Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 138

Chapter 1383,405 wordsPublic domain

Trundle, trɐnd’l, subst. rol, wieltje, rolwagen; Trundle verb. rollen, doen rollen, hoepelen: Let them trundle = laat ze loopen; Trundle-bed = rolbed; Trundle-head = kop v. een kaapstander; Trundle-tail = krulstaart.

Trunk, trɐŋk, romp, stam, snuit (v. olifant), neus, koffer, hoofdlijn (voor spoor of telefoon); bak, koker: Trunks = Trunk-hose = korte wijde broek boven de knieën ingenomen; Trunk-line = hoofdlijn van spoor, kanaal, etc.; Trunk-maker = koffermaker; Trunk-root = hoofdwortel; Trunk-sleeve = pofmouw.

Trunnel, trɐn’l = Treenail.

Trunnion, trɐnj’n, tap (van een kanon).

Truss, trɐs, subst. bundel, pakje, bosje, stellage of geraamte, pianokast, breukband, console; Truss verb. stijf binden, opstroopen, terecht trekken van kleeren, versterken, opmaken: He trussed on his rags = hing zijne lompen om; He trussed up his hair = bond op; A trussed fowl = opgemaakte vogel (gereed om te worden gebraden); Truss-maker = breukbandenmaker.

Trust, trɐst, subst. vertrouwen, geloof, toevertrouwd iets, deposito, crediet, zorg, vereeniging v. personen ten einde het monopolie te verkrijgen of te behouden; Trust verb. vertrouwen, gelooven, toevertrouwen, crediet geven, lichtgeloovig zijn, zich verlaten op: A distillers’ trust = vereeniging van distillateurs; Breach of trust = trouwbreuk; Position of trust = post van vertrouwen; To give trust = crediet geven; You are in my trust = mij toevertrouwd, onder mijne hoede; Bonds in trust = effecten, etc. in bewaring; The watch was committed to my trust = mij ter bewaring toevertrouwd; Don’t put your trust in such people = stel geen vertrouwen in; I took it on trust = op goed geloof; I will trust him no further than I can see; it was trusted to my care = toevertrouwd aan; I will trust you with this = u dit toevertrouwen; Trust me for that = daar kunt ge op aan; Trust him to do it = hij “lapt net hem” wel; Trustee, trɐstî, beheerder, gevolmachtigde, commissaris, curator; Trustship; Trustful = vertrouwend; subst. Trustfulness; Trustless = niet te vertrouwen; subst. Trustlessness; Trustworthiness, subst. van Trustworthy = trouw, vertrouwd, beproefd.

Truth, trûth, waarheid, oprechtheid, getrouwheid, standvastigheid: He did truth = hij volgde Gods bevelen; Why don’t you speak the truth? = waarom zegt gij de waarheid niet; In truth = in waarheid, waarachtig, inderdaad; Of a truth = waarlijk; Truth-ful = waarheidlievend, vertrouwbaar; subst. Truthfulness.

Truttaceous, trəteišəs, forellen...

Try, trai, subst. proef, poging; Try verb. beproeven, onderzoeken, op de proef stellen, verhooren (rechtbank), aanwenden, verleiden, ondervinden, ijken, aangrijpen, veel vergen, uitbraden, raffineeren, inschieten: To have a try at = eens probeeren; I have tried hard to do it = ik heb terdeeg mijn best gedaan; I will try conclusions with him = het tegen hem opnemen; That tries the eyes = vermoeit de oogen; Such work tries a man = pakt je aan; We will try this quarrel hilt to hilt = dezen strijd met de degens uitmaken; To try on = passen; probeeren: I tried on my new coat = paste; To try it on = bedriegen, van bedrog leven; probeeren hoeveel het (met iemand) lijden kan; To try out = doorzetten, uitsmelten: We will try the matter out = wij zetten door tot de zaak beslist is; He was tried and condemned = verhoord en veroordeeld; Try-sail = gaffelzeil, bezaan; Try-your-weighter = automat. weegmachine. Zie Trying.

Trygon, traigən, pijlstaartrog.

Trying, trai-iŋ, lastig, smartelijk, moeielijk: Such things are trying to a man = hard voor; A trying climate = ongezond klimaat; He is very trying = geeft veel last.

Tryst, trist, (plaats van) afgesproken bijeenkomst; Trysting-place = plaats van bijeenkomst.

Tsar, tsâ, Czaar; Tsarevitch, tšârəvitš, tšâreivitš; Tsarina, tšârinə, Tsaritsa, tšaritsə.

Tsetse, tsetsə, tsetsevlieg.

T-square, tîskwêə, teekenhaak = T.

Tub, tɐb, subst. tobbe, klein vat, badtobbe, lompe boot, kansel; Tub verb. in een tobbe doen, baden, een kuipbad nemen: Tale of a tub = bakersprookje; Tubs = boterkooper; Tub-fish = knorhaan; Tub-frock = japon, die gewasschen kan worden; Tub-man = een der twee bekwaamste advocaten van het vroegere Court of Exchequer (de andere werd Postman genoemd); Tub-pair = soort v. roeiboot; Tub-thumping = lawaaierige oratie; Tubber = soort v. houweel; Tubby = tobvormig, tonvormig; dof klinkend.

Tuba, tjûbə, tuba (muziekinstr.).

Tube, tjûb, subst. buis, pijp, tube, kanaal, lampeglas; Tube verb. van pijpen of buizen voorzien: The Tube = de ondergrondsche spoorweg in Londen; India-rubber tube = gummislang; Test-tube = reageerbuisje.

Tuber, tjûbə, vleezig gezwel, knol, aardappel; Tubercle, tjûbək’l, knolletje, kleine tuberkel; Tubercular, tjubɐ̂kjulə, vol knobbels of tuberkels: Tubercular consumption; Tuberculous, tjubɐ̂kjulɐs, lijdende aan tuberculose, vol tuberkels; Tuberculosis = tuberculose; Tuberose, tjûbərous, tjûbərous, subst. tuberoos (plant); adj. met knobbels of uitwassen; subst. Tuberosity, tjûbərositi, knobbeligheid, gezwel, zwelling; Tuberous = Tuberose.

Tubular, tjûbjulə, buis-, koker- of cylinder-vormig; Tubular boiler = stoomketel met vlampijpen; Tubular bridge = kokerburg; Tubular post = luchtdrukpost; Tubule, tjûbjûl, pijpje, buisje; Tubuliform = in den vorm van een buisje.

Tuck, tɐk, subst. opnaaisel, omslag, netje, lekkernijen, eetlust; trommelslag, rapier; Tuck verb. opschorten, omslaan, inslaan, optrekken, vouwen, opstroopen, instoppen, zich zat eten (out), vollen (van laken), tokken (van eene kip): Tuck of drum = slag op trom; It was nip and tuck with us = het kwam er op aan, was een strijd op leven en dood; Tuck-shop = suikerbakkerij; Tuck-in (= Tuck-out) = traktatie; I have tucked them in warmly = heb ze ingestopt; The handkerchief about his neck was tucked in at the bosom = was (nl. de punten er van) in zijn borst gestopt; He tucked up his sleeves = stroopte op; They tucked him up as best they could = pakten hem in; Tucker = kanten halskraag of chemisette; Tuck(ing)-mill = volmolen.

Tucum, tjûk’m, Z.-Amer. palmsoort.

Tudor, tjûdə, subst. en adj. (van) Tudor: Tudor style = Gothisch-Engelsche bouwstijl.

Tuesday, tjûzdi, Dinsdag.

Tufa, tjûfə, tufsteen; Tufaceous, tjufeišəs, gelijkend op, bestaande uit tufa.

Tuff, tɐf, tuf(steen).

Tuft, tɐft, subst. bosje (haar), kuif, trosje, hoop, groep, kwast (aan muts, etc.), spitse baard; Tuft verb. in bosjes of hoopjes verdeelen (groeien), met kwastjes of trosjes versieren: Ricquet-with-a-tuft; Tuft-hunter = klaplooper, flikflooier; Tufted = met kwastje of trosjes versierd, met spitsen kinbaard, in trosjes groeiend.

Tug, tɐg, subst. krachtige haal, ruk, sleepboot, rommelwagen of rammelkast; Tug verb. krachtig trekken of halen, rukken, sleepen: Tug of war = touwtrekken; The real tug of war will come on the electoral question = de ware strijd; I had a hard tug of it = het heeft me veel moeite gekost; He was tugged like a dog by fate = door het lot als een hond heen en weer gesleept; We were tugging against wind and tide = roeiden tegen; Tugboat = sleepboot.

Tuition, tjuiš’n, onderwijs, opzicht; adj. Tuitional = Tuitionary.

Tula, tûlə, stad in Rusland; kookplaats (Indië); Tula-metal = allooi van zilver, koper, lood en zwavel.

Tulip, tjûlip, tulp; Tulipomania, tjûlipəmeinjə, tulpenmanie (17e eeuw); adj. en subst. Tûlipomaniac.

Tulle, tûl, tule.

Tumble, tɐmb’l, subst. val, buiteling, verwikkeling; Tumble verb. rollen, vallen, buitelen, neervallen, neergooien, opgooien, onderstboven gooien, tuimelen, bewegingen en verdraaiingen met het lichaam maken; Tumble-down = bouwvallig: It would be good to improve those tumble-down fever-dens off the face of the earth = die bouwvallige koortsholen van den aardbodem te doen verdwijnen; To tumble in = naar kooi gaan; To tumble to = bemerken, begrijpen, vatten, snappen, op krijgen met, aanpakken; Tumble up, will you? = allo uit je bed; Tumbler = buitelaar, kunstenmaker, tuimelaar (glas of duif), glas zonder voet; Tumbling tricks = kunsten van acrobaten.

Tumbrel, tɐmbr’l, Tumbril, tɐmbril, mestkar, stortkar, ammunitiekar.

Tumefaction, tjûmifakš’n, zwelling, gezwel, puist;—verb. Tumefy; Tumid, tjûmid, gezwollen, uitgezet, bombastisch; Tumidity, tjumiditi, gezwollenheid, hoogdravendheid = Tumidness; Tumour, tjûmə, gezwel, zweer, puist.

Tump, tɐmp, subst. heuveltje; Tump verb. aanaarden, eene hoogte vormen om eene plant; een gedood dier naar huis sleepen (Amer.).

Tumtum, tɐmtɐm, een W.-Ind. pisangschotel; maag (scherts.); dog-cart (Anglo-Ind.).

Tumult, tjûmɐlt, opschudding, beroering, opwinding, verwarring, oploop; Tumultuariness, tjumɐltjuərinəs, subst. v. Tumultuary, tjumɐltjuəri, verward, opgewonden, oproerig, ontstuimig = Tumultuous, tjumɐltjuəs; subst. Tumultuousness.

Tumulus, tjûmjulɐs, grafheuvel.

Tun, tɐn, vat, ton (van seer verschillende afmetingen voor wijn, bier, etc.); gistvat eener brouwerij, zuiplap; Tun verb. in ’t vat doen; Tun-bellied = met ronden, dikken buik.

Tunbridge, tɐnbridž, stad in Kent; Tunbridge-ware = kastenmakerswerk met ingelegde stukken van verschillend gekleurd hout.

Tundra, tûndrə, tundrə, toendra.

Tune, tjûn, subst. klank, toon, wijsje, melodie, juiste toonhoogte, stemming, harmonie; eendracht, gemoedsgesteldheid, stemming; Tune verb. stemmen, aanheffen, zingen, doen aanpassen: The tune the old cow died of = een echte treurzang; I’ll make you sing another (change your) tune = zal je wel anders leeren; To be in tune = gestemd, gemutst; My piano is out of tune = ontstemd: He was rather out of tune to-day = niet erg gestemd; That costs to the tune of fifty pounds = dat zal zoowat vijftig p. kosten; Tuneful = welluidend, zangerig; subst. Tunefulness; Tuneless = klankloos, stil, onwelluidend; Tuner = stemmer.

Tungsten, tɐŋst’n, wolfram; Tungstic acid.

Tunic, tjûnik, tunica, militaire rok, vlies; Tunicle = kleine tunica, vliesje.

Tuning, tjûniŋ: Tuning-fork = stemvork; Tuning-hammer, Tuning-key = stemhamer, stemsleutel.

Tunis, tjûnis; Tunisian = (bewoner) v. T.

Tunkers, tɐŋkəz, sekte van Duitsch-Amerikaansche wederdoopers = Dunkers.

Tunnage, tɐnidž, tonnemaat. Zie Tonnage.

Tunnel, tɐn’l, subst. pijp, schoorsteenpijp, tunnel, fuik (= Tunnel-net); Tunnel verb. (als) een tunnel maken door (onder), doorboren, in een fuik vangen: Tunnels of light = lichtbundels; Tunnel-pit, Tunnel-shaft = toegang tot het midden van een tunnel van uit den bovengrond.

Tunny, tɐni, tonijn.

Tup, tɐp, subst. ram; Tup verb. dekken, bokken.

Turan, tjûrân; Turanian, tjûreinj’n.

Turban, tɐ̂b’n, tulband, tulbandvormige hoofdtooi.

Turbid, tɐ̂bid, troebel, modderig, drabbig; verward, onrustig, stormachtig; subst. Turbidity = Turbidness.

Turbinate, tɐ̂binit, ronddraaiend, spiraalkegelvormig.

Turbine, tɐ̂bin, turbine; Turbine-steamer.

Turbit, tɐ̂bit, meeuwtje (soort duif).

Turbot, tɐ̂bət, tarbot.

Turbulence, Turbulency, tɐ̂bjulens(i), onstuimigheid, beroering, oproerigheid, rumoerigheid; adj. Turbulent.

Turco, tûəkou, tɐ̂kou, Fransch soldaat in ’t Algerijnsche kol. leger.

Turd, tɐ̂d, drek.

Tureen, tjurîn, soepterrine; Tureen-ladle = soeplepel.

Turf, tɐ̂f, subst. zode, grasveld, plag, turf; renbaan; Turf verb. met zoden of plaggen beleggen: Black heaps of turf = stapels turf; A sod of turf = zode; He is on the turf = leeft van (doet aan) wedrennen en wedden op renpaarden; I have broken with the turf and sold my stud off = doe niet meer aan de rensport; Turf-clad = met zoden bedekt; Turf-cutter; Turf-fire; Turf-hedge = scheiding door eene bank van zoden; Turf-house = stulp van plaggen; Turf-moss = veenland; Turfman = liefhebber van rensport; Turf-seat = zodenbank; Turf-spade = spade om zoden te steken; Turfing: Turfing-iron, Turfing-spade = spade voor het steken van zoden; Turfless = zonder zoden; Turfite, tɐ̂fait = Turfman; Turfy = vol zoden; tot wedrennen of de renbaan behoorende.

Turgent, tɐ̂dž’nt, gezwollen, opgeblazen: Turgescence, Turgescency, tɐ̂džes’ns(i), opgezwollenheid, opgeblazenheid; Turgescent = zwellend; Turgid, tɐ̂džid, gezwollen, opgeblazen, hoogdravend; subst. Turgidity, tɐ̂džiditi = Turgidness.

Turin, tjûrin, Turijn; Turinese, tjûrinîz, tjûrinîs, (bewoner) van T.

Turk, tɐ̂k, Turk: Turk’s head = “kop van Jut” op kermissen; ragebol; Turkish, subst. en adj. Turksch(e taal): Turkish bath = bad (van 116° tot 165°); Turkish delight = soort v. lekkers; Turkophile, tɐ̂kəfail, Turkenvriend.

Turkey, tɐ̂ki, Turkije, kalkoen: To talk turkey; Zie Talk; Turkey-bird (Zie Wry-neck); Turkey carpet = Turksch vloerkleed, Smyrnasch tapijt; Turkey-cock = kalkoensche haan: She turned as red as a turkey-cock; Turkey-hen = kalkoensche hen.

Turmoil, tɐ̂môil, verwarring, ontsteltenis, herrie, sloven; Turmoil verb. in onrust zijn, zich afsloven.

Turn, tɐ̂n, subst. draai, omwenteling, bocht, kromte, hoek, wandelingetje, verandering, wisselvalligheid, gelegenheid, aanleiding, doel, daad, voorval, dienst, mode, strekking, gedaante, aard, neiging, luim, stemming, poets, grap, beurt, karweitje, zenuwschok, woordstelling (in een zin), ophanging, etc.; Turn verb. wenden, keeren, draaien, vormen, omkeeren, aanwenden, richten, strekken, overhalen, bekeeren, verdraaien, veranderen, vertalen, overbrengen, overpeinzen, doen gisten, schiften, verzuren, walgen, terugkeeren, weerstaan (een vijand), weifelen, etc.: A turn of fate = lotswisseling; In the turn of a hand = in een oogenblik; At the turn of the river, road = bij de bocht; The turn of a wager = de kans; His answers are mere turns of wit = geestige zetten, wendingen; A turn of work = klein karwei; One good turn deserves another = de eene dienst is den anderen waard; I am good for a turn at any game = doe gaarne mee aan een spelletje; There is a quaintness of turn in his style = zijn stijl heeft een zonderling cachet; The news gave me such a turn = deed me erg schrikken; That soldier seems to have a turn for desertion = neiging tot desertie te hebben; That will hardly serve your turn = dat zal je wel niet kunnen dienen; We must take turns = elkaar afwisselen; Things have taken a favourable turn = een gunstigen keer genomen; He does so at every turn = bij elke gelegenheid; We must go there by turns, in turn(s) = om beurten; You must do it in turn = op uwe beurt; Each in his turn = ieder op zijne beurt; The tide was on the turn = het getij begon te kenteren; Done to a turn = goed gaar; Turn for turn = leer om leer; These advantages turned to real account = leverden inderdaad wat op; My brain (head) turns = ik word duizelig; The leaves turn in autumn = worden geel; The mutton has turned with the hot weather = is bedorven; We were turned adrift = wij werden aan wind en golven ten prooi gegeven; He turned aside = keerde zich om; To turn loose = loslaten (van honden bijv.); To turn pale = bleek worden; To turn sour = zuur worden; He turned his back = hij draaide zich om, hij vluchtte; He turned his back (up)on us = wendde ons den rug toe (ook fig.); It turned the balance (scale) = deed de schaal omslaan; He has turned his coat = is afvallig geworden; She turned colour = verschoot van kleur; To turn the corner = het hoekje (crisis van een ziekte) te boven zijn, beter worden; The railway-shares have turned the corner and are increasing = hebben zich hersteld en gaan omhoog; To turn a couplet = een versje maken; She can turn an epigram and point a satire = iets geestig zeggen en satiriek zijn; He shaved twenty men and never turned a hair = en sneed hen geen enkele maal; To turn one’s hand to = zich toeleggen op; He could turn his hand to many things = kon van alles maken; The news has turned his head (brain) completely = heeft zijn hoofd op hol gebracht; He turned informer on me = hij verklikte mij; Will you turn the key? = omdraaien; A merchant must turn his money = steeds omzetten; I will try to turn a penny = een duit te verdienen; Turn the points = verzet den wissel; To turn the enemy’s position = omtrekken; To turn soldier = soldaat worden; The medicine turns my stomach = ik walg van; The tables were turned = de bordjes werden verhangen; I turned the tables upon him = sloeg hem met zijn eigen wapens; deed de kans keeren; To turn tail = op de vlucht gaan; To turn turtle = omslaan: Everything has turned turtle = alles ligt overhoop; To turn about = zich omkeeren; Turn again = keer terug, om; To turn away = zich afwenden: He turned away from the path of duty = verliet; I have turned him away = weggezonden, ontslagen; To turn money away = opsparen, wegleggen; To turn back = omkeeren, terugkeeren; The leaf was turned down (back) at the top = het blad was bovenaan omgeslagen; Everything was turned upside down = onderstboven gekeerd; Turn-down = omgeslagen, dubbelgevouwen; ook subst. liggende boord; Turn of a letter = omgevouwen rand; I have turned it in = naar binnen gevouwen; He turned it in his mind = overlegde het bij zichzelf; To turn in = naar kooi gaan; He turned in with me = ging met mij naar bed; The road turns in and out = kronkelt gedurig; To turn into = veranderen in; Turn this into Dutch = vertaal dat in ’t N.; He turned German ballads into English verse = bracht ... over; He turned of a deadly colour = werd doodsbleek; He is turned (of) fifty = boven de vijftig; The hour was turned of six = het was over zes; To turn off the gas, the steam = uitdraaien, afsluiten; To turn off an article = op ’t papier gooien; To turn on the gas = de gaskraan open zetten; She turned on her tears = begon te schreien; Everything turns on your answer = hangt af van; The fate of the country turns on the king’s decision = hangt af; Turn him out = zet hem de deur uit; We have turned out the cows = de koeien in de weide gedaan; It turned out wrong, right = kwam verkeerd, goed uit, liep verkeerd, goed af; He did not turn out much = het resultaat van zijn arbeid was gering; I have turned it inside out = heb het binnenste buiten gekeerd; He will turn out trumps after all = toch nog een flinke vent worden; It turned out to be = bleek te zijn; The book is well turned out = ziet er keurig uit; A well turned-out stranger = net gekleed; His clothes had been turned out by the best tailor = waren geleverd; Turn-out = pronk, pak, vertooning, mooie equipage, groote menigte, ontvangst, afmarsch, werkstaking, uitsluiting, wisselspoor, opbrengst; He turned over more than fifty thousand pounds a year = zette om; We have turned over a new leaf = zijn met een nieuw blad, een heel ander leven begonnen; He turned over and continued reading = sloeg het blad om; I have turned it over and over = van alle kanten bekeken; The money was turned over to the owner = werd overgemaakt aan den eigenaar; The boat was turned over = werd omgeworpen, sloeg om; I turned it over in my mind = ik overlegde het bij mijzelf; Let us turn over = van plaats veranderen; Turnover = onderstboven werping, soort gebak, omzet; adj. omgeslagen, ingericht om om te slaan: Turnover table = klap(speel)tafeltje; He turned round = veranderde van houding, keerde zich om; She loved him for some time, and then turned round (to another) = zette toen haar zinnen op een ander; I must have time to turn round = tijd om te overleggen of overwegen; His eyes were turned to the stage = op het tooneel gericht; What shall I turn to? = wat zal ik nu doen, nu aanpakken; You must try to turn this to profit, advantage, account = trachten te profiteeren van; To turn up = omhoogslaan, omslaan, opduiken, te voorschijn komen, gebeuren etc.: I hope something will turn up in time = dat er zich nog wat zal voordoen (opdoen); Turn up page the seventh = sla op; Turn it up = schei uit daarmee! To turn up one’s nose at = den neus optrekken voor; I turned his arguments upon himself = sloeg hem met zijn eigen woorden; I turned upon him suddenly = draaide me plotseling naar hem om, viel hem aan; The conversation turned upon all kinds of topics = liep over allerlei onderwerpen; She will be married turned Michaelmas = na; Turn-bench = kleine draaibank; Turn-cap = schoorsteengek; Turn-coat = afvallige; Turn-cock = opzichter v. de waterleiding; Turn-down collar; Turndun = snorder (jongensspeelgoed); Turnkey = cipier; Turnpike = tolhek, slagboom, wenteltrap; Turnpike-man = tolgaarder; Turnpike-road = straatweg met tollen; Turn-screw = schroevendraaier; Turn-sick = draaiziek; Turnsole = kroontjeskruid; heliotroop; Turnspit = spitomdraaier; Turnstile = molentje, haspel op voetpaden; Turn-stone = soort steenlooper; Turn-table = draaischijf (op spoorwegen); Turner = kunstdraaier, varieteit van duif; Turnery = kunstdraaierij, draaiwerk; Turning, subst. draai, bocht, afwijking, kronkeling: Turning-lathe = draaibank; Turning-platform = draaischijf (voor spoorwagens); Turning-point = keerpunt.

Turnip, tɐ̂nip, raap, knol, dik horloge; Turnip-radish = knolradijs.

Turpentine, tɐ̂p’ntain, terpentijn; Terpentiny = met terpentijn bedekt, vol terpentijn.

Turpitude, tɐ̂pitjûd, laagheid, verdorvenheid.

Turquoise, tɐ̂kôiz, tɐ̂kîz, tɐ̂koiz, turkoos (edelsteen).

Turret, tɐrət, torentje, draaibare toren op een oorlogschip; Turret-ship = torenschip; Turreted = met torentjes; Turriculate(d), tərikjulit(-eitid), gelijk een torentje, voorzien van torentjes.

Turtle, tɐ̂t’l, subst. tortelduif; zeeschildpad(soep); Turtle verb. schildpadden vangen; Turtle-back = helmslak; Turtle-dove = tortelduif; Turtle-shell = schildpad; Turtle-soup = schildpadsoep.

Tuscan, tɐsk’n, subst. Toskaner; adj. van Toskane: Tuscan order = Toskaansche bouwstijl; Tuscany = Toskane.

Tush, tɐ̂š, pst! stil! poe! hoektand.

Tusk, tɐsk, slagtand (v. olifant of wild zwijn): Tusked = met slagtanden; Tusker = olifant of wild zwijn met goed ontwikkelde slagtanden; Tusky = Tusked.

Tussaud, tusou.

Tussle, tɐs’l, subst. worsteling, kloppartij; Tussle verb. worstelen, vechten: We had a sharp tussle with the enemy = een vinnigen strijd.

Tussock, tɐsək, bosje, lok, bosje gras, heuveltje; adj. Tussocky.

Tut, tɐt, st! pst! stil! poeh! och kom!

Tutelage, tjûtəlidž, voogdij(schap), onmondigheid; Tutelar(y), tjûtələ(ri), beschermend: Tutelar angel; Tutelar spirits = beschermgeesten; Tutor, tjûtə, subst. voogd, (privaat)onderwijzer, een der professoren aan een college belast met het algemeen toezicht (= College tutor), of die de studie leidt (Private tutor); Tutor verb. onderwijzen, berispen; Tutorial, tjutôriəl, behoorende tot, uitgeoefend door een Tutor; Tutorship = voogdijschap; onderwijzersbetrekking, tutorschap.

Tutta, tutâ, geheel; Tutti, tuti, allen (muz.).

Twaddle, twod’l subst. beuzelpraat, gewauwel; Twaddle verb. wauwelen, kletsen; Twaddler = leuteraar.

Twain, twein: In twain = in tweeën.

Twaite, tweit, elft. Z. Thwaite.

Twang, twaŋ, subst. scherp geluid, neusgeluid, neusklank, smaakje, onaangename smaak; Twang verb. gonzen, klinken, aanslaan, doen klinken, eruit gooien (out): There is a twang about it = er is een leelijk smaakje aan; To speak with a twang = door den neus spreken; The twanging of a full-toned guitar = het scherpe geluid van eene krachtige guitaar; A twanging sound = scherp, doordringend geluid.

Twankay, twaŋkei, ordinaire groene thee.

’Twas, twoz, samentr. van It was.

Tweak, twîk, subst. kneep, klem (fig.); Tweak verb. knijpen: To tweak a person by the nose, To tweak a person’s nose = iemand bij zijn neus trekken.

Tweed, twîd, stof voor manskleeren; adj. van tweed: Heather tweed = bruine tweed.

Tweedle, twîd’l, zacht strijken over, vedelen, doedelen, vleien, bepraten: He insisted upon the difference between tweedledum and tweedledee = het verschil tusschen een half dozijn en zes.

Tweel, twîl; Zie Twill.

’Tween, twîn, samentr. van Between.

Tweeze, twîz, étui met instrumenten = Tweezer-case; A pair of tweezers = haartangetje.