb. met de vuist slaan, aanpakken: Close fisted = vrekkig; A fistic fight = vuistgevecht; Fisticuffs: To be at fisticuffs = Engaged in fisticuffs = aan het bakkeleien.

Fistula, fistjulə, fistel: Fistula lachrymalis = ontsteking van de traanklier; Fistular = hol (als riet); Fistulous = buisvormig; fistelachtig.

Fit, fit, aanval, stuip, gril: By fits and starts = bij buien, met tusschenpoozen; Beaten all to fits = lam geslagen; To frighten into fits = vreeselijk doen schrikken; She went into fits = kreeg het op de zenuwen, viel in onmacht; Fitful = grillig; subst. Fitfulness.

Fit, fit, geschikt, passend, bereid, bevoegd, in goede ‘conditie’; ook subst.; Fit verb. passend (geschikt, bekwaam) maken, uitrusten, monteeren, passen, zitten, gepast of passend zijn: More than is fit = ongepast veel; I am as fit as a fiddle = volkomen goed, gezond; To be fit for = geschikt; Fit for service = geschikt voor den dienst; To think fit = het geschikt achten; To be a bad fit = slecht zitten of passen; To be an exact fit = als gegoten zitten; To be a tight fit = er net in kunnen; It doesn’t fit in with my plans = strookt niet met; A fleet was fitted out = werd uitgerust; The house was fitted up = gemeubileerd, bewoonbaar gemaakt; That fits him like a glove, to a T. = het is hem als aan het lichaam gegoten, dat past precies op hem; It fits it like a plug = het past precies; Fitness = geschiktheid, enz.; Fit-out = uitrusting; Fitter = monteur, kolenkoopman, leverancier; Fitting = gepast; passen, monteering: Fitings = noodzakelijke artikelen voor huis, winkel of schip, monteerbenoodigdheden; Fitting-out = uitrusting; Fitting-up = inrichting.

Fitch, fitš = Fitchet = bunzingvel; Fitchew, fitšû, bunsing.

Fitz, fits, zoon (slechts in samenstell.); onwettige zoon van een koning of een prins van den bloede.

Five, faiv, vijf; Fivefold = vijfvoudig; Fiver = een bankbiljet van vijf pond (of dollar); alles wat voor vijf telt; Fives, faivz, een soort v. balspel, de vuist (alle vijf): Bunch of fives = de vuist; Fives-ball = bal gebruikt bij het balspel, ‘Fives’ genoemd; Fives-court = plaats, baan voor dit spel.

Fix, fiks, subst. moeielijkheid, klem; Fix verb. bevestigen, vastzetten, vastmaken, vaststellen, fixeeren, monteeren, richten, vestigen; bezorgen, in orde maken (Am.); zich vestigen, vast worden, besluiten tot, kiezen: To fix bayonets = opzetten; To fix a mast, a pole = overeind zetten; They fixed themselves there = vestigden zich daar; To fix in = in passen; We have fixed on Sunday for the meeting = wij hebben bepaald; I must try to fix it up with you = in orde te maken, bij te leggen; Fixable = bevestigbaar, enz.; Fixation = bevestiging, fixeering, enz.; Fixative = fixeermiddel; Fixed = vast, strak, niet vluchtig: Fixed bodies = vaste lichamen; Fixed oils = niet vluchtige oliën; Fixed point = vaste post (van een soldaat of politie-agent); Fixed stars = vaste sterren; subst. Fixedness; Fixings = uitrusting, versieringen, inrichtingen, tooi, kleeren; Fixity = vastheid, stabiliteit: Fixity of purpose = vastheid van doel; Fixture = vaste datum (sport), al wat spijkervast is: He is a fixture = is stoelvast, een familiestuk (fig.); The autumn fixtures = de voor den herfst vastgestelde wedrennen.

Fiz-gig, fizgig, vuurregen; elger; coquet meisje.

Fizz, fiz, subst. gesis, gezoem, gebruis; champagne; soda-water (Amer.); Fizz verb. sissen, bruisen; Fizzle, subst. gesis, gebruis, gezoem; mislukking (wat met een sisser afloopt), zakken, steken blijven; Fizz verb. sissen, zoemen, bruisen: To fizzle out = uitgaan, volkomen mislukken.

Flabbergast, flabəgast, verbazen, verbluffen.

Flabbiness, flabinəs, slapheid, weekheid, zwakheid; adj. Flabby: A flabby face.

Flabbellate, fləbelit, Flabbelliform, fləbeliföm, waaiervormig.

Flaccid, flaksid, slap, zacht; subst. Flaccidity = Flaccidness.

Flag, flag, subst. vlag, vloertegel, gele lisch; Flag verb. seinen met vlaggen; verslappen, slap neerhangen, met vloertegels bevloeren: Flag of distress = noodvlag; Flag of truce = parlementaire vlag; Black flag = vlag, dat geen kwartier zal worden gegeven; Red flag = oproervlag; To dip the flag = met de vlag salueeren; The flags were hung half mast high = de vlaggen waren halfstok geheschen; All the flags were struck, lowered, gathered = gestreken, naar beneden gehaald, opgedoekt; The flags were innocent of carpet = er lag geen kleed op den steenen vloer; Flag-lieutenant = adjudant van den Flag-officer = vlagofficier; Flagman = baanwachter; Flagship = admiraalsschip; Flag-staff = vlaggestok; Flagstone = vloersteen, soort van zandsteen; Flaggy = vol gele lischbloemen.

Flag, flag, slap neerhangen, slap worden, verslappen; Flagginess = slapheid; Flagging = verslappend; verslapping.

Flagellant, fladžəl’nt, flagellant; Flagellate, fladžəleit, geeselen; subst. Flagellation.

Flageolet, fladžəlet, flageolet.

Flagitious, flədžišəs, schandelijk, snood; subst. Flagitiousness.

Flagon, flag’n, flesch, flacon, schenkkan.

Flagrancy, fleigr’nsi, gloed, openlijk plegen, gruwel, schandelijkheid; Flagrant, fleigr’nt, aan den gang, openlijk, afschuwelijk: A war was flagrant = woedde.

Flail, fleil, dorschvlegel; Flail verb. dorschen.

Flake, fleik, subst. schilfertje, vlok, schol of schots, gestreepte tuinanjelier, droogrek voor visschen (Amer.); Flake verb. tot vlokken vormen, met vlokken bedekken, afschilferen: Flake of ice = ijsschots; Flake-white = soort v. wit blanketsel; Flakiness = vlokkige of schilferachtige toestand; adj. Flaky.

Flam, flam, subst. valsche voorspiegeling, opsnijderij, leugen; Flam verb. wijsmaken.

Flambeau, flambou, flambouw.

Flamborough, flambərə.

Flamboyant, flambôiənt, vlammend, gevlamd (bouwkunde); opzichtig.

Flame, fleim, subst. vlam, hitte, vuur, opgewondenheid, drift; liefje; Flame verb. vlammen, ontvlammen, in woede opvliegen, doen ontvlammen: He is all in a flame for the measure = vuur en vlam voor; To set on flame = in vlammen zetten; Flame-colour = helgele kleur; Flame eyed = met vurige oogen; Flame-shaped = gegolfd.

Flamen, fleim’n, oud Romeinsch priester.

Flaming, fleimiŋ, vlammend, heftig, overdreven.

Flamingo, fləmiŋgou, flamingo.

Flamy, fleimi, vlamachtig, vlamkleurig.

Flancon(n)ade, flaŋkəneid, zijstoot, zijhouw (bij het schermen).

Flanders, flândəz, Vlaanderen: Flanders brick = poetssteen.

Flane, flein, flaneeren: They lazed and flaned about the boulevards = slenterden en flaneerden.

Flange, flanž, flens, opstaande rand; Flange verb. van flens of rand voorzien: Flange-rail = spoorstaaf met opstaanden rand.

Flank, flaŋk, subst. zijde, flank, ribstuk; Flank verb. flankeeren, zich aan de zijde bevinden, grenzen aan, in de flank aanvallen, de flank dekken of bestrijken of omtrekken; Flank-company = de uiterste rechter- of linker-compagnie van een bataljon; Flank-files = de eerste twee mannen aan de rechteren de laatste twee aan de linkerzijde van de compagnie; Flanker = subst. flankeur.

Flannel, flan’l, flanel; Flannelette = katoenflanel.

Flap, flap, subst. klep, flap, slappe rand, lapèl, lel, pand, beweging met (geluid van) iets plats en breeds, klap, tafelblad; Flap verb. flappen, kleppen, slaan, neerslaan: The sails flapped in thunder = flapten met donderend geraas; Flapdoodle = geklets, klare onzin; Flap-dragon = spelletje, om iets uit brandende cognac b.v. te halen; Flap-eared = met slappe ooren; Flap-hat = slappe hoed; Flap-mouthed = met hanglippen; Flap-table = klaptafel; Flap-window = opslaand dakraam; Flapper = breede dikke vin (v. een rob bijv.), lange schoen der Christy Minstrels, jonge wilde eend, bakvischje (fig.).

Flare, flêə, subst. flikkering, helle vlam, bluf; Flare verb. flikkeren, vlammen, schitteren, opzichtig zijn, overhangen: A flare-up = opflikkering, gloeiende fuif, plotselinge woordentwist; He flared up = hij werd woedend, stoof op; Flaring = schitterend, opzichtig.

Flash, flaš, subst. vlam, flikkering, straal, schicht, uitbarsting, mislukte poging, soort sluis, zwarte strik (aan de uniform der Royal Welsh Fusiliers), woest stroomende watermassa, dieventaal; adj. dieven - -, opzichtig, onecht; Flash verb. flikkeren, schitteren, plotseling ontvlammen, schieten, vliegen: For a flash = voor een oogenblikje; A flash in the pan = ketsschot, mislukte poging; Flash of lightning = bliksemflits; Flash of wit = geestige inval; Flash language = dieventaal; The thought flashed across my mind = schoot mij te binnen; The news was flashed to America = geseind naar; Flash-house = helershuis; Flashman = schurk; To raise the flash-point of petroleum = de ontvlammingstemperatuur verhoogen; Flashiness = opzichtigheid, smakeloosheid; Flashing: Flash-light = flikkervuur (vuurtoren); Flashy = opzichtig.

Flask, flâsk, flesch, flacon, metalen of lederen kruitflesch.

Flasket, flaskət, spijsmand, kruitflesch.

Flat, flat, plat, vlak, moedeloos, verslagen, smakeloos, flauw, lusteloos, uitdrukkelijk, vierkant, ronduit, een halve toon verlaagd; subst. vlakte, vlak land, ondiepte, zandbank, platte kant, platboomd vaartuig; breedgerande strooien hoed (Amer.), palm van de hand, plat (dak), vertrekken op dezelfde verdieping, bovenhuis, mol (muziek), half achterscherm (tooneel), sul of hals; adv. plat, rechtuit, vlak, volkomen; Flat verb. vlak maken; mislukken (out) (Amer.): A flat affair = een vervelend iets; Flat candlestick = blaker; Flat calm = volkomen windstilte; D-flat = D-mol; I could not give him a flat denial = kon hem niet zoo botweg weigeren; The flat infinitive = de inf. zonder to; That is a flat lie = een infame leugen; His defence fell flat on the assembly = maakte niet den minsten indruk; To lie flat on the ground = plat, languit; I won’t go there, and that’s flat = ik ga er niet heen, en daarmee uit, dat spreekt vanzelf; Flat and plain = ronduit; Flat-bottomed = platboomd; Flat-cap = formaat v. papier, 35 × 43 c.M. platte muts; burgerman; Flat-fish = platvisch; domoor; Flat-footed = met platvoeten; vastberaden (Amer.); Flathead = groentje (Amer.); Flat-iron = vlak-, strijkijzer; Flat-race = wedloop zonder hindernissen; Flat-roofed = met een plat dak; Flatten = plat, smakeloos, neerslachtig maken (of worden), den toon verlagen: To flatten the sail = scherp aanbrassen (halen); Flatter = pletter (hamer); Flatting-mill = pletmolen; Flattish = ietwat plat; Flatwise = met de platte zijde naar beneden.

Flatter, flatə, vleien, overhalen, afvleien (out of), te gunstig voorstellen; Flatterer = vleier; Flattery = vleierij.

Flatulence, Flattercy, flatjulens(i), winderigheid, opgeblazenheid; Flatulent; Flatus, fleitəs = Flatulence.

Flaunt, flônt, flânt, opzichtig gekleed zijn, zich aanstellen, pronken met; wapperen, uitwaaien; ook subst.; Flaunty = pronkerig, opgedrild.

Flautist, flôtist, fluitist.

Flavour, fleivə, subst. geur, smaak; Flavour verb. smakelijk of geurig maken; Flavouring = geurtje, kruiderij; Flavourless = zonder geur of smaak.

Flaw, flô, scheur, spleet, gebrek, breuk, windvlaag; Flaw verb. barsten, scheuren; Flawless = zonder gebreken, onberispelijk.

Flax, flaks, subst. vlas; Flax-comb = vlashekel; Flax-dressing = vlasbereiding; Flax-raiser = vlasverbouwer; Flax-seed = lijnzaad; Flaxen = van vlas, vlaskleurig, goudgeel: Flaxen-headed, Flaxen-haired; Flaxy = vlasachtig, vlaskleurig.

Flay, flei, villen, martelen; Flay-flint = vrek.

Flea, flî, vloo: He came away from the races with a flea in his ear = hij kwam bekaaid van de wedrennen thuis; He put a flea in my ear = maakte me ongerust; I sent him off with a flea in his ear = ik wees hem kort en scherp af, scheepte hem af; He skins a flea for its hide = ziet op een cent; He sticks to it like a flea to a fleece = als eene vloo aan een wollen deken; Flea-bane = vlooienkruid; Flea-bite = vlooienpik, onbeduidende verwonding; bagatel; Flea-bitten = door vlooien gebeten, gespikkeld, met roode vlekken op lichten grond.

Fleam, flîm, vlijm, laatmes, lancet: Case of fleams = etui met laatmessen.

Fleance, flîəns. Fleck, flek, subst. vlek, streep; Fleck verb. bespikkelen, met streepen bedekken.

Flection, flekš’n. Zie Flexion.

Fled, fled, imperf. van to flee.

Fledge, fledž, vederen krijgen; Fledged = bevederd, kunnende vliegen; Fledg(e)ling, fledžliŋ, jonge vogel, die pas kan vliegen, melkmuil.

Flee, flî, vlieden, vluchten, vermijden.

Fleece, flîs, subst. vlies, vacht; Fleece verb. scheren (van schapen), met een vlies of vacht bedekken, plukken, het vel over den neus halen, villen; Fleece-wool = wol van het levende schaap; Fleecy = wollig: Fleece clouds = schapewolkjes.

Fleer, flîə, subst. spot, bespotting; Fleer verb. spotten, grinniken.

Fleet, flît, subst. vloot, inham, baai: The Fleet = oude gevangenis voor gijzelaars (Londen); adj. snel, vlug; Fleet verb. heenvliegen, voorbijsnellen, afroomen; Fleet-dike = kade, dijk; Fleet-footed = snelvoetig; Fleeting = snel voorbijgaand, vergankelijk; Fleetness = snelheid, vergankelijkheid.

Fleming, flemiŋ, Vlaming; Flemish, flemiš, subst. en adj. Vlaamsch(e taal), de Vlamingen: Flemish bricks = klinkersteenen.

Flesh, fleš, subst. vleesch, lichaam, de zondige mensch, dierlijke lusten, aardsch bestaan, geslacht, bloedverwanten; Flesh verb. met vleesch voeden, vleesch laten proeven, bevredigen, verzadigen, inwijden, gewennen, harden: I saw him in the animated flesh = in levenden lijve; An arm of flesh = menschelijke kracht of hulp; Flesh and blood = de menschelijke natuur; They are one flesh = zij zijn één; You are gathering flesh = gij wordt dik; That story made my flesh creep (crawl) = ik kreeg kippenvel van dat verhaal; Flesh-clogged = log van dikte; Flesh-colour(ed) = vleeschkleur(ig); Flesh-diet = vleeschkost; Flesh-fly = vleeschvlieg; Flesh-meat = vleeschspijzen; Flesh-tint = vleeschkleur; Flesh-worm = made, trichine; Flesher = slager (Schot.); Fleshiness = vleezigheid; Fleshings = vleeschkleurig tricot; Fleshly = vleeschelijk, lichamelijk, zinnelijk, wereldsch: Fleshly minded = materialistisch; Fleshy = vleezig, dik, zwaar, grof.

Flew, flû, imperf. van to fly.

Flex, fleks, (doen) buigen; Flexibility = buigzaamheid; Flexible = buigzaam, handelbaar, gedwee; Flexile = buigzaam; Flexion = (ver)buiging, bocht; Flexor = buigspier; Flexuose, fleksjuous, Flexuous, fleksjuəs, kronkelend, zigzag, flikkerend; Flexure, flekšə, buiging, bocht.

Flibbertigibbet, flibətidžibit, babbelaar(ster), booze geest.

Flick, flik, subst. tik; Flick verb. tikken, wegknippen, afkloppen.

Flicker, flikə, fladderen, kleppen (v. vleugels), flikkeren (v. eene vlam); Flicker-mouse, Zie Flittermouse.

Flier, flaiə, vlieger, vluchteling, snel paard; onrust, vliegwiel, rechte trap.

Flight, flait, vlucht, zwam: Flight of stairs = reeks van treden = gedeelte van eene hooge trap, die door landings afgebroken wordt; The enemies were put to flight = op de vlucht geslagen; Flightiness = vluchtigheid, enz.; Flighty = vluchtig, snel, grillig, wispelturig, onbetrouwbaar.

Flim-flam, flimflam, kuur, gril, poets.

Flimsiness, flimzinəs, dunheid, enz. enz.; Flimsy, flimzi, adj. dun, zwak, gering, nietig, onbeduidend, onvast; subst. dun papier, mailpapier, bankbiljet: A flimsy box = een los in elkaar getimmerde kist.

Flinch, flinš, terugdeinzen, aarzelen.

Flinder, flində, flentertje, stukje, splinter: To go to flinders = in splinters gaan; Flinder-mouse. Zie Flittermouse.

Fling, fliŋ, slingeren, met kracht werpen, in ’t rond gooien, verspreiden, slaan, ijlen, snellen; subst. worp, gooi, spot, uitval, onbeteugelde pret, Schotsche dans: I want to have a fling at him = ik moet er hem eens goed van geven; To have one’s fling = fuiven, veel uitgaan, pierewaaien; Young blood will have its fling = de jeugd moet uitrazen; He had his fling out = is uitgeraasd; We shall fling in our swords if necessary = bij in de schaal werpen; The hounds were flung off the scent = van het spoor gebracht, het spoor bijster; He flung out at me = beleedigde mij; We have flung up the business = hebben aan den kant gegooid, laten varen.

Flint, flint, subst. keisteen, vuursteen, iets buitengewoon hards, hardvochtigheid; adj. van steen gemaakt: He (flays) skins a flint = hij is buitengewoon gierig; Flint-age = steenen tijdperk; Flint-glass = flintglas; Flint-flake = steenen werktuig; Flint-lock = vuursteenslot (bij geweren); Flint-gun = ouderwetsche snaphaan; Flint-knapper (Flint-worker) = vuursteenmaker; Flint-stone = vuursteen; Flinty = steenachtig, hard, hardvochtig.

Flip, flip, tik; eierpunch; Flip verb. klappen, wegknippen met de vingers; Flip-flap, subst. geklepper, geklikklak: The clown turned somersaults and flip-flaps = buitelde en deed allerlei sprongen.

Flippant, flip’nt, onbezonnen, lichtzinnig, onbescheiden, achteloos: His wit is flippantly dull = hij is een vervelende zwetser; He is flippant on serious subjects = praat er maar op los als het ernstige onderwerpen betreft; subst. Flippancy.

Flipper, flipə, groote vin, poot (hand).

Flipperty-flopperty, flipətiflopəti, zich samenvouwend (als een slangenmensch of kunstenmaker). Zie Twisty-twirly.

Flirt, flɐ̂t, subst. ruk, zwaai; coquette; hofmaker; Flirt verb. snel heen en weer bewegen, werpen, fladderen, huppelen, ongedurig zijn, coquetteeren, spelen met: She flirted her fan elegantly; He flirted the pellets of bread about = hij gooide de kogeltjes brood in ’t rond; Flirtation = coquetteeren = Flirting.

Flit, flit, fladderen, vliegen, heen en weer trekken, verhuizen; Flitter-mouse = vleermuis; Flitting = verhuizing; Flitty = vluchtig, onvast.

Flitch, flitš, zijde spek, gerookte en gezouten zijde van een varken.

Float, flout, subst. vlot, dobber, troffel; Float verb. drijven, vlot zijn, vlotten, dobberen; laten drijven, vlot maken, overstroomen, aan den gang brengen (van eene zaak), bepleisteren: Let us float a company = oprichten; The ship was floated out of dock = werd uit het droogdok gelaten; The ensign floats half-mast high = waait halfstok; Float-board = plank van een stoombootrad, schoep; Floatage = alles, wat drijvende gevonden wordt; Floated work = vlak pleisterwerk; Floating = drijvend, vlottend, loopend, onzeker: Floating-battery = drijvende batterij; Floating-bridge = schipbrug: Floating-capital = vlottend kapitaal; Floating-debt = vlottende schuld; Floating-dock = drijvend dok; Floating-light = lichtschip, lichtboei; Floating-pier = drijvend havenhoofd; Floating-rib = valsche (losse) rib; Floating-terms = koopvoorwaarden voor zeilende (stoomende) lading; Floating-wick = drijvend nachtpitje.

Floccilation, floksileiš’n, het plukken aan beddedekens door stervenden.

Floccose, flokous, flokous, vlokkig; Flocculent, flokjulent, wollig, aan elkaar hangend; Floccus, flokəs, lange bos haar (aan den staart van koeien, b.v.).

Flock, flok, subst. kudde (schapen), vlucht, troep, vlok (haar of wol); Flock verb. zich in troepen vereenigen, samenstroomen; Flocks of chickens; Birds of a feather flock together = soort zoekt soort; Flock-bed = bed gevuld met vlokken grove wol of lappen; Flock-master = opzichter over kudden schapen; Flockmel = in kudden; Flocky = vlokkig.

Floe, flou, ijsveld.

Flog, flog, slaan, afranselen, geeselen: They were flogging a dead horse = trokken aan een dood paard; Flogger = zweep.

Flood, flɐd, subst. vloed, zondvloed, overstrooming; Flood verb. overstroomen, onder water zetten: When thwarted his personality rises in flood = komt hij in volle kracht uit; He swam the flooded stream = den hooggaanden stroom; They flooded the market with diamonds; Flood-gate = sluisdeur; Flood-mark = hoogwatertij; Flood-tide will soon make = de vloed komt weldra op.

Flook, flûk. Zie Fluke.