Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 84
None, nɐn, subst. en pron. niemand, niets; adj. geen: None of your cheek here = hou je brutalen mond thuis; None the less = niettemin; He is none so young either = ook zoo jong niet meer; None too soon = geen oogenblik te vroeg; I am none the wiser = geen haar wijzer.
Nones, nounz, negende dag vóór de Ides.
Nonplus, nonplɐs, subst. verlegenheid; moeilijkheid; Nonplus verb. overbluffen, verlegen maken: To be at a nonplus; To catch on the nonplus = verrassen.
Nonsense, nons’ns, onzin, dwaasheid: I will stand no nonsense = oppassen asjeblieft! Nonsensical(ness) = ongerijmd(heid), onzinnig(heid).
Non(e)such, nɐnsɐtš, subst. weergaloos persoon of zaak; soort van appel.
Noodle, nûd’l, uilskuiken, dwaas; Noodles = deeg van tarwemeel, dun gerold en aan reepen gesneden (Amer.).
Nook, nuk, hoek, gezellig plekje.
Noon, nûn, subst. middag, toppunt; adj. middag..: Noonday = middag; Noonhouse = herberg; Noontide = middag; hoogtepunt; middag..; Nooning = namiddagslaapje, -rust, -maal.
Noose, nûs, nûz, subst. lus, strik, schuifknoop; Noose verb. knoopen, in een strik vangen, verstrikken: To run oneself into a noose = in de val loopen.
Nopal, noup’l, vijgendistel.
Nor, nö, noch, en ook niet: Nor I either = en ik ook niet; Nor is this all = en dat is nog niet alles; Much better nor I = dan ik (plat).
Nora(h), norə; The Nore, dhə nö; Norfolk, nöfək.
Norm, nöm, norm; Normal, nöm’l, naar den regel, normaal, loodrecht; subst. loodlijn: Normal school = normaalschool; Normality, nömaliti = normaliteit, etc.; Normalize, normaliseeren.
Norman, nöm’n, Normandiër: Norman architecture; Normandy = Normandië.
Norn(a), nön(ə), Norne, Noorsche schikgodin.
Norse, nös, subst. en adj. (Oud-)Noorsch(e taal); Norseman = Noorman.
North, Nöth, subst. Noorden; adj. noordelijk; North-east = noordoosten, noordoostelijk; North-eastern = noordoostelijk; North by East = noord ten oosten; North America; North Pole; North-star = noord(pool)ster; North-west = noordwesten, noordwestelijk; North-western = noordwestelijk, noordwestelijke wind; Norther, nödhə, harde, ijzige noordenwind; Northerly, nödhəli, noordelijk; Northern, nödhən, noordelijk, uit het noorden: Northern-lights = Noorderlicht; Northerner, nödhənə, bewoner van het noorden, van de Noord. Staten van Amer.; Northernmost, nödhənmoust, het meest noordelijk gelegen; Northing, nöthiŋ, noordelijke declinatie, afstand naar het noorden; Northman = Noorman; Northward = naar het noorden: To the Northward = benoorden.
Northampton, nöthamt’n; Northumberland, nöthɐmbəland; Norway, nöwei, Noorwegen; Norwegian, nöwîdž’n, Noorsch; subst. (bewoner of taal) van Noorwegen; Norwich, noridž.
Nose, nouz, neus, reuk, snavel; spion; Nose verb. ruiken, in den neus krijgen, beruiken, trotseeren, door den neus spreken: Bridge (Point) of the nose; Nose of wax = meegaand persoon; You had best follow your nose = rechtuit te gaan; As plain as the nose on one’s face = zoo klaar als een klontje; To cut the nose off one’s own face = zijn aangezicht schenden (fig.); All my life my nose was kept to the grindstone = heb ik hard moeten werken; You can lead them by the nose = blindelings leiden of doen volgen; To pay through the nose = duur betalen, duur te staan komen; That has put his nose out of joint = hem den voet gelicht; When the baby came the little boy’s nose was put out of joint = was de kleine jongen “Benjamin-af”; To snap a person’s nose off = afsnauwen; He speaks in the nose = spreekt door den neus; He thrusts (puts, shoves) his nose into everything = steekt zijn neus in alles, bemoeit zich met alles; He turned up his nose at it = hij trok er zijn neus voor op; He put his thumb to his nose = bracht ... aan (ook als teeken van minachting); He did it under my very nose = hij deed het waar ik bij was; Nose-bag = voederzak (van een paard); in kellner’s slang: bezoeker die zijn eigen mondvoorraad meebrengt: The British Museum reading-room is made a nose-bag of by many = velen gaan naar de leeszaal van het B. M. om warm onder dak te zijn; Nose-band = neusriem; Nose-bleed = gemeen duizendblad; Nose-gay = ruiker; Nosehole = neusgat; Nose-piece = neusriem; mondstuk; objectief uiteinde van een microsc.; Nose-ring = ring door den neus; Nosed: Flat nosed = met een platten neus; Noseless = zonder neus; Nosing = vooruitstekende rand van lijstwerk.
Nostalgia, nostaldžə, heimwee (naar = for); Nostalgic = heimwee hebbend.
Nostril, nostril, neusgat.
Nostrum, nostr’m, kwakzalversmiddel.
Nosy, nouzi, met grooten neus.
Not, not, niet: Not at all = geenszins, integendeel; Not by a very long way = geenszins; Not in the least = in het minst niet; Not if I know it = ik denk er niet aan, het komt niet bij mij op; Will they do it? Not they = ’t mocht wat, dat kun je begrijpen.
Notabene, nouta bînî.
Notability, noutəbiliti, merkwaardigheid, gewichtigheid; notabele; Notable, noutəb’l, merkwaardig, aanzienlijk, groot, uitstekend, bekend, berucht, flink (v. huisvr. = notable); subst. kopstuk, notabele: Assembly of Notables = afgevaardigden van Frankrijk (1787); subst. Notableness.
Notalgia, nətaldžə, pijn in den rug.
Notarial, nətêriəl, notariëel; Notary, noutəri, notaris = Notary public = Public notary.
Notation, nouteiš’n, aanteekening, opschrijving, notatie.
Notch, notš, subst. kerf, inkeping, keep, gergel; bergpas (Amer.); Notch verb. kerven, inkepen, opschrijven: The stick was notched across at regular distances = over den stok waren op gelijken afstand inkepingen gemaakt; Notch-board = wang van een trap.
Note, nout, subst. opmerking, bekendheid, beteekenis, belang, (verklarende) aanteekening, uitlegging, briefje, mededeeling, nota, rekening, orderbriefje, promesse (ook: Note of hand), toon, noot; Note verb. aanteekenen, letten op, nota of notitie nemen van, aanteekeningen maken, laten protesteeren: Note of charges = onkosten-nota; Note of exclamation (interrogation); A thing worthy of note = merkwaardig iets; He is a man of note = man van aanzien en gewicht; As per note = volgens nota; We compared notes together = wij vergeleken onze bevindingen; To make a note of = aanteekenen; To take notes = aanteekeningen maken; To take no note (of it) = geen nota nemen van, niet letten op; Note-book = aanteekenboek; Note-paper = klein formaat schrijfpapier; Note-shaver = iemand, die tegen buitensporige rente wissels disconteert, enz.; maker van valsche bankbiljetten; Noteworthiness, subst. v. Noteworthy, noutwɐ̂dhi, merkwaardig; He is a noted general = vermaard; Notedness = vermaardheid.
Nothing, nɐthiŋ, subst. niets, kleinigheid, nul, prul: For nothing = te vergeefs; Next to nothing = zoo goed als niets; Nothing at all = in ’t geheel niets; The piece was nothing like so witty as I expected = het leek er niet op, dat; There was nothing for it but to get out = er zat niets anders op dan; To have nothing on = niets aan hebben; That’s nothing to me = dat kan mij niet schelen; He is nothing to us = we hebben niets met hem te maken; There’s nothing in it = dat beteekent niets, is van geen belang; I will have nothing to say to you = niets met u te maken hebben; It is nothing to be inquired into = het is de moeite niet waard, er onderzoek naar te doen; Things have come to nothing = er is niets van gekomen; I can make nothing of it = kan er niet uit wijs worden; Nothing venture, nothing have = wie niet waagt, die niet wint; Nothingness = waardeloosheid.
Notice, noutis, subst. opmerking, aandacht, acht, hoede, kennisgeving, waarschuwing, aankondiging, recensie; Notice verb. opmerken, waarnemen, notitie nemen van, vermelden, bespreken, recenseeren, eerbied bewijzen: To escape notice = onbekend (onopgemerkt) blijven; He gave me notice (to leave, to quit) = hij heeft me de huur (den dienst) opgezegd; Have you given notice as yet? = hebt ge u al (voor ’t examen) aangegeven; The child takes notice in a wonderful way = krijgt al merkwaardig veel “weet”; At a moment’s notice = onmiddellijk; At (a) short notice = op korten termijn; We noticed the work in last week’s issue = hebben in ons nummer van de vorige week besproken; Do not notice me = doe maar alsof ik er niet ben, let niet op mij; I had no opportunity of noticing this to you = u hierop opmerkzaam te maken; Notice-board = aanplakbord; Notice-paper = agenda; Noticeable = opvallend, opmerkenswaard: Actresses generally go about with noticeable dress = zijn nogal dikwijls opzichtig gekleed.
Notification, noutifikeiš’n, kennisgeving, verwittiging, mededeeling, het beteekenen (van een vonnis); Notify, noutifai, bekend maken, verwittigen, kond doen.
Notion, nouš’n, begrip, denkbeeld, neiging (Notions = kleinigheden, snuisterijen) (Amer.): He hasn’t a notion of doing it = denkt er niet aan; I had no notion of it = ik had er geen flauw idee van; Notional = denkbeeldig, droomerig, begrips...: Notional words = begripsnamen.
Notoriety, noutəraiiti, algemeene bekendheid, beruchtheid, onloochenbare zekerheid; bekende persoonlijkheid; Notorious, nətôriəs, bekend, berucht: A notorious burglar = berucht inbreker; subst. Notoriousness.
Notturno, notɐ̂nou, nocturne (muz.).
Notus, noutəs, Zuiden (of Z. W.) wind.
Not-wheat, notwît, ongebaarde tarwe.
Notwithstanding, notwidhstandiŋ, niettegenstaande: Notwithstanding that = ofschoon.
Nougat, nûgâ, noga.
Nought, nôt. Zie Naught.
Noun, naun, zelfstandig naamwoord: Proper noun = eigennaam.
Nourish, nɐriš, voeden, grootbrengen, koesteren; Nourishable = wat gekweekt of gevoed kan worden; Nourisher; Nourishing = voedzaam; Nourishment = voeding, voedsel.
Nous, naus, nûs, verstand; helderheid: You need all your nous for that = daar mag je “de vijf” wel goed voor bij elkaar hebben; Nous-box = “kop”, kersepit.
Nova Scotia, nouvəskoušə, Nieuw Schotland; Nova Zembla, nouvəzemblə.
Novel, nov’l, subst. roman, novelle (Jur.); adj. nieuw, ongewoon: The purpose novel = tendenzroman; A novel point = een nieuw gezichtspunt; A novel-writer = romanschrijver; Novelette, novəlet, novelle; Novelist = romanschrijver; Novelistic = roman..; Novelty = nieuwigheid, nieuw artikel: That is quite a novelty = dat is wat nieuws.
November, nəvembə, November.
Novice, novis, nieuweling, beginner, novice (klooster); Noviciate, Novitiate, nəvišieit, leertijd, proeftijd (in een klooster), novitiaat.
Now, nau, nu, thans: Now ... now ... = nu eens ... dan weer ...; Now and again = telkens; Now and then = nu en dan; Every now and then = telkens; Before now = reeds vroeger; By now = op dit oogenblik; But (Even) now = net nog; Just now = zooeven; Till now = tot nu toe; Don’t spill oil on my dress, now = zeg er eens, mors nu geen olie op mijne japon; Now, the weather being nice = aangezien het weer mooi was; He said so. Did he now? = och kom! I shan’t tell you, So now! = basta! Sure now? = Heusch? (Iersch); Now for it! = nu moet het maar wezen; Now for them! = laten ze nu maar komen! Now that = daar nu, omdat; Nowadays, nauədeiz, heden ten dage.
Noway(s), nouwei(z), geenszins.
Nowhere, nouwêə, nergens: Now that he has lost his property, he is nowhere = beteekent hij niets meer; My horse was nowhere = verloor het royaal, viel geheel uit; His new play is nowhere = trekt geen publiek; It is nowhere by comparison = haalt er niet bij; Nowhither, nouwidhə, nergensheen; Nowise, nouwaiz, op geenerlei wijze.
Noxious, nokšəs, schadelijk, verderfelijk, ongezond; subst. Noxiousness.
Noyau, Fr. uitspr. persico.
Nozzle, noz’l, pijp, mondstuk, snuit; neus.
Nub, nɐb, knobbel; adj. Nubbly.
Nubia, njûbjə, Nubië; wollen netje (hoofdbedekking voor Amer. dames); Nubian = Nubiër, negerslaaf.
Nubile, njûbil, huwbaar.
Nucleus, njûkliəs, kern, grondslag.
Nude, njûd, naakt, bloot, kaal; ongeldig: The nude = het naakte (lichaam); Nudeness = Nudity.
Nudge, nɐdž, subst. duwtje; Nudge verb. eventjes aanstooten: He nudged me (with his elbow) = hij gaf me een duwtje (met den elleboog), stootte mij aan.
Nudity, njûditi, naaktheid.
Nugatory, njûgətəri, beuzelachtig, waardeloos.
Nugget, nɐgət, klomp edel metaal.
Nuisance, njûs’ns, plaag, last, burengerucht: What a nuisance = dat is vervelend; Don’t be a nuisance = hinder me zoo niet; Commit no nuisance! = verontreiniging van deze plaats is verboden.
Null, nɐl, krachteloos, nietig, ongeldig; subst. nul: Some voting-papers were null = van onwaarde; Nullification = vernietiging, nietigverklaring; -ify, nɐlifai, van nul en geener waarde maken; Nullity = ongeldigheid.
Nullah, nɐla, kanaal, droge stroom, bedding (Brit. Ind.).
Numb, nɐm, adj. verstijfd, verkleumd, verdoofd; Numb verb. verdooven, verstijven; subst. Numbness.
Number, nɐmbə, subst. getal, nummer, menigte, (vers)maat; Number verb. rekenen, nummeren, (op)tellen, bedragen: Numbers = verzen, poëzie; Numeri; To look well after number one = voor zichzelf zorgen; Out of (Without) number = talloos; To the number of 40 = ten getale; In great numbers = in gr. getale; It’s the numbers that pay = slechts bij grooten omzet is winst te behalen; Number off = nummert u! (mil.); They can be numbered on the fingers of one hand = zij zijn op de vingers te tellen; Numberer; Numberless = talloos.
Numbles, nɐmb’lz, ingewand van een hert.
Numerable, njûmərəb’l, telbaar; Numeral, subst. telwoord, getalteeken; adj. tot een telwoord behoorende, een getal aanduidend; Numerary = in een zeker getal begrepen; Numeration = het tellen; Numerate, njûməreit, tellen, rekenen; Numerator, njûməreitə, teller; Numerical, njumerik’l: Numerical difference = verschil in getal; Numerical frame = rekenmachine; Numero = nummer; Numerous = talrijk; subst. Numerousness.
Numidia, njumidjə, Numidië; Numidian = Numidiër, Numidisch.
Numismatic, njûmizmatik, penning - -, munt - -; Numismatics = penningkunde; Numismatist, njûmizmətist, penningkundige.
Numskull, nɐmskɐl, uilskuiken; Numskulled = dom.
Nun, nɐn, non; nonnetje (een zaagbek-eend): Nun’s veiling = soort voile-stof; Nunnery = nonnenklooster.
Nuncheon, nɐnš’n; Zie Luncheon.
Nunciature, nɐnšiətjuə, ambt of woning van een Nuncio, nɐnšiou, pauselijk gezant, nuntius.
Nuncle, nɐŋk’l = Uncle.
Nuncupative, nɐŋkjupətiv, Nuncupatory, nɐŋkjupətəri, mondeling: A nuncupatory will = mondeling gemaakt testament.
Nundinal, nɐndin’l, Nundinary, nɐndin’ri, jaarmarkt - -: Nundinary laws.
Nuneaton, nɐnîtən, nɐnətən.
Nuphar, njûfə, njûfâ, gele waterlelie of plomp.
Nuptial, nɐpš’l huwelijks....: Nuptial benediction = huwelijksinzegening; Nuptial tie = huwelijksband; Nuptials = huwelijk, bruiloft.
Nuremberg, njûr’mbɐ̂g, Neurenberg.
Nurse, nɐ̂s, subst. pleegzuster; baker (= Dry nurse, of Monthly nurse); min (= Wet nurse); kindermeid, “juffrouw”; kweeker, verzorger; Nurse verb. zoogen, grootbrengen, oppassen, koesteren, streelen, strijken, sparen, dicht blijven bij: The child was at nurse, was put out to nurse = het kind was, werd bij eene min uitbesteed; He put out his income to nurse and accumulate = zette op rente; He understands the art of nursing = om ze warm te houden (bilj.); He nursed his capital = was spaarzaam, leefde zuinig; You must nurse your cold = wat doen tegen; To nurse one’s face = de handen voor het gezicht houden; He nursed his leg = hij zat met over elkaar geslagen of hoog opgetrokken knieën; Nurse-girl = kindermeisje; Nurse-maid; Nurse-pond = vijver voor vischcultuur; Nursery = kinderkamer; kweekerij (van planten); wedstrijd voor 2 jarige paarden; Nursery-cannon = kanonnetje uit de speelgoeddoos; Nursery-gardener = gardenier, kweeker; Nursery-governess = kinderjuffrouw; Nursery-man = kweeker, gardenier; Nursery-plant = stekje; Nursery-rhyme = kinderversje; Nursery-tale = sprookje; Nursing-bottle = zuigflesch; Nursling = voedsterling, lieveling.
Nurture, nɐ̂tšə, subst. het voeden of grootbrengen, voeding, voedsel, opvoeding; Nurture verb. voeden, grootbrengen, opvoeden.
Nustle, nɐs’l = Nuzzle.
Nut, nɐt, subst. noot, hazelnoot, moer, neut (van een anker), fat, dandy, nootjeskool, kop; Nut verb. noten plukken: He is as close as a nut = zoo dicht als een pot; As sweet as a nut = als uit een doosje; Hard nuts to crack (tackle); I have a nut to crack with you = appeltje met je te schillen; That is nuts to me = een kolfje naar mijn hand; It is nuts to read that letter = het is een genot; She is dead nuts on him = smoorlijk verliefd op; Juggles, the policeman, is dead nuts on poachers = is fel op; You are always dead nuts on that school = je geeft altijd af op die inrichting; He is off his nut = gek; Nut-brown = licht bruin; Nut-cracker(s) = notenkraker; ingevallen mond; Nut-gall = galappel; Nut-hatch = boomklever; Nut-hook = notenhaak; dievenvanger; Nut-key = schroevensleutel; Nutmeg = notenmuskaat; Nutmeg-grater = notenmuskaat-raspje; Nutmeg-oil = muskaatolie; Nutshell = notedop (ook fig.): The world in a nutshell = de wereld in een doosje; The whole matter lies in a nutshell = is doodeenvoudig; Nut-tree; Nut-wood = notenboomhout; Nutter = notenplukker; Nutting: To go a-nutting = gaan noten plukken; Nutty = vol noten, als noten smakende; lief.
Nutrient, njûtriənt, voedend; subst. voedende stof; Nutriment, njûtriment, voedsel: Nutrimental, njûtriment’l, voedend; Nutrition = voeding, voedsel, voedingswaarde; Nutritious = voedzaam; subst. Nutritiousness; Nutritive = voedzaam; subst. Nutritiveness.
Nuzzer, nɐzə, een geschenk aan een superieur (Brit. Ind.).
Nuzzle, nɐz’l, met den neus omwroeten (zooals een varken), met den neus wrijven tegen, een ring door den neus trekken, liefkoozen, het hoofd verbergen in moeders schoot (als een kind); met het hoofd voorover loopen.
Nymph, nimf, nimf; jonge schoone; Nymph-like of Nymphly = als eene nimf; Nymphaea, nimfîə, witte plomp; Nymphean, nimfîən, nimfachtig = Nymphical = Nymphish.
O.
O, ou; O(hio); O(fficial) A(ssignee); o/a = on account of = voor rekening van; Ob(iit) = hij (of zij) is gestorven; Obad(iah); Obj(ective); Obs(olete); Oct(ober); O(dd) F(ellows); O(ld) H(igh) Ger(man); O(n) H(er) M(ajesty’s) S(ervice) = “Dienst” (op brieven); O. K. = (Orl krekt) = allright; O. P. = Old pale = oude cognac;
Oakum, ouk’m, werk (om te breeuwen): To pick oakum = touw pluizen; He has been picking oakum these three years = hij zit al drie jaar in ’t tuchthuis.
Oar, ö, subst. (lange) roeiriem; Oar verb. roeien: To boat the oars = de riemen innemen; To have an oar in every man’s boat (barge) = zich overal mee bemoeien; To lie on one’s oars = rusten op de horizontaal liggende, uit het water opgeheven riemen, rusten van den arbeid; To put (shove) in one’s oar, To put one’s oar in = zijn neus steken in, een woordje meepraten; To rest (up)on one’s oars = op zijn lauweren rusten; To ship (unship) the oars = inleggen (uitleggen); oared: Four-oared = vierriems...; Oarsman, Oarswoman = roeier, roeister; Oary = met riemen, riemvormig.
Oasis, oueisis, ouəsis, (Meerv. Oases, oueisîz), oase.
Oast, oust, mouteest.
Oat, out, haver (meest Oats): He has sown his wild oats = zijne wilde haren zijn uitgevallen, hij is uitgeraasd; Oat-cake = haverkoek; Oat-meal = havermeel; Oat-malt = havermout; Oaten: Oaten pipe = herdersfluit; Oaten straws = haverhalmen.
Oates, outs.
Oath, outh, eed, verwensching, vloek: By (Upon an) oath = onder eede; Upon my oath = ik zweer het; False oath = meineed; You are on oath = onder eede; To administer (To tender) an oath to a person, To put a person to (on) his oath = iemand een eed afnemen; He took oath on entering upon his office = werd beëedigd; I have sworn an oath = ik heb een eed gedaan; Oath of abjuration = afzweringseed (waarbij de Stuarts na 1688 van den troon werden uitgesloten); Oath of allegiance (Oath of fealty) = eed van trouw; Oath of office = ambtseed; Oath-breaking = eedbreuk.
Obadiah, oubədaiə, obədaiə, Obadja, Kwaker.
Obduracy, obdjurəsi, obdjûrəsi, verstoktheid; Obdurate, obdjurit, obdjûrit, verstokt; subst. Obdurateness.
Obea(h), oubiə, toovermiddel.
Obedience, əbîdj’ns, gehoorzaamheid: Passive obedience = onvoorwaardelijke gehoorzaamheid; To reduce to obedience = tot gehoorzaamheid dwingen; Obedient = gehoorzaam: I am, obediently yours = hoogachtend, Uw dw. dr.
Obeisance, əbeis’ns, əbîs’ns, diepe buiging: To make an obeisance (to).
Obelisk, obəlisk, obelisk, teeken (†); Obelize = van een verwijzingsteeken: +, † (= Obelus, obəlɐs) voorzien.
Oberon, oubəron, obəron, Oberon.
Obese, əbîs, dik, vet, vleezig; subst. Obeseness = Obesity, əbesiti, zwaarlijvigheid.
Obey, əbei, (onderdanig) gehoorzamen; Obeyer.
Obfuscate, obfɐskeit, obfəskeit, verduisteren, verwarren, benevelen; Obfuscated = beneveld; verbluft; subst. Obfuscation.
Obit, obit, oubit, dood, zielmis, lijkdienst: Post obit = na den dood; Obitual = dood(en)..., begrafenis...; Obituary, əbitjuəri, subst. zielmissenboek; ook adj.: Obituary notice = doodbericht.
Obiter, obitə, in het voorbijgaan, toevallig: Obiter dicta = in het voorbijgaan gemaakte opmerkingen.
Object, obdžəkt, voorwerp, doel, hoofdzaak: Salary no object = op salaris zal minder worden gelet; To look an object = er uit zien als een vogelverschrikker; To make oneself an object = zich bespottelijk optooien; Object-glass = objectief; Object-lesson = illustratie, aanschouwelijke les; Object-matter = hoofdzaak, inhoud; Object-teaching = aanschouwingsonderwijs; Objectless = doelloos.
Object, əbdžekt, tegenwerpen, bezwaar maken: I object to your going there = heb er bezwaar tegen; Objection = tegenwerping, bezwaar; Objectionable = laakbaar, onaangenaam: Objectionable pictures = aanstootelijke; Objectional = Objectionable; Objector = opponent.
Objective, əbdžektiv, objectief, voorwerps..; subst. voorwerpsnv., einddoel: Objective case = 4de nv.; Objective point = doel; Objectiveness = Objectivity.
Objurgate, əbdžɐ̂geit, obdžəgeit, berispen, verwijten; subst. Objurgation.
Objurgatory, əbdžɐ̂gətəri, verwijtend, berispend.
Oblate, obleit, oblit, afgeplat aan de polen; subst. Oblateness.
Oblation, obleiš’n, offerande, avondmaal, gave.
Obligate, obligeit, verbinden, verplichten; Obligation, obligeiš’n, verplichting, verbintenis, obligatie: To be (To lie) under an obligation = verplicht zijn; To incur an obligation = een verplichting op zich nemen; Obligatory, obligətəri, (ver)bindend: Obligatory personal military service = persoonlijke dienstplicht.
Oblige, əblaidž, verplichten, een dienst of genoegen doen, eene gunst bewijzen, vriendelijk zijn; bindende kracht hebben, wat voordragen: Will you oblige me so far? = mij dat pleizier doen; Miss Jane will oblige = zal het gezelschap het genoegen doen, iets te zingen, spelen, etc.; Anything to oblige you = als ik je daar een pleizier mee kan doen; Full particulars will oblige = nadere inlichtingen verzocht; An immediate reply will oblige = er wordt om spoedig antwoord verzocht; Obligee, oblidžî, obligatiehouder, schuldeischer; Obliger; Obliging, əblaidžiŋ, beleefd, voorkomend; Obligor, obligö, obligö, schuldenaar.
Oblique, əblîk, əblaik, scheef, schuin, indirect, slinksch, onoprecht; Oblique verb. schuin of scheef staan; schuin afmarcheeren: Oblique angle = scheeve (stompe of scherpe) hoek; Oblique case = verbogen naamval; Oblique dealings = indirecte of slinksche manier van doen; Oblique plane = hellend vlak; Oblique speech = indirecte rede; Obliqueness = Obliquity (əblikwiti) = scheeve richting, afwijking, onregelmatigheid, onoprechtheid, verkeerdheid.
Obliterate, əblitəreit, uitwisschen, doorhalen, onbruikbaar maken (postzegels), vernietigen: Obliterated pulse = uiterst zwakke pols; Obliteriation = uitwissching, etc. onduidelijkheid; adj. Obliterative.
Oblivion, əblivj’n, vergetelheid, achteloosheid: Act of oblivion = amnestie; To bury in oblivion; To pass into oblivion; Oblivious: Oblivious of a thing = iets vergetend; subst. Obliviousness.
Oblong, obloŋ, langwerpig; subst. rechthoek.
Obloquy, obləkwi, verwijt, laster, smaad: To cast obloquy upon = belasteren; To fall into obloquy = in kwaad gerucht komen; To lie under obloquy = in kwaad gerucht staan.
Obnoxious, obnokšəs, onderhevig, blootgesteld; aanstootelijk, hatelijk, afkeurenswaardig, onbemind: He is obnoxious to me = ik mag hem niet zien; subst. Obnoxiousness.
Oboe, oubôi, hobo; Oboist = hoboïst.