Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 148

Chapter 1483,289 wordsPublic domain

Week, wîk, week: Will you come a week from Sunday = Zondag over eene week; Next week, Last week = aanstaande, verleden week; The last week = de laatste week; The next week = de volgende week; Next week or week after = de volgende week of de week daarna; To-day (This day) week = vandaag over acht dagen; Week and week about = om de andere week; Week in, week out = week in, week uit; I’ll call again a week or ten days after this = ik kom over een dag of acht, negen nog wel eens weer aan; A prophetic week = zeven jaren; Weekday = werkdag; Week-end = van Zaterdag tot Maandagmorgen; Weekly, subst. en adj. wekelijksch (tijdschrift); adv. elke week, wekelijks.

Ween, wîn, denken, wanen, meenen.

Weep, wîp, subst. het schreien; Weep verb. schreien, weenen, beweenen, beklagen, druppelen, vochtig zijn: She had a private weep = schreide in haar ééntje; He wept for joy = hij schreide van vreugde; They wept over their losses = schreiden bij (om) hun verlies; Weeper = weener, klager, witte rouwband om den arm, lang rouwfloers aan den hoed, rouwsluier, lange baard (= Weepers); Amer. bruine aap: Drooping whiskers of the kind that used to be called Piccadilly weepers; Weeping: Weeping-ash = treuresch; Weeping-birch = treurberk; Weeping-elm; Weeping-rock = dropsteen; Weeping-spring = sijpelende bron; Weeping-tree = treurboom; Weeping-willow = treurwilg.

Weet, wît, watersnip, riethoen.

Weever, wîvə, pieterman (visch).

Weevil, wîvil, soort snuitkever, kalander, koornworm; Weevilled Weevil(l)y = vol wormen.

Weft, weft, inslag, weefsel.

Weigh, wei, subst. zeker gewicht (van wol ± 82,554 K.G.; van koren ± 1453,946 L.; Zie Wey); Weigh verb. wegen, opheffen, opwegen, toewegen, overwegen, neerbuigen, van gewicht zijn, gelden, schatten, hoogachten: We are getting under weigh at last = eindelijk gaan we anker op, op weg; He was weighed and found wanting = gewogen en te licht bevonden; I have been weighing it carefully = zorgvuldig overwogen; They weighed anchor = zij lichtten het anker; His great responsibility weighed him down = drukte hem; The flour was weighed out to the poor women = toegewogen; That does not weigh (with him) = dat beteekent niets (bij hem); Weigh-bridge = brugbalans; Weighable = weegbaar; Weighage, weiidž = weegloon; waaggeld; Weigher = weger; Weighing: Weighing-house = waag; Weighing-machine = bascule; Weight, subst. gewicht, zwaarte, druk, last, belangrijkheid, invloed; Weight verb. gewicht of zwaarte toevoegen aan, bezwaren: Brute, Gross weight = bruto gewicht; Dead weight = zware last, onnutte last, eigen gewicht (van vat, etc.); Net weight = netto gewicht; Set of weights = stel; He is a person of some weight = beteekent vrij wat, heeft invloed of aanzien; The jovial light weight became a serious man = het vroolijke zieltje-zonder-zorg; You have given me short weight = gij hebt mij te weinig gewicht gegeven; That has no weight with me = weegt niet bij mij; It has a special weight just now = is thans van bijzonder gewicht; This book is worth its weight in gold = is zijn gewicht in goud waard; To carry great weight = van veel gewicht zijn; This I give you only to make weight = om het gewicht vol te maken; To pull up the weights of the clock; His mind must not be weighted with all that stuff = niet bezwaard worden; His words were weighted with the sorrow of parting = waren droevig door; Weightiness, subst. v. Weighty = gewichtig, zwaar, belangrijk, overtuigend, drukkend.

Weir, wîə, waterkeering of dam, omheining van palen of netten in eene rivier om visch te vangen.

Weird, wîəd, onheilspellend, akelig, somber, bovenaardsch; subst. noodlot, voorspelling, betoovering: Weird Sisters = schikgodinnen; (= Weirds); To dree one’s weird = zich in zijn lot schikken (Schotl.).

Welch, welš, bedriegen, er van door gaan met de ingezette weddingschappen; Welcher.

Welcome, welk’m, subst. welkom, vriendelijke ontvangst; adj. welkom; Welcome verb. verwelkomen: Most welcome home = hartelijk welkom thuis; And welcome = en van harte; You are quite welcome to it = het is tot je dienst, je moogt het gerust aannemen; You are welcome to go = gij kunt om mij wel gaan; He might have died and welcome = om mijn part was hij doodgegaan; To bid welcome = welkom heeten; He made us welcome = hij bereidde ons eene vriendelijke ontvangst; To outstay one’s welcome = langer blijven dan den gastheer aangenaam is; Welcomer = die verwelkomt of vriendelijk ontvangt.

Weld, weld, subst. wouw of verf-reseda; het wellen (v. metalen); Weld verb. wellen, nauw verbinden: His statements are not thrown together, but properly welded = maar zitten behoorlijk in elkaar; Weldable = wat geweld kan worden; Welder = wie welt; A welding heat came from the furnace = eene verschrikkelijke hitte; Welding-furnace.

Welfare, welfêə, welvaart, voorspoed.

Welkin, welkin, hemelgewelf, zwerk.

Well, wel, subst. wel, put, bron, ijskelder (fig.), trappenhuis, advocatenbank in de rechtszaal, wagenbak, bun of vischkaar; Well verb. opwellen, ontspringen, vloeien: The well of a carriage = flesschenkeldertje van een wagen; The well of an orchestra = zitplaats (in een theater) voor het orkest; She is at the wells = gebruikt de wateren; Tears would well (up) into her eyes = welden dan op in hare oogen; The welling tears suffused her eyes = de opwellende tranen; Well-boat = visschersschuit met bun; Well-deck = deel van het dek tusschen bak en groote hut; Well-drain = draineerbuis; Well-drain verb. draineeren; Well-head = bron, oorsprong, bronwel; Well-hole = ruimte voor ascenseur of wenteltrap; Well-room = drinkvertrek (van geneeskrachtige wateren), hoosgat; Well-sinker = putgraver, -boorder; Well-spring = bron; Well-staircase = wenteltrap; Well-sweep = lange stok om water te putten; Well-water = wel- of bronwater.

Well, wel, adj. wel, juist, goed, gezond; adv. goed, wel, gezond, gelukkig, geheel en al, ten volle: I am very well = ik ben heel goed; I am well with that family = op goeden voet; It is well with = staat goed met; Where it is well with me, there is my country = waar het mij goed gaat; That’s well = in orde; It is all very well for B. to talk of burning the books = B. kan wel zeggen, dat..; It is always well to look ahead = het is altijd goed om; When the old die, it is well, they have had their time = is het maar goed; Ah, life is delicious; Well to live long! hoe heerlijk is het; The well and the ailing = gezonden; Well, I never = heb ik ooit van m’n leven! Well! = welnu! Hoe staat het? etc.; Well done = Bravo! All’s well that ends well = eind goed al goed; Leave well alone = het betere is de vijand van het goede, begeer niet het onderste uit de kan; You had as well stay at home = ge deedt net zoo goed; He is virtuous as well as rich = zoowel... als; You may well say so = dat zegt gij wél; All well and good = alles goed en wel; If you have some better engagement well and good = enfin, dan is het niet anders; He was sitting well back in his arm-chair = flink, ver achterover; The servant is well enough, but = vrij goed; The clergy are well to the fore in this novel = spelen eene eerste rol; He is well nigh sixty = welhaast; To be well-off = goed “af” zijn, het goed hebben; To be well-off for = goed voorzien van; At six we were well on our way = een heel eind op weg; We are well on in July = een groot deel van Juli is al om; To be well out of = gelukkig af zijn van; Before he was well out of the room = goed en wel de kamer uit was; Well-a-day = helaas! Well-advised = goed geraden, welonderricht; Well-affected = genegen, welgezind; Well-appointed = volledig uitgerust, keurig ingericht; Well-authenticated = door goede autoriteit gestaafd; Well-balanced = evenredig, gelijkmatig; Well-behaved = van goed gedrag, fatsoenlijk; Well-being = welzijn; Well-beloved = veelgeliefd, dierbaar; Well-born = van goede geboorte; Well-bred = beschaafd, welopgevoed, van goede afstamming; Well-chosen = juist gekozen; Well-conditioned = in goeden staat; Well-content(ed) = gelukkig, tevreden; Well-derived = van goede afkomst; Well-deserving = verdienstelijk; Well-disposed = welgezind; Well-doing = plichtsbetrachting, rechtschapenheid; Well-dressed; Well-educated; Well-favoured = knap uitziend; Well-fed; Well-founded = op goede gronden steunend; Well-informed = goed op de hoogte; Well-knit = krachtig gebouwd, wat goed in elkaar zit; Well-known = (wel)bekend; Well-lined = goed gevoed, flink gespekt (fig.); Well-mannered = van goede manieren, welgemanierd; Well-meaning = welmeenend, goedig; ook subst.; Well-meant = oprecht, hartelijk; Well-met = heil, welkom; Wellnigh = bijna; Well-paid = goed betaald; Well-proportioned = goed geëvenredigd; Well-read = belezen; Well-refined = hoogst beschaafd; Well-remembered = welbekend; Well-reputed = te goeder naam bekend, beroemd; Well-seasoned = goed gekruid, goed gedroogd (hout): An army of well-seasoned soldiers = beproefde soldaten; Well-set = goed geplaatst, gespierd, krachtig gebouwd; Well-spoken = vriendelijk; Well-thumbed = beduimeld, veel gelezen; Well-timed = tijdig; Well-to-do = welgesteld: The well-to-do = de gegoede burgerstand; Well-wisher = wie een ander het goede toewenscht of het goed met hem meent; Well-won = eerlijk verdiend; Well-worn = afgedragen, versleten, druk betreden.

Wellesley, welzli; Wellington, weliŋt’n: Wellington (boot) = laars met lange schacht.

Welsh, welš, subst. en adj. (taal of bewoners) van Wales: Welsh-flannel = fijne soort v. flanel; Welshman = inwoner van Wallis; Welsh-rabbit, Welsh-rarebit, Zie Rabbit; Welsh-wig = kalotje (van wol of sajet); Welshwoman.

Welsh, welš, zie Welch(er).

Welt, welt, subst. boordsel, reepje leer tusschen bovenleer en zool; striem, buil, houw, slag; Welt verb. boorden, afzetten, ranselen, verwelken, slap (kleverig) worden: Shoes worn to the welt = totaal afgedragen.

Welter, weltə, subst. rollen (der golven), verwarring, poel; Welter verb. zich wentelen, rollen, baden; Welter-race = rennen met de zwaarste belasting; Welter-weight = zware belasting, zwaar gewicht (worstelen).

Wemyss, wîmz.

Wen, wen, wen, uitwas.

Wench, wenš, jong meisje of jonge vrouw, negerin (Amer.); meid, boel; Wench verb. boeleeren; Wencher = boeleerder.

Wend, wend, gaan, zich begeven naar: We wended our way to the town = begaven ons.

Wend, wend; Wendic; Wendish, subst. en adj. (taal) van de Wenden.

Went, went, imperf. van to go.

Wentletrap, went’ltrap, wenteltrap (slak).

Wept, wept, imperf. en p.p. van to weep.

Were, wɐ̂, wêə, imperf. van to be.

We’re, wîə = we are.

Wer(e)gild, wɐ̂gild, weergeld.

Wer(e)wolf, wɐ̂wulf, weerwolf.

Wert, wɐ̂t, 2e pers. sing. imp. van to be.

Wesley, wezli, Wesley: Wesleyan, subst. en adj. (lid van de secte) door W. gesticht; Wesleyanism.

West, west, subst. Westen; adj westelijk; adv. ten westen, naar het westen: The West End = Westeinde, aristocratische wijk in Londen; A West-ender = bewoner van ’t Westeinde; West India; West Indian; The West Indies; To the West of the city = ten westen van de stad; Westering = afstand naar het westen, westelijke koers; Westerly = westelijk; Western = westersch, westelijk: The Western Empire = het Westersch-Romeinsche rijk; Westernmost = het meest naar het Westen gelegen. Zie Westward.

Westmeath, westmîdh; Westminster, wes(t)minstə; Westmor(e)land, wes(t)möland; Westphalia, westfeiljə, Westfalen; Westphalian, subst. en adj. (bewoner) van W.

Westward, westwəd, naar het Westen, westwaartsch; Westwards = ten westen, westwaarts.

Wet, wet, subst. vocht, nat, vochtig weer, regen, slokje, “hapje”; adj. nat, vochtig, regenachtig, miezerig, beneveld; Wet verb. bevochtigen, nat maken, weeken, doorweeken, dronken maken: Have a wet = neem een “hapje”; Something to keep the wet out = een hapje tegen de vochtigheid van ’t weer; I am wet through = doornat; Her face was wet with tears = nat van tranen; A very wet jew = een echte “spekjood”; To have a wet night of it = flink drinken; At eleven o’clock sharp, wet or fine = bij regen of mooi weer; Wet the other eye! = op één been kan men niet loopen; He is a wet-blanket = hij is een spelbederver; He is a wet-bob = jongen (te Eton) die aan watersport doet; Wet-dock = drijvend dok; Wet-nurse = min; Wet-pack = natte omslag; Wet-shod = met lekke schoenen; Wetness = natheid; To get a wetting = nat regenen; Wettish = nattig, eenigszins vochtig.

Wether, wedhə, hamel: Bell-wether = belhamel (ook fig.).

Wetteravia, wetəreivjə, Wetterau.

Wey, wei, zekere maat (zie Weigh).

Weymouth, weiməth.

Whack, wak, subst. slag, opstopper, handslag, aandeel in den buit, poging; Whack verb. ranselen, verdeelen, betalen; interj. pats! To go whacks = gelijk op deelen; He has had his whack = zijn deel gehad, genoten; Say the word and it is a whack = en de koop is gesloten; To take a whack at = eens probeeren; Out of whack = in wanorde; Justice was not fairly whacked out = toebedeeld; Whacker = infame leugen; Whacking = kolossaal.

Whale, weil, walvisch: Your story is very like a whale = uw verhaal is heel onwaarschijnlijk, niet te gelooven; Whale-bird = soort stormvogel; Whale-boat = walvischsloep; Whale-bone = balein; Whale-fin = balein; Whale-fishery = walvischvangst; Whale-hunting = walvischvaart; Whale-louse = parasiet van den walvisch; Whale-man = walvischvaarder; Whale-oil = walvischtraan; Whale-ship = Groenlandsvaarder; Whaler = walvischvaarder; iets groots of plomps; Whaling: Whaling-master, kapitein van een Whale-ship.

Whall, wôl, glasoog (Z. Wall).

Whalley, woli.

Whame, weim, horsel = Whame-fly.

Whang, waŋ, subst. leeren riem, geesel, slag, bons, stuk of snede; Whang verb. ranselen, geeselen.

Whap, wop; Zie Whop.

Wharf, wöf, subst. werf, kaai; Wharf verb. lossen, vertuien; Wharfage, wöfidž, kaaigeld, (= Wharf-charges), werven, ankerplaats; Wharf-porter = sjouwerman; Wharfing = werven in ’t algemeen, los- of ligplaats; Wharfinger, wöfinžə, kaaimeester.

Wharton, wöt’n.

What, wot, wat, wat voor, welk, hetgeen, hoe, zulks, deels: What day of the month is to-day? = de hoeveelste is het vandaag; What is the game? = hoe staat de partij; What is your name? = hoe heet ge; What is the (best) news = wat voor nieuws is er; What is the time (of day), what time is it? = hoe laat is het; What is up there? = wat is daar aan de hand; What do you call that? = hoe noemt ge dat? Mr. What-do-you-call-him = Meneer van der Hummes; What money have you got? = hoeveel geld heb je; He gave away what money he had = al het geld; I will tell you what = ik zal je eens wat zeggen; What ho! = hei daar! What next? = en dan; What of that = wat doet dat er toe; What then? = wat zou dat; What matter if they are = en wat doet het er toe of ...; What nonsense = wat een onzin; It won’t do to get into a groove, What? = niet waar? What about him? = hoe gaat het hem; He got what for = kreeg er van; What if he comes = wat zullen we doen zoo hij komt, als hij nu eens komt; What (care) though I am but poor? = wat hindert het; What though he comes = aangenomen (wat hindert het); What between ... and = deels door ... deels door = What with ... what with; He called me fool and what not = en wat al niet; He knows what is what = hij heeft zijn weetje wel; Whate’er, Whatever, Whatsoever = al wat, wat ook, hoedanig ook: Whatever is that on your head? = wat drommel heb je toch op je hoofd; Nobody whatever = niemand wie ook; Whatlike = van welken aard.

Whatnot, wotnot, étagère.

Whaup, wôp, wulp.

Wheal, wîl, puistje, striem; mijn.

Wheat, wît, tarwe: Bearded wheat = spelt; Wheatear = tapuit (vogel); Wheat-ear = tarweaar; Wheat-moth, (Wheat-worm) = korenworm; Wheaten = van tarwe: Wheaten bread = tarwebrood.

Wheedle, wîd’l, flikflooien, vleien, bepraten: He wheedled me out of 5 pounds, wheedled me into lending him that sum = hij kreeg er mij door mooie praatjes toe, hem vijf pond te geven, leenen; He could wheedle the tire off a cart-wheel (He could wheedle a horse’s hind leg off) = hij kon je het hemd van ’t lijf bedelen; Wheedler = vleier, flikflooier.

Wheel, wîl, subst. wiel, rad, stuurrad, rijwiel, vuurrad, rad van fortuin, cirkelgang, zwenking, schijf; Wheel verb. wentelen, ronddraaien, op raderen vervoeren, in een cirkel bewegen, van raderen voorzien, om eene as draaien, wenden, kruien, zwenken, (wiel)rijden: He was broken upon the wheel = werd geradbraakt; To grease the wheels (fig.) = de hand stoppen; To help the wheel over = over het doode punt heen helpen; To put one’s shoulder to the wheel = flink aanpakken; He put a spoke in your wheel = hij heeft u een spaak in ’t wiel gestoken, in de wielen gereden; I feel myself to be a fifth wheel to the coach = dat ik het vijfde rad aan den wagen ben; Wheels within wheels = gecompliceerd plan, onduidelijke motieven; We were wheeling along at a fast rate = snorden voort; Wheel it back = rol het achteruit; Wheel-animals, Wheel-animalcules = raderdiertjes; Wheelbarrow = kruiwagen; Wheel-boat = raderboot; Wheel-carriage = voertuig op wielen; Wheel-chair = rolstoel; Wheel-cutter = radsnijder; Wheel-drag = remschoen; Wheel-horse = Wheeler; Wheelman = roerganger, wielrijder; Wheel-shaped = radvormig; Wheel-steamer = raderboot; Wheel-window = rozet; Wheelwoman = wielrijdster; Wheelwork = raderwerk; Wheelwright = wagenmaker; Wheeled = op of met wielen, per as; Wheeler = wieldraaier, radermaker, wielrijder, disselpaard: The leaders and the wheelers = de voorste en de achterste paarden van een vierspan.

Wheeze, wîz, snuiven, zwaar ademhalen, hijgen; subst. snuiven; aardigheid; snufje: To crack a wheeze = een mop tappen; A new wheeze = een nieuw snufje; Wheezy = snuivend, hijgend, aamborstig.

Whelk, welk, puistje, striem; wulk (schelpd.).

Whelm, welm, overstelpen, indompelen, bedekken, verpletteren, vernietigen.

Whelp, welp, subst. jonge hond, welp, zoon, jonge man, guit; Whelp verb. jongen werpen: Bitch in whelp = drachtige; Whelpless.

When, wen, wanneer, toen, als: At the very time when he told me this = juist toen hij; Even when you told me so = juist toen; Since when? = sedert wanneer; Since when = sedert welken tijd; When due = op vervaltijd; When received = na ontvangst; When young = in mijn jeugd; Whenas = wanneer, terwijl; Whence = vanwaar, waaruit; Whencesoever = waar ook vandaan; Whenever (Whene’er) = wanneer ook, telkens wanneer = Whensoever.

Where, wêə, waar, waarheen, alwaar: Where are you going? = waar gaat ge naar toe; I don’t know whereall he is going = waar hij al ... heengaat; Where-about(s), adv. nabij welke plaats, waar ongeveer; subst. verblijfplaats, woonplaats, adres: We discovered the where-abouts of the missing lady = waar de vermiste dame was; I sent him to the where-about(s) = heb hem de laan uitgestuurd; Whereas = terwijl, daarentegen, aangezien, nademaal; Whereat = waarop; Whereby = waardoor, waarbij; Wherefore = waarom, met welk doel, zoodat; Wherein = waarin; Whereinto = waarin; Whereness = plaats waar zich iets bevindt; Whereof = waarvan; Whereon = waarop (= Whereupon); Wheresoever = waar dan ook; Whereto, Whereunto = waarheen, waartoe, met welk doel; Wherever, wêrevə, waar ook; Wherewith = waarmede; Wherewithal = waarmee; subst. middel (v. bestaan): He has not got the wherewithal to live = heeft geen middel van bestaan.

Wherry, weri, soort roeiboot, veerboot; soort cider; Wherry-man = veerman.

Whet, wet, scherp maken, wetten, prikkelen, opwekken (v. eetlust, etc.); Whet-slate = oliesteen = Whet-stone-slate; Whet-stone = wetsteen, slijpsteen; Whetter = slijper, slijpsteen.

Whether, wedhə, pron. welke van twee; coni. hetzij, of: Whether he come or go = hetzij hij kome of ga; Whether or no(t) = al of niet.

Whew, wjû, Poeh! Bah! Foei!

Whewell, wjû’l.

Whey, wei: Whey-cure; Whey-tub = weivat; Wheyey = Wheyish = weiachtig.

Which, witš, welk, hetwelk, die of dat, welke: Which is yours? = welke (van deze) is van u; He knows which is which = kent ze uit elkaar, hij weet er alles van; Added to which = waar nog bij komt; Whichever, Whichsoever = welke ook.

Whiff, wif, subst. haal, trekje, ademtocht, haastige blik, soort van lichte roeiboot, soort scharretong; Whiff verb. dampen, uitblazen v. rook: He got a whiff of the nice dish = kreeg in den neus; I will take a whiff or two = een paar trekjes doen.

Whiffle, wif’l, subst. fluitje; Whiffle verb. met rukken waaien, fluiten, telkens veranderen, uitvluchten maken, wegblazen, doen weifelen; Whiffle-tree = zwengelhout.

Whig, wig, subst. Whig, liberaal (van de oude school); adj. van de partij der Whigs; Whiggery = beginselen der Whigs = Whiggism; adj. Whiggish: subst. Whiggishness.

Whigging, wigiŋ: To give a person a whigging = afranselen, een schrobbeering geven.

While, wail, subst. tijd, tijdruimte, wijl, poos; While verb. verdrijven, korten; coni. terwijl, zoolang; Whiles = soms; The while = ondertusschen; In the meanwhile = middelerwijl; Quite a while = een tijd lang; A good (little) while ago = een heele poos (een poosje) geleden; It is hardly worth (your) while to look at = haast de moeite niet waard (dat gij ...); He visits us between whiles = zoo nu en dan; Listen for a while = een oogenblikje; I see your name in the papers once in a while = zoo nu en dan; She has got money to invest every once in a while (Am.) = telkens; Not yet a while = vooreerst niet; I have whiled away my time in reading this book = mijn tijd gezellig doorgebracht met; Whilere, wailêə = Whilom, wail’m, wailoum, voorheen, vroeger; Whilst = terwijl: The whilst = ondertusschen.

Whim, wim, gril, kuur; windas, soort kaapstander, mijn: She is full of whims = vol kuren.

Whimbrel, wimbr’l, regenwulp of kleine wulp.

Whimper, wimpə, subst. gegrien, geteem; Whimper verb. grienen, teemen: Without a whimper = zonder een kik te geven.

Whimsical, wimzik’l, grillig; Whimsicality = grilligheid = Whimsicalness; Whimsy = gril; adj. grillig.

Whin, win, gaspeldoorn; basalt (= Whin-stone); Whin-berry = blauwe boschbes; Red Whin-berry = roode boschbes; Whinchat = kleine walduiker; Whinny = vol gaspeldoorns; vol basalt, basaltachtig. Zie Whinny.

Whine, wain, subst. gejammer, gekerm, geteem; Whine verb. jammeren, kermen, teemen; Whiner; In a whiney-piney voice = jankerig.

Whinny, wini, subst. gehinnik, gebriesch; Whinny verb. brieschen, hinniken. Zie Whin.