Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 68
Keep, kîp, subst. bewaring, bewaking, slottoren, redoute, bestaan, onderhoud, voer, kost; Keep verb. bewaren, behouden, hoeden, bewaken, weerhouden, handhaven, onderhouden, vervullen, houden, etc.: I am keeping you = houd je op; It won’t keep (well) = blijft niet goed; To keep aloof = zich op een afstand houden; To keep at bay = van zich afhouden; To keep close = geheim houden; To keep silent (silence) = zwijgen; He kept crying = hij schreide maar door; He kept us waiting = liet ons wachten; To keep company = gezelschap houden; To keep company with = verkeeren met; To keep (one’s) counsel = zwijgen, een geheim bewaren; Do you keep figs? = hebt gij ook vijgen te koop? To keep garrison at = in garnizoen liggen; To keep one’s ground = stand houden; To keep bad (late), good (early) hours = altijd laat, vroeg thuis zijn; To keep house = huishouden; To keep pace with = op de hoogte blijven van, meegaan met; Put your trust in God, and keep your powder dry; Keep thy shop and thy shop will keep thee = pas op uw zaak en uw zaak zal u onderhouden; To keep one’s temper = zich inhouden, kalm blijven; To keep terms = college loopen; To keep time = in de maat blijven; To keep touch of, in touch with = voeling houden met; To keep watch = wacht houden; To keep one’s silver wedding = vieren; Keep it back = houd het geheim, bedwing u; He kept down his anger = onderdrukte; Keep from sin = laat af van; He kept me from my lessons = hield mij af; I kept the knowledge of it from him = onthield hem; I could not keep from saying it = niet nalaten; To keep in (after school-hours) = nahouden; It’s well to keep in with her = op goeden voet te blijven; To keep off = afweren, afhouden (van); I could not keep myself on my legs = niet op de been blijven; The army was kept on foot = werd onder de wapenen gehouden; He kept on taking the first turning to the right = nam maar steeds; He kept on turning = hij keek maar steeds om; Keep it on = ga zoo door; Keep on with your algebra by yourself = ga zelf door; To keep out of harm’s way = voor gevaar, ongelukken behoeden; These advertisements must be kept over = tot een volgend nummer uitgesteld; The ship was kept to = bij den wind gehouden; To keep to a promise = houden aan; I keep to my own people = houd me bij; To keep together = bijeen houden, vereenigd blijven; The ship was kept under weigh (way) = gaande gehouden; He could not keep up with me = hij kon mij niet bijhouden; Keep it up, boys! = houd vol; He kept me up to the letter of the contract = hield mij strikt aan; Keeper = houder, bewaarder, opziener, opzichter, cipier: Keeper of the Great Seal = Grootzegelbewaarder (in Engeland de Lord Chancellor); Keeper of the Privy Seal = geheimzegelbewaarder; Keepership; Keeping = bewaring, opzicht, hoede, hechtenis, voeding; In keeping with = harmonieerend met; You are here in safe keeping = in veilige hoede; Keeping-room = huiskamer; Keepsake = gedachtenis, herinnering, aandenken: By way of (As a) keepsake = als gedachtenis.
Keeve, kîv, subst. tobbe, kuip, mand; Keeve verb. in eene kuip zetten te gisten.
Keg, keg, vaatje.
Keighley, kîthli; Keightley, kaitli; Keith, kîth.
Kek, kek, kijk, zie (Z.-Afr.).
Kelp, kelp, kelp, een ruwe soda uit wier of zeegras.
Kelpie, Kelpy, kelpi, soort v. watergeest (Schot.).
Kelson, kels’n, kolsem. Zie Keelson.
Kelt, kelt, kelt; wollen stof van zwarte en witte wol gemaakt.
Kemp, kemp, grove wol, onreinheden in bont.
Ken, ken, subst. gezichtskring, ordinaire kroeg of kosthuis; Ken verb. waarnemen, bespeuren, onderscheiden, kennen: Beyond one’s ken = te hoog (fig.), onbegrijpelijk; Out of ken = onzichtbaar, buiten het gezicht; Within ken = zichtbaar; Kenning = gezichtsgrens op zee (20 miles); Kennings = herkenningsteekens, merken op de kust (scheepsterm).
Kench, kenš, kuip, vat (Amer.).
Kendal: Kendal Black Drug, kend’lblakdrɐg, laudanum; Kendal green, kend’lgrîn, groen laken (voor jagers, enz.).
Kenelm, kenelm; Kenilworth, kenilwɐ̂th.
Kennel, ken’l, subst. hondenhok, hok, vossenhol, “meute”, goot, poel; Kennel verb. in een hol wonen, in een hok opsluiten: Kennel coal = gaskool; Kennel-raker = voddenraper.
Kensington, kenziŋt’n.
Kent, kent, Kent; adj. Kentish: Kent-fire = applaus met rhythmisch handgeklap.
Kentucky, kentɐki.
Keogh, kîou, als plaatsnaam; kjou, als persoonsnaam; Keokuk, kîəkɐk.
Kept, kept, P. Imp. en P.P. van To Keep: Badly kept up = slecht onderhouden; Kept mistress, bijzit.
Kerb(stone), kɐ̂b(stoun), trottoirband.
Kerchief, kɐ̂tšif, doek.
Kerf, kɐ̂f, kerf, insnijding (van eene zaag).
Kermes, kɐ̂mîz, kermes, een soort van schildluis: Kermes grains = scharlaken korrels.
Kermess, kɐ̂mes, kermis, gecostumeerd weldadigheidsfeest (Amer.).
Kern, kɐ̂n, Oud Iersche of Hooglandsche voetknecht, landlooper, karn; binnenhalen van den oogst en oogstfeest; Kern-baby = met korenaren versierde pop bij het oogstfeest.
Kernel, kɐ̂n’l, subst. pit, kern, korrel; Kernel verb. korrelen: He that will eat the kernel, must crack the nut; To have no kernel = niet degelijk zijn.
Kernooze, kənûz, kennen, op de hoogte zijn van; Kernoozer = kenner, connaisseur.
Kerosene, kerəsîn, gezuiverde petroleum.
Kerrie, keri, werpknots (Z.-Afr.).
Kerse, kɐ̂s, kers, kleinigheid (verouderd, maar nog over in: Not worth a kerse = geen zier waard; Verg. Not worth a damn).
Kersey, kɐ̂zi, subst. grove, wollen stof; ook adj.: Kerseys = broek van die stof.
Kerseymere, kɐ̂zimîə, casimir.
Kestrel, kestr’l, torenvalk.
Keswick, kezik.
Ket, ket, kreng, vuil.
Ketch, ketš, kits, kaag (vaartuig).
Ketch, ketš = Jack Ketch.
Ketchup, ketšəp, soort v. saus. Ook Catsup en Catchup gespeld.
Kettle, ket’l, ketel: Here is a pretty kettle of fish = dat ’s een mooie boel; Kettledrum = keteltrom, pauk; theevisite; ook verb. = pauken; Kettle-drummer = paukenslager; Kettle-maker = ketelmaker.
Kevel, kev’l, kruisklamp (scheepst.); steenhouwershamer.
Kew, kjû.
Key, kî, sleutel, toets, klep, toonaard, oplossing, vertaling; Key verb. vastpinnen; stemmen, spannen: We have the key of the position = het voornaamste punt der positie; The pope has the power of the keys = de macht over den hemel; That fellow has the key of the street = de stumperd heeft geen thuis, kan niet in huis; To be in key with = in harmonie met; Key-basket = sleutelmandje; Key bit = (sleutel)baard; Keyboard = klavier (van orgel of piano); Key-bone = sleutelbeen; Key-bugle = klephoorn; Keyhole = sleutelgat; Key-note = grondtoon; Key-pipe = pijp; Key-ring = sleutelring; Key-screw = schroefsleutel; Key-stone = sluitsteen; Key-word = slagwoord; All keyed up = klaar voor het gebruik; Keyless watch = remontoir.
Keziah, kəzaiə.
Khaki, kâki, bruingeel, khaki; subst. khaki stof, soldaat in khaki uniform: Dressed in khaki.
Khalifa, kalifə, kalifa; Khalifate, kalifeit, keilifeit, kalifaat.
Khan, kan, kân, Aziat. gouverneur, vorst, koning, prins, hoofd; karavanserij; Khanate, kanit, kânit, rechtsgebied van een khan.
Khartoum, kâtûm.
Khedival, kədîvəl, van den Khedive; Khedivate, kədîvit, ambt(sgebied) van den Khedive; Khedive, kədîv, onderkoning (van Egypte).
Khel, kel, een Afghaansche stam.
Khirkah, kɐ̂ka, een gelapt kleedingstuk door dervischen gedragen.
Khoras(s)an, kourasân.
Khubber, kɐbə, bericht.
Khud, kɐd, ravijn.
Kiack, kiak, Boed. tempel.
Kibe, kaib, open winterblaar.
Kibitka, kibitkə, Russisch rijtuig, als slede te gebruiken; Tartaarsche tent.
Kick, kik, subst. schop, terugstoot (van ’t geweer): Kick verb. schoppen, stooten, achteruitslaan, zich verzetten: He has a good deal of kick in him this morning = hij is van morgen slecht in zijn hum; Kick-off = eerste schop; At the age of 14 she kicked the beam at 180 pounds = haalde ze al 180 pond; He kicked the beam = werd te licht bevonden, verloor het; To kick the bucket = dood gaan; To kick against kismet = zich tegen het noodlot verzetten; The horse kicks at everybody = slaat naar iedereen; His stomach kicked at the medicine = walgde van: I kicked him out to sink or swim = ik liet hem aan zijn lot over; To kick over the traces = uit den band slaan; Don’t kick up a row here = maak hier geen standje of opstootje; He kicked up his legs (heels) = sprong vroolijk rond; He was kicked upstairs into a splendid post = werd vooruit geschopt, en kreeg; Kicker = schopper, voetbalspeler, paard dat achteruit slaat, dwarskop; He is alive and kicking = springlevend.
Kickshaws, kikšôz, beuzelarijen, wissewasjes, liflafjes (tegenover “soliede” kost).
Kicksies, kiksiz, broek: Kicksies-builder = kleermaker.
Kid, kid, subst. jonge geit, geitenleer, glacé-handschoen, kind, onzin, zwendel, vaatje, platte schotel, takkebos; adj. van geitenleer; Kid verb. ter wereld brengen, bedotten: There is no kidding about him = men kan op hem aan; Many candidates kid to their constituents = houden hunne kiezers voor het lapje; Kid-gloves = glacé-handschoenen; Kiddy = ventje; dief; Kiddy verb. bedotten; Kidling = klein geitje.
Kidderminster, kidəminstə, goedkoop soort vloerkleed.
Kiddle, kid’l, teenen vischweer; speeksel.
Kiddy, kidi. Zie Kid.
Kidnap, kidnap, stelen, met geweld wegvoeren, pressen; Kidnapper = steler (van kinderen), zielverkooper.
Kidney, kidni, nier; soort, aard: They are all of the right (same) kidney = zij zijn allen van ’t goede (zelfde) soort; Kidney-bean = witte boon; Kidney-form = Kidney-shaped = niervormig.
Kiefekil, kifikil, meerschuim.
Kildare, kildêə.
Kilderkin, kildəkin, vaatje van 18 gallons.
Kilkenny, kilkeni.
Kill, kil, dooden, blusschen, dooven, stillen; subst. het dooden, buit: She dances to kill = zij is een onvermoeide danseres; To kill time = den tijd dooden; It would be a case of kill or cure = er op of er onder; Kill-devil = rum of sterke drank in ’t algemeen; He is a kill-joy = een spelbederver, een “saaie Klaas”; Kill-time = tijdverdrijf; Killing = doodelijk, onweerstaanbaar, vreeselijk: You are too killing = je laat me nog doodlachen; To look killing = er onweerstaanbaar uitzien.
Killaloe, kiləlou; Killarney, kilâni.
Killick (= Killock) kilək, klein bootsanker, ankersteen.
Killigrew, kiligrû; Kilmarnock, kilmânək; Kilmore, kilmö.
Kiln, kil(n), oven, eest, kalkoven; Kiln-dry = in een oven of eest drogen; Kiln-hole = mond van een oven.
Kilo, kilou, Kilogram(me), kiləgram, kilogram; Kilolitre, kiləlîtə, kilolitə, kiloliter; Kilometer, kiləmîtə, kilomitə, kilometer; Kilowatt, kiləwot = 1000 Watt (Electr.).
Kilsyth, kilsaith.
Kilt, kilt, subst. korte rok der Bergschotten; Kilt verb. opnemen; Kilted = (loodrecht) geplooid.
Kimbo, kimbou, gebogen, gekromd: There he stood, with his arms akimbo = met zijne armen in de zijde.
Kin, kin, subst. maagschap, bloedverwantschap, bloedverwant, maag; adj. verwant, van dezelfde soort: He is next of kin = de naaste bloedverwant; No kin no care = geen koeien, geen moeien; I do not care for him and all his kith and kin = en zijne geheele familie; Kinsfolk = verwanten; Kinsman, Kinswoman = bloedverwant(e); Kinship: My feeling of kinship = mijne gehechtheid aan mijne verwanten.
Kinchin, kinšin, kindje; Kinchin cove = jonge dief.
Kind, kaind, subst. soort, kunne, geslacht, wijze; adj. vriendelijk, goedaardig, natuurlijk, weldadig, goedhartig: I will pay you in kind = in natura, met dezelfde munt; To hold religious convictions of a kind = er nog eenigszins godsdienstige overtuigingen op na houden; He has grown out of kind = is uit den aard geslagen; I kind of thought you were there = ik dacht soms, (ook wordt kind of verbasterd tot kinder; Amer.); To send one’s kind regards = vriendelijk laten groeten; Kind-hearted = goedhartig; subst. Kind-heartedness; Kindliness = welwillendheid, vriendelijkheid; adj. Kindly; To take something kindly of a person = iets goed opnemen; To take kindly to something = met iets op hebben; gesteld zijn op; The pig fattens kindly on this food = zet flink vleesch aan van; Kindness = vriendelijkheid, etc.
Kindergarten, kindəgât’n, Fröbelschool; Kindergarten mistress = Kindergartner, kindəgâtnə, onderwijzeres van eene Fröbelschool.
Kindle, kind’l, ontsteken, aansteken, doen ontvlammen of ontbranden, opwekken, opwinden, vlam vatten, ontbranden: This kindled discontent to flame = dit deed de ontevredenheid uitbarsten; The shavings can be used as kindlings = als vuuraanmakers.
Kindred, kindrəd, subst. verwantschap, verwanten; adj. verwant, van denzelfden aard.
Kine, kain, koeien.
Kinematics, k(a)inəmatiks, leer der beweging; Kinematograph, kainîmətəgraf, k(a)inəmatəgraf, kinematograaf; Kinetic, k(a)inetik, bewegend, motorisch; Kinetics = mathem. leer der beweging; Kinetoscope, kainîtəskoup, kinîtəskoup.
King, kiŋ, koning, vorst, heer, dam (in het damspel); King verb. tot koning verheffen; den koning spelen (it); King-at-arms = wapenkoning; King’s-bench = vroeger een gerechtshof; King’s (Queen’s) evidence = medeplichtige, die getuigenis aflegt tegen zijne kameraden; King’s evil = scrofula: To touch for the king’s evil = door handoplegging genezen: King’s-yellow = koningsgeel; King’s coach (cushion): To carry in a king = op saamgevouwen handen dragen (kinderspel); King-craft = regeerkunst, staatkunde; King-cup = scherpe (boldragende) boterbloem; King-fish = soort van makreel; King-fisher = ijsvogel; King-killer = koningsmoorder; King-post = middenstijl van het dak; King-wood = hard Braziliaansch hout; Kingdom, koninkrijk: The Kingdom of God; Animal, mineral and vegetable kingdom = dieren-, delfstoffen- en plantenrijk; Kingdom-come = de eeuwigheid: He went to Kingdom-come = hij is overleden; Kinglet (Kingling) = koninkje; Kingless; Kinglike = Kingly = koninklijk; Kingship.
Kink, kiŋk, subst. kink, slag in een touw, gril, eigenaardigheid; Kink verb. kinken: There had not been the slightest kink or hitch = geen enkele kink in de kabel; We got the business out of the kink = aan den gang, aan het rollen; Kinky = met bochten.
Kinross, kinros; Kinsale, kinseil.
Kiosk, kiosk, kiosk, paviljoen.
Kip, kip, huid van jonge kalveren; ook: Kipskin.
Kipper, kipə, subst. zalm gedurende den tijd van kuitschieten; bokking; Kipper verb. zouten en rooken: Kippered herring.
Kirk, kɐ̂k, kerk (Schotl.): Kirk-session = kerkeraadsvergadering.
Kirkaldy, kɐ̂kô(l)di.
Kirtle, kɐ̂t’l, subst. soort van opperkleed, hemd, rok, buis.
Kismet, kismet, noodlot (Oostersch).
Kiss, kis, subst. kus, soort suikerboontje; Kiss verb. kussen, even aanraken: To kiss and be (make) friends = afzoenen; To kiss the book = bij het eed afleggen het N. testament kussen; To kiss the dust = in het stof bijten; To kiss the earth, the ground = zich onderwerpen; The ministers kissed hands yesterday = aanvaardden gisteren hun ambt (door de koningin de hand te kussen); We kissed hands to the wilderness = zeiden vaarwel; She kissed her hand to her uncle = gaf haar oom kushandjes; They kissed the rod = zij onderwierpen zich aan de straf; Kiss-in-the-ring = een zeker gezelschapsspel; Kiss-me-quick = kleine dameshoed (van ± 1850), lok bij ’t oor; Kissable = om te zoenen; Kissing: Kissing-crust = dat deel van eene broodkorst, dat een ander brood raakt, zachte zijde van brood; As easy as kissing = doodgemakkelijk.
Kit, kit, vaatje, kastje, mand, gereedschapsbak, uitrusting, de “heele rommel” (= All the kit, The whole kit), katje; Kit verb. in een kit verpakken.
Kitcat, kitkat, portret van bepaalde afmeting (71 × 91 cM.); jongensspel: Kitcat cannio = kinderspel met lei en griffel.
Kitchen, kitš’n, subst. keuken: Kitchen-dresser = aanrechtbank; Kitchen-garden = moestuin; Kitchen-maid = keukenmeid (in Engeland tot hulp van de cook, die alléén kookt); Kitchen-middens = hoopen afval, of schelpen van heel ouden datum; Kitchen-range = keukenfornuis; Kitchen-stuff = keukengroenten; vet, schuim; Kitchen-wench = keukenmeid; Kitchin of Kitchen Zulu = gebroken Zoeloesch.
Kite, kait, koningswauw; roofgierig mensch, vlieger; schoorsteenwissel: To fly a kite = een vlieger oplaten; een schoorsteenwissel trekken; Kite-flyer (ook fig.); Kite-flying = vlieger oplaten; wisselruiterij; Kites’-foot = soort van gele tabak.
Kith, kith, verwanten. Zie Kin.
Kitten, kit’n, subst. jonge kat; Kitten verb. jongen werpen; Kittenish = speelsch, dartel.
Kittiwake, kitiweik, soort van zeemeeuw = Kittiwake-gull.
Kittle, kit’l, kiedelen, kietelen: adj. = Kittle cattle = lastig, moeielijk, netelig; Kittlish, kitliš, kietelig, gevaarlijk, gewaagd, bedriegelijk.
Kitt’s (St), s’ntkits, de H. Christoffel; Kitty, kiti, Kaatje.
Kive, kaiv. Zie Keeve.
Kiwi, kîvi, kiwi.
Kleptomania, kleptəmeinjə, kleptomanie; Kleptomaniac = kleptomaan.
Klick, klik, tikken.
Klipspringer, klipspriŋə, antilope (Z. Afr.).
Kloof, klûf, kloof, ravijn (Z. Afr.).
Knack, nak, slag, handigheid, gemakkelijkheid, gewoonte; beuzelarij: There is a knack in doing it = men moet er slag van hebben; To have the knack, To know the knack of it = den slag er van beet hebben; To lose the knack; Knacker = paardenvilder; Knacker’s yard = paardenvilderij; Knackers = notenkraker.
Knag, nag, knoest of kwast (in hout), wrat, ruwe rots- of heuveltop; tak van een gewei; Knagginess, subst. v. Knaggy = knoestig, ruw, narrig.
Knap, nap, knappen, breken; Knapper = soort hamer.
Knapsack, napsak, ransel, knapzak.
Knapweed, napwîd, zwart knoopkruid.
Knar(l), nâ(l), knoest (in hout).
Knave, neiv, schurk, bedrieger, boer (in ’t kaartspel); Knavery = schurkerij, bedriegerij; Knavish = schurkachtig: Knave trick = schurkenstreek; subst. Knaveness.
Knead, nîd, kneden: Kneaded in the same trough = van hetzelfde maaksel, met één sop overgoten; Kneader = kneder, kneedmachine; Kneading-trough = bakkerstrog.
Knee, nî, knie, kniestuk, kniebuiging: On the knees of the gods = afhankelijk van omstandigheden, die men niet beheerscht, of afhankelijk van den goeden afloop van andere zaken; To bring one to his knees = iemand doen buigen (fig.); The prize-fighters were given a knee after every round = namen na iedere ronde wat rust (nl. elk op de knie van een der secondanten); To go (down) on one’s knees = op de knieën vallen; To take across one’s knee = over de knie leggen; To whip a boy over one’s knee = voor zijn broek geven; Knee-breeches = kuitenbroek; Knee-cap = kniebeschermer, knieschijf; Knee-deep = tot aan de knieën; Knee-high = tot aan de knieën; Knee-haltered = gekniepoot; Knee-holly, Knee-holm = ruscus, kleine steekpalm; Knee-joint = kniegewricht; Knee-pan = Knee-cap; Knee-piece = kromhout.
Kneel, nîl, knielen: Kneeler = knielkussen of bankje.
Knell, nel, subst. gelui, doodsklok; Knell verb. (de doodsklok) luiden.
Kneller, nelə.
Knelt, nelt, P. Imp. en P.P. van to kneel.
Knew, njû, imperf. van to know.
Knickerbocker, nikəbokə, bewoner van New-York van Oud-Hollandsche afstamming: Knickerbockers = wijde kniebroek, onderbroek = Knickies.
Knick-knack, niknak, beuzelarij, snuisterij (meest knick-knacks).
Knife, naif, subst. mes, ontleedmes, dolk; Knife verb. snijden, doorsteken, polit. candidaten arglistig doen vallen (Amer.): War to the knife = strijd op leven en dood; Knife-blade = lemmet; Knife-board = slijpplank; zitbank bovenop een e omnibus; Knife-cleaner = poetsmachine; Knife-edge = scherpe kant van het mes; Knife-grinder = messen- en scharenslijper; Knife-rest = messenleggertje; Knife-sharpener = mesaanzetter; Knife-tray = messenbak; Knifing affrays = gevechten met messen.
Knight, nait, subst. ridder, kampioen, paard (in ’t schaakspel), niet erfelijke titel (met Sir voor den doopnaam); Knight verb. tot ridder slaan; Knight of the blade = ijzervreter; Knight of industry = zwendelaar; Knight of the needle (shears, thimble) = ridder van de el = kleermaker; Knight of the road = struikroover; Knight of the rueful countenance = van de droevige figuur; Knight of the shire = vertegenwoordiger van een graafschap in het parlement; Knight-errant = dolende ridder; Knight-errantry = dolende ridderschap; Knightage = de ridderschap, al de personen, die den titel knight hebben; boek met hun aller namen; Knighthood = ridderschap: Order of Knighthood = ridderorde; Knightlike = ridderlijk; Knightliness, subst. v. Knightly = ridderlijk.
Knit, nit, knoopen, breien, samenbinden, samenvoegen, aaneen hechten, fronsen, vlechten, zich vereenigen: He knit his brow (the brows) = fronste het voorhoofd (de wenkbrauwen); Knitter = breid(st)er, breimachine; Knitting = breiden, breiwerk: Knitting-cotton = breikatoen; Knitting-machine = breimachine; Knitting-needle, Knitting-pin = breinaald, breipen; Knitting-sheath = breipenscheede; Knitting-work = breiwerk, lichte vrouwelijke arbeid (Amer.); Knitting-yarn = breigaren.
Knittle, nit’l, koord (van eene beurs, of zak), touw voor eene hangmat.
Knob, nob, knobbel, knoest, knop, kwast, brok, alleenstaande heuvel: Electric knobs = drukknoppen; Knobbiness, subst. v. Knobby = knobbelig, knoestig, etc.
Knobkerry, nobkeri, knots met ronden knop.
Knobstick, nobstik, onderkruiper.
Knock, nok, subst. slag, klop, stoot; Knock verb. slaan, stooten, kloppen: He has been knocking about the whole day = heeft rondgeboemeld; He is knocking himself about = hij vliegt van ’t een op ’t ander; That man was knocked about = leelijk toegetakeld; He knocked his enemy down = velde neer, sloeg tegen den grond; The picture was knocked down to me for 600 guilders = werd mij toegeslagen; I will not knock off one penny = geen stuiver afdoen; The workmen have knocked off = hebben opgehouden met werken; (Knocking-off time); He was knocked over in the street = neergeveld, overreden; Hastily knocked together = saamgeflanst; Are you going to fight or to knock under? = het opgeven, toegeven? I am quite knocked up = ik ben doodop; He knocks up easily = is gauw ’op’; You’ll knock up = je zult je ziek maken; A knocker-up = porder; He has knocked that opinion on the head = den kop ingedrukt; To knock out of time = zijn bekomst geven; He was knocked silly = deed zoo’n val (kreeg zoo’n slag), dat hij bewusteloos werd; Knock-about = luidruchtig, rusteloos; variété (artist); Knock-down = verpletterend (nieuws), uiterste (prijs); Knock-kneed = met de knieën binnenwaarts; Knock-knees = binnenwaarts gebogen knieën; Knock-out = afspraak om bij eene verkooping niet tegen elkander op te bieden, ten einde alles zoo goedkoop mogelijk te krijgen; Knocker = klopper: Up to the knocker = piekfijn, fameus; Knocking-ghost = klopgeest.
Knoll, noul, subst. heuvel(tje), heuveltop; gelui; Knoll verb. luiden (vooral van de doodsklok).
Knollys, noulz.
Knop, nop, knop, knoop, loofwerk aan zuilen; Knop verb. met knoppen versieren.
Knot, not, subst. knoop, vouw, bocht, groep, bende; verzameling, knoest, moeilijkheid, schouderlap (voor dragers van lasten), schouderbedekking, epaulet, knoop (ongev. 2.025 yards); Knot verb. knoopen, verbinden, samengroeien, verwarren, knoesten vormen: A hard knot = een moeilijk te ontwarren knoop; How many knots is she going now? = hoeveel knoopen loopt het schip nu; The marriage-knot = huwelijksband; To cut the knot = doorhakken; Knot-grass = duizendknoop, varkensgras; Knotted: The many-knotted waterflags = veelknoopige; Knottiness, subst. v. Knotty = vol knoopen, moeielijk: That is rather a knotty point = lastig punt.
Knout, naut, nût, subst. knoet; Knout verb. met de knoet straffen.