Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 73

Chapter 732,849 wordsPublic domain

Liquorice, likəris, zoethout: Sticks of liquorice = pijpen zoethout.

Lira, lîrə, (Ital.) franc.

Lisbon, lisb’n, Lissabon; een witte Portugeesche wijn.

Lisle, lîl, lail, Rijssel; Lismore, lizmö.

Lisp, lisp, lispelen, gemaakt spreken, gebrekkig spreken; ook subst. Lisper.

Lissom(e), lis’m; Zie Lithesome.

List, list, lijst, catalogus, rand of zelfkant van laken, slagzijde (van een schip), verzakking, verlangen; List verb. op eene lijst plaatsen, werven, een rand of zelfkant maken aan, krengen (scheepst.), slagzij hebben, verzakken; behagen, lust hebben: (Lists = tournooiveld: He entered the lists = hij trad in het strijdperk); He made a black list of them = zij stonden slecht bij hem aangeschreven; I am on your black list = ik kan geen goed bij u doen; To put on the retired list = pensionneeren; List of trains = spoorlijst; List of wines = wijnkaart; List shoes (slippers) = lakensche schoenen (pantoffels); The securities will be listed on the Stock Exchange = in de officieele noteering worden opgenomen; The ship listed to one side (There was a list to one side) = helde over naar; It lists me = Me lists = het lust mij; Listless zorgeloos, onverschillig, lusteloos; subst. Listlessness.

List, list, hooren, luisteren.

Listen, lis’n, luisteren; ook subst. (Up)on the listen = luisterend; Listener = luisteraar.

Lit, lit, imperf. en part. perf. van to light.

Litany, litəni, litanie.

Literacy, litərəsi, geletterdheid.

Literal, litər’l, letterlijk, door letters uitgedrukt, nauwkeurig, prozaïsch, nuchter; subst. drukfout; Literalism = letterlijke uitleg; letterknechterij; Literalist; Literality = Literalness = Literalism.

Literary, litərəri, letterkundig, geletterd.

Literate, litərit, geletterd, beschaafd; subst. geletterde, proponent zonder universitaire opleiding; Literati, litəreitai, de geleerden of geletterden; Literatum = letterlijk; Literature, litərətjə, de letteren, letterkunde: Polite literature = fraaie letteren.

Lithe, laidh, buigzaam, lenig: subst. Litheness; Lithesome = buigzaam, lenig; subst. Lithesomeness.

Lithiasis, lithaiəsis, steenziekte.

Lithograph, lithəgraf, subst. steendrukplaat; Lithograph verb. op steen graveeren, drukken of schrijven; Lithographer, lithogrəfə, steendrukker; adj. Lithographic(al); Lithography = lithographie, steendrukkunst.

Lithuania, lithjûeinjə, Littauen: Lithuanian = Littauer; Littausch.

Lithy, laidhi, lidhi = Lithe.

Litigant, litigənt, twistend, twistziek, procedeerend; subst. partij; Litigate, litigeit, procedeeren, twisten; Litigation = proces: Embarked in litigation = in proces gewikkeld; Litigator = partij; Litigious, litidžəs, procesziek, ruzieachtig: subst. Litigatiousness.

Litmus, litməs: Litmus paper = lakmoespapier.

Litotes, laitətîz, litətîz, litotes (een stijlfiguur).

Litre, lîtə, liter.

Litter, litə, subst. draagbaar, stroo(bed), stroobedekking (voor planten), wanorde, rommel, worp (van varkens, honden, katten, enz.); Litter verb. van stroo voorzien, met stroo bedekken, als stroo gebruiken; rondstrooien, overhoop liggen of halen, op stroo liggen; jongen werpen: Quite a litter of children = een nest vol; To be in litter = drachtig zijn; To be in a litter = overhoop liggen; To make a litter = overhoop gooien; I kicked aside the objects that littered the floor = die over de vloer lagen verspreid; A room untidy and littered = eene rommelige kamer, waarin alles overhoop ligt; Littery = rommelig.

Little, lit’l, subst. kleine hoeveelheid, kleinigheid; adj. en adv. klein, gering, weinig, kort: A little money = eenig (nog al wat) geld; Little money = weinig (haast geen) geld; By little and little = langzamerhand = Little by little (soms: By littles); Little one(s) = kleintje(s), jong(en): Sleep, my little one = slaap, lieve kleine; I forgot my sorrow for a little = voor een poosje, tijdje; Upon a little = met weinig, met geringe middelen; He had been within a very little of falling in love with her = was bijna verliefd geworden; When you were little = toen je klein waart; He caught the whip by the little end = dunne eind; Is that your little game? = is datje plannetje, bedoeling? Little-go; Zie Responsions; Little-minded = kleinzielig; Littleness = kleinheid: His littleness of mind = kleinzieligheid; Littlish = vrij klein.

Littoral, litər’l, oever - -, kust - -, strand - -; subst. kustland.

Liturgic(al), litɐ̂džik(’l), liturgisch; Liturgist, litədžist, voorstander van het gebruik eener liturgie; Liturgy, litədži, liturgie.

Livadia, livədîə, Livadië.

Live, liv, leven, wonen, bestaan, uithouden: They could not go on living at this rate = op dezen voet konden zij niet blijven leven; There is no living with him = het is niet met hem uit te houden; No boat could live in such a sea = kon het uithouden; To live in clover = een lekker leventje leiden; Live and learn = al doende leert men; Live and let live; To live to see = beleven, dat; As I live = zoowaar ik leef; If I live I shall do it = als ik het beleef ...; To live away = er op los leven; To live by oneself = op zich zelf, alleen; Lawyers live by our quarrels = leven van; It is almost impossible to live such a sorrow down = te vergeten, te boven te komen; He lived that calumny down = door zijn verder leven logenstrafte hij dien laster; A toy-merchant lives on children = leeft van; He lives on his wife = van haar geld; I cannot live on 50 £ a year = leven van; She lived out = diende als dagmeisje; To live to a great age = bereiken; To live up to = in overeenstemming met; He lived up to his promise = voldeed aan; The servant has lived with us for six years = diende bij ons; Liveable = bewoonbaar, dragelijk; Lived, laivd: Long-lived = langlevend; Live-long day, livloŋ-dei = lievelange, godgansche dag; Liver = levende, bewoner (Amer.): The longest liver = de langstlevende; Livelihood, laivlihud, levensonderhoud: To earn one’s (gain, make a) livelihood = den kost verdienen. Zie Living.

Live, laiv, levend, brandend, gloeiend, glimmend, in leven; levendig, druk (Amer.), frisch, nieuw, nog ongebruikt, scherp (van patronen), geladen (electr.): The livest-looking street I ever saw = de levendigste, vroolijkste; Live coals = gloeiende kolen; Live cartridge = scherpe patroon; Live cattle = levend vee; Live feathers = veeren uit een levenden vogel gerukt; Live hair = haar van een levend dier genomen; Live shell = niet ontplofte granaat; Livestock = levende have; Liveliness, subst. v. Lively = levendig, opgewekt, natuurgetrouw, treffend, frisch, schuimend.

Liver, livə, lever: Liver-coloured = leverkleurig; Liver-oil = levertraan; Liver-spot = levervlek; Liverwort = leverkruid; The Mounted Liver Brigade = degenen, die voor hun leverkwaal in Hydepark wandelritten maken.

Liverpolitan, livəpolitən, Liverpoolsch; inwoner van Liverpool; Liverpool, livəpûl.

Livery, livəri, livrei, ambtskleeding, onderhoud van paarden (meest van vreemde eigenaren), acte van inbezitstelling; al de liverymen van Londen: To receive in livery = in bezit overnemen; Liveryman = lid van een der Livery-Companies of City gilden, dat bij feestel. gelegenheden de liveries (= furs and gowns) van zijn gilde mag dragen; Livery-servant = livreibediende (= Liveried servant); Livery-stable = stal waar paarden (Livery-horses) verhuurd en voor andere eigenaars gestald worden.

Livid, livid, loodkleurig, lijkkleurig, doodsbleek; subst. Lividity = Lividness.

Living, liviŋ, levend, stroomend, gloeiend; subst. leven, levenswijze, levensonderhoud, woonplaats; prebende, ambt van den Anglik. geestelijke, inkomsten van dat ambt: Within living memory = bij menschenheugenis; Living wage = loon waarvan men fatsoenlijk kan leven; High living = weelderige levenswijze; No man living = geen mensch ter wereld; In the land of the living = in het land der levenden; To earn (get) one’s living = zijn kost verdienen; To make a living = zijn brood hebben, de kost verdienen met (at). Zie To live.

Livingstone, liviŋst’n; Livonia(n), livounjə(n), Lijfland(er), Lijfland(sch); Livy, livi, Livius.

Lixiviate, liksivieit, loogen; subst. Lixiviation; Lixivium = loog.

Lizard, lizəd, hagedis; Lizard Point = Kaap L.

Lizzy, lizi, verk. van Elisabeth.

Llama, lâmə, ljâmə, lama, lamawol.

Llandaff, landaf; Llanelly, lanethli; Llangollen, langothlən.

Llanos, l(j)ânouz, steppen in het N. van Z.-Amerika.

Llanrwst, lan-rust; Llewelyn, luelin.

Lloyd’s, lôidz = Lloyd’s offices (rooms) = de kantoren en het instituut voor zee-assurantie, classificatie van schepen, etc.; de dagelijks verschijnende scheepstijdingen (= Lloyd’s list); de jaarlijks gepubliceerde internationale lijst van schepen (= Lloyd’s Register for British and Foreign Shipping).

Lo, lou, zie, aanschouw!

Loach, loutž, bermpje; kwabaal; meun.

Load, loud, subst. last, lading, vracht, belasting (van een veiligheidsklep), draagkracht, capaciteit; Load verb. laden, beladen, belasten, bezwaren, dik opleggen; sterk koopen: It would be loads of fun = dat zou ijselijk grappig zijn: To take a load off = verlichten, opluchten; Load-draught = diepgang van een geladen schip; Load-water-line = ladinglijn (Plimsoll-merk); Loaded: Loaded cane = stok met looden knop; Loaded dice = valsche dobbelsteenen; Loaded tongue = beslagen; Loaded wine = vervalschte, aangezette wijn; Loader = lader; Loading = het laden, lading, vracht; aandeel der premie in de bedrijfsonkosten.

Loadstar, loudstɐ̂, leidster, poolster; Loadstone, loudstoun, magneet(steen).

Loaf, louf, subst. brood: To look after the loaves and fishes = op eigen belang bedacht zijn (Mark. VI. 38); Loaf-sugar, broodsuiker (Vergel. Sugar-loaf = suikerbrood).

Loaf, louf, omloopen, rondboemelen; verboemelen (away): Loafing on Mondays = Maandag houden; Loafer = leeglooper, luilak, landlooper.

Loam, loum, subst. leem; Loam verb. met leem bedekken; Loamy = leemig, leem ...

Loan, loun, subst. het leenen, leening, geleend geld; Loan verb. uitleenen (out): I begged him for a loan of five pounds = vroeg hem ter leen; To lend the loan of = uitleenen; I put it out to loan = heb het uitgeleend; Loan-office = leenbank, bank van leening; Loanword = ontleend woord.

Loath, louth, ongeneigd, afkeerig, onwillig: To be loath to do a thing = ongeneigd zijn; Nothing loath = gansch niet ongeneigd.

Loathe, loudh, walgen, verfoeien: Even hunger loathed such bad food = ofschoon hongerlijdend walgde men van zulk slecht voedsel; Loathing, subst. walging, afkeer = Loathingness; Loathsome, loudhs’m, walgelijk: subst. Loathsomeness.

Lob, lob, subst. iets diks en zwaars, lobbes, lummel, domkop; geldlade; bovenslag bij Lawn-Tennis; Lob verb. gooien, rollen, een bovenslag maken; zich log bewegen; Lob-cock = botterik, lomperd.

Lobate, loubit, Lobed, loubd, in lobben verdeeld, uit lobben bestaande; Lobation = lobbenvorming.

Lobby, lobi, subst. kleine voorzaal; wachtkamer, couloir (in ’t Parlementsgebouw); foyer; Lobby verb. de lobby herhaald bezoeken om steun te vragen van de leden; Lobby-member, Lobbyist = couloirlooper (om invloed op de leden van het Congres (Parlement) uit te oefenen).

Lobe, loub, lob, lel (van het oor).

Loblolly, lobloli, haver (grutten)pap, soep, geneesmiddelen, lekkerbek; adj. vertroeteld; Loblolly-boy = adsistent van den scheepsdokter.

Lobscouse, lobskcaus, gerecht bestaande uit pekelvleesch, scheepsbeschuit, uien en aardappelen.

Lobster, lobstə, zeekreeft: He has boiled his lobster = is van geestelijke soldaat geworden (omdat de donkere kreeft bij het koken rood wordt, dus eene roode soldatenjas aan krijgt); Raw (Unboiled) lobster = politieagent; Lobster-box = kazerne.

Lobular, lobjulə, gelobd; Lobule, lobjûl, kleine lob.

Local, louk’l, plaatselijk; subst. plaatselijk nieuwtje, lokaaltrein, inwoner: Local colour = lokale kleur, waarheid en juistheid van beschrijving; Local option = het stelsel waarbij over “vergunningen” door stemgerechtigde inwoners wordt beslist; Local organ = plaatselijk blad; Local time = plaatselijke tijd; Localism = eigenaardigheid van (voorliefde voor) een plaats; Locality = ligging, localiteit (Amer.), plaatselijkheid; Localization = localisatie; Localize = de plaats bepalen, localiseeren.

Locate, loukeit, op eene bepaalde plaats zetten of leggen, opstellen, naar een plaats verleggen, (doel) vinden, toewijzen; mijnen (gronden) in bezit nemen, thuisbrengen, een plaats aanwijzen, gelegen zijn, wonen (Amer.); zich vestigen; Location = plaats, woonplaats; veefokkerij, boerderij (Austr.); verhuring, verpachting; aangewezen terrein; Locative of Locative, (woord of naamval) plaats aanduidende; Locator = iemand, die bezit neemt van een location, rechtmatig bezitter (Amer.).

Loch, lok, meer, zeearm; Lochaber, lokabə, lokâbə, district in het graafschap Inverness: Loch-axe = strijdbijl der Hooglanders; Lochleven, loklev’n, loklîv’n; Lochmaben, lokmeibən; Lochnagar, loknəgâ.

Lock, lok, subst. slot, haak, kluister, rem, belemmering, versperring, omknelling (bij het kampvechten), slot (van een geweer), sluis (in een kanaal); lok, krul, bosje, handvol; Lock verb. sluiten (met een sleutel), omsluiten, dicht in de armen sluiten, remmen, stijf maken, bevestigen, vastzetten (up), koppelen, stijf worden, zich (laten) sluiten, grijpen in: He is under lock and key = achter slot en grendel; Lock, stock and barrel = in zijn geheel; The ships were passed through the lock = werden doorgeschut; The door was closed but not locked = de deur was dicht maar niet op slot; Locked from without = van buiten gesl.; Locked water = stilstaand water (eig. tusschen sluisdeuren); To lock away = wegsluiten; To lock in = opsluiten; To lock out = buitensluiten; gedaan geven; uitsluiten; ook subst.; To lock up = opsluiten (milit.); vastzetten, steken in; subst. huis van bewaring; Lock-box = partic. brievenbus aan een postkantoor; Lock-chain = remketting; Lock-chamber = sluiskolk; Lock-dues = sluisgeld; Lock-gate = sluisdeur; Lock-jaw = klem (in den mond); Lock-keeper = sluiswachter; Lock-paddle = schuif (in een sluisdeur); Lock-smith = slotenmaker; Lock-step = marcheeren in dicht gesloten gelederen; Lock-stitch = kettingsteek; Lockage = sluiswerken; schutgeld; Locker = lade, kist; Not a shot in the locker = geen geld in den buidel; Zie Davy Jones.

Locket, lokət, medaillon.

Lockian, lokiən, adj. van Locke, lok.

Locofoco, loukəfoukou, subst. zwavelstok, ultraradicaal; adj. zeer radicaal (Amer.).

Locomotion, loukəmouš’n, beweging, plaatsverandering; Locomotive, loukəmoutiv, plaatsveranderend, bewegings - -; subst. locomotief (Amer.): Locomotive engine = locomotief; Locomotive organs = bewegingsorganen.

Locust, loukəst, sprinkhaan; krekel, cicade (Amer.).

Locution, ləkjûš’n, spreekwijze, uitdrukking.

Lode, loud, sloot of waterafvoerkanaal; metaalader.

Lodestar, Lodestone, Zie Loadstar, etc.

Lodge, lodž, subst. portiershuis (bij een buiten), hut, optrekje, hol, schuilplaats, loge, de leden eener loge, Indianenfamilie in één wigwam; Lodge verb. plaatsen, leggen, tijdelijk huisvesten, herbergen, plaats verschaffen, indienen, ingraven, zich nestelen, deponeeren, bevatten, blijven zitten (steken), logeeren: The lodges of the beaver = holen; To lodge a complaint (at, against, with) = een aanklacht indienen (te, tegen, bij); To lodge information (against) = aangeven; Certificates must be lodged with the committee = ingeleverd bij; I have lodged it in my memory = opgenomen; Lodge-keeper = portier bij een landgoed; Lodgeable = bewoonbaar; Lodger = bewoner (vooral van gehuurde kamers); Lodging = logies: Lodgings = gehuurde kamer: Furnished lodgings; Unfurnished lodgings; To live in (To stay at), To take lodgings; Lodging-allowance = toelage voor huishuur; A lodging-bill was stuck up in the window = verhuurbiljet; Lodging-house = huis waar men kamers verhuurt, hotel garni; Lodgement = huisvesting, deponeering, ophooping: The enemies secured a lodgement = kregen vasten voet.

Loft, loft, zolder, galerij of kraak, koor, verdieping, duiventil.

Loftiness, loftinəs, hoogte, verhevenheid, hoogmoed; Lofty = hoog, verheven, voornaam, trotsch.

Log, log, subst. blok hout; log, scheepsjournaal; Log verb. in blokken zagen (Amer.); opschrijven in het Log-book = scheepsjournaal; schoolregister; Log-cabin = blokhuis; Log-canoe = boot van een uitgeholden boomstam gemaakt; Log-headed = dom; Log-hut (Log-house) = blokhuis; Log-line = loglijn; Logman = houthakker, knecht op een zagerij; Log-reel = logrol; Log-roller = machine voor het laden van hout op de schabels; iemand, die, in vereeniging met anderen, de politiek tot bevordering der gemeenschappelijke belangen aanwendt; Influential log-rollers tried to impose that nobody upon the public = invloedrijke voorspraak trachtte het publiek dien “nul” op te dringen; Log-rolling = wederzijdsche hulp (in de politiek), wederzijdsche bewondering en aanprijzing (van letterkundigen en kunstenaars); Logwood = campèche-hout; Logged = met blokken bevestigd; vol water; stilstaand (van water); Logger = houthakker.

Logarithm, logərithm, logəridhm, logarithme; adj. Logarithmic(al), logərithmik(’l).

Loggerhead, logəhed, domkop: They are at loggerheads = zij hebben standjes; To come (get, fall) to loggerheads together = elkaar bij den kop krijgen.

Loggia, lodžiə, loggia, soort vóórgalerij.

Logic, lodžik, redeneerkunde, logica; Logic-chopper = pedante disputant; Logical = logisch; Logician = logicus.

Logography, ləgogrəfi, wijze van drukken, waarbij korte woorden of lettergrepen uit één type (logotype) bestaan en dus niet als afzonderlijke letters gezet worden.

Logomachist, ləgoməkist, haarkloover; Logomachy = haarklooverij.

Logos, logos, “Het Woord”, Christus.

Loin, lôin, lende(stuk): To gird up the loins = de lendenen omgorden; Loin-cloth = lendendoek; Loin-steak = lendestuk.

Loiter, lôitə, dralen, treuzelen, talmen: To loiter about = rondslenteren; He loitered away his time = verbeuzelde; Loiterer = treuzelaar.

Loll, lol, lusteloos (lui, gemakkelijk) liggen, lummelen, (laten) hangen uit (den bek): They lolled back in the carriage.

Lollard, loləd, lid eener sekte (14e eeuw); spotnaam van de volgelingen van Wiclif; ketter.

Lollipop, lolipop, een snoeperij; lekkerbek.

Lollop, loləp, lui liggen; zich log bewegen, heen en weer geslingerd worden.

Lombard, lombəd, lɐmbəd, Lombarde; adj. Lombardisch: It’s all Lombard street to a China orange = tien tegen één; Lombardic = Lombardisch; Lombardy = Lombardije.

Lomond, loumənd: Lake Lomond.

London, lɐnd’n, Londen; ook adj.: To carry to London = op handen dragen (kinderspel); London-pride = porseleinbloempje; Londoner = Londenaar; Londonese = Cockney dialect; Londonism = typisch Londensche uitdrukking; Londonize = de eigenaardigheden van Londen navolgen, Londensch maken.

Lone, loun, eenzaam, verlaten; Loneliness, subst. v. Lonely = alléén, eenzaam, akelig, somber; Lonesome = eenzaam; subst. Lonesomeness.

Long, loŋ, adj. lang, gerekt, langdurig, vervelend: He is cleverer than you by a long chalk = heel wat knapper; He cannot work a sum in long division = kan geen lange deelsom maken; Long dozen = dertien; Long figure = lang getal; Long firm = flesschentrekkersfirma; Long hand = gewoon schrift; Long hundred = 120 stuks (haringen); I will accept long odds against him = durf veel op hem wedden; It is long odds = het is honderd tegen één; Long premium = hooge premie; Long price = brutoprijs; hooge prijs; Long primer = klein romein (drukletter); You got a long pull = meer bier dan je besteld of betaald hebt; He will have to give it up in the long run = eindelijk, op den duur, ten lange leste; To dress, to travel by long stages = op z’n dooie gemak; It is a long way = een heel eind; I shan’t be long = ik blijf niet lang weg; He is long saying what he intends = het duurt lang voor hij zegt; The opportunity was not long in coming = liet zich niet lang wachten; To take long = langen tijd noodig hebben; The long and short of it is, that he went away = om kort te gaan; Long-boat = pinas; Long-bow: He draws (pulls) the long-bow = schiet met spek; Long-breathed, loŋbretht = lang van adem; Long-headed = vooruitziend, uitgeslapen; Longlegged = langbeenig; Long-lived, loŋlaivd, langdurig: Ours is not a long-lived family = onze familie wordt niet oud; Long-necked; Long-nosed; Long-shoreman = baliekluiver; The long-shore fraternity = baliekluivers; Long-sighted = vèrziend, sluw, slim: Long-sighted bill = wissel op langen tijd; subst. Long-sightedness; Long-staple = langdradig katoen; Long-suffering, subst. lankmoedigheid, geduld; adj. lankmoedig, geduldig; Long-tail, subst. langstaart (van jachthonden); Longs, fijne of adellijke lui; Chineezen, fazanten; adj. met ongekorten staart; Long-tongued = praatziek, babbelachtig; Long-winded: A long-winded speech = lange, vervelend gerekte redevoering; Longish = wat lang: Longish bills = al lang staande rekeningen.

Long, loŋ, verlangen, hunkeren; Longing = verlangend, hunkerend; ook subst.

Longevity, londževiti, lange levensduur, hooge ouderdom.

Longfellow, loŋfelou.

Longipennate, lonžipenit, met lange vleugels (zwemvogels).

Longirostral, lonžirostr’l, met langen snavel.

Long Island, loŋail’nd.

Longitude, lonžitjûd, geographische lengte; Longitudinal, lonžitjûdin’l, lengte...

Loo, lû, subst. gezelschapskaartspel; Loo verb. elken trek winnen bij dit spel: I am looed = ik heb geen enkelen trek; Loo-table = speeltafel, elegante ronde tafel.

Looby, lûbi, lummel.

Loof, lûf, loef (van een schip).