Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 50
Fur, fɐ̂, subst. bont, kleed met bont gevoerd, beslag op de tong, ketelsteen; adj. van bont, met bont gevoerd of afgezet; Fur verb. met bont voeren of afzetten, beslaan (van de tong); Furbelow, subst. geplooide rand aan japonnen of rokken; opschik, tooi; Fur verb. met bont voeren of omzoomen; Fur-moth = mot; Fur-trimmed = met bont omzoomd; Furred = met bont gevoerd; Furring = pelswerk, beslag op de tong, ketelsteen, spijkerhuid; Furry = met bont gevoerd, uit bont bestaand, bont ...
Furbish, fɐ̂biš, oppoetsen, polijsten, bruineeren; Furbisher = polijster, zwaardveger.
Furcate(d), fɐ̂kit (-eitid), gevorkt, in twee takken gedeeld; Furcation = vertakking.
Furfur, fɐ̂fə, roos (op ’t hoofd); Furfuraceous, fɐ̂fəreišəs, gekorst.
Furiosity, fjûriositi, krankzinnigheid; Furious, fjûriəs, woedend, dol, geweldig, levenmakend; subst. Furiousness.
Furl, fɐ̂l, samenrollen, vastmaken (van zeilen).
Furlong, fɐ̂loŋ, ⅛ van eene E. mijl of ± 201 M.
Furlough, fɐ̂lou, subst. verlof; Furlough verb. verlof toestaan: He is on furlough = met verlof.
Furmenty, fɐ̂m’nti. Zie Frumenty.
Furnace, fɐ̂nis, subst. oven, vuurhaard; vuurproef, martelplaats.
Furnish, fɐ̂niš, voorzien, uitrusten, meubileeren, versieren; in betere ‘conditie’ komen (rensport): They furnished him forth with the best they could get = zij rustten hem uit met, voorzagen hem van; Furnisher = leverancier, behanger.
Furniture, fɐ̂nitšə, uitrusting, huisraad; meubilair, tuig, sloten aan deuren en vensters, monteering (van een kanon), masten en tuig: Articles of furniture = meubelen; Furniture-van = verhuiswagen; The coffin was destitute of furniture = de kist had geen zilveren hengsels, etc.
Furrier, fɐ̂riə, bontwerker, bonthandelaar; Furriery = bontwerkerszaak, bontwerken.
Furrow, fɐrou, subst. voor, groef, rimpel; Furrow verb. doorploegen, groeven of rimpels trekken in; Furrow-drain = voor (om water af te voeren); Furrow-faced = met gerimpeld gelaat.
Further, fɐ̂dhə, adj. verder, meer, buitendien, behalve, bijgevoegd; Further verb. bevorderen; adv. bovendien, behalve: On the further side = aan den anderen (tegenovergest.) kant; Further than this = buiten dit alles; Furtherance, fɐ̂dhər’ns, bevordering, hulp, bijstand: In furtherance of = ter bevordering van; Furtherer = bevorderaar; Furthermore = bovendien; Furthermost = het verst verwijderd; Furthest, fɐ̂dhist, adj. het verst; adv. verst: I shall come to-morrow at the furthest = op zijn laatst.
Furtive, fɐ̂tiv, steelsgewijs, heimelijk, sluw.
Furuncle, fjûrɐŋk’l, bloedvin, zweer.
Fury, fjûri, woede, dolheid, onstuimigheid, razernij: The Furies = de drie wraakgodinnen.
Furze, fɐ̂z, gaspeldoorn, stekelbrem; brem; Furzy = met brem begroeid.
Fuse, fjûz, smelten, vloeibaar maken, samensmelten; Fusion = (samen)smelting, vereeniging.
Fuse, fjûz, (ook Fusee) sisser of lont.
Fusee, fjuzî, lont, windlucifer, spil (in een uurwerk); spoor van wild.
Fusibility, fjûzibiliti, smeltbaarheid; Fusible, fjûzib’l, smeltbaar.
Fusiform, fjûziföm, spilvormig.
Fusil, fjûzil, fuziel(geweer); ruit (in de heraldiek); Fusileer, Fusilier, fjûzilîə, fuselier; Fusil(l)ade, fjûzileid, fjûzileid, subst. geweervuur; Fusil(l)ade verb. neerschieten, fusileeren.
Fuss, fɐs, subst. lawaai; noodelooze, opzienbarende drukte; Fuss verb. woelig en druk zijn, klateren, snel stroomen: Fuss and feathers = veel geschreeuw en weinig wol (Amer.); The river fretted and fussed over its bed = schuurde en klaterde; The tug fussed and fretted, tossing over the green waves = pufte en woelde; The animal was fussing and fuming after it = liep er puffend en woedend achteraan; Fussiness = drukte, enz.; Fussy = drukte makend, druk: A fussy looking fellow = een opgewonden, druk standje.
Fussock, fɐsək, dikke “moeke”.
Fust, fɐst, subst. vatlucht, muffe reuk; Fust verb. duf en muf worden; Fusty = muf, duf, bedorven.
Fusteric, fɐstərik, fustiek, gele verfstof; Fustet = Hongaarsch geel verfhout; Fustin = Fusteric.
Fustian, fɐstj’n, subst. fustein; bombast, gezwollen stijl; adj. van fustein; opgeblazen, gezwollen.
Futhork, fûthök, runenalphabet.
Futile, fjût(a)il, beuzelachtig, nutteloos, waardeloos; Futility = beuzelachtigheid.
Futtock, fɐtək, oplanger: Futtock-shrouds = puttings.
Future, fjûtšə, subst. toekomst, “aanstaande”: To read the future = waarzeggen; In the future = in de toekomst; In future = voortaan; adj. toekomstig: Future tense = toekomende tijd; Futurist, fjûtšərist, iemand die gelooft dat de prophetieën der H. S. nog zullen vervuld worden; Futurity, fjutjûriti, toekomst, toekomstige gebeurtenissen.
Fuzz, fɐz, subst. dons, kleine vezeltjes; stuifzwam; Fuzz verb. in kleine deeltjes wegvliegen; Fuzz-ball = stuifzwam; Fuzz-wigged = met krullige pruik; Fuzziness, donzig(vlokkig)heid; Fuzzy = vlokkig, donzig, ruig, kroes, aangeschoten, beneveld; ongezond, verrot.
Fy, fai, foei!
Fyke, faik, fuik; Fyke-fisherman; Fyke-net (Amer.).
Fytte, fit, zang, vers.
G.
G, džî, 7e letter van het alphabet, de G-snaar (op eene viool): He possessed no final g’s to his name = was niet vulgair, van lage kom-af; Gael(ic); G(reat) B(ritain); G(rand) C(ross of the) B(ath); G(rand) C(ross of St.) M(ichael and St.) G(eorge) = koloniale orde; G(rand) C(ommander of the) S(tar of) I(ndia); G(rand) D(uke); Gent(leman); Geo(rge); Geol(ogy); Geom(etry); G(rand) L(odge); Gosp(el); Goth(ic); Gov(ernment); Gov(ernor) Gen(eral); G(eneral) P(ost) O(ffice); Gr(ain); Greg(ory); Gtt = druppels.
Gab, gab, subst. gewauwel, gesnap; Gab verb. praten, snappen, kakelen: He has the gift of the gab = hij kan praten als Brugman; Gabble, subst. luid gekakel, druk gerammel; Gabble verb. wauwelen, praten, kakelen, rammelen, druk en onduidelijk snappen; Gabble-mill = het Congres (Amer.); Gabby = praatziek.
Gabarage, gabəridž, grof paklinnen.
Gabardine, gabədîn, grof overkleed; kaftan.
Gaberlunzie, gabəlɐnzi, broodzak, rondreizend ketellapper, bedelaar (Schotl.).
Gabion, geibj’n, schanskorf; Gabionade, geibjəneid, geibjəneid, versterking van schanskorven, krib; Gabionage = schanskorven; Gabioned = met Gabions.
Gable, geib’l, driehoekig bovendeel van den voorgevel: Stepped gable = trapjesgevel; Gable-roof = zadeldak; Gable-window = gevelvenster; Gabled = van gevels voorzien.
Gabriel, geibriəl.
Gaby, geibi, sukkel, dwaas; gek, fat.
Gad, gad, subst. wig (van staal of ijzer), metalen staaf, stift, boor; horzel; Gad verb. rondzwerven, uitloopen, zich verspreiden: He did not know what to say on the gad = zoo gauw; His imagination was gadding = zijne fantasie was aan het dwalen; Gad-about = belust op rondzwerven of uitloopen; uitlooper, uitloopster; He has a gad-about spirit = hij houdt van doelloos rondzwerven; Gad-fly = horzel, paardevlieg; Gadder = Gad-about; Gadling, subst. vagebond; adj. zwervend; Gaddle = aan het zwerven of in de war brengen: That thought set all their little heads gaddling = bracht al hunne hoofdjes op hol.
Gadelle, gədel, roode bes.
Gadhelic, gədelik, gadəlik, Keltische taal of bewoner van Schotland, Ierland en het eiland Man.
Gaekwar, geikwa, titel van den Maharaja van Baroda.
Gael, geil, Kelt; Gaelic, geilik, galik, Keltisch.
Gaff, gaf, subst. ijzeren haak, speer, gaffel, café chantant of theater van de laagste soort; Gaff verb. gevangen visch aan land brengen met een ijzeren haak: To blow the gaff = verraden; Gaff-topsail = gaftopzeil.
Gaffer, gafə, oude man, opziener, meesterknecht, baas.
Gaffle, gaf’l, ijzeren spoor (voor hanen bij hanengevechten).
Gag, gag, subst. prop (in den mond), de woorden die een speler in zijne rol lascht; Gag verb. knevelen, eene prop in den mond stoppen, het zwijgen opleggen, woorden inlasschen (in eene rol); Gagger = knevelaar.
Gage, geidž, subst. pand, borgtocht, handschoen (als uitdaging), groene pruim; peil (Z. Gauge); Gage verb. verpanden, op het spel zetten, peilen.
Gaggle, gag’l, snateren, kakelen.
Gaiety, geiəti, vroolijkheid, genot, mooie kleederen, vertoon; Gaily, geili, vroolijk.
Gaikwar, geikwâ, titel van den Maharaja van Baroda.
Gain, gein, subst. winst, aanwinst, voordeel; Gain verb. winnen, voor zich innemen, verkrijgen, bereiken, verwerven, overhalen: To gain the day = de overwinning behalen; They have gained ground of late = zij hebben in den laatsten tijd veld gewonnen; They gained the other side = bereikten; That will gain us time = daardoor zullen wij tijd winnen; We have gained the wind of that ship = wij hebben dat schip de loef afgestoken; I have gained him into that act = er toe overgehaald; My good behaviour gained on him = nam hem voor mij in; I shall try to gain him over to our side = voor onze partij zien te winnen; The enemy gained upon us = inhalen, voordeel behalen op; Gainer = winner; Gaining = het winnen of verkrijgen; Gainings = behaalde winst.
Gainsay, geinsei, geinsei, tegenspreken, weerspreken, loochenen; Gainsayer = loochenaar; Gainsaying = tegenspraak, ontkentenis.
Gainst, genst, geinst, verk. van against.
Gairdner, gâdnə: Gairdner Lake.
Gait, geit, pad, straat; gang, pas, loop, houding; graanschoof: The pictures went off at a rattling gait = gingen grif van de hand; Gaited, in samenstell.: Heavy gaited = langzaam.
Gaiter, geitə, subst. slobkous; valsche speler; Gaiter verb. van slobkousen voorzien.
Gal, gal = girl.
Gala, geilə, gala, feestelijkheid; Gala-day = feestelijke dag; Gala-dress = galakleeding.
Galactometer, galəktomətə, melkmeter; Galactophorous, galəktofərɐs, melkhoudend.
Galage, galidž, klomp, overschoen.
Galantine, galənt(a)in, galantine.
Galatia, gəleišə, Galatië; Galatian, bewoner v. Galatië.
Galaxy, galəksi, melkweg, schitterende groep.
Gale, geil, subst. stijve bries; gagel; lied; twist, opgewondenheid, periodieke rentebetaling; Gale verb. snel zeilen: Great events are in the gale = in de lucht, op til; Gale-day = rentedag.
Galenic(al), gəlenik(’l), volgens de geneeswijze van Galen (Grieksch geneesheer, 131–200).
Galicia, gəlišə, Galicië; Galician, gəliš’n, subst. Galiciër; adj. Galicisch.
Galilean, galilîən, subst. Galileër; adj. tot Galilea behoorend; tot Galileo (1564–1642) behoorend; Galilee, galilî, Galilea, voorportaal of kapel aan den ingang eener kerk.
Galimatias, galimatiəs, galimeišəs, dwaasheid, onzinnig gezwets.
Gal(l)iot, galiət, galjoot.
Gall, gôl, subst. gal, kwaadaardigheid, toorn, bitterheid; galnoot; schram, schaafwond, vochtige plaats of bron (in een stuk land), kale plek (in den oogst), laag, moerassig land; Gall verb. met (gal) doen doortrekken; afschaven, schrammen, beschadigen, verslijten, kwellen, vertoornen, kwetsen; Gall-bladder = galblaas; Gall of glass (Zie Sandiver); Gall-fly = galwesp; Gall-nut = galnoot; Gall-sickness = galkoorts; Gall-stone = steen (in de blaas).
Gallant, gəlant, subst. galant heer, hofmaker, verleider; adj. galant, hoofsch, hoffelijk; Gallant verb. het hof maken, hoofsch behandelen; Gallantly = galant.
Gallant, gal’nt, schoon, schitterend, prachtig, dapper, fier, moedig; Gallantly = dapper; Gallantry = dapperheid, uiterlijk vertoon; hoffelijkheid, galanterie.
Galleon, galj’n, galjoen.
Gallery, galəri, galerij, gang, schilderijenverzameling, schilderijenmuseum; tribune, “het schellinkje”, de menschen op tribune of galerij, mijngang, overdekte gang, buitenbetimmering aan den spiegel van een schip; tent: Shooting-gallery = schiettent; He is playing to the gallery = hij tracht de toejuichingen van het plebs te winnen.
Galley, gali, galei, strafkolonie, kapiteinsgalei, boot, kombuis; zetraam: The article went straight from the galley to the stone = werd ongecorrigeerd gedrukt; Galley-foist = vroegere staatsiesloep van den Lord Mayor; Galley-pepper = kolenasch; Galley-slave = galeislaaf; Galley-worm = soort. v. duizendpoot; Galley-west: That knocked the mystery galley-west in a second = toen was het in eens met alle geheimzinnigheid gedaan (Amer.).
Gallia, galiə, Gallië; Gallian, galiən, Gallisch.
Galliard, galjəd, subst. vroolijke kwant; soort dans; adj. vroolijk, vlug, dartel; Galliardise, galjədîz, vroolijkheid, opgewektheid.
Gallic, galik, Gallisch, Fransch (ook: Gallican); uit galnoten getrokken; Gallicism, galisizm, Fransch idioom; Gallicize = verfranschen.
Galligaskins, galigaskinz, wijde broek.
Gallimaufry, galimôfri, ragout; mengelmoes.
Gallinaceous, galineišəs, hoenderachtig.
Gallipot, galipot, likkepot.
Gallium, galiəm, gallium.
Gallivant, galivant, galivant, het hof maken, coquetteeren, veel uitgaan.
Galliwasp, galiwosp, hagedis (W.-Indië).
Gallomania, galəmeinjə, manie voor alles wat Fransch is.
Gallon, gal’n, Engelsche maat van verschillenden inhoud: Imperial gallon = ± 4.54 L.
Galloon, gəlûn, lint, band, galon; Gallooned.
Gallop, galəp, subst. galop; Gallop verb. (doen) galoppeeren, snel rijden, haasten, vluchtig doorloopen; Galloping-consumption = vliegende tering; Gallopade, galəpeid, galəpâd, subst. (dansende, zijdelingsche) galop, de dans “galop”; Gallop verb. galoppeeren, een galop dansen.
Gallow, galou, doen schrikken.
Galloway, galəwei, kleine, sterke hit; een donker Schotsch runderras.
Gallowglass, galouglas, zwaar gewapende Iersche voetknecht (uit ouden tijd).
Gallows, galouz, galg, galgebrok (= Gallows-bird); Gallowses = bretels (Amer.); Gallows-bits = galg (op een schip); Gallows-free = van de galg gered; Gallows-ripe; Gallows-tree = galg; Gallowsness = ondeugendheid, boosheid.
Gally, gôli, verb. doen schrikken; adj. vochtig (van land). Zie Gall.
Galoche = Galosh.
Galoot, gəlût, lummel, kerel.
Galop, galəp, galop (dans).
Galore, gəlö, subst. overvloed; adv. in overvloed: She has jewellery galore = zij heeft een rijkdom aan juweelen.
Galosh, gəloš, elastieken overschoen; soort klomp met riemen vastgemaakt.
Galvanic, galvanik, Galvanisch: Galvanic-battery = Galvanische batterij; Galvanic current; Galvanic pile (Zie Voltaic); Galvanism, galvənizm, galvanische electriciteit; Galvanize, galvənaiz, galvaniseeren, electriseeren.
Galveston, gavst’n, galvəst’n; Galway, gôlwei.
Gamba, gambə, gambe, soort violoncel.
Gambade, gambeid, luchtsprong, gril.
Gambado, gambeidou, slobkous; Gambadoes = aan het zadel bevestigde rijlaarzen.
Gambeson, gambəz’n, wollen wambuis (onder het harnas).
Gamble, gamb’l, om geld dobbelen: They gambled away their lives = verdubbelden, vergooiden hun leven; Gambler.
Gamboge, gamboudž, gambûdž, guttegom.
Gambol, gamb’l, subst. (kromme) sprong; Gambol verb. springen, huppelen.
Gambrel, gambr’l, knieboog v. h. achterbeen van een paard; kromhout voor ’t ophangen van vleesch; Gambrel-roof = tentdak.
Game, geim, subst. spel, vroolijkheid, scherts, pretje, winst bij het spel; wildbraad, wild, toeleg, tijdverdrijf; adj. wild - -; flink, moedig, bereid; lam, onbruikbaar; Game verb. spelen: A game at cards, at dice, at (of) chess; A game of chance = hazardspel; Popular games = volksspelen; Is that your little game? = voer je dat in je schild? That is not my game at present = daarom is ’t mij nu niet te doen; The game is not worth the candle = de sop is de kool niet waard; He made game of us = hield ons voor den gek; I am game to do it = ik ben bereid; He is game to play that part = geschikt; All hoped he would die game = dat hij als een man zou sterven; He went to America much gamer than we could have expected = met meer moed (flinker) dan ...; Game-bag = weitasch; Game-birds (Game-fowls) = kempvogels; Game-cock = kemphaan; Gamekeeper = jachtopziener, koddebeier; Game-laws = jachtwetten; Gameful, Gamesome = dartel, vroolijk, speelsch; subst. Gamesomeness; Gamester = speler, dobbelaar; Gaming: Gaming-debt = speelschuld; Gaming-house = speelhuis; Gaming-table = speeltafel.
Gamin, gamin, straatjongen.
Gamma, gamə, toonladder.
Gammer, gamə, moedertje.
Gammon, gam’n, subst. gerookte ham; spel (= Backgammon); bedriegerij; Gammon verb. ham zouten en rooken; verslaan (bij het backgammon), bedriegen, bedotten, huichelen; interj. malligheid, loop! No gammon with me! = ’k laat me niet bedotten!
Gamp, gamp, subst. besteedster (paraplu); adj. bol staande; Gamp verb. bollen of uitzetten.
Gamut, gamət, toonladder, toonschaal, omvang: The gamut of human feeling.
Gamy, geimi = Game (adj.).
Gander, gandə, gent: Sauce for the goose is sauce for the gander = gelijke monniken gelijke kappen.
Gang, gaŋ, troep, bende, kliek, deel van werklui of scheepsvolk voor een bepaald doel aangewezen, ertsader, assortiment: Gang-board = loopplank, valreepsbord; Gang-cask = watervat (op een schip); Gangway = pad, doorgang, gangboord, trap, brug voor passagiers (schip), gangpad in ’t Lagerhuis, dat de banken der regeeringspartij en die der oppositie in twee helften verdeelt; The poor fellow was brought to the gangway = de arme kerel werd afgestraft; He sits below the gangway = hij behoort tot de onafhankelijke leden (die de achterbanken bezetten o.a. langs de gangway te bereiken); Gang-week = rondgangweek (Z. Rogation); Ganger = opzichter van een arbeidersploeg.
Ganges, gandžis, Ganges; Gangetic, gandžetik, tot den Ganges behoorend.
Ganglion, gaŋgliən, (Meerv. Ganglia), peesknobbel, zenuwknoop.
Gangrene, gaŋgrîn, subst. koudvuur; Gangrene verb. het koudvuur krijgen; Gangrenous, gaŋgrinɐs, door koudvuur aangetast.
Ganister, ganistə, soort vuurvaste steen.
Gannet, ganət, witte rotspelikaan, Jan-van-Gent.
Gantlet, gôntlət, gântlət (Gantlope, gantloup), spitsroede: He had to run the gantlet = hij moest spitsroeden loopen; A new-comer has to run the gantlet of the whole company = die binnenkomt staat aan de kritiek v. het geheele gezelschap bloot; He took up the gantlet = hij nam den handschoen op.
Ganymede(s), ganimîd, ganimîdîz, Ganymedes.
Gaol; džeil; Zie Jail; Gaoler.
Gap, gap, subst. gat, opening, bres, hiaat; Gap verb. een gat maken in; He stood in the gap for all his friends = hij sprong in de bres voor; We had to stop the gap = moesten het gat stoppen (ook fig.); gap-toothed = met holten tusschen de tanden.
Gape, geip, subst. geeuw, het geeuwen; Gape verb. gapen, geeuwen, verbaasd aanstaren, aangapen, openstaan: The chickens have got the gapes = hebben de gaapziekte; We were gaped at by all = werden aangegaapt; They are gaping for (after) it = zij snakken er naar.
Gar, gâ, geep; Gar verb. dwingen, veroorzaken.
Garage, garâž, garage.
Garb, gâb, kleeding, gewaad, mode, uiterlijk; schoof (koren): Nature’s garb; Garbed = gekleed.
Garbage, gâbidž, ingewanden en afval van een dier, waardeloos iets; Garbaged = van ingewanden gereinigd.
Garble, gâb’l, verminken, verknoeien; schiften, ook op zeer partijdige manier; Garbler = schifter, vervalscher.
Garboard, gâböd, gaarboord (scheepst.).
Garboil, gâbôil, subst. oproer, wanorde; Garboil verb. onderstboven gooien, storen.
Garden, gâd’n, subst. tuin; adj. tot een tuin behoorend; Garden verb. tuinieren, een tuin aanleggen; Garden City = Chicago; The Garden = de markt (= Covent Garden in Londen); Garden-glass = tuinspiegel; Garden-house = tuinhuisje; Garden-mould = tuin- of teelaarde; Garden-plot = deel van den tuin met bloemen, enz.; Garden-stuff = groenten, enz.; Garden-tools = tuingereedschap; Gardener = tuinier.
Gardenia, gâdînjə, gardenia.
Gare, gêə, grove wol op schapepooten.
Garfish, gâfiš, geep.
Gargantuan, gâgantjuən, reusachtig, kolossaal.
Gargery, gâdžəri.
Garget, gâgət, keel, gezwel in de keel, uierziekte; varkensziekte.
Gargle, gâg’l, subst. gorgeldrank, dronk; Gargle verb. gorgelen, kweelen.
Gargoyle, gâgôil, gargouille, spuier (Archit.).
Garibaldi, garibaldi, Garibaldi; buis of muts, zooals door Garibaldi en zijne troepen werd gedragen.
Garish, gêriš, glanzend, blinkend, opzichtig, buitensporig.
Garland, gâl’nd, subst. guirlande, bloemenkrans, bloemlezing; provisienet; Garland verb. met kransen tooien.
Garlic, gâlik, knoflook; Garlic-eater = scheldnaam voor Joden; Garlicky = knoflook bevattend.
Garment, gâm’nt, kleedingstuk, kleeding: The garmentage of life = het uiterlijke des levens.
Garner, gânə, subst. graanzolder; Garner verb. opstapelen (van koren), verzamelen.
Garnet, gânət, granaatsteen.
Garnish, gâniš, subst. versiersel, randversiering (om een schotel); fooi; Garnish verb. versieren, voorzien van, waarschuwen; subst. Garnishment.
Garniture, gânitšə, versiering, opschik, garnituur, bijbehoorende onderdeelen.
Garret, garət, vliering, zolderkamertje; Garret-master = meubelmaker, die thuis werkt voor magazijnen of bazen; Garreteer, garətîə, vlieringbewoner, arme broodschrijver.
Garrison, garis’n, subst. garnizoen, vesting; Garrison verb. in garnizoen leggen, bezetten.
Garron, gar’n, klein Schotsch paard.
Garro(t)te, gərot, gərout, subst. halsijzer tot terdoodbrenging (door worging); Garro(t)te verb. terdoodbrengen; bestelen door de keel van het slachtoffer dicht te drukken, en hem weerloos te maken; Garro(t)ter = straatroover.
Garrulity, gərûliti, praatachtigheid; Garrulous, garəlɐs, praatziek, snapachtig.
Garter, gâtə, subst. kouseband; kouseband-orde; Garter verb. met een kouseband bevestigen; die orde verleenen; Knight of the Garter = Ridder van den Kouseband.
Garth, gâth, hof, vischweer.
Garum, gêr’m, Romeinsche vischsaus.
Gas, gas, subst. lichtgas, gas; gewauwel, bluf; Gas verb. wauwelen, bluffen: How he was gassing = wat was hij aan ’t opsnijden; Gas-buoy = gasboei; Gas-bracket = gasarm; Gas-coal; Gas-condenser = gascondensator; Gas-cooker = gasfornuis; Gas-engine = gasmotor; Gas-fitter; Gas-fitting = gasaanleg; Gasholder = gashouder; Gas-jet = gasvlam, gaspit; Gas-lamp = lamp, lantaarn; Gas-light; Gas-main = hoofdleiding; Gas-mantle = gloeikousje; Gas-meter = meter; Gas-motor; Gas-pipe; Gas-range = gaskookkachel; Gas-regulator = gasregulateur; Gas-retort; Gas-tar = koolteer; Gas-works = gasfabriek; Gasalier, Gaselier, gasəlîə, gaskroon; Gaseity, gesîiti, gasachtigheid; Gaseous, geisiəs, geiziəs, gasiəs, gaziəs, gasachtig, vluchtig; Gasiform = gasvormig; Gasify = in gas veranderen; Gasoline, gasəlîn, gasoline; Gasometer, gəsomətə, gəzomətə, gashouder; gasometer; Gasometry = meten van gas; Gassy = gasachtig; opgeblazen.
Gascon, gaskən, Gascogner, bluffer; Gasconade, gaskəneid, subst. blufferij, snoeverij; Gascon verb. snoeven, grootspreken; Gasconader = bluffer, “opsnijer”; Gascony, gaskəni, Gascogne.
Gash, gaš, subst. gapende (vleesch)wond, houw, snede; Gash verb. eene gapende wonde maken: I gash myself asunder from the king = ik breek geheel met den koning.
Gasket, gaskət, seizing (scheepst.).
Gaskins, gaskinz = Galligaskins.
Gasp, gâsp, subst. snik; Gasp verb. snakken (naar adem), vurig verlangen, hijgend uitbrengen: At the last gasp = bij den laatsten snik, op sterven; With a gasp = verbaasd (als naar adem snakkend); It made me gasp = ik stond paf.
Gastric, gastrik, tot de maag behoorend; Gastric-abscess; Gastric-catarrh = maagcatarrh; Gastric-fever = gastrische koorts; Gastric-juice = maagsap; Gastriloquy, gastriləkwi, buikspraak; Gastritis, gastraitis, maagontsteking; Gastronomer, gastronəmə, Gastronomist, gastronəmist, lekkerbek; Gastronomy, gastronəmi, kunst en lust om lekker te eten; Gastrotomy, gastrotəmi, maagsnede voor het inbrengen van voedsel.
Gat, gat, nauwe doorvaart.
Gate, geit, subst. poort, deur, ingang, wegsluis, gelegenheid, kans (The Gate = Billingsgate = Londensche vischmarkt); Gate verb. binnen de poorten houden: That opened the gate for all abuses = zette de deur open voor; Gate of horn = de poort van hoorn (in het droomhuis), waardoor ware visioenen komen; Gate of ivory = de poort van ivoor, waardoor de onware visioenen komen (de Aeneïde v. Vergil.); Gatehouse = portierswoning; Gateman = portier, tolgaarder, baanwachter; Gateway = poort; Gated = met poorten.