Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 87
Osteogenesy, ostiədženəsi, beenvorming; Osteography = beschrijving der beenderen; Osteology = leer der beenderen.
Ostler, oslə, stalknecht.
Ostracean, ostreiš’n, oesterachtig; subst. tweeschelpig weekdier, oester; Ostreaculture, ostriəkɐltjə, kunstmatige oesterteelt.
Ostracism, ostrəsizm, schervengerecht; verbanning, doodverklaring; Ostracize, ostrəsaiz, verbannen, doodverklaren.
Ostrich, ostritš, struisvogel: Ostrich-feather.
Ostrogoth, ostrəgoth, Oostgoot; Oswald, ozwəld; Oswego, oswîgou; Otaheite, outəhîti, Tahiti.
Otalgia, ətaldžiə, Otalgy, ətaldži, out’ldži, oorpijn.
Other, ɐdhə, ander(s), nog een: Each other, One another = elkander; Have another cigar = neem nog eene sigaar; The other day = onlangs; Every other day = om den anderen dag; The other morning = onlangs op een morgen; The other side = de linkerkant; Otherwhere = ergens anders; Otherwise = anders, op andere wijze: Much was said, both wise and otherwise = zoowel verstandige als domme dingen; I am not otherwise engaged = ik heb geene andere plannen, ben niet bezet; Not otherwise than most welcome; It is other(wise) with him = met hem is ’t een ander geval: Rather than otherwise = ’t liefst: I can do no other = niet anders; On that afternoon of all others = nog wel op dien namiddag; Some person or other = de een of andere; Otherness = verschil, het anders zijn.
Othman, othm’n; Otho, othou.
Otic, outik, oor...; subst. middel tegen oorpijn; Otitis, ətaitis, oorontsteking; Otology = leer van het oor; Otoscope, outəskoup, oorspiegel.
Ottar, otə. Zie Otto.
Ottava rima, otâvarîmə, couplet van acht regels, waarvan de zes eerste beurtelings en de twee laatste met elkander rijmen.
Otter, otə, otter; zeeotter; gele verfstof; Otter-dog.
Ottewa, otəwə.
Otto, otou, aromatische olie uit bloemen = Attar (of roses).
Ottoman, otəm’n, subst. Turk, ottomane (lage sofa); adj. Turksch: The Ottoman empire.
Otway, otwei.
Oubliette, ûbliet, subst. kerkerhol, valdeur.
Ouch, autš, in goud gevatte edelsteen.
Oudh, aud.
Ought, ôt, subst. iets: For ought I know = voor zoover ik weet.
Ought, ôt, behooren: You ought to know that = dat moest ge weten; You laughed at him? Then you ought not = maar dat mocht je niet.
Ounce, auns, ons (12e van een pound Troy, en 16e van een pound avoirdupois): An ounce of help is better than a pound of preaching = de kleinste daad is beter dan veel gemoraliseer.
Ounce, auns, Amer. jaguar.
Our, auə, ons (bez. voorn. w.): A friend of ours = vriend van ons; He was of ours = hij behoorde tot ons regiment; Ourself = ons, mij, onszelf, mijzelf; Ourselves = ons, onszelven, mijzelf.
Ouse (The), dhîûz; Ousel(e)y, ûzli.
Ousel, ûz’l, meerle; beflijster.
Oust, aust, uit het bezit stooten; den voet lichten; Ouster = uitzetting, berooving.
Out, aut, uit, buiten, op de uitreis, bekend, publiek, ambteloos, buiten dienst, op, verbruikt, ledig, zonder werk, ten einde, boos, twistend, enz.; subst. afgetreden minister, partij, die niet meer aan ’t roer is; speler, die af is (meest meerv.); Out verb. uitdrijven, een uitstapje maken, uiten: He is out and away the stronger of the two = verreweg; An out and excellent portrait = buitengewoon, uitstekend; Out-and-out = door en door, voortreffelijk, onbegrensd, aarts - -; An out-and-out support of the government = steun door dik en dun; Out-and-outer = kraan, iets buitengewoons, een opzichtig kleedingstuk; From this out I am a reformed man = van nu af aan; He said such things in season and out = te pas en te onpas; I am on my way out = op weg naar Indië; We are well out to sea now = zijn nu in (volle) zee; Out there = daar ginder, in ’t buitenland; Out-at-elbows (-heels) = met gaten in; An Out-at-elbow place = vervallen; I am out of breath = buiten adem; He put me out of countenance = bracht me van mijn stuk; Out-of-date = bij zijn tijd ten achter; Out-of-door(s): Out-of-door amusements = openluchtspel; Out of favour = uit de gunst; Out-of-fashion = uit de mode; Out of the frying-pan into the fire = van den wal in de sloot; He died out of hand = onmiddellijk; Out of harm’s way = in veiligheid; buiten schot; He is out of his head = krankzinnig; Out of heart = moedeloos; I am out of all hope = ik heb volstrekt geene hoop meer; I never sleep out of hours = buiten de voor den slaap bestemde uren; Out of sight, out of mind = uit het oog, uit het hart; Since time out of mind = sedert onheugelijken tijd; I am out of money = slecht bij kas; Out of office = buiten betrekking; Out-of-pocket expenses (fees) = noodzakelijke uitgaven (voorschotten); The book is out of print = uitverkocht; The rope was out of my reach = buiten mijn bereik; Out of sorts = onwel, brommig; You are out of temper this morning = uit uw humeur, boos, landerig; I am out of my time = heb mijne leerjaren achter den rug; Out of trim = onordelijk, niet in den haak; That is rather out-of-the-way = ongewoon; An out-of-the-way place = eene afgelegen plaats; Out upon that fellow! = weg met; I am out = ik heb niet meer; ik ben in de war, boos; The jug (wine) is out = leeg (op); The murder, secret is out = ontdekt; Then the murder was out = toen had je de poppen aan het dansen; The time is out = om; You are completely out (of it) = ge hebt het glad mis; That is out of it = haalt er niet bij; He came out in the eighties = ging naar Indië tusschen 1880–1890; Hear me out = hoor mij ten einde toe; I paid him out of your money = van jou geld; I will sit out the concert = ik blijf zitten tot het concert uit is; With these words he ups and outs = na die woorden vliegt hij op en de deur uit; I hardly ever get an outing = ik maak haast nooit een uitstapje; It was her last outing = dat was de laatste maal, dat zij uitging; Summer-outings = zomer-reisjes; Outboard = buiten boord; Outbound = op de uitreis; Outbreak = uitbarsting, oproer; Outburst = uitbarsting; Outcast = verworpeling; Outcome = resultaat; Outcrop = het voor den dag komen of gekomene; Outcrop verb. autkrop; Outcry = geschreeuw; Outdoor = buitendeur; Outdoors = buiten(deur); Outfit = uitrusting; Outfitter = leverancier van outfits; Outgrowth = spruit, resultaat; Outhouse = schuur, bijgebouw; Outlander = vreemdeling; adj. Outlandish; Outlaw = vogelvrij verklaarde, bandiet; Outlaw verb. vogelvrij verklaren; Outlawry; Outlay = onkosten; Outlay verb. autlei, uitbreiden, uitgeven; Outlet = uitgang, uitweg, afvoerkanaal, -buis; Outline = omtrek; Outline verb. schetsen, ontwerpen, zich afteekenen; Outlook = uitkijk, uitzicht, vooruitzicht: To be on the outlook for = uitzien naar; Out-parish = buitenparochie; Out-patient = uitwonend patient (van hospitalen); Out-poor = bedeelde; Out-porch = portaal; Outport = buitenhaven; Outpost = voorpost; Output = bedrag, opbrengst, productie; Outputter = producent; Outrelief = bedeeling; Outrider = voorrijder; Outrigger = papegaaistok, loefhouder, buitenboord aangebrachte roeiklamp; boot daarvan voorzien; Outright = open, zonder voorbehoud, dadelijk; Outset = begin, aanvang; Out-settlement = buitenkolonie; Outskirt = zoom, buitenste grens; Outspan (ook autspan) = uitspannen, kampeeren (Z. Afr.); Outspoken (ook autspouk’n) = ronduit, oprecht; subst. Outspokenness; Outwork = buitenwerk (mil.); Outer = buiten..; subst. Outer garment; Outer world; Out(er)most = uiterste, buitenste; Outness = uiterlijkheid.
Out, aut (in samenst.) drukt dikwijls uit: overtreffen in de door het andere deel uitgedrukte handeling, b.v. Outact = krachtiger handelen; Outbalance = zwaarder wegen; Outbid = hooger bieden, overtreffen; Out brag = overtreffen (in pochen); Outbrave = overtreffen (in glans of dapperheid); Out-classed = totaal verslagen; Outcry = overschreeuwen; Outdare = trotseeren; Outdistance = achter zich laten; Outdo = overtreffen; Outface = brutaliseeren, trotseeren, de oogen doen neerslaan; Outfarm = zich bekwamer boer toonen; Outflank = overvleugelen; Outfly = sneller vliegen dan; Outfrown = de oogen doen neerslaan; Outgeneral = overtreffen in veldheerschap; Out-Gilfillan G. himself = zelfs in zijn soort G. overtreffen; Outgo = overtreffen, te buiten gaan; Outgrow = sneller groeien dan, te groot worden voor; Out-Herod = in woestheid en wreedheid H. overtreffen; Outlast = langer duren dan; Outleap = verder springen dan; Outlive = langer leven dan, overleven; Outlook = de oogen doen neerslaan; Outmanoeuvre, autmən(j)ûvə, verschalken; Out march = harder marcheeren, vóórkomen; Outnumber = in aantal overtreffen; Outpace = voorbijstreven; Outpray = in het smeeken overtreffen; Outrange = verder schieten, achter zich laten; Outrank = hooger zijn in rang; Outreach = verder reiken dan, overtreffen; Outreign = langer regeeren dan: His queen Outreigned him by five years; Outride = harder rijden, uitrijden (zeeterm); Outroar = luider brullen dan; Outroyal = den koning of het hof in pracht overtreffen; Outrun = sneller loopen, ontloopen: To outrun the constable = To outrun one’s income = te groot leven; Outsail = harder zeilen; Outscold = harder schelden of tieren dan; Outsell = meer verkoopen, of duurder verkoopen, dan; Outshine = in luister en glans overtreffen; Outsleep = langer slapen dan; Outsoar = hooger stijgen, overvleugelen; Outspeak = beter (langer) spreken dan; Outspeed = in snelheid overtreffen; Outstand = uitsteken boven, uitstaan: Outstanding debts = uitstaande; Outstanding fact = in ’t oog springend, belangrijk feit; To leave outstanding = laten staan; Outstare = brutaliseeren, de oogen doen neerslaan; Outstay = te lang blijven: He outstayed his welcome = wij waren blij, dat hij wegging; Outstep = overschrijden; Outstrip = voorbijloopen, overtreffen; Outswear = in het vloeken overtreffen; Outtalk = in het praten winnen van, om verpraten: Outtop = uitsteken boven; Outvie = overtreffen; Outvote = bij stemming winnen van, overstemmen; Outwalk = in het wandelen overtreffen; Outwear = langer duren dan, verslijten; Outweigh = zwaarder wegen dan, te zwaar zijn voor; Outwing = in het vliegen de baas zijn; Outwit = verschalken, in slimheid overtreffen; Outworth = in waarde te boven gaan.
Outrage, autreidž, gewelddaad, misdaad, vergrijp, aanranding, grove beleediging; Outrageous = gewelddadig, afschuwelijk, overdreven; subst. Outrageousness.
Outram, ûtrəm.
Outside, autsaid, autsaid, subst. buitenkant, uiterlijk, plaats buiten op (een diligence), buitenpassagier, uiterste, dekblad; adj. buitenste, van buiten, buitenop; adv. buiten(op), aan den buitenkant, buitenboord, behalve: Twenty guilders at the (very) outside = op zijn hoogst; Four outsides (Outside-passengers) = vier passagiers buitenop; The outside public = het buitenstaand (fig.) publiek; Outsider = oningewijde, iemand die er buiten staat, renpaard van onbekende herkomst, of dat oogenschijnlijk geen kans heeft; iemand, die tegen den bookmaker wedt.
Outward, autwəd, adv. en adj. uitwendig, (van) buiten: To clear outward = een schip uitklaren; Outward angle = buitenhoek; Outward-bound = op de uitreis; Outward passage = heenreis; Outward trade = uitvoerhandel; I have never been outwardly a worshipper = ben nooit een kerkganger geweest; Outwardness = uiterlijkheid, objectiviteit, oppervlakkigheid; Outwards = buitenwaarts.
Ouzel, ûz’l, Zie Ousel.
Oval, ouv’l, ovaal, eirond; subst. ovaal: The Oval = een bekend cricket-veld in Kennington (London); Oval compasses.
Ovarian, əvêriən, tot den eierstok behoorende, eierstok...; Ovariotomy; Ovary = eierstok, vruchtbeginsel.
Ovate, ouvit, eivormig; Ovate-oblong = langwerpig ovaal.
Ovation, əveiš’n, hulde, ovatie.
Oven, ɐv’n, oven, kooktoestel; Oven-fork = ovengaffel.
Over, ouvə, prep. en adv. over, boven, voorbij; subst. overschot; Over verb. springen over: The concert is over = uit; The flowers were over = bloeiden niet meer; The rain is over; When school is over the children go home; Over and above what I have told you = buiten en behalve; I told him so Over and over = herhaaldelijk; Over and over again = tot vervelens toe; Over against = tegenover; Over there = daar ginds; I told you so ten times over = tienmaal achter elkander; He is a gentleman all over = een volmaakt gentleman; It is all over (up) with me = met mij gedaan; It’s well over = goed afgeloopen; I went all over the town = ik ben overal in de stad geweest; Over the walnuts and the wine = aan het dessert; I live over the way = hier tegenover; He is over head and ears in debt = tot over de ooren; He fell head over ears into the water = hals over kop; The pot boils over = kookt over; We discussed our affairs over a glass of wine = bij; I have given over doing it = opgegeven, gestaakt; I lost it over a bet = bij een weddenschap; Many advertisements must be kept over = tot een volgend nummer uitgesteld; Published over my name = onder; What remains over = overblijft; To sit over the fire = bij den haard; I will sleep over it = mij er op beslapen; She will not stay over the week = blijft niet langer dan een week; He took (showed) me over his picture-gallery = liet mij zien; We talked over the matter = bepraatten de zaak; Over difficult = te moeielijk; She is not over particular = zij neemt het niet zoo nauw; Over young = wat al te jong; Overabound = buitengewoon of al te overvloedig zijn, overvloed hebben; adj. Overabundant; Overact = overdrijven; Overalls, ouvərôlz, dunne, waterdichte broek ter besparing van de andere bij werken of rijden; morskiel (overjurk); Overarch = overwelven, verwulven, omvatten; Overawe = ontzag inboezemen, in ontzag houden; Overbalance, ouvəbal’ns, subst. overwicht, meer dan het gewicht; Overbalans verb. (ouvəbal’ns) meer wegen, overtreffen, het evenwicht verliezen (= To overbalans oneself); Overbear = onderdrukken, onderwerpen; Overbearing = aanmatigend, heerschzuchtig, uit de hoogte; Overbid = meer bieden dan; Overblow = overwaaien, uitrazen; Overblown = verwelkt: An overblown fellow = overdreven, dwaze; Overboard, ouvəböd, overboord; Overbold = al te stout of vrijmoedig; Overbrim = over (den rand) loopen; Overbuild = te veel bouwen: This part of the town is overbuilt = men heeft hier te veel gebouwd; Overburden = overladen, te veel laden op; Overbuy = te duur betalen, te veel koopen; Overcanopy = met een troonhemel bedekken; Overcareful = al te zorgvuldig of sekuur; Overcarry = te ver rijden (een passagier); Overcast, ouvəkâst, bewolkt; verb. (ouvəkâst), te hoog schatten; bewolken, verduisteren; overnaaien: The sky is overcast = de hemel is bewolkt; Overcharge, ouvətšâdž, subst. te hooge berekening, te groote lading, te veel betaalde vracht; Overcharge verb. (ouvətšâdž), overdrijven, te zwaar beladen, overvragen, al te zeer vullen; Overcloud = bewolken; Overcoat = overjas; Overcome = overwinnen: He was very much overcome = zenuwachtig, aangedaan; Over-credulous = al te lichtgeloovig; Overcrowded = overvol van; Overdo = overdrijven, te gaar koken, overwerken: We are overdone with newspapers nowadays = worden overstelpt; I am overdone = op, heb mij overwèrkt; The meat is overdone = al te gaar; Overdose, ouvədous, al te groote hoeveelheid of dosis; Overdose verb. (ouvədous), een te groote dosis geven; Overdraw = overdrijven, een wissel trekken voor meer geld dan het credit is: To overdraw one’s account; Overdrive = te ver of te snel jagen of drijven: I am overdriven = ik ben op, afgemat, heb mij overwèrkt; Overdue = vervallen, te laat: The train is overdue = de trein is over zijn tijd; Overdue letters = te laat bestelde of bezorgde brieven; Overdue rates = die al betaald hadden moesten zijn; Overearnest = al te ernstig; subst. Overearnestness; To overeat oneself; Overestimate = overschatten, overschatting; Over-exposure = te lange belichting (photog.); Overfeed = te sterk voeden, volstoppen; Overflow, ouvəflou, subst. overstrooming, groote overvloed; Overflow verb. (ouvəflou) overvloeien, overstroomen; Overflowing = overstrooming; Over-fond, ouvəfond, al te teeder, dol; Overfreight, ouvəfreit, overvracht; Over-freight = overladen; Overfull = al te vol; Over-greedy = al te gulzig; Overgrow = met plantengroei bedekken, te groot worden; Overgrown = uit de kracht gegroeid, lang opgeschoten, hooggaand; Overgrowth, ouvəgrouth, te weelderige groei, overvloed; Overhand, bovenhandsch; Overhang = overhangen, hangen over, bedreigen; Overhaul, ouvəhôl, subst. streng onderzoek of examen, inspectie, herstelling; Overhaul verb. (ouvəhôl), streng onderzoeken of inspecteeren, winnen op, herstellen, nazoeken, opzoeken: We overhauled the steamer = wij haalden in; Overhead = boven, boven het hoofd: Overhead (ouvəhed) conductor, wires = bovengrondsche geleiding; Overhear = toevallig hooren, afluisteren; Overhours = óveruren; Over-indulge = al te veel toegeven aan: She over-indulged her children; Over-issue, ouvərišû, te veel in omloop brengen (van bankbiljetten, enz.); subst. ouvərišû; Overjoy, = verrukking; He was overjoyed, (ouvədžôid) to find me = verrukt dat hij mij vond; Over-labour = met te veel werk plagen, al te “peuterig” uitvoeren; Overland, ouvəland, overlánd: The overland mail; adv. ouvəland; Overlap = overdekken, gedeeltelijk bedekken: History and geography overlap here and there = geschiedenis en aardrijkskunde raken elkaar hier en daar; Their lives overlap in the last years of our century = hunne levens vallen gelijktijdig; Over-lavish = al te kwistig; Overlay, ouvəlei, subst. stuk bedekkend papier, bekleeding; Overlay verb. (ouvəlei), bedekken, drukken op, liggen op, doodliggen: Your performance was overlaid by his = werd in de schaduw gesteld; Such books do not preserve, but overlay the old-world stories = zij verknoeien ze; Overleaf = op de andere zijde van het blad; Overleap = springen over, overtreffen, overslaan: You overleapt yourself = gij hebt te ver of te hoog gesprongen; Overlie = liggen op, doen stikken; Overlive = overléven, te boven komen; Overliver; Overload = te zwaar beladen; Overlook = overzien, het opzicht houden over, over het hoofd of door de vingers zien: My room overlooks the Thames = ziet uit op; Overlooker, opzichter, opziener; Overmanned = met te groote equipage; Overmantel = étagère-spiegel; Overmasted = met te hooge of zware masten; Overmaster = vermeesteren, overwinnen; Overmatch = de meerdere zijn, overtreffen, overwinnen; Overmeasure = toegift (bij wegen of meten); Overmuch = te veel; Overnight, ouvənait, den nacht (avond) te voren, van den laatsten nacht of avond; adv. Overnight, ouvənait, gedurende den nacht, den laatsten nacht, gisterenavond; Overpay = te veel betalen; Overpeer = uitsteken boven; Overpitch = te ver gooien, overdrijven; Overplus, ouvəplɐs, overschot, overmaat; Overpower = overstelpen, overweldigen; Overpressure, al te zware druk; Over-produce = te veel produceeren; Over-production = overproductie; Overproof = boven de normale sterkte; sterke brandewijn; Overrake = overheen harken; spoelen over; Overrate = overschatten; Overreach = verder reiken dan, de achterpooten te veel vooruitslaan (van paarden), het evenwicht verliezen; beetnemen, bedriegen, de baas worden; Override = vermoeien of afmatten (door rijden), zich niet storen aan, ter zijde zetten: To override one’s commission = zijne ambstbevoegdheid te buiten gaan; Overripe(n) = al te rijp (worden); Overroast = te sterk braden; Overrule = beheerschen, overheerschen, verwerpen, overstémmen: He was overruled = bleef in de minderheid; Overruling = oppermachtig, alles beheerschend; Overrun = overloopen, verspreiden over, invallen doen en teisteren, onderdrukken, uit elkaar loopen (bij het drukken), overstroomen, voorbijrijden (van het perron): We are overrun with mice = ’t leeft bij ons van muizen; Oversea, ouvəsî, vreemd, van over de zee; Overseas edition = editie van een courant voor de koloniën bestemd; Oversee. Zie Overlook; Overseer, ouvəsîə, inspecteur, opzichter, armvoogd: Overseer of the line (Overseer of the poor); Overseership; Oversell = meer verkoopen dan men kan leveren: An oversold market = eene markt, waar zooveel effecten verhandeld zijn, dat zij niet geleverd kunnen worden; Overset, ouvəset, subst. omverwerping: An article standing in the overset = koopwaar of artikel, dat over is; Overset verb. (ouvəset), omslaan, onderstboven werpen; Overshadow = overschaduwen, beschutten; Overshoe = overschoen; Overshoot = over het doel heenschieten: I have overshot myself = mijn neus voorbijgepraat, te veel gezegd of beweerd; An overshot wheel = waterrad, in beweging gebracht door het er overheen stroomende water; Overshotted = al te zwaar geladen (van vuurwapens), overdreven (uitdrukking); Overside, adv. ouvəsaid, adj. ouvəsaid, over de zijde, over de verschansing; Oversight = opzicht, toezicht, vergissing; Overslaugh, ouvəslô, ontslaan; passeeren bij bevordering; subst. ouvəslô, ontslag; zandbank (Amer.); Oversleep = te lang slapen: I have overslept myself = ik heb mij verslapen; Oversman, ouvəzman, opzichter; scheidsrechter (Schotl.); Overspread = bedekken, verspreiden of uitgespreid zijn; Overstate = overdrijven, te veel bewijzen: To overstate one’s case = te veel willen beweren; subst. Overstatement; Overstay = langer blijven dan: To overstay one’s time; Overstep = te buiten gaan, overtréden; Overstock, ouvəstok, subst. al te groote voorraad; Overstock verb. ouvəstok al te zeer vullen, overvoeren: Being over-stocked with copy, we can find no room for your article = daar we een overvloed van copie hebben; Overstrain = zich al te zeer inspannen, te veel vergen van, zich verrekken (= To overstrain oneself): An overstrained nervous system = overspannen zenuwgestel; Overstrung = kruissnarig; Oversubscribe = voor een te groot bedrag inschrijven; Overtake = inhalen, verrassen, overvallen; Overtask = met werk overladen: I am sorely overtasked = ik heb het veel te druk; Overtax = te zwaar belasten, overschatten; Overthrow, ouvəthrou, subst. nederlaag, ondergang, omverwerping: To give the overthrow; Overthrow verb. (ouvəthrou) omverwerpen, onderstboven gooien, veroveren; Overthwart, koppig, dwars: Overthwart, ouvəthwöt, and endlong = in de dwarste en de lengte; Overtime = overuren: To do (make, work) overtime; Overtone = boventoon (muz.); Overtop = te boven gaan, overtreffen, uitsteken boven; Overturn, ouvətɐ̂n, omkeering, omverwerping; Overturn verb. ouvətɐ̂n, omverwerpen, omgooien; Overweening, subst. groote verwaandheid; adj. aanmatigend, verwaand; Overweight = overmacht, over(ge)wicht; Overwhelm = verpletteren, overstelpen; Overwork, ouvəwɐ̂k, subst. óverwerk; Overwork verb. (ouvəwɐ̂k) al te veel werken, (doen) overwérken, uitputten; Overworn, uitgeput, afgemat, afgezaagd; Overwrought = overspannen.
Overt, ouvət, open(lijk), met uitgespreide vleugels (herald.); Overtly.
Overture, ouvətjə, subst. voorstel, aanbod, ouverture (muz.); Overture verb. aanbiedingen doen: The overtures to intimacy should always come from the higher to the lower = de aanbiedingen van vriendschap; It was difficult to refuse her overtures, she was so kind and hospitable = aanbiedingen, uitnoodigingen.
Ovid, ovid, Ovidius; Ovidian, əvidiən; Ovidius, əvidiəs.
Oviduct, ouvidɐkt, eileider; Oviform, eivormig.
Ovine, ouv(a)in, schaapachtig, schaap ...; subst. schaap.
Oviparous, əvipərɐs, eierleggend; Oviposit, ouvipozit, eieren leggen; Oviposition, ouvipəziš’n, het eieren leggen, vooral door middel van de legboor; Ovisac = eierzak; Ovoid = eivormig; Ovulite, ouvjulait, fossiel ei; Ovum = ei.
Owe, ou, schuldig zijn, moeten betalen, verschuldigd zijn, te danken hebben: To owe a person a grudge (a spite) = wrok koesteren tegen; Money was owing to him = men was hem schuldig; To have money owing = gelden hebben uitstaan; It was still owed to her = het kwam haar nog toe; Owing to = tengevolge: It is all owing to your negligence = ’t komt al door uwe onachtzaamheid.
Owl, aul, uil; Owl verb. smokkelen: As drunk as an owl = zoo dronken als eene snip; Owlery = uilennest; uilachtige hoedanigheden; Owlet = uiltje, ook = Owl-moth; Owlish = als een uil, dom.