Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 16
Briquet(te), brikət briket, briket.
Brisgow, brisgou, Breisgau.
Brisk, brisk, adj. levendig, vlug, flink, frisch, helder brandend, snelwerkend; Brisk verb. verlevendigen, aanwakkeren (met up), snel komen aanloopen, vlug rondloopen (about); mooi kleeden; Briskness = levendigheid, etc.
Brisket, briskət, borst (van een dier), borststuk: Brisket-bone = borstbeen.
Bristle, bris’l, subst. borstel; Bristle verb. de haren overeind zetten, overeind gaan staan, opvliegen, boos worden, vol zijn van, vol liggen met: To set up a person’s bristles = nijdig maken; My desk bristles with letters; He bristled up to me = kwam verontwaardigd naar mij toe; Bristly = borstelig.
Bristol, brist’l, stad; Bristol-board = glad carton; Bristol-brick = schuursteen; Bristol-milk = sherry bowl.
Brit, brit, verkort van Britain en British; broed of jong van haring of sprot.
Britain, britn, Brittanje = Britannia: Britain metal = Brittannia-metaal; Britannic = Britsch.
British, britiš, Britsch: British gum = dextrine; Britisher = Engelschman (Amer.).
Briton, brit’n, Brit.
Brittany, britəni, Bretagne.
Brittle, brit’l, broos, vergankelijk, onzeker; subst. Brittleness.
Britz(s)ka, britskə, soort Russisch rijtuig.
Broach, broutš, subst. els, priem, boorstift, spit, spits, jonge hoorn van een hert, (boor)gat; Broach verb. aansteken (van een vat), beginnen (over), ter sprake brengen; snel oploeven: He broached the subject to me = begon er over; Broacher = verspreider.
Broad, brôd, breed, wijd, uitgestrekt, ruim, omvangrijk, algemeen, groot, liberaal, tolerant, helder, duidelijk, volledig, open, plomp, brutaal, luid, plat; subst. plas; oude gouden munt (20 s.); Broads = kaarten; Broad Church = gematigd vrijzinnige richting in de Engelsche kerk; Broad compliment = grof; Broad daylight = helder dag; Broad gauge = wijdspoor; Broad nonsense = klinkklare onzin; Broad trade = nouveauté’s; (As) broad as (it is) long = zoo breed als het lang is, net hetzelfde; Broad arrow = regeeringsstempel op regeeringseigendom (b.v. op de kleederen der gevangenen, paarden der cavalerie, etc.); Broad-axe = timmermansbijl, houweel; strijdbijl; Broad-bill = lepelaar, lepelreiger; Broad-blown = in vollen bloei; Broad-brim = breedgerande hoed; Kwaker; Broadcast = subst. en verb. (het) wijd uitzaaien met de hand; adj. en adv. ruim en wijd gezaaid of verspreid; Broad-cloth = fijn zwart laken van dubbele breedte; Broad-piece = goudstuk van 20 sh. (17e eeuw); Broadseal = subst. Engelsch rijkszegel; Broad-set = van krachtigen lichaamsbouw; Broadsheet = aan eene zijde bedrukt groot blad; plakkaat, vlugschrift; Broadside = zijde (van een schip), volle laag; pamflet of groot vel; Broadsword, brôdsöd, slagzwaard; Broadwise = in de breedte; Broaden = breeder worden of maken; Broadness = ruwheid, platheid.
Brobdingnag, brobdiŋnag; Brobdingnagian, brobdiŋnagiən, reusachtig; reus.
Brocade, brəkeid, brocaat.
Broc(c)oli, brokəli, Ital. aspergekool.
Brochure, brošuə, brochure.
Brock, brok, das; vuilpoes.
Brocket, brokət, tweejarig hert.
Broidery, brôidəri, borduurwerk: He described it with much broidery = borduurde erg.
Brogue, broug, grove schoen van ongelooid leer; provinciaal (vooral Iersch) accent; Brogues = broek.
Broil, brôil, subst. tumult, twist; Broil verb. braden (op een rooster, in de zon); erg verhit zijn; Broiler = rooster, braadkippetje, heete dag; ruziemaker.
Broke, brouk, imperf. van to break.
Broken, brouk’n, part. perf. van to break: Broken bread (victuals) = restanten, klieken; Broken horse = gedresseerd; Old broken soldier = invalide; Broken wind = dampigheid; Broken-backed = doorgezakt; Broken-bellied = met een breuk; ontaard; Broken-down = geruineerd, ongelukkig; Broken-hearted, Broken-spirited = ontmoedigd; Brokenness = gebrokenheid.
Broker, broukdə, makelaar, agent; uitdrager; soort deurwaarder, die meubilair, etc., waarop beslag is gelegd, verkoopt; koppelaar: Broker’s man = bediende van den Broker, die toe moet zien, dat niets vervreemd wordt; The brokers were put in = er werd beslag gelegd op de goederen; Brokerage = makelaarschap; commissieloon.
Brome, broum, dravik.
Bromine, broum(a)in, broom.
Brompton, bromt’n; Bromwich, bromidž.
Bronchia, broŋkiə, luchtpijpvertakkingen; Bronchial, broŋkiəl (Bronchic, broŋkik) de luchtpijp betreffend: Bronchial tubes = Bronchia; Bronchitis, broŋkaitis, luchtpijpontsteking.
Bronze, bronz, subst. brons, bronskleur, kunstwerk van brons; onbeschaamdheid; adj. van brons, bronskleurig; Bronze verb. bronzen, hard maken; Bronze age (Bronze period) = bronsperiode; Bronze-liquor, Bronze-powder = preparaten om te bronzen.
Brooch, broutš, subst. borst- of doekspeld, schilderij met ééne kleur.
Brood, brûd, subst. gebroed, broedsel, kroost; Brood verb. broeden, koesteren; bepeinzen, peinzen; broeien, dreigen: He brooded over the fire = hij zat over het vuur gebukt te peinzen; Brood-cage; Brood-hen; Brood-mare = fokmerrie; Brooder = broedmachine; Broody = broedsch; geneigd tot peinzen.
Brook, bruk, subst. beek, stroompje; Brooklet = beekje; Brook-mint = waterkruizemunt; Brook-weed = waterpunge.
Brook, bruk, verdragen, dulden.
Broom, brûm, subst. brem, bezem; Broom verb. bezemen, vegen: New brooms sweep clean; To hang out the broom = onbestorven weduwnaar zijn; ook gebruikt van trouwlustige weduwen; Broom-maker = bezembinder; Broom-staff, Broom-stick = bezemsteel: To be married over the broom-stick = over den puthaak getrouwd zijn; Broomy = vol brem.
Broth, broth, brôth, bouillon, soep: A broth of a boy = een flinke jongen; Too many cooks spoil the broth = te veel koks bederven de brij.
Brothel, broth’l, bordeel.
Brother, brɐdhə, broeder, ambtsbroeder; Brother-in-law = schoonbroeder, stiefbroeder; Brother Jonathan = de Amerikanen; Brotherhood = broederschap, korpsgeest; Brotherlike = broederlijk; subst. Brotherliness.
Brough, brɐf.
Brougham, brûəm, brûm, eigennaam; meest brouəm voor een soort dicht rijtuig.
Brought, brôt, imperf. en p.p. van bring.
Broughton, brôt’n, braut’n.
Brow, brau, subst. wenkbrauw, voorhoofd, gelaat, voorkomen; rand (van afgrond of heuvel); loopplank: To bend (contract, knit, wrinkle) one’s brows = het voorhoofd fronsen; Brow-ague = migraine; Browbeat = dreigend aankijken, overdonderen; Brow-bound = gekroond.
Brown, braun, bruin, donker, ernstig; subst. een bruine kleur; ½ penny; Brown verb. bruinen, doorrooken, bruin worden; in ’t wild schieten (it): Not for brown = om den dood niet; In a brown study = in gepeins verzonken; To do brown = afzetten, bedriegen; Brown Bess = oude snaphaan; Brown bill = oude strijdbijl; Brown bread; Brown cloth = ongebleekt linnen; Brown coal; Brown George = kommiesbrood, bruine kruik, soort pruik; Brown paper = pakpapier; Brown rust = roest (in koren); Brownish = bruinachtig; Brownness = bruine kleur.
Brown, Jones and Robinson = Jan, Piet en Klaas; Jan en alleman.
Brownie, brauni, goede huisgeest (Schotland).
Browning, brauniŋ; Browningite, brauniŋgait, bewonderaar van R. Browning.
Brownist, braunist, aanhanger van Robert Brown, uit den tijd van Elizabeth; Brownism = diens stelsel.
Browse, brauz, subst. scheuten, spruiten; Browse verb. grazen, afknabbelen; Browsing = weideplaats.
Bruges, brûdžiz, Brugge.
Bruin, brûin, Bruin (de beer).
Bruise, brûz, kneuzen, stampen; bont en blauw slaan; subst. kneuzing, buil; Bruiser = bokser, vechtersbaas; Bruise-wort, brûzwɐ̂t, smeerwortel.
Bruit, brût, subst. gerucht, geraas; Bruit verb. verspreiden, ruchtbaar maken.
Brumal, brûm’l, winter ....
Brummagem, brɐmədžem, in Birmingham vervaardigd artikel; adj. valsch, nagemaakt, opzichtig: Brummagem buttons = valsch geld.
Brunette, brunet, brunette; bruinachtig.
Brunonian, brunounj’n: Brunonian theory = Brownism; subst. student of gegradueerde van de Br. universiteit (Rhode Island).
Brunt, brɐnt, hevige schok, woeste aanval, geweld, het heete (van een gevecht), hoogtepunt: To bear the brunt of = het meest te verduren hebben.
Brush, brɐš, subst. borstel, kwast of penseel, wisscher; kreupelboschje; schermutseling, woeste rit; volle staart (b.v. van een vos); draadbundel (Electr.); Brush verb. borstelen (down, up), schilderen, strijken langs, opfrisschen, voorbijsnellen (by): He paints with the big brush = legt het er dik op; To make a brush = zich uit de voeten maken; Give me a brush (down) = borstel me eens af; Tarred with the same brush = met hetzelfde sop overgoten; Their coats were soundly brushed = zij kregen er flink van; Brush-maker = borstelmaker; Brushwood = kreupelbosch, bezemrijs; Brushwheels = raderen, die elkander door wrijving, niet door tanden in beweging brengen; Brushing gallop = gestrekte gallop; Brushy = borstelig.
Brusque, brɐsk, kortaf; ruw; Brusque verb. bruskeeren.
Brussels, brɐs’lz, Brussel(sch): Brussels carpet; Brussels lace; Brussels sprouts = spruitjes.
Brutal, brût’l, dierlijk, onmenschelijk: Brutality = dierlijkheid, grove zinnelijkheid, ruwheid; Brutalize = verdierlijken, verwilderen.
Brute, brût, subst. redeloos beest, bruut; adj. redeloos, ruw, dom, dierlijk; Brutish = dierlijk, zinnelijk, dom; subst. Bruteness.
Brutus, brûtəs.
Bryan, braiən.
Bryony, braiəni, heggerank.
Bubble, bɐb’l, subst. bobbel, luchtbel, zeepbel (ook fig.), zwendel, windhandel; Bubble verb. bobbelen, opborrelen, pruttelen, murmelen, beetnemen: Bubble companies = zwendelmaatschappijen; Bubbler = bedrieger.
Bubby, bɐbi, tiet; ventje, kereltje (Am.).
Bubo, bjûbou, kliergezwel; ooruil; The bubonic plague = builenpest.
Buccal, bɐk’l, wang - -.
Buc(c)an, bɐk’n, subst. rek om vleesch op te rooken; Buccan verb. rooken.
Buccaneer, bɐkənîə, subst. zeeroover, vrijbuiter; Buccaneer verb. zeerooverij plegen.
Buccleugh, Buccleuch, bəklû.
Bucentaur, bjûšəntö, bjusentö, Bucentaur; staatsiebark der Venetiaansche doges.
Bucephalus, bjusefəlɐs, Bucephalus, rijpaard.
Buchanan, bəkanən; Bucharia, bjukêriə, Bokhara.
Buck, bɐk, subst. bok, mannetje (van verschillende dieren); fat, pierewaaier, mannelijke neger (Indiaan), zaagbok (Amer.), sixpence; Buck verb. paren (van sommige dieren); bokken (van paarden): My buck = ouwe jongen; To buck up = zich taai houden; optooien; Buck-bean = Bog-buck; Buck-eye = Amerik. paardekastanje; spotnaam voor een bewoner van Ohio; kleine schoener; Buck-eyed = met slechte oogen (paard); Buck-horn = hertshoorn; Buck-hound = soort jachthond: Master of the buck-hounds = opperjagermeester aan het Eng. hof; Buck-jumper = bokkend paard; Buck-party = heerenpartij; Buckskin, subst. bokkevel; zacht, geel leer; broek (gewoonlijk meerv.); adj. van bukskin; Buckstall = net om herten, etc. te vangen; Buck-stick = vervelende vent (Anglo-Ind.); Buckthorn = wegedoorn; Buck-tooth = vooruitstekende tand; Buckwheat, bɐkwît, boekweit; Bucker = Buck-jumper; Buckish = fatterig; subst. Buckishness.
Buckeen, bɐkîn, Iersch jonker; fat.
Bucket, bɐkət, emmer, puts; ½ bushel; Bucket verb. putten, te snel vooroverbuigen (roeisport); er snel van door gaan, afjakkeren, bedriegen: To give the bucket = de laan uitsturen; To kick the bucket = het hoekje om gaan, sterven: Bucket-shop = kantoor voor het afsluiten van kleine weddenschappen; Bucketful: It rained in buckets full = het kwam met emmers uit de lucht vallen.
Buckle, bɐk’l, subst. gesp, krul, bocht; Buckle verb. gespen, zich krullen, buigen, insluiten, krachtig aanpakken, zich toerusten: The horse buckled down to the journey = aanvaardde, maakte zich klaar; You’ll have to buckle to = gij zult u moeten inspannen; To buckle with = handgemeen worden met; Buckler = beukelaar; Buckler-thorn = Christusdoorn, steekdoorn.
Buckram, bɐkr’m, subst. grove, gepapte linnen stof; stijfheid; adj. stijf, vormelijk; Buckram verb. stijven: Men in buckram = in buckram gekleede mannen, alleen in de verbeelding bestaande mannen (toespeling op Falstaff).
Bucks, bɐks, verkorting voor Buckinghamshire, bɐkiŋəmšə, bɐkiŋhamšə.
Bucolic, bjukolik, subst. herdersgedicht; landman; adj. herderlijk = Bucolical.
Bud, bɐd, subst. knop, kiem; snoes; Bud verb. uitbotten, knoppen, zich ontwikkelen; enten; Budlet = knopje.
Buda, bjûdə, Ofen.
Buddha, budha, bûda, Boeddha; Buddhism; Buddhist.
Budgerow, bɐdžrou, vaartuig (Br. Ind.).
Buddle, bɐd’l, subst. soort trog; Buddle verb. erts wasschen.
Budge, bɐdž, subst. lamsvel, leeren zak; adj. met lamsvel omzoomd; stijf, pedant: Budge Bachelors = arme, oude, in lamsvel gekleede mannen, die vroeger den Lord Mayor bij zijn intocht vergezelden.
Budge, bɐdž, zich bewegen, verroeren.
Budget, bɐdžət, zak, holster, voorraad, budget: Budget Speech = millioenenrede; The minister opened the Budget = hield de millioenenrede.
Buff, bɐf, subst. sterk (buffel)leer (met olie bereid), leeren kolder, geelbruin, naakte huid; adj. leeren, geelbruin: The Buffs = het East Kent Regiment; All in buff = spiernaakt.
Buff, bɐf, slag, stoot, onzin; Buff verb. dreunen; dempen, verzwakken (Schot.); To stand buff = weerstaan, standhouden; Blindman’s buff = blindemannetjes(spel); To say neither buff nor baff(stye) = boe noch ba zeggen; Buffer = stootkussen, pistool, vent, hond: An old buff = gezellige “ouwe” baas.
Buffalo, bɐfəlou, subst. buffel, bison van N. Amer.; Buffalo-chips = gedroogde buffelmest (brandstof); Buffalo-grass = prairiegras; Buffalo-robe = reisdeken van buffelvel.
Buffet, bɐfət, buffet.
Buffet, bɐfət, subst. klap, vuistslag; geweld (van wind of golven): Buffet verb. slaan, beuken, worstelen met, boksen.
Bufflehead, bɐf’lhed, dikkop, domkop.
Buffo, bɐfou, bufou, subst. komisch (opera) zanger; adj. grappig; Buffoon, bəfûn, potsenmaker, Jan Klaassen; Buffoonery, bəfûnəri = grappen en streken.
Bug, bɐg, wand- of weegluis, kever, kabouter, bloedzuiger (fig.): He is as snug as a bug in a rug = hij heeft een leventje als een vloo in eene wollen deken (zéér plat).
Bugbear, bɐgbêə, boeman.
Buggy, bɐgi, vol luizen of wormen; vermolmd.
Buggy, bɐgi, licht rijtuig op twee (in Am. vier) wielen met ééne zitbank; kolenwagentje.
Bugle, bjûg’l subst. lange zwarte kraal, zenegroen; (jacht)hoorn; neus; Bugle verb. hoornblazen: To sound the bugle = signaal blazen; Bugle-call = hoornsignaal; Bugler = trompetter.
Bugloss, bjûglos, ossetong (plant).
Buhl, bûl, goud, ivoor, schildpad of paarlemoer gebruikt voor inlegwerk; ingelegd werk; onnatuurlijkheid.
Build, bild, subst. vorm, maaksel, bouw; Build verb. bouwen, stichten; versterken; aanleggen: Rome was not built in a day; Builder = bouwmeester, schepper: General builder = aannemer; Builder’s estimate = bestek; Building = gebouw; Building-site = bouwterrein; Built, bilt, imperf. en p.p. van to build.
Bulb, bɐlb, subst. bol, bolletje, appel (oog); Bulb verb. vooruitsteken, uitzetten: Bulb culture, Bulb growers = kweeken, kweekers; Bulbaceous, bɐlbeišəs, bolvormig; Bulbiferous = bollen voortbrengend; Bulbiform = bolvormig; Bulbous = knolachtig, rond; Bulbule, bɐlbjûl, bolletje.
Bulbul, bulbul, nachtegaal (Perzië).
Bulgaria, bɐlgêriə, Bulgarije; Bulgarian = Bulgaar(sch).
Bulge, bɐldž, subst. buik; buikdelling (scheepst.); Bulge verb. vooruitsteken.
Bulimia, bjulimiə, Bulimy, bjûlimi, geeuwhonger.
Bulk, bɐlk, omvang, grootte, volume, massa; meerendeel; scheepslading; hoofd: By the bulk = alles met elkaar; In bulk = in losse massa, hoopen; To break bulk = beginnen te lossen; Laden in bulk = met stortgoederen (graan, zout) geladen; Bulkhead = schot; Watertight bulkhead = waterdicht schot; Bulkiness = omvang; Bulky = groot, zwaar.
Bull, bul, subst. stier, speculant à la hausse (zie Bear); bul van den Paus; onzin, domheid; adj. van grooten omvang; mannetjes ...; Bull verb. à la hausse speculeeren: He took the bull by the horns = pakte de koe bij de horens; John Bull = de Eng. natie; Bull-baiting = het vechten van stieren met honden; Bull-beef = ossenvleesch; Bull-calf = bulkalf; uilskuiken; Bulldog = bulhond; dienaar van den Proctor; revolver; Bulldoze = lange zweep (Am.); Bulldoze verb. ranselen, overdonderen; Bull’s-eye = rond venster of opening, dievenlantaarn, dik glas in een scheepsdek, roos (van schietschijf), schot in de roos, kleine, storm voorspellende wolk, kokinje: That is wide of the Bull’s-eye = de plank ver mis; Bull-faced = met grof en groot gezicht; Bullfinch = bloedvink; Bull-feast, Bull-fight = stierengevecht; Bullfrog = brulkikvorsch; Bullhead = rivierdonderpad; waterinsect; domkop; Bullheaded = doldriftig en koppig; Bull-pup = jonge bulhond; Bullroarer (zie Turndun); Bull-terrier = gekruist ras tusschen bulhond en dashond; Bull-trout = zalmforel; Bullwort = komijn (zwarte).
Bullace, bulis, kroosjes.
Bullate, bulit, met blaren of uitwassen.
Bullen-nail, bul’n-neil, vertinde en gelakte spijker met ronden kop.
Bullet, bulət, geweerkogel: Every bullet has its billet = iedere kogel heeft zijne bestemming; He got the bullet = werd de laan uitgestuurd; Bulletproof = kogelvrij; Bullet-mould = kogelvorm.
Bulletin, bulətin, subst. officieel rapport, bulletin; Bulletin verb. per b. bekend maken.
Bullion, bulj’n, ongemunt goud of zilver; vreemd (valsch geld); passement (= Bullion-fringe); Bullionist = voorstander van metalen munt.
Bullock, bulək, (jonge) os.
Bully, buli, subst. bullebak, vechtersbaas; souteneur; geconserveerd pekelvleesch; adj. brutaal, rumoerig; prachtig, flink (Amer.); Bully verb. overbluffen, donderen, treiteren; razen en tieren: Bully for you! = Bravo! He bullied me into doing it = dwong mij door vrees tot; He bullied it out of me = dwong het me af; She bullied over both = speelde de baas over; Bullybeef = ingemaakt vleesch: Bullyrag = uitschelden, negeren.
Bulrush, bulrɐš, groote waterbies; Bulrushy.
Bulwark, bulwək, subst. bolwerk (ook fig.), verschansing, wal; Bulwark verb. van versterkingen (of een bolwerk) voorzien.
Bulwer, bulwə.
Bum, bɐm, subst. achterste; gerechtsdienaar; Bum verb. ka(ai)draaien; gonzen; smullen, boemelen (Amer.); Bumboat = ka(ai)draaier; Bumbailiff, b’mbeilif, vroegere “rakker”.
Bumble-bee, bɐmb’lbî, hommel.
Bumbledom, bɐmb’ld’m, de gewichtige drukte van de kleine-ambtenaarswereld; alle kleinere ambtenaren.
Bumkin, bɐmkin, botteloef (zeeterm).
Bump, bɐmp, subst. gezwel, buil, bons, geschreeuw (van een roerdomp), knobbel; Bump verb. hard slaan of bonzen tegen; schreeuwen (van een roerdomp), botsen: A bump race = wedstrijd waarbij de achterste boot bonst tegen de voorste (dit geldt als bewijs van inhalen); Bump supper = het feest ter viering daarvan; His bump of friendship seems to be highly developed = zijn vriendschapsknobbel schijnt zeer ontwikkeld te zijn.
Bumper, bɐmpə, volle bokaal, vol lokaal (theater); Bumpers, Gentlemen! = Heeren Rouge bord!
Bumpkin, bɐm(p)kin, boerenkinkel.
Bumptious, bɐm(p)šəs, opgeblazen; Bumptiousness, opgeblazenheid.
Bun, bɐn, krentenbolletje.
Bunch, bɐnš, subst. tros, bos, bosje, bundel, troep, hoop, bochel; Bunch verb. tot een bult opzwellen, staart of kuif opsteken (met up); uitsteken, trossen vormen; Bunchy = knoestig, bossen of trossen vormend.
Bunco, bɐŋkou = Bunko.
Buncombe, bɐŋk’m, redevoering met ’t oog op de kiezers, in eigen belang (Am.); gewauwel: He speaks for Buncombe = voor de vaak, uit eigen belang.
Bundle, bɐnd’l, subst. pak, bundel, rol; Bundle verb. samenbinden, inpakken, oprollen, haastig heengaan (away, off, out), injagen (in); wegjagen, uitwerpen: The bill was bundled out = zonder komplimenten (of discussie) verworpen.
Bung, bɐŋ, subst. bom of spon; waard, brouwer; Bung verb. een vat dichten, sluiten: I bunged his eyes = takelde hem zoo toe, dat hij niet uit zijn oogen kon zien; Bung-hole = spongat.
Bungalow, bɐŋgəlou, Indisch landhuis (van ééne verdieping): Dak bungalow = (Brit. Ind.) posthuis.
Bungle, bɐŋg’l, subst. knoeiwerk; Bungle verb. knoeien, broddelen, prutsen: He made a bungle of it = verknoeide het.
Bunion, bɐnj’n, gezwel aan den bal van den grooten teen.
Bunk, bɐŋk, subst. slaapbank, kooi: Bunk verb. in eene kooi slapen; uitsnijden: To do a bunk = uitsnijden; Bunker = kolenbak (ruim); kist als bank; kuil (Golfspel); Bunker verb. kolen innemen: To be Bunkered = in de knel zitten.
Bunko, bɐŋkou, kwartjesvinden, afzetterij; Bunko verb. afzetten.
Bunkum; Zie Buncombe.
Bunny, bɐni, konijn.
Bunt, bɐnt, subst. buik van een zeil; steenbrand, stuifbrand; Bunt verb. opzwellen, stooten, springen; Bunter = voddenraper; prostituée.
Bunting, bɐntiŋ, vlaggedoek, vlaggen; ortolaan.
Buoy, b(w)ôi, subst. boei, ton; Buoy verb. betonnen; drijvende houden, ondersteunen, kracht geven; Buoyage = boeien, betonning; Buoyancy = opgewektheid en veerkracht van geest, drijfbaarheid; Buoyant = drijvend, veerkrachtig, opgewekt, stijgend.
Buphaga, bjûfəgə, Afr. spreeuw, die zich voedt met insectenlarven onder de huid van vee.
Bur, bɐ̂, stekelig napje (van kastanjes), klis, knoest: He stuck to me like a bur = hing aan mij als een klis.
Burbot, bɐ̂bət, kwabaal.
Burden, bɐ̂d’n, subst. last, druk, vracht, lading, tonnemaat; refrein, koor; Burden verb. beladen, belasten, drukken: Beast of burden = lastdier; Burdensome = drukkend, zwaar.
Burdett-Coutts, bədetkûts.
Burdock, bɐ̂dok, klis of klit.
Bureau, bjûrou, bjurou, schrijftafel, latafel, bureau; toilettafel (Am.); Bureaucracy, bjuroukrəsi, bureaucratie; Bureaucratic(al) = bureaucratisch.
Burette, bjuret, buret, maatglas.
Burg, bɐ̂g = Borough; Burgage, bɐ̂gidž, stedelijk leengoed.
Burgee, bɐ̂džî, bɐ̂dži, naamvlag; kleine kolen.
Burgeon, bɐ̂dž’n, knop. Zie Bourgeon.
Burgess, bɐ̂džəs, freeman (kiesgerechtigd burger) van een Borough; afgevaardigde van een Borough; magistraat: Burgess list, Burgess roll = kiezerslijst; Burgess-ship = burgerschap.
Burggrave, bɐ̂greiv = Burgrave.
Burgh, bɐ̂g, bɐrə = Borough; Burghal, gemeente ... (Schotl.); Burgher = ‘freeman’ van een Burgh.
Burghley, bɐ̂li = Burleigh.
Burglar, bɐ̂glə, inbreker; Burglarious = inbrekend; Burglary = inbraak; Burgle = inbreken.
Burgomaster, bɐ̂gəmâstə, burgemeester (in Holland of Duitschland); burgemeester (zeemeeuw).
Burgoo, bɐ̂gû, bəgû, haverpap; sterk gekruide soep.
Burgrave, bɐ̂greiv, burggraaf.
Burgundian, bəgɐndj’n, Bourgondiër; Bourgondisch; Burgundy, bɐ̂g’ndi, Bourgondië; bourgognewijn; Burgundy-pitch = soort dennenhars.
Burial, berj’l, begrafenis; Burial-case = metalen doodkist; Burial-club = begrafenisfonds; Burial-ground(-place) = begraafplaats; Burial-service = lijkdienst.
Burin, bjûrin, graveerstift, etsnaald.
Burk(e), bɐ̂k, vermoorden (eigenlijk door verstikking met een pikmasker), smoren: To burk a discussion = eene discussie smoren.
Burl, bɐ̂l, subst. nop, knoop (in laken of draad); Burl verb. de noppen uithalen; Burler = lakennopper.
Burlap, bɐ̂ləp, grof weefsel van hennep of jute.
Burlesque, bəlesk, koddig, kluchtig; subst. klucht, pots, satire, travestie; Burlesque verb. belachelijk maken (voorstellen).
Burletta, bəletə, opéra comique, vaudeville, muzikale scherts.
Burly, bɐ̂li, groot, zwaar, dik, stoer.
Burma(h), bɐ̂ma, Birmah; Burman = Birmaan; Burmese, bɐ̂mîz, bɐ̂mîs, Birmaan(sch).
Burn, bɐ̂n, subst. brandwond, litteeken; beek; Burn verb. branden, verbranden, uitbranden (van eene wond), bakken, heet maken (zijn), gloeien, vonkelen: To burn alive; Money burns (a hole) in his pocket = het geld brandt hem in zijn zak; He has money to burn = zit tot over de ooren in het geld; To burn a bawbee (= halfpenny) candle seekin’ a farthin’ = de gierigheid bedriegt de wijsheid; goed geld naar kwaad geld smijten; To burn one’s boats = zijn schepen achter zich verbranden; To burn the candle at both ends = zijn krachten of middelen verspillen; To burn one’s fingers (ook fig.); To burn away = op(af)branden; To burn down = afbranden; To burn out = uitbranden; To burn oneself out = zijn “boel” in brand steken; To burn out of house and home = (door brand) van huis en hof verdrijven; Burnt-out people = de menschen, die bij brand alles verloren hebben; To burn to ashes (to death); Burnable = brandbaar; Burner = brander; Burning-glass; Burning-mirror; Burning question = brandend vraagstuk; Burning scent = versch spoor (jacht); Burning shame; Burning, subst. = hitte, gloed.
Burnet(t), bɐ̂nət: Garden burnet = pimpernel.