Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 130

Chapter 1303,552 wordsPublic domain

System, sist’m, stelsel, systeem, formatie: Planetary system = planetenstelsel; System of railways = spoorwegnet; Nervous system = zenuwstelsel; It was reduced to a system by a German = gesystematiseerd; Systematic(al) = stelselmatig, systematisch, methodisch; Systematist = stelselmaker; Systematization = systematiseering; Systematize = systematiseeren; Systematizer; Systemic, sistemik, systematisch; Systemless = stelselloos.

Systole, sistəlî, samentrekking; adj. Systolic.

Systyle, sistail, bouworde waarbij de zuilen slechts 2 zuildikten van elkaar staan.

T.

T, tî; T(un, Tuesday); Tech(nical); Tenn(essee); Teut(onic); Tex(as); Text(us) rec(eptus) = The received text; Th(omas); Theo(dore); Theol(ogy); Thess(alonians); Tho(mas); Thu(rsday); Thurs(day); Tim(othy); Tit(le, Titus); T(urn) O(ver); Topog(raphy); Tr. = Translation, Transpose, Treasurer, Trustee; Trans. = Transactions, Translator; Trav(els); Trig. of Trigon(ometry); Trin(ity); T(exa)s; t.t.l. = to take leave (= p.p.c.); Tu. of Tues(day); Typ(ographer); Typog(raphy); It fits me to a T = past me precies; He is marked with a T = hij heeft gezeten; She rested her foot on a T = op een steuntje, stoeltje; I can tell it you to a T = ik kan het u precies vertellen.

Ta, tâ: I’ll say ta for him = ik zal voor hem bedanken; Ta-ta = dá-ag (bij afscheid).

Tab, tab, flapleertje van een schoen, nestel, oorklep, kanten voering in een dameshoed.

Tabard, tabəd, tabbaard; mantel van een heraut; Tabarder = getabberde.

Tabaret, tabəret, dikke gestreepte zijden stof.

Tabby, tabi, subst. moiré zijde, kalk met schelpen en kiezel, oude vrijster, gestreepte kat (= Tabby-cat, Tabby-kitten); adj. gewaterd, gemoireerd; Tabby verb. moireeren.

Tabefaction, tabifakš’n, wegkwijning.

Tabellary, tɐbələri, tabellarisch.

Tabernacle, tabənək’l, subst. tabernakel, hostiekast, tent, tempel, aardsch omhulsel, loofhut, bedehuis (der Methodisten); Tabernacle verb. tabernakelen, verblijven: The feast of Tabernacles = loof huttenfeest; Tabernacular, tabənakjulə, getralied.

Tabes, teibîz, ruggemergstering; Tabetic, təbetik, aan tabes lijdende = Tabid, ook: uitgeteerd: subst. Tabidness.

Tabitha, tabithə.

Tabitude, tabitjûd, uittering.

Tablature, tablətjə, verdeeling van den schedel in tweeën, tabulatuur.

Table, teib’l, subst. tafel, tablet; Table verb. rangschikken, catalogiseeren, tabelleeren, wetsvoorstellen op de tafel van het Lagerhuis leggen, indienen; in den kost zijn: Tables = notitieboek, tabel, register, pufspel, triktrak; Table of contents = inhoudsopgave; The Lord’s Table = het Avondmaal; The Round Table = Koning Arthur’s tafelronde; Sliding table = uittrektafel; He keeps a good table = eet lekker, heeft een goede tafel; To keep an open table = open tafel houden; To spread the table = dekken; He took the head (bottom) of the table = ging aan het hoofd (benedeneinde) der tafel zitten; The tables were turned = de bordjes werden verhangen, de kans keerde; I turned the tables on him = ik kaatste hem den bal terug, betaalde hem met gelijke munt; To be at table = aan tafel zitten; The proposal was laid on the table = ter tafel gebracht; To put on the table = opdienen; To sit at table; To wait at table = bedienen; Table Bay = Tafelbaai; Table-beer; Table-bell = tafelschel; Table-brush = tafelborstel; Table-cloth = tafellaken, tafelkleed; Table-companion = tafelgenoot; Table-cover = tafelkleed; Table-drawer = lade; Table-flap = blad; Table-knife; Table-land = berg- of hoogvlakte; Table-leaf = uittrekblad; Table-linen = tafellinnen; Table-money = tafelgeld; Table Mountain = Tafelberg; Table-rapping = tafelkloppen (v. geesten); Table-salt; Table-service = servies; Table-spoon = eetlepel; Table-steel = messenscherper; Table-talk = tafelgesprek(ken); Table-turning = tafeldans (door geesten teweeggebracht).

Tablet, tablet, tafeltje, tablet: Memorial tablet = gedenksteen.

Taboo, təbû, subst. priesterl. heiligverklaring of vervloeking bij de Polynesiërs; adj. uitgesloten, verboden; Taboo verb. in den ban doen = To put under taboo; That is taboo = dat mag niet; Let’s taboo such an unpleasant subject = verder niet aanroeren; It has become the fashion to taboo sentimentalism = af te keuren.

Tabour, teibə, subst. kleine trom; Tabour verb. trommelen: Tabourer; Tabouret = kleine trommel, tabouret, tambourin; Tabourine, tabərin, kleine trom, tamboerijn.

Tabular, tabjulə, tafelvormig; tabellarisch; Tabulate, tabjuleit, in tabellen brengen, vlak of plat maken of slijpen; subst. Tabulation; Tabulator.

Tache, tâš, vlek, gebrek.

Tachometer, təkomətə; tachometer; Tachygraphy, təkigrəfi, kort- of snelschrift.

Tacit, tasit, stilzwijgend: Tacit consent = stilzwijgende toestemming; Taciturn, tasitɐ̂n, zwijgend, stil: William the Taciturn = Willem de Zwijger; Taciturnity = stilzwijgendheid.

Tacitus, tasitɐs.

Tack, tak, subst. spijkertje, stift, hals (van een zeil), koers of gang (van een schip bij het laveeren), richting, weg (fig.): kleverigheid; pachtcontract of pacht (Schotl.); Tack verb. hechten, vastmaken, rijgen, wenden, over stag gaan, laveeren, het over een anderen boeg wenden (fig.): Tin tack, White tack = vertind spijkertje; I must change the tack = het over een anderen boeg gooien; To get on the wrong tack = op ’t verkeerde spoor raken; These ships stand on the same tack = liggen over denzelfden boeg; Tack-block = halsblok (scheepsterm); Tacksman = pachter, die weer aan kleinere pachters verhuurt (Schotl.); Tacket = korte spijker met grooten kop; Tacky = kleverig.

Tackle, tak’l, toestel, tuig, gerei, takel, talie, werktuigen; Tackle verb. bevestigen, aangrijpen; aanpakken (ook fig.), onder handen nemen: Fish(ing) tackle = vischtuig; Shaving tackle; He is too good a whist-player to be tackled at double dummy = voor een partijtje met twee lummels (“blinden” of slechte spelers); I am not prepared to tackle a ghost = het op te nemen tegen; Tackled-stair = touwladder; Tackling = takelage, gereedschap, tuig.

Tact, takt, tact, maat; Tactless = zonder tact of slag; subst. Tactlessness.

Tactic, taktik, tactiek; tactisch = Tactical; Tactician, tacticus; Tactics, tactiek.

Tactile, takt(a)il, voelbaar, gevoels...; Tactile sense = gevoelszin; Tactility = voelbaarheid.

Tactual, taktjuəl, voel- of tastbaar: The material world is a visible and tactual manifestation of God’s power = is eene zicht- en tastbare openbaring van Gods macht.

Tadpole, tadpoul, donderpad, kikkervischje.

Ta’en, tein, verk. van Taken.

Taenia, tînjə, lintworm; Taenioid = lint(worm)vormig.

Tafferel, tafərel = Taffrail.

Taffeta, tafətə, Taffety, tafəti, taf.

Taffrail, tafreil, hakkebord (scheepst.).

Taff(y), taf(i), schutspatroon in Wales; iemand uit Wales, David.

Tafia, tafiə, rum uit goedkoope melasse.

Tag, tag, subst. stift, nestel, aanhangsel, adreskaart, etiket, uiteinde, slagwoord, gepeupel, vangertje (krijgertje) spel, plaatsen uit vroeger schoolwerk tot nieuwe verzen aaneen gelijmd (schoolslang); Tag verb. van nestels voorzien, van etiketten of kaartjes met prijzen voorzien, verbinden, vastmaken, op den voet volgen, naloopen: He delivered Latin tags with an English accent; He is always tagging after his elder brother = volgt zijn broer als eene schaduw; Have you no other moral to tag to this story = geen andere zedeles om vast te knoopen aan; Tag-end = uiteinde; Tag-rag, subst. janhagel: Tag-rag and bobtail = Jan Rap en z’n maat; Tag-sore = schapenziekte (in den staart).

Tagus, teigəs, Taag; Tahiti, tâhîti.

Tail, teil, subst. staart, stuit, uiteinde, achterzijde, hoek, keerzijde, katje (plantk.), vlecht, sleep, pand (van eene jas); ook verb.: Tail of a comet, plough; Head or tail = kop of kruis, kruis of munt; He has gone off with his tail between his legs; Her hair was braided into two long tails = twee lange vlechten; The dog turned tail immediately = ging er van door; Estate in tail = landgoed waarvan de overerving beperkt is tot één persoon en zijne kinderen; To tail after = op den voet volgen; To tail away = achterblijven, afvallen, uitknijpen = To tail off; To tail out behind = achteraan komen; Tail-block = staartblok; Tail-board = achterplank van een wagen (die men bij het afladen kan wegnemen of neerlaten); Tail-carrier = slippendrager, pluimstrijker; Tail-coat = jas met panden; Tail-light = rood licht achter aan een spoortrein; Tail-piece = vignet (op het eind van hoofdstuk of boek), onderstuk van de viool waaraan de snaren vastzitten; Tail-pocket = achterzak van eene jas; Tail-race = geul om het gebruikte water van een molenrad af te voeren; Tailless.

Taille, teil, taille, figuur.

Tailor, teilə, subst. kleermaker; Tailor verb. kleermaker zijn, kleeren maken: Ladies’ tailor; Tailor’s goose = persijzer; Tailoress = kleermaakster; Tailoring: The Tailoring department of the army; Tailoring-trade.

Tailye, Tailzie, teilji, subst. beperkt bezitrecht. Zie In tail; Tailye verb. onvervreemdbaar maken.

Taint, teint, subst. kleur, smaak, geur, tint, smet, vlek, besmetting, bederf, schande, roodkleurige spin; Taint verb. besmetten, bevlekken, bederven: The air is tainted with all kinds of smells = is bedorven door; Taint-worm = schadelijke worm; Taintless = smetteloos; Tainture, teintjə, besmetting, smet, vlek.

Take, teik, subst. ontvangst, trek, haal, stuk kopij; Take verb. nemen, aannemen, grijpen, pakken, betrappen, meevoeren, aanvallen, vatten, gevangen nemen, huren, zich toeëigenen; begrijpen, onderstellen, gelooven, zich wenden tot, uitkiezen, gewoonlijk gebruiken, aanteekenen, verduren, etc.: This is my take = dit moet ik “zetten”; To take advantage of = ge(mis)bruik maken van; To take advice = raad aannemen, inwinnen; To take an affront (a denial) = zich beleedigd gevoelen (eene weigering accepteeren); To take aim = mikken, aanleggen; To take the air = een luchtje scheppen = To take an airing; The thing took air = is ruchtbaar geworden; He takes airs = geeft zich airs; To take (up) arms = de wapenen opnemen; He took a backseat = bakte zoete broodjes; He took me a box of cigars = bracht; To take breath = adem scheppen; take care my boy = pas op jongen; To take good care not to be ensnared = goed oppassen er niet in te loopen; To take care of an ailing child = oppassen; You must take your chance = de kans wagen, afwachten wat de kans je brengt; To take cold = kou vatten; The wound took cold = er kwam koud vuur bij; What course have you taken? = (tot) welke maatregelen hebt gij (uwe toevlucht genomen); To take credit for = zich beroemen op; To take one’s departure = afscheid nemen; To take a dislike to = een afkeer opvatten tegen; To take a drive (a ride) = rijtoer (ritje); To take effect = treffen, uitwerking hebben; To take exception to = protest aanteekenen tegen; To take a fancy to = met iets op krijgen; To take as a great favour = beschouwen als; The horse took the fences = nam de hindernissen; The army took the field = trok te velde; To take fire = in brand vliegen, opvliegen (fig.); Do not take God’s name in vain = gebruik niet ijdellijk; Take a good heart = vat moed; Take heed = wees op uw hoede; To take hold of = vastgrijpen; To take horse = opstijgen, uitrijden; You took such hours = het duurde zoo lang voor je er mee klaar was; Can’t you take a jest? = verstaat ge geen scherts; To take (a hearty) leave = (hartelijk) afscheid nemen; To take medicine = gebruiken, innemen; To take measure = de maat nemen; To take (no) notice = (geen) notitie nemen, (niet) letten op; To take an (the) oath = een eed afleggen, beëedigd worden; To take offence at = zich beleedigd gevoelen over; To take the (first) opportunity that offers = de (eerste de beste) gelegenheid aangrijpen; To take (great) pains = zich (veel) moeite getroosten; To take part in = deelnemen in; To take part with (= To take a person’s part) = partij kiezen voor; To take pity on = medelijden hebben met; To take place = plaats hebben; To take a person’s place = iemands plaats innemen; To take much pleasure in = iets gaarne doen, behagen scheppen in; They take their pleasures sadly = het zijn droefgeestige pretmakers; To take a pride in = trotsch zijn op; To be taken prisoner = gevangen genomen worden; To take root = wortel schieten; Take a seat = neem plaats; To take the shilling = onder dienst gaan; Take your own time about it = neem er zooveel tijd voor als ge verkiest; Tom Thumb was taken an English tour = de ondernemer maakte met T. T. een reis door Engeland; To take a turn = een wandeling doen; To take turns in doing = om de beurt iets doen; To take umbrage at = kwalijk nemen, zich beleedigd gevoelen; He will take the voyage shortly after his marriage = aanvaarden; To take the water = afloopen (schip); er van door gaan (Amer.); To take the waters = de baden gebruiken; You have taken us a long way about = ons een omweg laten maken; The bird took wing = vloog heen; I was taken aback = stond versteld; Will you take me across? = naar de overzijde brengen; He takes after his father = aardt naar; I take you at your word = houd u aan; It has taken my breath clean away = deed me perplex staan; Take that back = neem uwe woorden terug; I will take down your pride a peg or two = je een toontje lager doen zingen; To take down = opschrijven, noteeren; They took down our names = schreven op; I took you for your brother = hield u voor; To be taken in = beetgenomen worden; To be taken in the very act = op heeterdaad betrapt; To take in hand = aanpakken; He was taken in stone = gehouwen; To take in tow = op sleeptouw nemen; To take in to dinner = naar tafel leiden; To take in a paper = geregeld ontvangen; To take into consideration = in aanmerking nemen; To take into business, partnership = in de zaak opnemen; To take off = afnemen, uittrekken, nadoen, photografeeren; He can take off a person’s peculiarities admirably = wonderlijk goed nadoen; He took himself off = ging heen; Take off your glass = drink eens uit; He was taken off his legs in no time = in minder dan geen tijd lag hij op den grond; To take on = aannemen, etc.; To take on oneself = zich vermeten; She has taken on with another chap = heeft een anderen vent aan den haak geslagen; He took on much from the language of his own age = nam veel over ... uit; Don’t take on so = trek het je niet zoo aan, ga niet zoo te keer; He took her out = danste met haar; I will take it out of you = zal het je wel inpeperen, afleeren; His kindliness took me a bit out of myself = verzette mij wat, gaf mij wat afleiding; The boy took out the physic = bracht rond; It rather takes it out of me = pakt me nogal aan; She had teeth that take out and put in again = die je er uit kan nemen en weer inzetten; He took over the business, command = heeft overgenomen; To take to = ophebben met; zich overgeven aan: He took to me very kindly = trok zich mijner vriendelijk aan, kreeg met me op; He took to drinking = raakte aan den drank; Don’t take it too much to heart = trek het u niet te zeer aan; To take up = ter hand nemen, etc.: She took my sister up very strongly, and invited her to spend a few days at her country-seat = zij interesseerde zich zeer voor mijne zuster; We took him up on the road = pikten hem op onderweg; Will you take me up at the station = opvangen, meenemen; Small girls took her up in class = streefden haar voorbij op school; He was taken up by me = werd doorgehaald; He took me up very sharp over that point = maakte mij een erg standje; He took up the word = nam; That will take up all my time, too much room = al mijn tijd kosten, te veel plaats innemen; The public has taken up with a new favourite = heeft een nieuwen lieveling gekozen; You must take up with plain fare = voor lief nemen; She took up with him = bemoeide zich; She was glad to take up with it = ze was er erg blij mee; I am much taken up with your affairs = uwe zaken boezemen mij veel belang in; He took upon himself the right to do this = hij matigde zich het recht aan; His speech took with the House = pakte, maakte indruk; I am taken with that picture = die schilderij valt in mijn smaak; That won’t take = dat gaat niet aan (op); I take it that he will come = ik houd het er voor; Do you take me? = snap je mij? He didn’t take it = hij snapte het niet; The vaccination has taken beautifully = de pokjes hebben mooi “gevat”; I hope you don’t take it ill = het kwalijk neemt; He was taken ill = werd ziek; I was frequently taken like that = ik ben er ook vaak zoo aan toe geweest; The patient was taken much worse = werd veel erger; Take-in = misleiding, beetnemerij; bedrieger; Take-off = nabootsing: Did you ever see such a take-off = zulk eene caricatuur; Taker = nemer, aannemer, etc.; Taking = inneming, ontroering, besmetting, schadelijke invloed, verlegenheid, angst; innemend, boeiend, aantrekkelijk, besmettelijk: He was in a pretty taking = vreeselijk ontroerd of geagiteerd, zat er leelijk in; A taking weekly = gewild weekblad; Takings = recette (aan de kas): The takings of the drama were simply tremendous = de ontvangsten (recette); Taking-off = uit den weg ruiming, moord; Takingness = aantrekkelijkheid.

Talaria, təlêriə, vleugeltjes aan de enkels van Hermes (Mercurius).

Talbot, tôlbət, soort van jachthond.

Talc, talk, talk (min.): Earthy talc = talkaarde = Talcite, talsait; Talcose, talkous, talkous, talkachtig (-houdend).

Tale, teil, subst. verhaal, vertelsel, sprookje; (ge)tal of rekening, aantal, bedrag: To finish one’s tale of work = taak; They are all in a tale about him = over hem zijn ze het allen eens; They are both in a (one) tale = slapen onder één deken (fig.); Thereby hangs a tale = daar zit heel wat meer aan vast; I will pay you full tale for this = betaald zetten; To tell (To Bear) tales = klikken, uit de school klappen; Tale-bearer: He stooped to be a tale-bearer = verlaagde zich tot de rol van klikspaan, verklikker; Tale-teller = verteller, leugenaar.

Talent, tal’nt, talent (gewichtseenheid van verschillende zwaarte; rekenpenning van verschillende waarde); gave, vermogen, begaafdheid; Talented = begaafd.

Tales, teilîz, plaatsvervangende juryleden.

Talfourd, tôlfəd.

Talion, teiliən, taliən, wet der vergelding.

Taliped, taliped, horrelvoet.

Talipot, talipot, waspalm.

Talisman, talizm’n, talisman; Talismanic, talizmanik, met tooverkracht begaafd.

Talk, tôk, subst. gesprek, praatje, gerucht, onderhandeling; Talk verb. praten, keuvelen, vertellen: Tall talk = gesnoef, hoogdravende taal; That is the common talk = het algemeene praatje; The series will consist of original talks and sketches = oorspronkelijke “praatjes over allerlei” en schetsen; To have a talk with = gesprek; Talk is talk, but money buys land = praatjes vullen geen gaatjes; It made plenty of talk = er werd druk over gepraat; He was talking big = aan het “opsnijden”; To talk nonsense; Let us talk sense for once = verstandig praten; Don’t talk shop = praat niet over het vak, over je zaken; To talk turkey = onzin praten; They were talking horses, law, finance, dinners, billiards, etc. = zij hadden het over...; We talked about the plan, and he talked me into taking some shares, though my better half tried to talk me out of it = wij praatten over het plan, en hij bepraatte mij eenige aandeelen te nemen, ofschoon mijne wederhelft het mij trachtte te ontraden; She was talking to her friend at her husband = zij praatte tegen hare vriendin op onaangename wijze over haar (aanwezigen) echtgenoot; We talked the matter over = bespraken de zaak: To talk out = de discussies rekken tot stemming onmogelijk is; He wants a good talking to = eens onder handen genomen worden; Talkative = babbelziek; subst. talkativeness; Talkee-Talkee = gewauwel; Talker = prater, babbelkous, bluffer; Talking: Talking of travelling = van reizen gesproken; Talky = praatziek.

Tall, tôl, lang. slank, groot, hoog, kras; buitengewoon (Amer.); Tall men = valsche dobbelsteenen (fig.); Tall talk = bluf; subst. Tallness.

Tallow, talou, subst. talk, kaarsvet; Tallow verb. met talk besmeren, mesten; Tallow-candle = vetkaars; Tallow-chandler = vetkaarsenmaker of handelaar; Tallow-chandlery; Tallow-face = bleekneus; Tallow-faced = bleek; Tallow-keech = klomp talk; Tallowish, Tallowy = talk- of vetachtig.

Tally, tali, subst. kerfstok, inkeping, pendant, tegenhanger; Tally verb. op den kerfstok zetten of aanstrepen, controleeren, sluiten, passen, overeenstemmen: Your experiences do not tally with mine = strooken niet met; The tally-keeper tallied one for our opponents = de aanschrijver noteerde er een voor onze tegenpartij; Tally-man = houder van een Tally-shop = winkel waar crediet, met wekelijksche afbetaling, gegeven wordt; het stelsel heet Tally-system; Tally-woman = vrouw die een Tally-shop houdt.

Tallyho, talihou, halali; soort rijtuig.

Talmage, ta(l)midž.

Talmud, talməd, Talmud; Talmudic(al), talmɐdik(’l), talmudisch; Talmudist = talmudist.

Talon, tal’n, klauw (van roofvogels), kornis; Taloned = met klauwen.

Talook, təlûk, een bepaald (belasting)gebied in Br. Ind.; Talookdar, tâlûkdâ, bezitter van een Talook, of Inlandsch belastingambtenaar.

Talpa, talpə, mol.

Talus, teiləs, voetgewricht; talud.

Tamability, teiməbiliti, subst. v. Tamable, teiməb’l, tembaar; subst. Tamableness.

Tamarack, tamərak, Amer. lorkenboom.

Tamarin, tamərin, grootoorige aap.

Tamarind, tamərind, tamarinde; ingemaakte tamarindevrucht.

Tamarisk, tamərisk, tamariskboom.

Tambour, tambûə, subst. tamboereerraam, borduurwerk daarop vervaardigd; trom; Tambour verb. tamboereeren; Tambour-frame = tamboereerraam; Tambourine, tambərîn, tambourijn.

Tame, teim, adj. tam, getemd, mak, gedwee, suf, vervelend, saai, moedeloos; Tame verb. temmen, onderwerpen; Tameless = ontembaar, wild; subst. Tamelessness; Tameness = tamheid, geesteloosheid; Tamer = temmer, veroveraar.

Tamil, tamil, bewoner en dialect van Madras en Ceylon.

Tamin(e), tamin, Taminy, tamini, étamine.

Tamkin, tamkin = Tampion.

Tammany Hall, taməni-hôl = (Hall van) die leden der democratische partij in New-York, die de verkiezingen trachten te beheerschen in hun eigen belang; ook: Tammany Hall Ring.

Tammy, tami = Tamin(e).

Tam O’Shanter, taməšantə, ronde wollen muts met knoop in ’t midden.

Tamp, tamp, opvullen, dichtstampen.

Tampan, tamp’n, Z. Afr. insect met vergiftigen beet.

Tamper, tampə, zich bemoeien met, ergens aankomen, kwakzalven, intrigeeren, trachten om te koopen; verknoeien: Don’t tamper with what I have written = blijf af van; He tampered with the enemies = hij heulde met de vijanden; Tamperer.

Tampion, tampiən, prop.

Tamtam, tamtam = Tom-tom.

Tan, tan, subst. run; adj. runkleurig, geelbruin; Tan verb. looien, bruin maken (worden), tanen, bont en blauw slaan: To tan a person’s hide; Tan-house = runmagazijn; Tan-pit = looikuip; Tan-spud = instrument om eikeboomen van de schors te ontdoen; Tan-vat = looivat; Tan-yard = looierij; Tanner = looier; Tannery = looierij; Tannic: Tannic acid = Tannin = looizuur, tannine.

Tancred, taŋkrəd.

Tandem, tand’m, subst. rijtuig met twee paarden achter elkander, rijwiel voor twee achter elkander zittende rijders; adv. met twee paarden achter elkander: To drive tandem.

Tang, taŋ, “smaakje”, bijsmaak, eigenaardige lucht of geur; klank, toon; doorn (van mes, beitel, degen, etc.); tong (van eene gesp), angel; Tang verb. (doen) klinken, weerklinken; van een tang voorzien.

Tangent, tanž’nt, subst. tangens; adj. rakend: Tangent compass = tangenten-boussole; He went (flew) off at a tangent = hij begon plotseling over wat anders; Tangential, təndženš’l, tangens...

Tangerine, tandžərîn, tandžərîn, (bewoner) van Tanger.

Tangibility, tanžəbiliti, subst. v. Tangible, tanžib’l, voel- of tastbaar; subst. Tangibleness.

Tangier, tandžîə, Tanger.

Tangle, taŋg’l, subst. verwikkeling, verwarde knoop, klit, zeewier; Tangle verb. verwarren, verward zijn: My hair is all of a tangle = geheel in de war; To get tangled = in de war raken; Tangle-foot (Tangle-leg) = whisky (Am.); Tangly = verward, met zeewier bedekt.

Tank, taŋk, water- of regenbak, reservoir.

Tankard, taŋkəd, drinkkan, kan (met deksel).