Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 13

Chapter 133,196 wordsPublic domain

Blast, blâst, subst. rukwind, harde wind, krachtige luchtstroom; stoot op een hoorn, vernietigende invloed op dieren of planten, pest, vloek, brand (in het koren), trommelzucht (bij schapen); Blast verb. vernietigen, verzengen, verdorren, laten springen, verijdelen, bederven, bezoedelen; ontploffen: The Blast of Doom = de bazuin van het Laatste Oordeel; In full blast = in vollen gang; They blasted her character = bezoedelden; They blasted it abroad = maakten het ruchtbaar; Blast-furnace, hoogoven; Blast-pipe = vlampijp, afvoerpijp; Blasting-oil = nitroglycerine; Blasting-powder = mijnkruit.

Blastoderm, blastədɐ̂m, kiemhuidje.

Blatancy, bleit’nsi, drukte; Blatant, bleit’nt, druk, schreeuwerig: Blatant nonsense = groote onzin; Blatant nothings = onbeteekenend geschetter.

Blather, bladhə, gezwets; Blather verb. zwetsen; Blatherskite = zwetser (Amer.).

Blatta, blatə, kakkerlak.

Blatter, blatə, kletteren; snateren; subst. gekletter; gesnater.

Blaze, bleiz, vlam, gloed, bles (op den kop van koe of paard), teeken op boomen (door verwijdering van den bovenbast); Blaze verb. vlammen, in gloed staan, (boomen) merken, verkondigen, bekend maken: The house was in a blaze = in lichterlaaie; He swore like blazes = hij vloekte verschrikkelijk; Go to blazes = loop naar de hel; How the blazes can you stand the head-work you do? = hoe drommel kunt gij dat met het hoofd werken zoo uithouden? What the blue blazes = wat weerlicht! To blaze away = los branden, er op los werken (praten); The stars themselves blaze forth the death of princes = kondigen der wereld aan; The newspapers blaze with his name = zijn vol van; Blazer = snikheete dag; gekleurde, gestreepte sportjekker.

Blazon, bleizn, bleiz’n, subst. blazoen, wapenschild, wapenkunde, voorstelling, bekendmaking, praal; Blazon verb. blazoeneeren, versieren, beschrijven, bekend maken, uitbazuinen; Blazoner = heraldicus, heraut, lofredenaar; Blazonment = wapenteekenen, kleurenpracht, uitbazuining; Blazonry = wapenkunde, wapenteeken, versiering met herald. figuren.

Bleach, blîtš, bleeken, wit maken (worden); Bleacher = bleeker; Bleachery = bleekerij; Bleaching-liquid; Bleaching-powder; Bleaching-ground (= Bleach-field) = bleekveld.

Bleak, blîk, subst. bliek.

Bleak, blîk, kaal, ruw, guur, droevig; Bleakness = kaalheid, etc.

Blear, blîə, adj. dof, zeer, druip - -; Blear verb. verduisteren, doen druipen, bevuilen: To blear the eyes = om den tuin leiden; Blear-eye = druipoog; Blear-eyed = druipoogig; Blearedness = zeerheid; verduistering.

Bleat, blît, subst, geblaat; Bleat verb. blaten.

Bleb, bleb, luchtbel, blaartje, puistje.

Bled, bled, imperf. en part. perf. van to bleed.

Bleed, blîd, bloeden, zijn bloed storten, aderlaten, (sap) aftappen, laten uitloopen: To bleed freely = erg; To bleed white = uitzuigen (fig.); He bleeds at the nose = uit den neus; To bleed to death = doodbloeden; To make one bleed = laten bloeden (fig.).

Blemish, blemiš, subst. vlek, smet, klad; Blemish verb. bevlekken, besmetten, bezwalken; Blemishless = vlekkeloos.

Blench, blenš, terugdeinzen, wijken.

Blend, blend, vermengen, zich vermengen, onmerkbaar in elkaar overgaan; subst. vermenging, mengsel: The blended scents of tea and coffee; This tea is a favourite blend; Blend-corn = tarwe en rogge dooréén verbouwd; Blend-water = nierziekte bij rundvee; Blender = menger.

Blenheim, blen’m, een soort spaniel, bruin en wit gevlekt; edele appelsoort gekweekt op Blenheim House, het kasteel van de hertogen van Marlborough = Blenheim orange.

Blesbock, blesbok, Z.-Afr. antilope.

Bless, bles, zegenen, heiligen, wijden, gelukkig maken, verheerlijken, gelukkig achten: To bless oneself = zich gelukkig achten; Not to have a penny to bless oneself with = geen rooien duit bezitten; Bless me, no! = om den drommel niet! Bless my eyes (soul) = sapperloot! A blessed man = gezegend, gelukkig; A blessed fool = groote gek; He was blessed in a fair daughter = gezegend met; The abode of the blessed (of bliss) = der gelukzaligen; Of blessed memory = zaliger gedachtenis; The whole blessed day = de lieve lange dag; Blessedness: To live in single blessedness = ongetrouwd zijn (iron.); Blessing = zegen, zegening, gave, geschenk, gunst; To ask a blessing = bidden vóór den maaltijd; een zegen afsmeeken.

Blet, blet, subst. overrijpheid van vruchten, rotte plek: Blet verb. rotte plekken hebben.

Blether, bledhə (Zie Blather).

Blight, blait, subst. meeldauw, brand, vorst; soort bladluis; pestlucht; bederf: Blight verb. doen verdorren, verwelken; vernietigen, bederven: Potato-blight (= Blight-rot) = aardappelziekte; Blighter = snaak, lammeling.

Blind, blaind, blind, bedekt, verborgen, duister, onbezonnen, valsch, onbestelbaar; subst. ophaalgordijn, blind, vensterluik, oogklep (ook Blinder genoemd), blinddoek, voorwendsel, uitvlucht, blindeering; Blind verb. verblinden, verduisteren, bedriegen: Among the blind the one-eyed blinkard reigns = is Éénoog Koning; Blind of an eye = blind aan een der oogen; Blind to his interests = blind voor; That proposal was a mere blind = voorwendsel; Roller blinds = rolluiken; Venetian blinds = jalouzieën; Wire blinds = horretjes; Blind alley = zak; Blind bargain = kat in den zak (fig.); Blind business = voorgewend (bijv. een barber’s shop, die een betting-house blijkt te zijn); Blind-coal, glanskool; Blind door; Blind-drunk = stomdronken; Blindfold, subst.: Your egotism is a blindfold to his virtues = maakt u blind voor; adj. geblinddoekt; Blindfold verb. blinddoeken; Blind-Harry (Blindman’s-buff) = blindekoe, blindemannetje; Blind letter = onbestelbare brief (Blindmen, Blindofficers, Blindreaders = ambtenaren bij het bureau daarvan); Blindman’s holiday = de tijd voordat het licht wordt opgestoken; Blind-shell = granaat zonder springlading; niet gesprongen granaat; To get on one’s blind side = iemand in zijn zwak tasten; Blind-staggers = beroerte: It gave me the blind-staggers = ik kreeg er een beroerte van op mijn lijf; Blind-worm = hazelworm; To blind oneself to the truth = de oogen sluiten voor; Blindage = blindeering; Blindness = blindheid.

Blink, bliŋk, subst. blik, oogwenk, knipoogje, glans, weerschijn v. ijsvelden, ijsberg; Blink verb. gluren, knipoogen, glanzen; ontduiken, ontwijken: To blink a question = ontwijken.

Blinkard, bliŋkəd, kortzichtig; subst. bijziende persoon, sufferd: His blinkard generation = (ver)blind geslacht.

Blinkers, bliŋkəz, oogkleppen.

Bliss, blis, zaligheid; Blissful(ness) = zalig(heid).

Blister, blistə, subst. blaar, trekpleister; Blister verb. blaren krijgen, blaren trekken, eene trekpleister leggen op; Blister-beetle (Blister-fly) = Spaansche vlieg; Blister-plaster = trekpleister; Blistery = met blaren.

Blite, blait, sapkelk, Goede Hendrik.

Blithe, blaidh, vroolijk, blijde = Blithesome.

Blizzard, blizəd, koude sneeuwstorm in N.-Amerika; moeielijke vraag, “harde noot” (Amer.).

Bloat, blout, (doen) opzwellen, opblazen, ijdel maken, rooken (van visch); Bloatedness = opgezwollenheid, opgeblazenheid.

Bloater, bloutə, bokking.

Blob, blob, bobbel, blaar, klont, klets: A blob in the eye from a wave; Blob of ink; Bloblip(ped) = dikke; Blobnose = mopneus.

Block, blok, subst. blok, onthoofding, stommeling, pruikebol, hoedenvorm; blok huizen; belemmering, stremming van passage (ook Block-up); stuk of gedeelte van een spoorbaan; Block verb. insluiten, belemmeren, verhinderen, in zijn fatsoen brengen, stoppen (van een trein), in ’t ruwe vormen of schetsen (met out): The hat had been sat on and was blocked = op een vorm gezet; Block-calendar = scheurkalender; Blockhead = domkop; Block-house = blokhuis; Block-printing = een manier van katoen drukken; Block-signal = signaal om te stoppen; Block-slip = coupon van een chequeboek; Block system = blokstelsel; Block-tin = bloktin; Block-up = versperring (To block up a window = het uitzicht benemen); stremming (van passage); Block-wood plaster = houten plaveisel.

Blockade, bləkeid, subst. blokkade: Paper blockade = in naam, niet door aanwezige scheepsmacht gehandhaafd; Blockade verb. insluiten, blokkeeren: The enemy ran the blockade = brak door onze schepen heen; Blockade-runner = schip, dat door een blokkade heensluipt of breekt.

Bloke, blouk, kerel.

Blomary = Bloomery.

Blond(e), blond, blond, (blondine); zijden kant; Blonds = blondines; His blond moustache; A dreamy blond = blondine; Blond-lace = zijden kant; Blondness = blondheid.

Blood, blɐd, subst. bloed, kroost, bloedverwantschap, ras, stemming; jongmensch, roué, fatje; het roode sap van bessen, enz.; Blood verb. aderlaten, bloed laten proeven, aan het gezicht van bloed gewennen: Blue blood; Fresh blood = nieuw bloed; Prince of the Royal blood; Allied by blood; Near in blood; It runs in the blood = zit in de familie; In cold (hot) blood = in koelen bloede (in drift); Flesh and blood = het zwakke vleesch; His blood is up = zijn bloed kookt; Blood is thicker than water = het bloed kruipt waar het niet gaan kan = Blood tells; His blood be on us = kome over: This caused much bad blood = heeft ... kwaad bloed gezet; You can’t get blood out of a stone = waar niets is heeft de keizer zijn recht verloren; It makes my blood boil; To show blood = zijn afkomst verraden; To wipe out by blood; Blood-baptism = doopsel des bloeds; Blood-bespattered (Blood-flecked, Blood-stained) = met bloed bespat, bevlekt; Blood-horse = volbloed paard; Blood-hound = bloed- of speurhond; wreede vervolger; Blood-letting = het aderlaten; Blood-money = bloedgeld; Blood-orange = wijn-sinaasappel; Blood-pudding = bloedworst; Blood relation; Blood-shed(ding) = bloedstorting; Blood-shot = met bloed beloopen (Blood-shot eyes); Blood-squeezer = Blood-sucker; Blood-stone = bloedsteen; Blood-sucker = bloedzuiger (ook fig.); Blood-swelled, Blood-swollen = gezwollen van bloed; Bloodthirstiness = bloeddorstigheid; adj. Bloodthirsty; Blood-vessel = ader: She broke a blood-vessel = kreeg eene aderbreuk; Blood-wite = zoen- of weergeld; Blood-worm = larve van een mug (Chironomus); Blooded = volbloed; Bloodiness = bloederigheid; bloeddorst; Bloodless = bloedeloos, zonder bloedstorten, koud, harteloos; subst. Bloodlessness; Bloody = bloederig, bloeddorstig; vervloekt, verduiveld: A bloody fool = aartsstommeling; Bloody-bones = boeman; Bloody-flux = dysenterie.

Bloom, blûm, subst. bloesem, bloem, blauwachtig waas op frissche vruchten, blos, dons, bloei, gefrischt stuk ijzer; Bloom verb. bloeien; Bloomer = ontloken knop; lief kind; reform kostuum (korte rok met Turksche broek van 1850); Blooming = verduivelde (Zie Bloody): Blooming nonsense; A blooming idiot; Blooming beaks = beroerde magistraatspersonen; A blooming copper = lamme klabak; Bloomy = bloeiend, donzig.

Blossom, blos’m, subst. bloesem, perzikkleur(ig paard); Blossom verb. bloeien, zich ontwikkelen: He blossomed out into some racy reminiscences = hij raakte aan het praten over; Blossom-faced = met rood, gezwollen gezicht.

Blot, blot, subst. vlek, smet, doorhaling; niet gedekte steen bij het pufspel (dammen); Blot verb. bevlekken, bezoedelen; uitwisschen, doorhalen, te niet doen, doen vergeten (out); vloeien: To cast a blot upon = een smet werpen op; To hit a blot = een niet gedekten steen nemen; een wondplek aanraken (fig.); To leave a blot = een steen ongedekt laten staan; Blotter = vloeiblok; klad; Blotting-book = vloeiboek; Blotting-pad = vloeiblok; Blotting-paper = vloeipapier.

Blotch, blotš, subst. puist, blaar; vlek, smet; Blotch verb. vlekken; Blotchy = vol puisten, bedekt, onduidelijk.

Blount, blont.

Blouse, blauz, kiel, blouse, blouseman.

Blow, blou, subst. slag, windvlaag, vliegenei, bloei, bluf, shilling; Blow verb. blazen, waaien, hijgen, toeteren, spuiten, uitblazen, aanblazen, opblazen, snuiten, orgeltrappen, verspreiden; eieren leggen, in de lucht laten vliegen, ontploffen: At a blow = in één klap: To come to blows = handgemeen worden; They took the town without a blow = zonder slag of stoot; That’s the way the wind blows = uit dien hoek waait; Huge winds blow on high hills = hooge boomen vangen veel wind; It’s an ill wind that blows nobody good = geen kwaad zonder baat; To blow eggs = uitblazen; Blow the expense! = ’t kan niet schelen wat het kost; To blow kisses at = kushandjes geven; To blow one’s nose = snuiten; You be blowed! loop jij naar den duivel; To blow hot and cold = uit twee monden spreken; nu eens erg lief en dan weer onvriendelijk zijn; Met voortzetsels en bijw.: To get a good blowing about = eens flink doorwaaien; To blow away = wegblazen, wegwaaien; To blow down = omwaaien; My umbrella was blown inside out; To blow off = afwaaien, uitlaten van stoom; He blows on his coffee = blazen om af te koelen; To blow out = uitblazen; He blew out his brains = schoot zich voor ’t hoofd; He blew out the tyres = pompte op; A blow-out = smulpartij, festijn; To blow over = omverwaaien; overwaaien (van gevaar, een storm, etc.); To blow up = opblazen; in de lucht laten vliegen; den mantel uitvegen: To give a good blow(ing)-up = een flink standje; To blow upon = blazen op; bederven, belasteren, verraden; Blow-ball = uitgebloeid bloemhoofdje van eene paardebloem, etc.; Blow-fly = vleeschvlieg; Blow-gun = windroer, blaaspijp (wapen); Blow-hole, trekgat, neusgat v. een walvisch; wak (in het ijs); Blower = blazer, glasblazer, orgeltrapper, reguleerschuif, soort ventilator; Blown = buiten adem; Blown-glass = geblazen glas; Fly-blown meat = bedorven vleesch (wegens de maden); Blowy = winderig.

Blowze, blauz, dikke, gezonde meid; Blowzed = roodwangig, boersch; Blowzy = roodwangig; verward, slordig.

Blubber, blɐbə, subst. walvischspek, zeenetel; Blubber verb. tranen met tuiten schreien.

Blucher, blûtšə, halve laars met veters.

Bludgeon, blɐdž’n, knuppel, knots.

Blue, blû, blauw, azuurkleurig, trouw, standvastig, conservatief, landerig, somber, norsch, buitengewoon, gemeen; subst. blauwe kleur, blauwsel; het azuur, conservatief, blauwkous; Blue verb. blauw verven, blauwen: To be blue (Blue as indigo = Stone blue); A blue Presbyterian = echte; Blue Water School = tegenstanders van een staand leger, omdat ze een sterke vloot voldoende achten; A true-blue Tory = echte; To blue the swag = de “boel” er door brengen; To have (To be in) the blues = het land (stierlijk het land) hebben; To give the blues = landerig maken; The Blues = The Royal Horse Guards; Blue-bell = grasklokje, scilla, knikkende vogelmelk; Blueberry = rijsbes; Blue-bird = Am. blauwkeeltje; Blue-bonnet = Schot, Schotsche muts; korenbloem; blauwmeesje; Blue-book = in Engeland officieele regeeringsbescheiden en rapporten; lijst van rijksambtenaren met hunne salarissen (Amerika); Blue-bottle = korenbloem; bromvlieg; politieagent; Blue-breast, blauwborstje; Blue-cap = eene zalmsoort; korenbloem; klabak; Blue-coat = een jongen van Christ’s hospital in Londen (wegens de lange blauwe jas die zij dragen); Blue-devils = landerigheid, katterigheid, delirium tremens; In a blue funk = erg in de rats; Blue-gown = gepatenteerd bedelaar (Schotl.); Blue-jacket = matroos, Janmaat; Once in a blue moon = alle blauwe Maandagen; Blue-ointment = kwikzalf; Blue-Peter = blauwe signaalvlag, ten teeken dat het schip gereed is om uit te zeilen; Blue-pill = kwikpil, blauwe boon (fig.); Blue-ribbon = het lint van de orde van den kouseband; eerste prijs; uitstekende kok; insigne der geheelonthouders: To be a blue-ribbon; To break one’s blue-ribbon; Blue-ribbonism; Blue-ribbonist; Blue-ruin, slechte jenever, volkskanker; Blue-stocking = blauwkous; Blue-stockingism = blauwkouserij; Blue-throat = blauwkeeltje; Blueness = blauwheid; Blueish = blauwachtig.

Bluff, blɐf, breed en plat, steil, open, rond, goedmoedig, barsch, lomp; Bluff subst. steile oever, steile en breede klip of voorgebergte; grootspraak, brutaliteit, een soort kaartspel; Bluff verb. overbluffen, driest, aanmatigend optreden: Bluff King Hal = de royale, ronde koning Hendrik VIII; That is a piece of bluff = opsnijderij, grootspraak, brutaliteit; He bluffed it through = hij sloeg er zich brutaal doorheen; You don’t bluff me = ik laat me niet bang maken; Bluffbowed = met breede en platte boeg; Bluffness = rondborstigheid, lompheid; Bluffy = steil; ruw, plomp.

Bluggy, blɐgi, bloederig: A bluggy story.

Blunder, blɐndə, subst. grove fout, bok; Blunder verb. een groven misslag begaan, domme fouten maken, knoeiwerk leveren, verknoeien, voortsukkelen, uitflappen (out); Blunderhead = domkop; A Blunderheaded fool; Blunderer = knoeier; Blundering = dom, stom; subst. domheid.

Blunderbuss, blɐndəbɐs, donderbus, snaphaan.

Blunt, blɐnt, adj. stomp, dom, ongevoelig, grof, kortaf, open, eenvoudig; subst. moppen (geld); Blunt verb. verstompen, verzwakken; Blunt-edged = stomp; Blunt-witted = bekrompen, dom; Bluntness = stompheid, etc.

Blur, blɐ̂, subst. smet, vlek, klad, nevelachtigheid, onduidelijkheid; Blur verb. bevuilen, bezoedelen, verduisteren, verdooven; adj. Blurry.

Blurt, blɐ̂t, er uit flappen (out).

Blush, blɐš, subst. blos, blosje, blik; Blush verb. rood worden, blozen, zich schamen; At (the) first blush = bij den eersten oogopslag; He put us to the blush = maakte ons beschaamd; To blush crimson; To blush all over = diep blozen; To blush down = beschamen, overtreffen; Blush-rose = soort bleekroode roos; Blushful = blozend.

Bluster, blɐstə, razen; stormen, tieren, gieren, snoeven, intimideeren (into); subst. geraas, etc.; Blusterer = bulderaar, opsnijder.

Bo, bou, interj. Boeh! He cannot say bo to a goose = hij kan geen tien tellen; To play at bo-peep = kiekeboe spelen.

Boa, bouə, groote slang; boa: A feather boa; Boa Constrictor = reuzenslang.

Boadicea, bouədisîə; Boanerges, bouənɐ̂džîz, zonen des donders (Mark. III, 17); zeloot.

Boar, bö, subst. mannetjesvarken, wild zwijn (= Wild boar); mannetjes....

Board, böd, subst. plank, tafel, kost, onderhoud, kostgeld; bestuurstafel, commissie of bestuur; bord, karton, bordpapier, boord, gang, slag; Board verb. met planken beschieten; in den kost nemen, den kost geven; aan boord gaan, enteren, aanklampen; instijgen (Amer.); in den kost zijn, wonen: Superior board = kost en inwoning in beschaafd gezin; Board and lodging = kost en inwoning; Board and lodging letter = bedankje na logeeren; On the boards = op de planken, het tooneel; Bound in boards = gekartonneerd; Above board = openhartig, eerlijk; To go by the board = overboord gaan, te gronde gaan; On board the steamer; To go on board; To have too much on board = te veel gedronken hebben; To lie board and board = naast elkaar; To put out to board = uitbesteden; He worked out his board = hij verdiende met zijn werk den kost; Billboard = aanplakbord; Schoolboard = schoolbestuur; Board of Public Works = bouwcommissie; Board of Trade = een soort Ministerie van Handel en Verkeer (een afdeeling v. den Privy Council, verdeeld in 6 Departementen: Commercial, Statistical, Railway, Harbour, Marine en Financial); Board-man = wandelende advertentie, met een bord vóór en een achter zich; Board-meeting = bestuursvergadering; Board-room = directiekamer; Board-school = openbare lagere school (onder toezicht van den School-board van een der Schooldistricten waarin Engl. en Schotl. zijn verdeeld); Board-wages = keukengeld aan meiden en knechts, waarvan ze hun eten betalen; Boarder = kostganger, kostleerling; Boarding = enteren; beschot; Boarding-axe = enterbijl; Boarding-clerk = ambtenaar van een tolkantoor of scheepsfirma, waterklerk; Boarding-house = kosthuis, pension; Boarding-out = het buitenshuis in den kost zijn; uitbesteden; Boarding-school = kostschool.

Boast, boust, subst. bluf, gepoch, roem, trots; Boast verb. pochen, zich beroemen op, pronken, bluffen (of, about, in); ruw behouwen: Holland can boast many great statesmen = zich beroemen op het bezit van; Not much to boast of = niet veel zaaks; Boaster = bluffer; steenhouwersbeitel; Boastful(ness) = pralend (pralerij).

Boat, bout, subst. boot, stoomboot; kom; Boat verb. vervoeren in eene boot, innemen, in eene boot varen of roeien; Don’t put me in the same boat with him = stel me niet met hem op ééne lijn; We are (sailing) in the same boat = wij varen in hetzelfde schuitje (fig.); To take boat at = in de boot, scheep gaan te; Sauce-boat = sauskom; Boat-bill = Braziliaansche lepelaar; Boat-fly = rugzwemmer (insect); Boat-house = schuitenhuisje; Boat-man = jolleman, schipper, bootenverhuurder; Boat-race = roeiwedstrijd; Boat-rope = vanglijn; Boatswain, bous’n, bootsman; Boatswain’s call = bootsmansfluitje; Boatable = bevaarbaar voor eene boot; Boatage = transport per boot; vracht; gemiddelde capaciteit der scheepsbooten; Boating = bootjevaren, zeil- of roeisport.

Bob, bob, subst. korte, hortende beweging, ruk, stoot, slag; slingerschijf, lood, oorbelletje, bosje bladen (vruchten, bloemen, wormen), dobber, 17de eeuwsche pruik van kort haar, korte pruik; vent, kerel (verkorting van Robert), een shilling; een harmonisch luiden op verschillende klokken (Bob minor op zes kl.; Bob triple op 7, etc.); Bob verb. heen en weer (op en neer) bewegen, peuren, steken, kort afsnijden, bedriegen, hengelen naar, knikken, opduiken; Bob-apple, Bob-cherry = spel, waarbij naar een appel of kers wordt gehapt, die aan een touwtje hangt; Bobstay = waterstag (zeeterm); Bob-tail = bolstaartje: Tag-rag and bob-tail het janhagel; Bob-tail-wig = Bob-wig = korte pruik; Bobber = dobber; Bobbish = vergenoegd; gezond; Bobby = klabak; nuchter kalf; Bobbery = herrie, lawaai; Bobbin, bobin, spoel, klos, haspel, een smal soort lint: Bobbin-work = kloswerk; Bobbinet, bobinet, of bobinet = soort tulle.

Bob(o)link, bob(ə)liŋk, Amerik. rijstvogeltje.

Bocking, bokiŋ, grove wollen stof.

Bode, boud, voorspellen: That bodes well for the issue of the war; Boding, subst. voorteeken; adj. veel beteekenend, onheilspellend (= Bodeful); Bodement = voorspelling, voorgevoel.

Bod(d)ice, bodis, keursje, korset, lijf (v. japon).

Bodied, bodid: Full bodied = pittig; Bodiless = onlichamelijk; Bodily. Zie Body.

Bodkin, bodkin, priem, rijgpen, lange haarspeld, kleine dolk: To ride (sit, travel) bodkin = tusschen twee personen op een bank, in een rijtuig zitten, als er slechts voor 2 ruimte is; “pasteitje” rijden.

Bodle, bod’l, Boddle, bod’l, Schotsche munt (= ⅙ penny): Not worth a bodle = geen duit waard.

Bodleian, bodlîən, bodliən: Bodleian Library = Bibliotheek door Sir T. Bodley te Oxford gesticht.

Body, bodi, subst. lichaam, romp; lijk; lijfje, keurs; hoofdbestanddeel (-inhoud), kern; het inwendige; persoon; corporatie, lichaam; troep, bent; sterkte, dichtheid; stof, materie, stelsel; Body verb. belichamen: A respectable-looking body = persoon; He is but a poor body = arme stakkerd; What a body you are! = wat ben je druk (lastig)! In a body = allen te zamen; He is a nobody = niets; The body of the House of Commons = het eigenlijke Huis, het inwendige; The body of a will = inhoud; body of police = politiemacht; To bear body = dekken (van kleuren); This is wine of a good body, This wine has a good body, There is a good body to this wine = is pittig; To keep body and soul together = den mond open houden (fig.); He set bodily about it = hij legde er zich met de borst op toe; He was thrown bodily on to the pavement = zoo lang als hij was; His skirts were torn off bodily = er geheel afgescheurd; Imagination bodies forth, The form of things unknown; Body-clothes = kleeren (Schot.); Body-cloths = paardedekens; Body-colour = dekkleur; Body-corporate = zedelijk lichaam; Body-guard = lijfwacht; Body-linen = lijflinnen; Body-physician = lijfarts; Body-politic = staatslichaam; Body-snatcher = lijkenroover; klabak.

Boeotia, bioušə, Beötië; adj. Boeotian = onbeschaafd, dom; subst. Beötiër; lomperd, domoor.

Boer, bûə, Hollandsche bewoner van Z.-Afr.