Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 146
Walk, wôk, subst. wandeling, gang, pas, wandelplaats, laan, weg, baan, kring, tak, branche; Walk verb. gaan, loopen, wandelen, betreden, slaapwandelen, spoken, doen wandelen of loopen: A milkman’s walk = ronde, klanten; Humble walk of life = nederige stand, beroep; In all walks of life = levenssferen; In this walk he is without a competitor = in deze afdeeling (vak); To go for (To take) a walk = uit wandelen gaan; Carriages have to walk here = moeten stapvoets rijden; Does your friend walk? = is uw vriend een slaapwandelaar (= Does he walk in his sleep?); To walk the chalk = langs een krijtlijntje loopen om te toonen, dat men niet dronken is; To walk the hospitals (wards) = kliniek loopen; Will you walk the little three-year-old? = den kleine van drie jaar bij het handje nemen; To walk a minuet = een menuet dansen; The pirates made their victims walk the plank = spoelden .... de voeten (fig.); He had to walk the plank = ontslag nemen; The watchman had just walked his round = de ronde gedaan; They walked the streets = liepen ’s avonds langs de straten, leidden een zedeloos leven; They walked into the eatables = spraken geducht aan; To walk off = (hoofdpijn) door wandelen verdrijven; To walk one’s legs off = zich te schande loopen; He walked over us = deed ons zijne macht gevoelen; To walk over (the course) = geen partij hebben, een gemakkelijke overwinning (= A walk-over) hebben; The Tories were allowed to walk over = de conservatieven wonnen den zetel (terwijl de liberalen geen candidaat stelden); Somebody is walking over my grave = er loopt een hondje over mijn graf; He walked up to me = kwam naar mij toe; Walker, subst. wandelaar, lanterfanter: Hookey walker = Loop! “Mot je mijn hebben?” Walking: Walking-gentleman = figurant; Walking-lady = figurante; At a walking-pace; Walking-stick = wandelstok; Walking-ticket = ontslag(briefje) (= Walking-papers, Amer.); Walkist = wandelaar van beroep.
Wall, wôl, muur, wand, wal, verdediging; Wall verb. ommuren, versterken, als een muur oprijzen (up): To drive (push, thrust) to the wall = in ’t nauw drijven, verpletteren; Give him the wall = laat hem aan den hoogen kant loopen (tusschen den muur en u zelf); To go to the wall = het onderspit delven, geruïneerd zijn; What with her painting, what with her music the household affairs went a little to the wall = leed de huishouding er eenigszins onder; His health went to the wall = nam af; He was weak and went to the wall = en bezweek, stierf; Every one went to the wall to make room for him = ging op zij; To have one’s back to the wall = vastberaden weerstand bieden; I have taken the wall of him = ik heb het van hem gewonnen; The enemies were within the walls = binnen de muren der vesting; He is a fool and ever shall (be), that writes his name upon a wall = gekken en dwazen schrijven hun namen op deuren en glazen; Walls (may) have ears = de muren hebben ook ooren; The opening was walled up = werd dichtgemetseld; Wall-creeper = muurkruiper (soort v. specht); Wall-eye = glasoog (ziekte bij paarden); adj. wall-eyed: Because you are wall-eyed you think we have the same blank outlook = omdat gij blind zijt denkt gij dat dit met ons ook het geval moet zijn; Wall-flower = muurbloem (ook fig.); Wall-fruit = vrucht(en) van leiboomen = Wall-fruit trees; Wall-moss = soort v. korstmos; Wallpaper = behangsel; Wall-pepper = muurpeper; Wall-piece = soort v. haakbus; Wall-plate = onderlaag voor balken op een muur; Wall-sided = met rechtopstaande zijden boven de waterlijn; Wall-spring = rotsbron; Wall-Street = straat waar de effectenbeurs staat (N.-York): He lost his money on Wall-Street = met speculeeren; Wall-tree = leiboom; Wallwort = lage vlier.
Wallaby, woləbi, soort kangeroe.
Wallace, wolis; Wallachia, woleikjə, Wallachije; Wallachian, subst. en adj. (bewoner) van Wallachije: Wallachian sheep.
Wallah, wola, koopman, bediende: Competition wallah = iemand, die na een vergelijkend examen bij de Indian Civil Service is gekomen.
Wallet, wolət, knapzak, geldbuidel, portefeuille, leeren taschje.
Wallis, wolis.
Walloon, wolûn, subst. Waal, Waalsche taal; adj. Waalsch.
Wallop, woləp, koken, borrelen, opborrelen, duchtig ranselen: This is only a tickling to the walloping you’ll get to-morrow = nog maar kietelen bij het pak slaag dat je morgen krijgt; Walloping = reusachtig.
Wallow, wolou, subst. plas; Wallow verb. wentelen, plassen, rollen, woelen: The wallow of the sea = het rollen; To wallow in pleasure = zwelgen in genot.
Walmer, wômə; Walmsley, wômzli.
Walnut, wôlnɐt, wolnɐt, walnoot.
Walpole, wolpoul.
Walrus, wolrɐs, walrus.
Walsh, wolš; Walsingham, wolsiŋ’m; Walter, wôltə; Waltham, wolth’m; Walton, wôlt’n.
Walt(y), wolt(i), rank (v. schepen).
Waltz, wôlts, subst. wals(muziek); Waltz verb. walsen; Waltzer.
Walworth, wolwəth.
Wamble, womb’l, misselijk zijn: My stomach wambles = het breekt me op.
Wampee, wompî, wampiboom (China).
Wampum, womp’m, schelpkoralen, schelpgordel door de Roodhuiden als geld of versiering gebruikt.
Wan, won, adj. bleek, ziekelijk, flets; subst. Wanness.
Wand, wond, roede, tooverstaf, staf: Charming (Magic) wand; Wanded basket = teenen mand; Wandlike.
Wander, wondə, zwerven, ronddolen, malen of ijlen, afdwalen (van het onderwerp), op een dwaalspoor brengen: Your wits are wandering = ge hebt er een paar op den loop; You are wandering from the subject = dwaalt van uw onderwerp af; He wandered in his mind = ijlde; Wanderer = zwerver; Wandering, subst. afdwaling, rondzwerving, ijlen of malen; adj. zwervend, onvast: They lead a wandering life = een zwervend leven; The Wandering Jew = de Wandelende Jood; Wandering kidney = wandelnier; Wandering tribe = nomadenstam.
Wanderoo, wondərû, een gebaarde zwarte aap.
Wandsworth, wonzwəth.
Wane, wein, subst. afneming, vermindering, verval; Wane verb. afnemen, verminderen: On the wane = aan het afnemen, aan het afsterven; Waning strength = verminderende krachten.
Wanghee, waŋhî, bamboes (wandelstok).
Wanley, wonli.
Want, wont, subst. gebrek, behoefte, gemis, armoede, nood; Want verb. ontberen, missen, ontbreken, noodig hebben, wenschen, verlangen: Want-of-confidence-vote = motie van wantrouwen; I do it for (through) want of better employment = uit gebrek aan; They are in want of everything = lijden aan alles gebrek; He is greatly in want (is in great want) of = heeft hoog noodig; He died of want = kwam van gebrek om; She felt the want of it = gemis er van; To supply a much needed want = in eene lang gevoelde behoefte voorzien; First supply the wants of the poor, and then give way to luxury = voorzie eerst in de behoeften der armen; Want one = op één na; What do you want? = wat moet je? I want mamma = ik zoek naar ma’tje; I want you to go there = ik wensch dat gij daarheen gaat; You are wanted = men zoekt je; The piano wants tuning = moet gestemd worden; I want for nothing that money can procure = ik heb alles wat voor geld is te krijgen; It wants ten minutes to (of) five = het is 5 min. vóór vijf; Want to know! = Och, kom! (Amer.); Volunteers were not wanting = er was geen gebrek aan; Three more are wanting = er mankeeren nog drie; Nothing is wanting to my happiness = er ontbreekt niets aan mijn geluk; I shall not be wanting to send you word = zal u zeer zeker zenden; He was never found wanting = mankeerde nooit, liet iemand nooit in den steek.
Wanton, wont’n, subst. lichtmis, boeleerder, boeleerster, malloot; adj. losbandig, wulpsch, dartel, speelsch, brooddronken, lichtzinnig, moedwillig, fladderend; Wanton verb. dartelen, stoeien, mallen: In wanton sport = in overmoed; subst. Wantonness.
Wapentake, wop’nteik, wap’nteik, weip’nteik, district (in Yorkshire).
Wapiti, wapiti, wopiti, N.-Am. hert of eland.
Wapping, wopiŋ.
War, wö, subst. oorlog, strijd, vijandschap, vijandelijkheid; War verb. beoorlogen, strijdvoeren: A war was carried on between these powers = er werd oorlog gevoerd tusschen; To declare war against = den oorlog verklaren aan; We are engaged in a war = in een oorlog gewikkeld; To make war on = oorlog voeren tegen; To be at war = in oorlog zijn; He was at war with his own hands and feet = wist geen weg met; The spirit is at war with the flesh = voert strijd tegen; To go to war with = oorlog aangaan met; It was war to the knife (to the death) between them = het was een strijd op leven en dood; Holy war = heilige oorlog, kruistocht; War of independence; A council of war (war-council) was held = krijgsraad werd gehouden; Several men-of-war = onderscheidene oorlogschepen; Many prisoners of war were made = krijgsgevangenen; Warring against his better self = strijd voerende tegen zijn beter ik; War-chest = krijgskas; War-council = krijgsraad; War-cry = oorlogskreet, oorlogsleuze; War-dance = oorlogsdans; War Department = Ministerie van Oorlog (Amer.); War-drum = krijgstrom; Warfare, subst. strijd, (wijze van) oorlog (voeren), vijandelijkheden; Warfare verb. oorlog voeren, kampen, strijden; Warfarer = krijgsman; War-horse = strijdros; War-insurance = assurantie tegen krijgsgevaar; War Office = Ministerie van Oorlog; War-paint = oorlogsverf (Indianen); gala, groot tenue; War-path = oorlogspad: We are on the war-path = op expeditie; War-ship = oorlogsschip; War-song = krijgslied; War-steed = krijgsros, strijdhengst; War-torch = oorlogstoorts; War-wasted = verwoest; War-whoop = oorlogskreet, krijgsgeschreeuw; War-worn = in den dienst versleten; Warlike = krijgshaftig, strijdbaar, oorlogs...: Warlike paraphernalia (parəfəneiljə) = oorlogstoebereidselen.
Warble, wöb’l, subst. gekweel, lied; gezwel op den rug van een paard; Warble verb. kweelen, zingen, trillers slaan; Warbler = kweeler, zangvogel.
Ward, wöd, subst. bewaking, wacht, verdediging, bescherming, afweer, het pareeren, hechtenis, kerker, voogdijschap, minderjarigheid, pupil, wijk, stedelijk (kies)district, afdeeling of zaal in een hospitaal, werk (van een slot), buitenplein; Ward verb. bewaken, verdedigen, beschermen, terugdrijven, afweren: To be held in ward = in verzekerde bewaring gehouden; To keep watch and ward = streng de wacht houden; To put in ward = gevangen zetten; The thrust was warded off by me = gepareerd; Ward-mote = vergadering van het bestuur v. een ward; Ward-penny = bewakingsgeld, waakgeld; Wardrobe = kleerkast, garderobe: Wardrobe keeper = Wardrober = bediende bij de wardrobe; Ward-room = officierskajuit aan boord van een oorlogsschip; Wardship = voogdijschap, minderjarigheid; Warden = bewaker, bewaarder, custos, rector van sommige colleges; vrederechter (Amer.); soort peer: Lord Warden of the Cinqueports = ambtenaar oorspronkelijk belast met de (kust)verdediging der Cinque-ports; thans bezoldigd eereambt, onvereenigbaar met het lidmaatschap van het Parlement; Warden-pie = perenpastei; Wardenship = bewaarderschap; Warder = bewaker, wacht; commandostaf: Wardens of the Tower = ambtenaren ter bewaking v. staatsgevangenen in den Tower.
Ware, wêə, waren, goederen; soort zeewier; Ware = Aware, Beware: Ware oars! = pas op de riemen! (bij het passeeren van een andere boot); Ware wire, Sir! = pas op het prikkeldraad (jachtterm); China ware = porselein; Earthenware = aardewerk; Hardware = ijzerwaren; Warehouse = pakhuis, magazijn, entrepôt = Bonded warehouse; Warehouse-keeper = Warehouse-man = pakhuishouder, pakhuismeester; Warehouse-warrant = cedel; Warehousing = het opslaan van goederen in pakhuis of entrepôt; Ware-housing-system = het entrepôt-stelsel; Ware-room = pakkamer, uitstalkamer.
Warham, wor’m.
Wariness, wêrinəs, subst. v. Wary.
Warlock, wölok, toovenaar, geestenbezweerder; Warlockry = toovenarij.
Warm, wöm, adj. warm, heet, vurig, ijverig, enthusiast, hartstochtelijk, intiem, versch, hartelijk, gegoed, rijk; ook subst.; Warm verb. verwarmen, afranselen, warm worden, zich opwinden: Warm contest = heete strijd; Warm colour; To give one’s hands a warm = z’n handen warmen; Have a warm = warm je eens goed; He is warm = zit er warmpjes in; You are getting warm = je brandt je (bij het blindemanspel); This place is too warm for me = ik ben hier niet op mijn gemak; They made the town warm for him = hij kreeg het te benauwd; To sit pretty warm = er warm inzitten; He warmed to his subject = zijn onderwerp sleepte hem mede; Warmed up remains of the evening meal; Warm-blooded = warmbloedig; Warm-hearted = hartelijk, oprecht; Warmer = wie of wat verwarmt; Warming, subst. pak slaag; adj. verwarmend: Warming-pan = beddepan, iemand die eene betrekking vervult om deze open te houden tot de bedoelde persoon ze vervullen kan; groot ouderwetsch horloge; Warmth = warmte, vuur, gloed, hartelijkheid.
Warn, wön, waarschuwen, aanzeggen, oproepen: I warn you against such a behaviour = waarschuw u voor; He warned us of the coming of the general = kondigde aan; They were warned off the hunt, being unfit to ride = nun werd aangezegd, niet mee te gaan op jacht; The infirm and aged are warned off = worden hier niet toegelaten (worden gewaarschuwd weg te blijven); Warner; Warning = waarschuwing, aankondiging, dienstopzegging: My mistress has given me warning = heeft mij den dienst opgezegd; I gave you proper warning of it = heb u behoorlijk er voor gewaarschuwd; Take warning of his example = spiegel u aan; Warning notice-boards = waarschuwingsborden.
Warp, wöp, subst. schering (Warp and woof), kromming, boegseerlijn, werptros; slib; Warp verb. kromtrekken, krimpen, verdraaien, een verkeerde richting geven, scheren, kunstmatig besproeien of inundeeren, boegseeren, verhalen, bevloeien; Warped = krom, verdraaid, vertrokken: A warped, unframed photo stood on his desk = een kromgetrokken; His conclusions are occasionally warped by sympathy = zijne voorliefde maakt dat zijne conclusies wel eens wat verdraaid zijn; Warper = werkman, die de schering aanzet; Warping: Warping-bank = dam om het water op een stuk land te houden; Warping-machine, Warping-mill = handmolen tot het maken der schering.
Warrant, worn’t, subst. volmacht, machtiging, proces-verbaal, bevel tot inhechtenisneming, borgstelling, garantie, cedel, aanstelling door den korpskommandant; Warrant verb. waarborgen, garandeeren, machtigen, toestaan, bekrachtigen, verzekeren, instaan voor, betuigen, verdedigen: Warrant to appear = dagvaarding; The death-warrant was signed by the king = doodvonnis; A search-warrant = bevel tot huiszoeking, opsporing, enz.; Warrant of apprehension, arrest = bevel tot aanhouding of arrestatie; Warrant of attorney = procuratie of notarieele volmacht; Warrant of caption = steekbrief; Warrant of distress = bevel tot beslaglegging; Warrants were issued = bevelschriften werden uitgevaardigd; Without a warrant = ongemotiveerd; Warrant officer = officier met rang tusschen luitenant en sergeant, dek-officier (te vergelijken met onze onder-luitenants en adjudant-onderofficieren) bij warrant aangesteld; I warrant you that he is a clever fellow = verzeker u, sta er voor in; I warrant it good = sta er voor in, dat het goed is; Warrantable = verdedigbaar, wettig (= Warrant by law), oud genoeg voor de jacht er op (v. herten); Warrantee, wor’ntî, die gewaarborgd wordt; Warranter = volmachtgever, waarborger = Warrantor, wor’ntə, wor’ntö; Warranty, subst. belofte, waarborg.
Warren, wor’n, konijnenpark, fazantenpark, vischweer, krot; Warrener = opzichter.
Warrior, worjə, krijgsman.
Warsaw, wösô.
Wart, wöt, wrat: Wart-hog = soort van Amer. wild zwijn; Wart-wort = kroontjeskruid; Wartless = zonder wratten; Warty = vol wratten, wratachtig.
Warwick, worik; Warwickshire, worikšə.
Wary, wêri, omzichtig, behoedzaam.
Was, woz, imperf. (enkelv.) van to be.
Wase, weiz, weis, kussen door sjouwers op het hoofd gedragen.
Wash, woš, subst. wassching, de wasch, slappe thee, spoeling, kabbeling, golfslag, kielwater, aanslibbing, moeras, watertje voor de toilettafel, dunne metaallaag, vernisje, dun verflaagje, schijnkoop; Wash verb. wasschen, afwasschen, afspoelen, bespoelen, uitwisschen, met eene dunne verflaag bedekken, met een metaallaagje bedekken, reinigen (van erts): The wash and turmoil of the water = het klotsen en de beroering; I’ll do the wash = ga de wasch aan kant maken; To give one’s face a wash = zich het gezicht wasschen; We must have a wash = ons eens wasschen; I have sent them to the wash = heb ze in de wasch gedaan; This soap won’t wash clothes = met deze zeep kunnen geen kleeren gewasschen worden; It don’t wash = kan niet gewasschen; That won’t wash = dat gaat niet (op); To wash dishes = borden wasschen; To wash one’s hands of = zijne handen in onschuld wasschen; zijne handen aftrekken van; All their sins were washed away = zij werden van al hunne zonden gereinigd; Those spots cannot be washed out = gaan er in de wasch niet uit; A washed out creature = bleek; To wash out an affront; She washed up the tea-things = waschte af; Copper washed with silver = verzilverd koper; Wash-ball = zeepbal; Wash-board = waschplank, zetboord (op boot of sloep); Wash-gilding = nat vergulden; Wash-hand-basin = waschkom; Wash-hand-stand (Wash-stand) = waschtafel; Wash-house = waschhuis; Wash-leather = zeemleer; Wash-pot = waschkom, waschbak; Wash-tub = waschtobbe; Washable = goed blijvend in de wasch; Washer = waschvrouw, waschmachine, ringplaat (onder de moerschroef); Wash-man = waschbaas, waschman, bleeker; Wash-woman = waschvrouw; Washiness, subst. v. Washy; Washing: Washing-day; Washing-dress, Washing-fabrics = japon, stoffen, die tegen de wasch kunnen; Washing-glove; Washing-machine = waschmachine; Washing-powder = waschpoeder.
Washington, wošiŋt’n, Washington; Washingtonian, wošiŋtounj’n, subst. inwoner v. W.; afschaffer; adj. afschaffers ...; v. Washington: The Washingtonian movement = Washingtonianism = afschaffersbeweging, hunne beginselen.
Washy, woši, waterig, zwak, dun, krachteloos: Washy-looking wine = dunne, krachtelooze wijn.
Wasp, wosp, wesp: He has his head full of wasps = hij heeft allerlei kuren; Wasp-waisted = met wespentaille; Waspish = met eene wespentaille, prikkelbaar, giftig; Waspish-headed = prikkelbaar, opvliegend; subst. Waspishness.
Wassail, wosil, wasil, subst. drinkgelag; gekruid bier met wijn met Kerstmis of Nieuwjaar en opgediend in den Wassail-bowl; Wassail verb. drinken (op het welzijn van); Wassail-cup = beker waaruit wassail werd gedronken; Wassailer = drinkebroer; Wassailers = lieden, die met Kerstmis zingend rondgaan.
Waste, weist, verwoesting, vernieling, afneming, achteruitgang, verspilling, verlies, woestenij, wildernis, onbebouwde grond, gruis, afval, onheil, vlak; adj. woest, onbruikbaar, overvloedig, waardeloos, onnut; Waste verb. verwoesten, vernielen, verminderen, afnemen, verspillen, weggooien, uitteren, verteren, kwijnen, laten vervallen: In mere waste = onnut; To lay waste = verwoesten; Your candle is running to waste = loopt af; To let a garden run to waste = laten verwilderen; To waste (away) one’s money, time = verkwisten; His illness had wasted him to skin and bones = had hem geheel uitgeteerd; Waste not want not = die wat spaart, die wat heeft; The ticket would be wasteed = zou ongebruikt blijven liggen; Waste-basket = papiermand = Waste-paper-basket = prullenmand; Waste-book = memoriaal; Waste-gate = afvoersluis; Waste-paper = scheurpapier; Waste-pipe = afvoerbuis; Waste-sheet = vel misdruk; Waste-water = condensatiewater; Waste-weir = afvoerweer; Waster = doorbrenger, dief aan de kaars, elger; Wastrel = afval, woestenij; verwaarloosd kind, kind zonder thuis of onderkomen, doorbrenger.
Wat, wot, fam. voor Walter.
Watch, wotš, subst. wacht, waakzaamheid, het waken, oplettendheid, schildwacht, wachtpost, horloge, uurwerk; Watch verb. waken, bewaken, gadeslaan, de wacht houden, acht geven: Alarum watch = wekker; Keyless watch = remontoir; Repeating watch = repetitie-horloge; Stem-winding watch = remontoir; I am on the watch = sta op den uitkijk, lig op de loer; To keep good watch = goed oppassen, waken; The watch was relieved = de wacht werd afgelost; My watch has run down = mijn horloge is afgeloopen; I set a watch over them = ik liet hen bewaken; He set his watch to the city-clock = regelde zijn horloge naar; Many eminent lawyers were watching the case = woonden het proces bij; I watched the thunderstorm from this elevated position = ik sloeg het onweer gade; He watched over my childhood = hij waakte over mijne kindsheid; He watched through the long night = waakte den ganschen nacht; To watch home = nakijken tot iemand thuis is; Watch-box = schilderhuis, wachthuisje, horlogekast = Watch-case = horlogekast; Watch-chain = horlogeketting; Watch-dog = waakhond; Watch-fire = wachtvuur; Watch-glass = horlogeglas; Watch-guard = horlogeketting of -lintje; Watch-hand = horlogewijzer; Watch-house = wachthuis; Watch-key = horlogesleutel; Watch-light = nachtlicht; Watch-maker = horlogemaker; Watchman = nachtwaker, nachtwacht, baanwachter; Watchman’s rattle = ratel van een nachtwacht: To spring a watchman’s rattle = een ratel slaan; Watch-night = laatste nacht van het jaar: I attended a watch-night service in the Wesleyan chapel = woonde den kerkdienst van het oude jaar in het nieuwe bij; Watch-stand = horlogestander; Watch-tower = wachttoren; Watchword = wachtwoord, leus, motto; Watcher = waker, wacht, waarnemer, bespieder; Watchful = waakzaam: I have always been watchful of your interests = altijd nauwlettend behartigd; subst. Watchfulness.