Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 58
Heft, heft, gewicht, handvat, poging, grootste deel (Amer.); woning, verblijf (Schotl.); Heft verb. optillen om het gewicht te bepalen; gewoon worden aan (Schotl.): A Part-hefter = acteur, die de beteekenis van zijn rol afmeet naar de lengte; Hefty = zwaar.
Hegemony, hədžeməni, hedžmoni, hîdzəmoni, hegəmoni, hîgəmoni, hegemonie.
Hegira, hedžərə, Hegira of Hedjra, vlucht van Mahomed uit Mekka (622).
Heifer, hefə, vaars.
Heigh, hei, hai, hei! holà! Heigh-ho = ha, och, o wee!
Height, hait, hoogte, verhevenheid, toppunt, gestalte, lengte: In the height of fashion = naar de laatste mode; We were in London at the height of the season = toen de “season” in vollen gang was; The height of summer = het hartje; Heighten = verhoogen, verheffen, vermeerderen, versterken.
Heinous, heinəs, afschuwelijk, snood, misdadig; subst. Heinousness.
Heir, êə, subst. erfgenaam, nakomeling; Heir verb. erven; Heir-at-law, Heir-apparent = rechtm. erfgen. of troonopv.; Heir-general = universeele erfgen.; Heir-presumptive = vermoedelijke erfgenaam (wiens rechten ophouden, zoo er nog een ander erfgenaam, den bezitter nauwer verwant, geboren wordt); Joint heir = mede-erfgenaam; Heiress = erfgename; Heirless = zonder erfgenamen; Heirloom = erfstuk; Heirship = erfrecht.
Held, held, imp. en part. perf. van to hold.
Helen, hel’n, Helena (St.), helənə, həlînə.
Heliac, hîliək, Heliacal, hilaiək’l, met de zon opkomende en ondergaande,
Helianthus, hîlianthəs, zonnebloem.
Helical, helik’l, spiraalvormig; Helical-spring = spiraalveer.
Helicon, helikon; Heliconian, helikounj’n, tot den Helicon behoorende.
Heligoland, heligəland, Helgoland.
Heliocentric, hîliousentrik, met de zon als middelpunt.
Heliochromy, hîliəkroumi, hîliokrəmi, kleurenphotographie.
Heliograph, hîliəgraf, heliograaf; Heliograph verb. heliographeeren; adj. Heliographic(al); Heliography = heliographeeren, heliographie; Heliogravure, hîliəgreivjə, heliəgravûə, heliogravure; Heliometer, hîliomətə, toestel aan kijker om den schijnb. diameter van de zon te bepalen; Helioscope, hîliəskoup, helioscoop.
Heliotrope, hîliətroup, heliotroop (plant, gesteente, astron. instrument).
Helium, hîliəm, helium.
Helix, heliks, hîliks (Meerv. Helixes, hîliksiz, Helices, helisîz), spiraal, schroeflijn; slakkenhuis of buitenste zoom van het oor; huisjesslak; schelpslak.
Hell, hel, hel, speelhuis: What the hell do you want? Where the hell are you driving at? To play hell and Tommy = de beest spelen; Hell-cat = feeks = Hell-hag; Hell-hated = verfoeid en veracht als de hel; Hell-hound = helhond, cerberus; Hellish.
Hellebore, heləbö, Helleborus, nieskruid.
Hellene, helîn, helîn, Helleen; Hellenian, helînj’n = Hellenic, helînik, Helleensch; Hellenism, helinizm, Hellenisme; Hellenists, helinists, Grieksche joden in Egypte gevestigd, die het Hellenisme tot bloei brachten, Hellenisten; adj. Hellenistic(al); Hellenize, helinaiz, Grieksche gewoonten aannemen, Grieksche idiomen nabootsen.
Hellespont, heləspont.
Helm, helm, subst. roer, helmstok, roer van staat; helm; Helm verb. besturen: At the helm (of) = aan ’t roer (ook fig.); Helmless = zonder roer of helm; Helmsman = roerganger.
Helmet, helmət, helm; Helmeted.
Helminthagogue, həlminthəgog, wormkoekje; Helminthic, həlminthik, wormen verdrijvend (middel).
Helot, helət, hîlət, heloot, slaaf (in het oude Sparta), lijfeigene; Helotism = toestand van een heloot; Helotry = staat van een heloot; de gezamenlijke heloten.
Help, help, subst. hulp, bijstand, steun, ondersteuning, helper; Help verb. helpen, bijstaan, ondersteunen, voorkomen, nalaten, bedienen: There is no help for it = er is niets aan te doen; That is but my second help = ik word pas voor de tweede maal bediend; You give large help(ing)s = groote porties; He couldn’t help himself = kon er niets aan doen; He shan’t go if I can help it = als ik er wat aan doen kan; I couldn’t help attaching myself to him = ik moest me wel aan hem hechten; Thank you for helping me forward = dat je me zoo vooruit geholpen hebt; He helped me off with my cloak = hielp mij afdoen; Let me help you off time = laat ik u den tijd helpen verdrijven; He helped me on with my coat = hielp mij aantrekken; Can’t you help me on = kunt gij mij niet voorthelpen? To help out with = aanvullen met; He helped me over the stile = hij heeft mij over het hek geholpen; May I help you to a potato = mag ik u geven? He helped me to my coat = verschafte mij; Helpmate = helper, helpster, kameraad, echtgenoote = Helpmeet; Helper; Helpful = hulpvaardig, heilzaam; subst. Helpfulness; Helping = portie voedsel: I have not yet finished my first helping of veal = mijne eerste portie kalfsvleesch; Helpless = hulpeloos, machteloos, radeloos, ongeneeslijk: He was helplessly drunk = stomdronken; subst. Helplessness.
Helter-skelter, heltəskeltə, holderdebolder, verward: A helter-skelter young fellow = onbesuisd.
Helve, helv, steel van een hakmes, bijl, enz.; Helve verb. van een steel voorzien: That is throwing the helve after the hatchet = dat is den steel naar de bijl werpen; Helver = handvat.
Helvellyn, helvelin.
Helvetia, helvîšə, Helvetië; Helvetian, helvîš’n, subst. en adj. Zwitser(sch); Helvetic, helvetik, subst. Zwitser; adj. tot Helvetië behoorende.
Hem, hem, subst. “H’m”, korte hoest; zoom, rand, boord; Hem verb. “h’m” roepen, aarzelen; zoomen, insluiten, omsingelen: Hemmed in with enemies, I knew not what to do = door vijanden van alle kanten ingesloten; My feelings hemmed in my speech = beletten mij te spreken; Hem-stitch = zoomsteek.
Hemans, hemənz, hîmənz.
Hematite, hîmətait, hemətait, bloedsteen, rood en bruin ijzererts.
Hemi, hemi, (in samenstellingen) half...: Hemicarp, hemikâp, vrucht (zooals eene perzik) die zich vanzelf in tweeën deelt; Hemiplegia, hemipledža, verlamming aan de eene zijde van het lichaam; Hemisphere, hemisfîə, halfrond; Hemitone, hemitoun, halve toon.
Hemlock, hemlok, dolle kervel; Hemlock-spruce = Canadeesche (Hemlock) spar.
Hemp, hemp, hennep, werk; Hemp-nettle = hennepnetel; Hemp-seed = hennepzaad: To die of a hempen fever = aan de galg sterven.
Hen, hen, kip, hen: Every hen must sit on her own nest = ieder moet zijn eigen zaakje opknappen; Hen-bane = bilzenkruid; Hen-coop = hoenderhok; Hen-harm, Hen-harrier = blauwe kuikendief; Hen-hawk = kuikendief; Hen-house = kippenhok; Hen-peck: He is a hen-pecked husband = hij zit onder de plak van zijne vrouw; Hen-roost = hoenderrek, kippenhok; Hennery = kippenloop.
Hence, hens, adv. vanhier, hier vandaan, daardoor komt het dat; interj. weg, ruk uit; A week hence = over eene week; Hence I am sad = dat is de reden mijner droefheid; (From) henceforth, hensföth, Hence forward, hensföwəd, hensföwəd, voortaan.
Henchman, henšm’n, vroeger een bediende of page; betaalde politieke aanhanger, handlanger.
Hendecagon, hendekəgon, elf hoek.
Hendecasyllable, hendəkəsiləb’l (vers)regel van elf lettergrepen; adj. Hendecasyllabic.
Henriette, henrietə. Henry, henri.
Hent, hent, grijpen, pakken.
Hepatic(al), hipatik(’l), lever..; Hepatite, hepətait, hîpətait, leversteen; Hepatitis, leverontsteking; Hepatocele = leverbreuk.
Heptachord, heptəköd, reeks van zeven noten, zevensnarig instrument; Heptagon, heptəgon, zevenhoek; Heptahedral, heptəhîdr’l, zevenzijdig; Heptahedron, heptəhîdr’n, zevenzijdige figuur; Heptangular, heptaŋgjulə, zevenhoekig; Heptarchy, heptâki, heptarchie; Heptastich, heptəstik, zevenregelig vers; Heptateuch, heptətjûk, de eerste zeven boeken van het O. Testament.
Her, hɐ̂, bez. en pers. voorn.w., haar.
Heracl(e)id, herəkl(a)id, Heraclide; Heracl(e)idan, herəklaid’n, subst. afstammeling van Hercules; adj. tot de Heracliden behoorende.
Herald, her’ld, subst. heraut, wapenheraut, bode, voorlooper; Herald verb. aankondigen, verkondigen: Heralds’ college = Hooge Raad van Adel, bestaande uit den Earl Marshal, 3 kings-at-arms en 6 heralds; Heraldic, həraldik, wapenkundig; Heraldry, her’ldri, wapenkunde, praal; ambt van heraut = Heraldship.
Herb, hɐ̂b, gras, kruid (éénjarig); Herb-woman = groentevrouw; Herbaceous, hɐ̂beišəs, tot de kruiden behoorende, plantenetend; Herbage, hɐ̂bidž, de gezamenlijke kruiden of grassen, gras, weide, weiderecht; Herbal = kruiden - -, planten - -; subst. kruidenboek, herbarium; Herbalist = kruidenkenner, plantenverzamelaar, handelaar in geneeskrachtige kruiden; Herbarium, hɐ̂bêriəm, plantenverzameling, herbarium; Herbiferous, hɐ̂bifərɐs, planten voortbrengend; Herbivora, hɐ̂bivərə, plantenetende dieren; enkelv. Herbivore; Herbivorous, hɐ̂bivərɐs, plantenetend; Herborize = botaniseeren.
Herculean, hɐ̂kjûlj’n, herculisch, buitengewoon sterk, groot, moeilijk of gevaarlijk; Hercules, hɐ̂kjulîz, Hercules: Hercules beetle = Herculeskever.
Hercynian, hɐ̂siniən: Hercynian forest = groot bergwoud.
Herd, hɐ̂d, subst. kudde, troep, zootje herder, hoeder; Herd verb. in kudden leven zich vereenigen, hoeden, oppassen: To herd cattle; Herd-book = rundveestamboek; Herd’s-grass = weidegras; Herd’s-man = veehoeder = Herder (Amer.) ook (fig.).
Here, hîə, hier, bij deze gelegenheid: Here’s to J.! = daar gaat (= ik drink op) J.; It was Sir P. here, Sir P. there, Sir P. everywhere = vóór en na; It’s Mr. D. here, and Mr. D. there; That is neither here nor there = dat hoort er niet bij, doet niets tot de zaak af; Here you are = alstublieft; Hereabout(s) = hieromtrent, hier in de buurt; Hereafter = subst. het hiernamaals; adj. aanstaande, toekomstig; adv. hierna, voortaan; Hereat = hierbij; Hereby = dichtbij; Herein = hierin; Hereof, hiervan, hier vandaan; Hereon = hierop; Hereto = hiertoe, hierbij; in overeenstemming hiermede; Heretofore = eertijds, vóór dezen; Hereupon = hierop; Herewith, Herewidh, hiermede, bij deze(n).
Hereditable, həreditəb’l, erfelijk; Hereditament, herəditəment, həreditəment, erfgoed; Hereditary, həreditəri, erfelijk, overerfbaar (van ziekte), erf..; Heredity, hərediti, erfelijkheid, overerving.
Hereford, herfəd.
Heresiarch, herəsiâk, hərîsiâk, aartsketter, ketterhoofd; Heresy, herəsi, ketterij; Heretic, herətik, ketter; Heretical, həretik’l, kettersch.
Heriot, heriət, schatting, aan den landheer te betalen bij den dood van den pachter.
Herisson, heris’n, Spaansche of Friesche ruiter (Mil.); egel (Herald.).
Heritability, heritəbiliti, erfgerechtigdheid, erfelijkheid; adj. Heritable; Heritage, heritidž, erfenis, erfdeel.
Hermaphrodite, hɐ̂mafrədait, subst. tweeslachtig dier of plant; adj. tweeslachtig; adj. Hermaphroditic(al), hɐ̂mafrəditik(’l), Hermaphroditism, hɐ̂mafrədaitizm.
Hermeneutic(al), hɐ̂mənjûtik(’l), uitleggend, verklarend; Hermeneutics, hɐ̂mənjûtiks, uitlegkunde (vooral van de H. Schrift).
Hermes, hɐ̂mîz, Hermes.
Hermetic(al), hɐ̂metik(’l), hermetisch, luchtdicht.
Hermione, hɐ̂maiənî.
Hermit, hɐ̂mit, kluizenaar; adj. Hermitical; Hermitage, hɐ̂mitidž, kluis, soort Fransche wijn (wit of rood).
Hernehill, hɐ̂nhil.
Hernia, hɐ̂niə, breuk; adj. Hernial; Herniology, hɐ̂niolədži, leer van hernia, verhandeling over breuken.
Hern(shaw), hɐ̂n(šô), jonge reiger.
Hero, hîrou, held, halfgod; Hero-worship = heldenvergoding; Heroic, hirouik, heldhaftig, helden...: He goes into heroics = vervalt in bombastische taal; Heroic age = de heldentijd; Heroic treatment = drastische behandeling (van een ziektegeval); Heroic verse = versregel van vijf jamben (bij de modernen), hexameter (bij de ouden); Heroine, herouin, heldin; Heroism, herouizm, heldenmoed; Hero-ship = heldendom.
Herodians, həroudj’nz, partij van Herodes (= Herod, herəd: Matth. XXII, 15 en 16).
Heron, her’n, Hern, hɐ̂n, reiger; Heronry = reigerhut.
Herpes, hɐ̂pîz, vlecht (huidziekte).
Herpetology, hɐ̂pətolədži, leer van de kruipende dieren.
Herring, heriŋ haring: Fresh herring = panharing; Pickled herring = pekelharing; Red herring = bokking, Zie Aniseed-bag; Such an inquiry should not end in a savour of red herring = zulk een onderzoek moet niet eindigen onder de verdenking, dat de jury listig op een dwaalspoor is gebracht; I suppose that line will be your red herring with the jury = met die argumentatie zul je de jury het spoor bijster willen maken (hoofdzaak en bijzaak willen doen verwarren); Vinegared herring = zure; Herring-bone = haringgraat, diagonale dwarssteek, diagonaal metselwerk; Herring-buss = haringbuis; Herring-fishery = haringvisscherij; Herring-pond = de (Atlantische) Oceaan (Amer.): To cross the herring-pond = oversteken naar Amerika; gedeporteerd worden.
Herrnhuter, hɐ̂nhûtə, Hernhutter.
Hers, hɐ̂z, de of het hare, van haar; She was by herself = alléén.
Herse, hɐ̂s, hekel of hamei.
Hertford, hâfəd; Hertfordshire, hâfədšə = Herts, hâts.
Hertha, hɐ̂thə, Oud-Noorsche godin der aarde.
Hervey, hɐ̂vi.
Hesiod, hîsiod, Hesiodus; adj. Hesiodic, hîsiodik.
Hesitate, heziteit, hesiteit, aarzelen, weifelen, stamelen; Hesitation, heziteiš’n, hesiteiš’n, aarzeling, weifeling, hapering; adj. Hesitative.
Hesper(us), hespər(əs), avondster; Hesperia(n), hespîriə(n), subst. (bewoner van) Hesperië of het Avondland; adj. westelijk; Hesperides, hesperidîz, de Hesperiden.
Hesse, hes, Hessen; Hessian, heš’n, subst. bewoner van Hessen; politieke huurling (Amer.); adj. tot Hessen behoorende: Hessian boot = hooge rijlaars met kwastjes van voren; Hessian fly = eene kleine mug, wier larve in plantenuitwassen leeft (Cecidomyia).
Hest, hest, bevel, gebod.
Heter(o), hetə(rou) (in samenstellingen), anders, vreemd, verschillend: Heteroclite, hetərəklait, subst. en adj. onregelmatig gebogen (woord); Heterodox, hetərədoks, onrechtzinnig, kettersch; Heterodoxy, hetərədoksi, ketterij, onrechtzinnigheid; Heterogeneous, hetərədžîniəs, ongelijksoortig; Heterogenesis, hetərədženəsis, voortbrenging van nakomelingen verschillend van de ouders.
Hetman, hetm’n, hetman.
Hew, hjû, houwen, hakken, vellen.
Hewes, hjûz; Hewitt, hjûwit.
Hex(a), heks(ə), (in samenstellingen), zes; Hexadactylous, heksədaktiləs, met zes vingers of teenen; Hexagon, heksəgon, zeszijdige figuur, zeshoek; Hexahedral, heksəhîdr’l, zeszijdig; Hexahedron, heksəhîdr’n, zeszijdig lichaam, kubus; Hexameter, heksamətə, subst. zesvoetige versregel; Hexametric(al), met zes voeten; Hexangular, heksaŋgjulə, zeshoekig; Hexapod, heksəpod, zespootig insekt; Hexastich, heksəstik, zesregelig gedicht; Hexastyle, heksəstail, tempel of gebouw met zes zuilen in het front.
Hey, hei, ha, hei, hoera! It is hey for R. now = Het is nu: vooruit naar R.: Hey-day, heidei, he! subst. toppunt, storm: Hey Presto! Change! = Rrrt! iets anders!
Hezekiah, hezəkaiə, Hiskia.
Hi, hai, he!
Hiatus, haieitəs, gaping, leemte, hiaat.
Hiawatha, haiəwâthə, haiəwôthə.
Hibernate, haibɐ̂neit, den winter in slapenden of verstijfden toestand doorbrengen (van dieren); overwinteren; subst. Hibernation.
Hibernia, haibɐ̂njə, Ierland; Hibernian, haibɐ̂nj’n, subst. Ier; adj. Iersch; Hibernicism, haibɐ̂nisizm, Iersch idioom; Hiberno-celt, haibɐ̂nouselt, Iersche Kelt; Hiberno-Celtic = Oud-Iersch.
Hiccough, Hiccup, hikɐp, subst. hik; Hiccough verb. den hik hebben.
Hickery pickery, hikəripikəri, mengsel van gestampte kaneelbast en aloe = Hicra picra.
Hickory, hikəri, hickoriehout, witte N. Amer. walnotenboom; adj. taai en sterk (Amer.): Hickory shirt (shorts) = hemd (onderbroek) van gestreept katoen.
Hid(den), hid(’n), imp. en p.p. van to hide: The spaces of the Hid = het onbekende land.
Hidalgo, hidalgou, Hidalgo.
Hidder and shidder, hidəran(d)šidə, hij en zij, mannetje en wijfje.
Hide, haid, subst. huid, zweep, oude landmaat: I have curried his hide = I gave him a good hiding = ik heb hem goed afgerost; Hide-bound = met strakke huid of bast; bekrompen: You cannot fatten a hide colt = een veulen met strakke huid; That is hide conservatism = star, bekrompen conservatisme.
Hide, haid, verbergen, geheim houden, ranselen, verborgen zijn, zich schuil houden, bedekken: To hide one’s face = zijn aanschijn verbergen, zijn gunst onttrekken, niet achtslaan op; zich schamen; I will hide my face from it = zal het over het hoofd zien; The children were playing at hide-and-seek = de kinderen waren aan het verstoppertje spelen; Hiding, haidiŋ, het verbergen, schuilplaats; pak ransel: He was in hiding there = hield zich daar schuil; Hiding-place = schuilplaats.
Hideous, hidjəs, leelijk, afzichtelijk; subst. Hideousness.
Hie, hai, zich haasten.
Hiemal, haiəm’l, winter....
Hierarch, hairâk, opperpriester, kerkvoogd; Hierarchal, hairâk’l, hairɐ̂k’l = Hierarchic(al), haiərâkik(’l) = hierarchisch; Hierarchy = priesterregeering, kerkheerschappij; Hieratic(al), hairatik(’l), hiëratisch, priesterlijk.
Hieroglyph, hairəglif, subst. hiëroglief; adj. Hieroglyphic(al).
Hierophant, hairəfant, haierəfant, hoogepriester.
Hifalautin, haifəlôtin. Zie High-faluting.
Higgle, hig’l, rondventen, afdingen, zaniken of vallen over kleinigheden, vitten; Higgler = afdinger, venter.
Higgledy-piggledy, hig’ldipig’ldi, onderstboven, in volkomen verwarring, overhoop; subst. verwarde hoop.
High, hai, hoog, verheven, machtig, edel, aanmatigend, hevig, sterk riekend, pikant, scherp: The Most High = de Allerhoogste; This word must be written with a high M = groote M.; High and dry = hoog en droog; geborgen, in zekerheid; vastgezet, in ’t nauw gebracht: These people are high and dry conservatives = ouderwetsche, onvervalschte; With a high hand = uit de hoogte, brutaal, onbeschaamd; High Bailiff = vroeger voor Sheriff en Mayor gebruikt, baljuw; It is high day = klaar dag; That is all high Dutch to me = volkomen onbegrijpelijk; High German = Hoogduitsch; High jinks = groote jool; Highlife = de groote wereld; High noon = ’s middags 12 uur; On the high seas = in volle zee; High Sheriff = de voor één jaar door den koning benoemde hoogste ambtenaar van een county; It is high time = hoog tijd; High old time = de goede oude tijd; High treason = hoogverraad; High water = hoog water; High wind = krachtige wind; High wine = sterke cognac (Amer.); On high = omhoog, in de lucht; To carry it high = airs aannemen; High-aimed = met een verheven of groot doel; High-blown pride = opgeblazen trots; High-bred = van zuiver bloed of ras, voornaam; High-born = van edele geboorte; High-caste = van hoogen rang; High-church, subst. Anglikaansche kerk van meer orthodoxe richting, in zooverre in verband met de Oxford of Tractarian Movement (sedert 1833) meer nadruk wordt gelegd op de beteekenis en handhaving van het Ritualism of Anglican Sacerdotalism; adj. tot die kerk behoorende; High-churchism = beginselen der High-church; High-churchman = aanhanger dezer kerk; High-class work = uitstekend; High-cockalorum = bok sta vast (kinderspel); High-coloured = met hooge, sterke kleur; in bloemrijken stijl, sterk gekleurd; High court of Justice = hoog gerechtshof; High-cross = kruis, vroeger op de markten geplaatst; High-day = hoogtij, feestdag; bloeitijd; High-faluting = hoogdravend, bombastisch, gemaakt (Am.); High-fed = volgepropt, gemest, weelderig; High-flier = fantast, wijsneus, zwendelaar: He was a high-flier at fashion = erg op de mode gesteld; High-flown = trotsch; opgeblazen, eerzuchtig; High-handed = aanmatigend, willekeurig; High-heeled: She has her high-heeled shoes on (Amer.) = wat draait zij op haar hakjes, wat steekt ze den neus in den wind; Highland = hoogland: The Highlands = bergachtig deel van Schotland; Highland fling = Schotsche dans, horlepijp; Highlander = bewoner van de Highlands; High-lived, hailaivd, voornaam; High-living, hailiviŋ, het leven op grooten voet; wonen op een zolderkamer; High-low = bottine, rijglaars; High-mass = hoogmis; High-mettled = vol vuur en opgewektheid; High-minded = grootmoedig, edel; hoogmoedig; subst. High-mindedness; High-pitched = trotsch, eerzuchtig; hooggestemd: High-pitched roof = hoog en spits dak; High-pressure = subst hooge druk; adj. met hoogen druk: High-pressure engine; High-priest = hoogepriester; High-principled = met edele beginselen; High-proof = krachtig, sterk-alcoholisch; welbeproefd; High-reaching = hoogreikend, eerzuchtig; Highroad = groote weg, straatweg; High-seasoned = sterk gekruid, pikant; High-seated = hoog gezeten; High-souled = edel van ziel; High-sounding = hoogdravend, praalziek, vol vertoon; High-spirited = vol vuur en fierheid, stoutmoedig; High-stepper = paard, dat de pooten hoog optilt, iemand die pedant stapt; High-stepping = hoogdravend, fier; High-strung = hooggespannen, overmoedig, opgeblazen; High-swollen = opgezwollen, opgeblazen; High-tasted = pikant; High-tide = hoog water, vloed; High-toned = hoog van toon, krachtig van klank; met hooge beginselen; High-water = vloed; High-watermark = hoogpeil; Highway = straatweg, groote weg: To take the highway = struikroover worden; Highwayman = struikroover; Highwrought = fijn bewerkt; opgewonden; Highly: To think highly of = een hoogen dunk hebben van; Highness = hoogheid, verhevenheid: Your Highness = Uwe Hoogheid.
Highty, haiti; Highty-flightiness = wuftheid; adj. Highty-flighty; Highty-tighty = Hoity-toity: Do not turn me off in that Highty manner = zend mij niet weg op die hooghartige manier.
Hilarious, h(a)ilêriəs, vroolijk, opgewekt; Hilarity, h(a)ilariti, vroolijkheid, opgewektheid.
Hilary term, hiləritɐ̂m, vroegere zittingstijd (11 Jan.–31 Jan.) in de Eng. gerechtshoven; thans Hilary Sittings van 11 Jan. tot den Woensdag vóór Paschen; cursus van 14 Jan. tot Zaterdag vóór Palmzondag aan de Univ. van Oxford.
Hill, hil, heuvel; Hill verb. aanaarden; Up hill down dale = berg op berg af; As old as the hills = zoo oud als de weg naar Kralingen; To go down the hill = achteruitgaan, minder worden; Hill-folk = bergbewoners; Hill-side = helling van een heuvel; Hill-top = heuveltop; Hill-wort, hilwɐ̂t, polei; Hilliness = heuvelachtigheid; Hillock = heuveltje, bergje; Hilly = heuvelachtig.
Hilt, hilt, hecht, gevest: You can count upon me up to the hilt = volkomen; Up to the hilt in debt = tot over de ooren; Mortgaged up to the hilt = geheel; You have proved it (up) to the hilt = gij hebt het zonneklaar bewezen.
Him, him, pers. voornw., hem; Himself = hemzelf, zichzelf: He was not himself yesterday = zichzelf niet, niet lekker; He was by himself = alleen; He kept himself to himself for some time = hij zonderde zich af.
Himalaya, himâljə, himəleijə, himəlaijə: Himalaya Mountains = The Himalayas = het Himalayagebergte.
Hind, haind, subst. hinde; boer, boerenarbeider, knecht.
Hind, haind, achterste: Hind before = achterstevoren; With their heads turned hind foremost = achterstevoren; Hind-leg = achterpoot; Hindmost = achterste; Hinder, haində, achterste, laatste = Hindermost = laatste.
Hinder, hində, hinderen, verhinderen, beletten, moeielijkheden in den weg leggen: He hindered me from coming = belette mij; Hind(e)rance, hindr’ns, hindernis, nadeel = Hinderer, ook hij die verhindert.
Hindi, hindî, Noord Ind. dialect; Indiër.
Hindoo, Hindu, hindû, hindû, subst. en adj. Hindoe(sch); Hinduism, hindûizm, leer der Hindoes; Hindu Kush, hindukûš; Hindustan, hindustân; Hindustani, hindustânî, Hindostansch(dialect).
Hinge, hinž, subst. hengsel, scharnier, spil; Hinge verb. van hengsels voorzien, draaien, steunen, afhangen: Things are off the hinges = de boel is in de war; Everything hinges on that fact = om dat feit draait alles.
Hink, hiŋk, sikkel.
Hinny, hini, subst. muildier; Hinny verb. hinniken.
Hint, hint, subst. zinspeling, wenk; Hint verb. zinspelen, een wenk geven, aan de hand doen, toespelingen maken: Do not hint at a present = maak vooral geene toespeling op; The beauties of nature are not only hinted, but brought home = niet slechts aangeduid, maar voelbaar gemaakt; He took the hint = begreep den wenk.