Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 34

Chapter 342,672 wordsPublic domain

Dingle, diŋg’l, klein dal, vallei.

Dingle-dangle, ding’ldang’l, slofslof.

Dingy, dinži, vuil, donker of vuil-zwart.

Dink, diŋk, keurig: Dink and dainty; Dink verb. optooien.

Dinner, dinə, middagmaal, feestmaal: Public dinner = officieel diner, banket; I have made a good (poor) dinner = heb goed (weinig) gegeten; Dinner-jacket = ‘smoking’; Dinner-party = gezelschap, dischgenooten; Dinner-service = servies; Dinner-time = etenstijd; Dinner-waggon = dienbak op rolletjes; Dinnerless = zonder eten.

Dint, dint, subst. slag, stoot, deuk, indruk, striem, kracht; Dint verb. groeven, indrukken: By (through) dint of hard work he succeeded = door hard werken; These are the dints of his fingers = indrukken.

Diocesan, daiosîs’n, daiəsîs’n, subst. bisschop of inwoner van een diocese; adj. diocesaan; Diocese, daiəsîs, diocese.

Diocletian, daiəklîš’n, Diocletianus.

Diogenes, daiodžənîz; Diomedes, daiəmîdîz; Dionysus, daienisəs: Fruit of Dionysus = wijn.

Dioptric(al), daioptrik(’l), dioptrisch: Dioptrics = dioptrica.

Diorama, daiərâmə, daiəreimə, diorama; adj. Dioramic.

Dip, dip, subst. indooping, bad, helling, glooiing, vetkaars (= Dip-candle), vette saus, inclinatie (van de kompasnaald); Dip verb. indoopen, bevochtigen, indompelen, inclineeren, strijken en weer opzetten, op en neer halen, doorslaan (v. balans); uitscheppen, glooien, vluchtig doorlezen, even aanraken, zich inlaten met, op goed geluk kiezen, verpanden: The scale dipped on that side, in favour of him = de schaal sloeg door; He had deeply dipped his estates = had eene zware hypotheek genomen op.

Dipchick, diptšik; Zie Dabchick.

Diphtherea, dif-thîriə, dipthîriə, Diphtheritis, diphtheritis; adj. Diphther(it)ic, diftherik, diptherik, dif-thəritik.

Diphthong, difthoŋ, dipthoŋ, tweeklank; adj. Dipthongal; Diphthongize = tot een tweeklank maken of worden.

Diphyllous, difəlɐs, daifiləs, tweeblad(er)ig.

Diploma, diploumə, diploma; Diplomacy = diplomatie; Diplomat(e) dipləmat = Diplomatist, diploumətist; Diplomatic, dipləmatik, subst. gezant, diplomaat; adj. diplomatisch; handschrift...; Diplomatics, dipləmatiks, diplomatie; paleografie.

Dipper, dipə, duiker, badknecht; nap; kaarsenmaker; Groote Beer; dompelaar (Amer.), waterspreeuw.

Dipsomania, dipsəmeinjə, periodieke drankzucht; Dipsomaniac = drankzuchtige; adj. Dipsomaniacal.

Diptera, diptərə, tweevleugelige insecten; adj. Dipteral = tweevleugelig = Dipterous.

Dire, daiə, ijselijk, verschrikkelijk, treurig, naar; adj. Direful; subst. Direfulness.

Direct, direkt, direct, rechtstreeksch, open, klaar, eenvoudig, oprecht, uitdrukkelijk; Direct verb. richten, sturen, den weg wijzen, toonen, geleiden, besturen, voorschrijven, adresseeren; Direct-fire = direct vuur (tegen vrijstaand doel); Direct-tax = directe belasting; Direction = richting, bestuur, voorschrift, opdracht, aanwijzing, recept, opschrift, adres; Direction-post = wegwijzer; Directly, direct, duidelijk, oogenblikkelijk; Directness = oprechtheid; Director = directeur; Directorate = directoraat (= Directorship); Directory, direktəri, subst. adresboek; bestuur, directoire (1795); adj. aanwijzend, aanwijzingen bevattend; Directress = directrice = Directrix.

Dirge, dɐ̂dž, (verbastering van Dirige), lijkzang (R.K. kerk).

Dirigible, diridžib’l, bestuurbaar; ook subst.

Diriment impediment, dirimentimpediment, storend iets; omstandigheid, die een huwelijk onwettig maakt (R.K. kerk).

Dirk, dɐ̂k, subst. dolk, ponjaard; Dirk verb. doorsteken met een dolk.

Dirt, dɐ̂t, subst. vuil, drek, slijk, vuiligheid, vuil weer; (goud houdende) grond (Amer.); Dirt verb. bevuilen, besmetten: It is as common as dirt = komt in groote hoeveelheden voor; To eat dirt = zich vernederen, in zijn schulp kruipen; If you throw enough dirt, some of it will stick = er blijft van den laster altijd wel wat hangen; Dirt-cheap = spotgoedkoop; To make dirt-pies = zandtaartjes maken (kinderspel); Dirtiness = vuilheid (ook fig.); Dirty, adj. bevuild, vuil, laag, gemeen; Dirt verb. bevuilen, bezoedelen.

Disability, disəbiliti, onbekwaamheid, onvermogen, onbevoegdheid; Disable, diseib’l, onbekwaam (onbevoegd, onbruikbaar) maken, buiten gevecht stellen, tot zwijgen brengen: A disabled soldier = invalide; A disabled state = ontredderde toestand; subst. Disablement.

Disabuse, disəbjûz, uit de dwaling of den droom helpen: You must disabuse yourself of such an idea = u losmaken van.

Disaccustom, disəkɐst’m, ontwennen.

Disadvantage, disədvântidž, subst. nadeel, verlies; Disadvantage verb. benadeelen: To be at a disadvantage = achterstaan bij; To place at a disadvantage = achterstellen bij; Disadvantageous, disadv’nteidžəs = nadeelig; subst. Disadvantageousness.

Disaffect, disəfekt, vervreemden, afkeerig of ontrouw maken; Disaffected = ontevreden, misnoegd; subst. Disaffectedness; Disaffection = afkeer, misnoegdheid.

Disaffirm, disəfɐ̂m, ontkennen, tegenspreken, loochenen, vernietigen; subst. Disaffirmance.

Disagree, disəgrî, verschillen, oneens zijn, niet passen bij, slecht bekomen; Disagreeable = onaangenaam; subst. Disagreeableness; Disagreement = meeningsverschil, oneenigheid.

Disallow, disəlau, niet toestaan, weigeren, afkeuren; Disallowable = verwerpelijk; Disallowance = afkeuring, verbod.

Disannul, disənɐl, vernietigen; subst. Disannulment.

Disappear, disəpîə, verdwijnen; subst. Disappearance: He was a nameless disappearance = zijn naam stierf geheel uit.

Disappoint, disəpôint, teleurstellen, verijdelen: I am disappointed in you = gij valt mij tegen; subst. Disappointment: Disappointment in love = ongelukkige liefde.

Disappreciate, disəprîšieit, onderschatten.

Disapprobation, disaprəbeiš’n, afkeuring, veroordeeling; Disapprobatory = afkeurend.

Disappropriate, disəproupriit, adj. onteigend; Disappropriate verb. disəprouprieit, ontnemen, onteigenen.

Disapproval, disəprûv’l, afkeuring; Disapprove, disəprûv, afkeuren, verwerpen.

Disarm, disâm, ontwapenen, onschadelijk maken; de wapens neerleggen, subst. Disarmament.

Disarrange, disəreinž, in de war brengen; subst. Disarrangement = verwarring.

Disarray, disərei, subst. verwarring, wanorde; verwarde kleeding; Disarray verb. in wanorde brengen; de kleeding uittrekken.

Disarticulate, disâtîkjuleit, ontleden; Disarticulator = prosector.

Disassociate, disəsoušieit, ontbinden.

Disaster, dizastə, subst. ramp, tegenspoed, onheil, ongeluk; Disastrous, dizastrəs, rampspoedig, ongelukkig, verwoestend.

Disavow, disəvau, ontkennen, loochenen, verwerpen; subst. Disavowal.

Disband, disband, afdanken (v. troepen), (zich) verspreiden; subst. Disbandment.

Disbar, disbâ, een Barrister het recht van pleiten ontnemen.

Disbelief, disbəlîf, ongeloof, twijfel; Disbelieve, disbəlîv, niet gelooven; betwijfelen; Disbeliever = ongeloovige.

Disbud, disbɐd, knoppen afbreken.

Disburden, disbɐ̂d’n, ontlasten, zich bevrijden, zijn hart uitstorten.

Disburse, disbɐ̂s, uitbetalen, uitgeven, voorschieten; subst. Disbursement.

Disc, disk. Zie Disk.

Discard, diskâd, subst. het écarteeren, de weggegooide kaarten; Discard verb. afdanken, heenzenden, afleggen, verwerpen, verwijderen, laten loopen, écarteeren.

Discern, dizɐ̂n, onderscheiden, bespeuren, beoordeelen, waarnemen; Discerner = kenner, etc.; Discernible = te onderscheiden, duidelijk; subst. Discernibleness; Discerning = scherpzinnigheid; adj. scherpzinnig, oordeelkundig; Discernment = inzicht.

Discharge, distšâdž, subst. ontslag, kwijtschelding, ontlasting, ontheffing; losbranding, salvo, ontlading, lossing, afdoen, vervulling, verrichting; Discharge verb. lossen, uitwerpen, ontladen, afschieten, kwijtschelden, ontslaan, ontheffen, betalen, réhabiliteeren, vrijspreken, uitstroomen, uitstorten, uitstooten, vervullen, dragen (van wonden): Men with satisfactory discharges = eervol ontslagen personen; To discharge one’s duty, from duty = zijn plicht vervullen, van den plicht ontheffen; Discharge-cock = afvoerkraan; Discharge-pipe = afvoerpijp; Discharger = ontlader, etc.

Dischurch, distšɐ̂tš, doorhalen als lidmaat, berooven van den rang van kerkelijke gemeente (dus: als sekte behandelen).

Disciform, disiföm, schijfvormig.

Disciple, disaip’l, subst. leerling, volgeling; Discipleship = de jongeren; Disciplinable, disiplinəb’l, voor leering vatbaar; strafbaar; Disciplinarian, disiplinêri’n, subst. tuchtmeester, ordehouder; adj. = Disciplinary, disiplinəri, disciplinair; Discipline, disiplin, subst. tucht, tuchtmiddel, tuchtiging, bestraffing; Discipline verb. onderwijzen, drillen, tuchtigen, bestraffen: To take the discipline = zichzelf tuchtigen.

Disclaim, diskleim, ontkennen, verwerpen, afstand doen van: He disclaimed any intention to offend; Disclaimer = ontkenning, verwerping, afstand, démenti.

Disclose, disklouz, openbaren, onthullen, blootleggen; Disclosure, diskloužə, openbaring, onthulling.

Discoid, diskôid, schijfvormig; ook subst.

Discoloration, diskɐləreiš’n, verkleuring, verkleurde plek, vlek, smet; Discolour, diskɐlə, ontkleuren, verkleuren, verbleeken.

Discomfit, diskɐmfit, verslaan, verstrooien, ontmoedigen, uit het veld slaan, verijdelen; Discomfiture = nederlaag, verijdeling, teleurstelling.

Discomfort, diskɐmfət, subst. smart, pijn, onrust, droefheid, onbehaaglijkheid; Discomfort verb. bedroeven, verontrusten.

Discommend, diskəmend, berispen, misprijzen, kleineeren; Discommendable = berispelijk.

Discommon, diskomən, een meente aan algemeen gebruik onttrekken, van privileges berooven.

Discompose, disk’mpouz, in wanorde of verlegenheid brengen, plagen: He was discomposed at it = was er geheel van ontdaan; Discomposure, disk’mpoužə, wanorde, verwarring, ontvoering.

Disconcert, disk’nsɐ̂t, in wanorde brengen, in verwarring brengen, verijdelen; subst. Disconcertion.

Disconformity, disk’nfömiti, gebrek aan overeenkomst, ongelijkheid.

Disconnect, diskənekt, afkoppelen, uitschakelen; subst. Disconnection.

Disconsolate, diskonsəlit, troosteloos, bedroevend; subst. Disconsolateness.

Discontent, disk’ntent, subst. ontevredenheid, misnoegen; adj. ontevreden, misnoegd; Discontent verb. ontevreden, misnoegd maken; Discontented = ontevreden; subst. Discontentedness = Discontentment.

Discontinuance, disk’ntinjuəns, staking, onderbreking, afbreking, storing = Discontinuation; Discontinue, disk’ntinjû, onderbreken, afbreken, ophouden, staken, onderbroken zijn of worden: To discontinue (a) business = eene zaak opheffen, likwideeren; Discontinuity = gebrek aan samenhang; Discontinuous = onsamenhangend.

Discord, disköd, tweedracht, strijd, disharmonie, verschil; Discordance, disköd’ns, gebrek aan overeenstemming, tegenspraak; Discordant = niet overeenstemmend, wanklinkend, valsch.

Discount, diskaunt, korting, disconto: At a discount = beneden pari; niet in trek (aanzien); Reverence (knowledge) is at a discount nowadays = staat thans in een slechten reuk; I bought it at a discount bookseller’s = bij een boekhandelaar, die netto en à contant verkoopt; Discount-bank = disconto-bank; Discount-broker (= Discounter) = wisselmakelaar; Discount-day = de vaste dag, waarop de E. bank wissels, enz. disconteert.

Discount, diskaunt, aftrekken, disconteeren, van weinig waarde beschouwen: We do not wish to discount the report of the committee = te kort doen aan; Our objections are partly discounted in the preface = onze bezwaren .... ondervangen; The beauty of the book is somewhat discounted by that circumstance = aan de schoonheid wordt afbreuk gedaan; Iron looked up through causes, that everybody had often discounted = de prijs van ’t ijzer ging omhoog door oorzaken, die iedereen dikwijls als van geen invloed had beschouwd; This grand building discounts all other structures out of sight = steekt uit boven alle andere gebouwen (fig.); Discountable = te disconteeren.

Discountenance, diskauntən’ns, subst. koele behandeling, afkeuring; Discountenance verb. den moed benemen, afschrikken van, afkeuren, verlegen maken.

Discourage, diskɐridž, ontmoedigen, afschrikken; Discouragement = ontmoediging, beletsel.

Discourse, diskös, subst. voordracht, redevoering, gesprek, verhandeling, preek; Discourse verb. spreken over, eene redevoering houden, handelen over; onderhouden over: To discourse music = ten gehoore brengen; He discoursed the women about their duties = onderhield.

Discourteous, diskɐ̂tšəs, diskötšəs, onbeleefd, lomp: Discourtesy, diskɐ̂təsi, onbeleefdheid, lompheid.

Discover, diskɐvə, ontdekken, openbaren, onderscheiden, toonen: She cannot discover hearts from diamonds = zij kent geen harten voor ruiten; He discovered himself as = ontpopte zich als, bleek te zijn; Discoverable = te ontdekken, zichtbaar; Discoverer = ontdekker; Discovery = ontdekking.

Discoverture, diskɐvətšə, ongehuwde staat (v. vrouwen).

Discredit, diskredit, subst. oneer, schande, discrediet, slechte naam; twijfel, ongeloof; Discredit verb. niet gelooven; in minachting brengen; Discreditable = verkeerd, schandelijk.

Discreet, diskrît, verstandig, oordeelkundig, beleidvol; discreet: He is discreet = kan een geheim bewaren; subst. Discreetness.

Discrepance, Discrepancy, diskrep’ns(i), verschil, tegenspraak, inconsequentie; adj. Discrepant.

Discrete, diskrît, afgescheiden, apart; Discretive, diskrîtiv, disjunctief, scheidend.

Discretion, diskreš’n, bezonnenheid, verstand, takt, discretie: Years of discretion = jaren des onderscheids; The enemies surrendered at discretion = op genade of ongenade; That is at your discretion = tot uw dienst, zooals u verkiest; That is in your discretion = dat moet ge zelf weten; Discretion is the better part of valour = beter een levende hond dan een doode leeuw; Use your own discretion = handel naar believen; Discretional = Discretionary = naar believen.

Discriminate, diskriminit, adj. onderscheidend; Discriminate verb. (diskrimineit) onderscheiden, uitkiezen, kenmerken; Discriminating = karakteristiek; scherpzinnig: Discriminating duties = differentiëele rechten; Discrimination, diskrimineiš’n, onderscheiding, onderscheid, onderscheidingsteeken; inzicht; Discriminative = kenmerkend, onderscheidend; oordeelkundig.

Discursive, diskɐ̂siv, logisch; afdwalend; subst. Discursiveness.

Discus, diskəs, schijf.

Discuss, diskɐs, bespreken; (rechterl.) vervolgen; verorberen, opdrinken: To discuss a bottle of wine; Discussion = discussie, debat; vervolging.

Disdain, disdein, subst. versmading, verachting; Disdain verb. versmaden, verachten; adj. Disdainful = verachtelijk; subst. Disdainfulness.

Disease, dizîz, ziekte, lijden, ziekelijke toestand: Diseases Prevention Act = Wet op Besmettelijke Ziekten; To die of disease of the heart = aan eene hartkwaal sterven; Disease-bearer = ziektekiem; Diseased meat = bedorven; Diseased in mind = zielsziek.

Disembark, disəmbâk, ontschepen, landen; subst. Disembarkation.

Disembarrass, disəmbarəs, bevrijden, uit de verlegenheid helpen; Disembarrassment = bevrijding.

Disembellish, disəmbeliš, van versierselen ontdoen.

Disembodiment, disəmbodiment, subst. v. Disembody, disəmbodi, van ’t lichaam bevrijden; afdanken (van soldaten), ontbinden.

Disembogue, disəmboug, uitstorten, uitstroomen; uitvaren.

Disembowel, disəmbau’l, van de ingewanden ontdoen; den buik opensnijden.

Disenchant, disəntšânt, ontgoochelen; subst. Disenchantment.

Disencumber, disənkɐmbə, bevrijden, ontlasten (of, from).

Disenfranchise, disənfrantšaiz, van kiesrecht berooven; subst. Disenfranchisement.

Disengage, disəngeidž, vrijmaken, zich losmaken, zich lostrekken, ontbinden, ontheffen, ontwarren: I shall be disengaged to-morrow = vrij zijn; Disengagedness = vrijheid, gebrek aan oplettendheid; Disengagement = bevrijding, ontslaan.

Disennoble, disənoub’l, van adeldom berooven.

Disentangle, disəntaŋg’l, ontwarren, bevrijden, losmaken; subst. Disentanglement.

Disestablish, disəstabliš, scheiden (v. Kerk en Staat); Disestablishment = scheiding (v. Kerk en Staat).

Disesteem, disəstîm, subst. minachting; geringschatting; Disesteem verb. minachten, geringschatten.

Disfavo(u)r, disfeivə, subst. ongenade, minachting; Disfavo(u)r verb. gunst onttrekken, afkeuren.

Disfiguration, disfigjureiš’n, misvorming, wanstaltigheid; Disfigure, disfigjə, misvormen, bederven.

Disfranchise, disfrantš(a)iz, van privileges of burgerrechten (vooral van het kiesrecht) berooven; subst. Disfranchisement.

Disgorge, disgödž, uitbraken, opgeven, teruggeven; subst. Disgorgement.

Disgrace, disgreis, subst. ongenade, schande, schandvlek; Disgrace verb. genade of gunst onttrekken, in ongenade brengen, tot schande strekken: That boy is in disgrace = heeft straf; You are disgraced = in ongenade gevallen, onteerd; Disgraceful, schandelijk; subst. Disgracefulness.

Disguise, disgaiz, subst. vermomming, dekmantel, voorwendsel, veinzerij; roes; Disguise verb. vermommen, verbergen: He did not make the least disguise of his faults = verbloemde ze niet in ’t minst; He was slightly disguised = lichtelijk aangeschoten; Disguisement = vermomming; Disguiser = schijnheilige.

Disgust, disgɐst, subst. walging, ergernis; Disgust verb. walgen: I am disgusted at that = walg ervan; Disgustful = walgelijk; subst. Disgustfulness; Disgusting = walgelijk.

Dish, diš, subst. schotel, schaal, gerecht, schoteltje, kop, holte, meetrog; Dish verb. opdisschen (up), uithollen, verijdelen, uit het zadel lichten, “verlakken”: Meat dish; Made dishes = fijne schoteltjes; Soap dish = zeepbakje; Vegetable dish; Dish-butter = tafelboter; Dish-cover = deksel; Dish-cloth = vaatdoek, Dish-mat = tafelmatje; Dish-warmer = heetwaterkomfoor; Dish-washer = bordenwasscher; Dish-water = schotelwater; Dishing = hol.

Dishabille, disəbîl, disəbil, négligé.

Disharmonious, dishâmounjəs; Disharmony, dishâməni, tweedracht.

Dishearten, dishât’n, ontmoedigen.

Dishevel, dišev’l, in wanorde brengen (van haar vooral); Dishevelment = wanorde.

Dishonest, disonəst, oneerlijk, onoprecht, bedriegelijk, schandelijk; subst. Dishonesty.

Dishono(u)r, disonə, subst. oneer, schande; Dishono(u)r verb. onteeren, te schande maken, niet honoreeren (wissel); Dishono(u)rable = onteerend, eerloos.

Dishorse, dishös, van het paard werpen.

Disillusion, disil(j)ûž’n, ontgoocheling; Disillusion verb. ontnuchteren, de illusie benemen = Disillusionize.

Disinclination, disinklineiš’n, afkeer, ongenegenheid; Disincline, disinklain, (iemand iets) tegen maken: To be disinclined = ongenegen zijn.

Disincorporate, disinköpəreit, eene corporatie of vereeniging ontbinden; subst. Disincorporation.

Disinfect, disinfekt, ontsmetten; Disinfectant = ontsmettingsmiddel = Disinfecting agent; Disinfection = ontsmetting; Disinfector = ontsmetter.

Disingenuity, disinžənjûiti, onoprechtheid; Disingenuous, disindženjuəs, onoprecht, sluw; subst. Disingenuousness.

Disinherit, disinherit, onterven; Disinheritance = onterving.

Disintegrable, disintəgrəb’l, scheidbaar, verweerbaar; Disintegrate, disintəgreit, de samenstellende deelen scheiden, (doen) verweeren, (zich) ontbinden; subst. Disintegration.

Disinter, disintɐ̂, opgraven, aan het licht brengen; subst. Disinterment.

Disinterested, disintərestid, belangeloos, onpartijdig; subst. Disinterestedness.

Disinthral(l), disinthrôl, van slavernij bevrijden.

Disjoin, disdžôin, ontbinden, scheiden, losspringen.

Disjoint, disdžôint, ontwrichten, ontleden, uit elkaar nemen: Disjointed sentences = losse zinnen; Disjointedness = onsamenhangendheid.

Disjunct, disdžɐŋkt, gescheiden; Disjunction = scheiding; Disjunctive = scheidend.

Disk, disk, schijf, discus.

Dislike, dislaik, subst. afkeer, weerzin; Dislike verb. niet houden van, afkeerig zijn van: Likes and dislikes = sympathieën en antipathieën; He took a dislike to me = kreeg een hekel aan mij; I do not dislike it = ik mag het wel.

Dislocate, disləkeit, ontwrichten, verschuiven; verhuizen (Amer.); Dislocation = ontwrichting, verschuiving, verdeeling (v. troepen).

Dislodge, dislodž, van eene plaats verwijderen, uit eene stelling verdrijven, opjagen, verjagen, opbreken; subst. Dislodgment.

Disloyal, dislôiəl, adj. ontrouw, plichtvergeten; subst. Disloyalty.

Dismal, dizm’l, somber, droevig, treurig, ijselijk: A dismalized account of the circumstances = treurig; subst. Dismalness.

Dismantle, dismant’l, ontdoen van, onttakelen, ontmantelen.

Dismask, dismâsk, ontmaskeren.

Dismast, dismâst, van mast(en) berooven.

Dismay, dismei, subst. verslagenheid, schrik; Dismay verb. verschrikken, moedeloos maken.

Disme, dîm, tiende.

Dismember, dismembə, ontleden, stuk snijden, verscheuren, verbrokkelen; subst. Dismemberment.

Dismiss, dismis, wegzenden, ontslaan, afdanken, verstooten, afwijzen, ontzeggen; uit elkander gaan: I was dismissed his house = zijn huis werd mij ontzegd; He was dismissed (from) that office = ontslagen uit; The appeal will be dismissed = geweigerd; The judge dismissed the plaintiff’s suit = wees... af; Dismissal = Dismission = ontslag, etc.; A dismissive letter = ontslagbrief.

Dismount, dismaunt, afwerpen, uit het zadel lichten, demonteeren, tot zwijgen brengen; uit elkaar nemen; afstijgen.

Disobedience, disəbîdj’ns, ongehoorzaamheid; adj. Disobedient; Disobey, disəbei, niet gehoorzamen: I will not be disobeyed = ik duld geen ongehoorzaamheid.

Disoblige, disəblaidž, onbeleefd, oninschikkelijk zijn.

Disorder, disödə, subst. wanorde, verwarring, tumult, overtreding, ongesteldheid, kwaal, gekrenktheid (van geest), uitspatting; Disorder verb. verwarren, derangeeren, ziek maken; Disordered = gekrenkt, liederlijk, bedorven; Disorderly = wanordelijk, ongeregeld, oproerig, liederlijk.

Disorganization, disögən(a)izeiš’n, desorganisatie; Disorganization verb. Disorganize.

Disown, disoun, verloochenen, niet erkennen, verstooten.

Disparage, disparidž, verkleinen, kwaadspreken van; subst. Disparagement.

Disparate, disparit, ongelijk, ongerijmd; Disparity, dispariti, verschil, ongelijkheid.

Dispart, dispât, scheiden, deelen, klooven, vizier en as van geschut parallel maken, zich scheiden, splijten; Dispart-sight = vizier (korrel).

Dispassionate, dispašənit, onpartijdig, kalm, leuk.

Dispatch, dispatš. Zie Despatch.

Dispel, dispel, verdrijven, verstrooien, verbannen.

Dispensability, dispensəbiliti, subst. v. Dispensable, dispensəb’l, vatbaar voor dispensatie, toelaatbaar; ontbeerlijk; subst. Dispensableness; Dispensary, dispensəri, armen-apotheek, polikliniek: I hate dispensary stuff = wat uit de apoth. komt; Dispensation = dispenseiš’n, uitdeeling; Godsbeschikking (= Dispensation of Providence), ontheffing, vrijstelling, vergunning (tot het hebben van twee betrekkingen, tot het wonen buiten zijn district of gemeente, etc.); Dispensatory, subst. de pharmacopœa; adj. de macht bezittend om vrijstelling te verleenen; Dispense, dispens, uitdeelen, toedienen, recepteeren, toepassen, beschikken, vrijstellen, kunnen ontberen: I can dispense with that now = ik kan er nu wel buiten, ik kan het missen; Dispenser = uitdeeler, apotheker: He did, as if he were the dispenser of life and death = beschikker over; Dispensing-power = het koninklijk prerogatief om de wet (b.v. door gratie te schenken) buiten werking te stellen.

Dispeople, dispîp’l, ontvolken.

Dispermous, daispɐ̂məs, tweezadig.

Disperse, dispɐ̂s, verstrooien, verspreiden, uit elkander jagen, uiteengaan; Dispersal = verspreiding; Dispersion, dispɐ̂š’n, verstrooiing, breking (van licht in verschillende kleuren); Dispersive = verspreidend.

Dispirit, dispirit, ontmoedigen, bang maken.

Displace, displeis, verplaatsen, verleggen, verschuiven; afzetten, ontzetten; verdringen, vervangen; subst. Displacement = ook waterverplaatsing (v. schepen).

Display, displei, subst. vertooning, vertoon, tentoonstelling; ontvouwing; Display verb. ontvouwen, ontwikkelen, tentoonspreiden, vertoon maken: A display of fireworks.

Displease, displîz, onaangenaam zijn, mishagen; Displeased = boos (with, at); Displeasing, displîziŋ, onaangenaam; subst. Displeasingness; Displeasure, displežə, subst. misnoegen, ongenade.

Disport, dispöt, subst. spel, tijdverdrijf; Disport verb. spelen, dartelen, zich vermaken.