Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 23
Co-agency, koueidž’nsi, medewerking; Co-agent = medewerker.
Coagulable, keagjuləb’l, strembaar; Coagulate, kəagjuleit, (doen) stremmen (stollen); Coagulation = stremming; Coagulum, kəagjul’m, gestolde massa, geronnen bloed.
Coak, kouk, lasch, blokbus; Coak verb. lasschen.
Coal, koul, subst. kool, steenkool; Coal verb. verkolen, van kolen voorzien, kolen innemen: To blow the coals = de hartstochten aanwakkeren; To haul over the coals = duchtig onder handen nemen; Coal-backer = kolendrager; Coal-box = kolenbak; Coal-bunker = kolenbergplaats aan boord; Coal-cake = briket; Coal-fish = koolvisch; Coal-gas = steenkolengas; Coal-heaver = kolendrager; Coal-hole = kolenhok; Coal-mine; Coal-mouse = zwartkopmees; Coal-pit = kolenmijn; Coal-scuttle = kolenemmer; (Coal-scuttle bonnet); Coal-tar = koolteer; Coal-whipper = kolenwipper; Coaling-station = kolenstation.
Coalesce, kouəles, samengroeien, samenvloeien, zich vereenigen; Coalescence = vergroeiing, etc.; adj. Coalescent.
Coalition, kouəliš’n, coalitie.
Coaptation, kouəpteiš’n, aanpassing.
Coarse, kös, grof, ruw, onbeleefd, onkiesch; Coarse-grained = grof, norsch; Coarsen = grof maken (worden); Coarseness, grofheid, etc.
Coast, koust, subst. kust, met sneeuw bedekte helling; Coast verb. langs de kust zeilen, van haven tot haven zeilen; op sneeuw of ijs in eene slede naar beneden glijden, eene helling affietsen met de voeten op de foot-rests (Am.): He knows the coast of France = is een smokkelaar; Coast-guard = kustwacht; Coasting-trade = kusthandel; Coasting-vessel (= Coaster) = kustvaarder; Coastways = Coastwise = langs de kust.
Coat, kout, subst. jas, haren, pels, veeren, laag, schil, wapen (herald.); Coat verb. bekleeden, bedekken: Dress-coat = rok; Frock-coat = gekleede jas; Coat of arms = familiewapen; A coat of mail = maliënkolder; Cut your coat according to your cloth = zet de tering naar de nering; Coat-card = Court-card; Coat-tail = rokspand; He trailed his coat-tails over the green, and dared any one to tread on them (een Iersche vorm van uitdaging); Coatee, koutî, nauwsluitend jasje; Coating = overtrek, bekleeding, laag, jasstof.
Coax, kouks, vleien: To coax into = bepraten, bevleien; To coax out of = aftroggelen; Coaxer = vleier; A Coaxing puss (= A coax) = vleister(tje).
Cob, kob, subst. zware hit; mantelmeeuw, meelballetje voor het mesten van vogels, spin, rond brood, steen, chignon, maïsaar, piaster, dracht slagen; Cob verb. afranselen; Cob-loaf = rond brood; Cob-nut = kleine hazelnoot; Cob-wall = muur van leem en stroo; Cobweb = spinneweb, spinrag; adj. dun, fijn, waardeloos: To brush off the cobwebs = de blommetjes buiten zetten; To have cobwebs in one’s brain = muizenissen in zijn hoofd hebben; Cobby = kort en gedrongen.
Cobalt, koubolt, kobalt; Cobaltic, kobaltachtig.
Cobble, kob’l, subst. kiezelsteen, rond stuk kool; Cobble verb. lappen, samenflansen: The buttonholes had been cobbled out of their original shape = waren verknoeid; Cobbler = schoenlapper, knoeier; wijn met vruchten en ijs, die men door een rietje opzuigt: The cobbler must stick to (not go beyond) his last = schoenmaker, houd je bij je leest.
Cobham, kob’m.
Coble, kob’l, koub’l, soort van visschersschuit.
Cocaigne, kəkein, het land van Cocagne, luilekkerland.
Cochin-China, kotšin (koutšin)-tšainə.
Cochineal, kotšinîl, kotšinîl, cochenille.
Cochlean, kokliən, lepelvormig; Cochleate(d), kokli(e)it(id), spiraalvormig.
Cochrane, kokrein.
Cock, kok, subst. haan, mannetje, kemphaan (ook fig.), weerhaan, kraan; hooiopper; onrust; wijzer, tong, boot, aanvoerder, opperste; het hanengekraai, kerfje; Cock verb. overhalen, opheffen, opzetten, optoomen, schuin (zwierig) opzetten, wenken: By cock and pie = bij kris en kras; As the old cock crows, the young cock learns = zooals de ouden zongen, piepen de jongen; He lives like a fighting cock = leidt een weelderig leven; That cock won’t fight = die vlieger gaat niet op; Cock-a-doodle (-doo) = kikeriki; That man is Cock-a-hoop = zijn haan kraait victorie; The cock of the school = de “primus”; He is the cock of the walk = haantje de voorste, leider; A cock and bull (A cock-and-a-bull) story = onmogelijk verhaal; To cock the ears = spitsen; To cock the eye = wenken; To cock the eye at = boos aankijken; To cock the tail = hoog dragen; Cock-boat = kleine boot; Cock-brained = onbezonnen, dwaas; Cock-broth = hanensoep; Cock-chafer = meikever; Cock-crow(ing) = hanengekraai, dageraad; Cock-fight(ing) = hanengevecht; Cock-eyed = loensch; Cock-horse = hobbelpaard, stokpaardje; fier paard; trotsch, op hooge plaats, schrijlings: To ride a cock-horse to Banbury = paardje rijden; zich trotsch, aanmatigend gedragen; Cock-match = hanengevecht; Cockpit = hanenmat, plaats voor hanengevechten; Cockpit deck = ziekenboeg aan boord; Cockroach = kakkerlak; Cock-robin = roodborstje; Cock-rose = roode papaver; Cocks-comb = hanekam, ratelaar, hoofd, fat. Zie Coxcomb; Cock’s-head = spurrie; Cock-shut (Cocktime) = schemeravond; Cock-shy = spel, om met stokken (Cock-shy sticks) iets op een afstand om te gooien; Cock-spur = hanenspoor; Cock-sure, šuə, positief zeker; Cockswain, koks’n, stuurman in een giek; Cocktail = renpaard, dat geen volbloed is; paard met fier gedragen staart; poen: Champagne cocktail = champ. met enkele droppels Angostura bitter; Soda cocktail = selterswater met bitter etc.; Cock-tread = hanetree; Cocked hat = steek; driehoekig gevouwen briefje: To knock into a cocked hat = tot moes slaan; Cockerel (Cocklet, Cockling) = jonge haan; Cock-up = naar boven gekeerd; boven den regel uitstekend; scheeve hoed; Cocky = onbeschaamd, pedant, aanmatigend.
Cockade, kəkeid, kokarde.
Cockatoo, kokətû, kaketoe.
Cockatrice, kokətr(a)is, basiliskus.
Cockburn, koubɐ̂n.
Cocker, kokə, subst. fokker van kemphanen; hond voor de snippenjacht; Cocker verb. troetelen, liefkoozen: Cockered up too much; Cocker thy child and he shall make thee afraid = vertroetel; According to Cocker = volgens Bartjes.
Cocket, kokət, douanezegel, tolbewijs, douane (veroud.); adj. dartel, levendig, coquet: Cocketed up in fair gowns = uitgedost; Cocket-bread = tweede soort tarwebrood.
Cockieleekie, kokəlîki, kippesoep met look.
Cockle, kok’l, subst. mossel; bolderik, dolik; Cockle verb. rimpelen, samentrekken: That warms the cockles of my heart = doet me innig genoegen; Hot cockles = spel waarbij een geblinddoekte moet raden wie hem geslagen heeft; Cockle-hat = pelgrimshoed met een Cockle-shell = (mossel)schelp (als pelgrimsinsigne); notedop (= klein bootje); Cockle-stairs = wenteltrap; Cockler = mosselverkooper.
Cockney, kokni, subst. (geboren en getogen) Londenaar; verwende en verwijfde jongen; adj. wat een Cockney eigen is; Cockneydom; Cockneyfy = tot C. maken; adj. Cockneyish; Cockneyism = aard of uitdrukking van een C.
Cocoa, koukou, cacao; Cocoabutter; Cocoa-nib = zaadvliesje van de cacaoboon; Cocoa-nut = kokosnoot.
Cocoon, kəkûn, cocon; Cocoonery = inrichting voor de zijdewormteelt.
Coctile, kokt(a)il, gebakken; Coction, kokš’n, koking, bakken.
Cod, kod, subst. schil, schaal, buidel, zak; Cod verb. in eene schil besluiten.
Cod, kod, kabeljauw; Cod-liver-oil = levertraan; Codder = visschersschuit (voor Cods); Codling = jonge kabeljauw.
Coda, koudə, coda.
Coddle, kod’l, zacht koken; troetelen, vleien: Don’t coddle yourself = verwen je zelf niet.
Code, koud, wetboek, reglement: Code of morality = zedewet; Code-words = afgesproken of telegramwoorden: The telegram was put into the code-words = in dit schrift overgebracht; Codex = wetboek.
Codger, kodžə, oude vent, vrek.
Codicil, kodisil, aanhangsel van een testament; adj. Codicillary.
Codification, koudifikeiš’n, kodifikeiš’n, codificatie; Codify, koudifai, kodifai, codificeeren.
Codilla, kədilə, ruwe hennep of vlas.
Codille, kədîl, codille (in quadrille of omber).
Codlin(g), kodliŋ, Codlin, soort appelboom; Zie Cod.
Codrington, kodriŋt’n.
Coefficient, kouəfiš’nt, medewerkend; subst. coefficient.
Coemption, kouem(p)š’n, het opkoopen of koopen in het groot.
Coequal, kouîkw’l, subst. en adj. gelijk(e); Coequality, kouikwoliti, gelijkheid.
Coerce, kouɐ̂s, dwingen; Coercer; Coercion = dwang; Coercion-act = dwangwet.
Coessential, kouəsenš’l, van hetzelfde wezen.
Coetaneous, kouiteiniəs, even oud.
Coeternal, kouitɐ̂n’l, eeuwig bestaand met; subst. Coeternity.
Coeval, kouîv’l = Coetaneous.
Coexist, kouegzist, gelijktijdig bestaan; subst. Coexistence; adj. Coexistent.
Coffee, kofi, koffie: A cup of black coffee; To grind, make, roast, take coffee; Coffee-beans (= Coffee-nibs); Coffee-mill; Coffee-pot; Coffee-room = gelagkamer.
Coffer, kofə, subst. geldkist, kist, koffer, schat; gracht, galerij (vestingb.), sluis (in een kanaal); Coffer verb. in eene kist besluiten; Coffer-dam, kofədam, kistdam; Coffered.
Coffin, kofin, subst. doodkist, pasteikorst, peperhuisje, bovenste van een paardehoef, kar van een drukpers; Coffin verb. in eene kist besluiten, insluiten.
Cog, kog, subst. kam of tand (van een rad); kleine boot; Cog verb. paaien, door mooie praatjes bedriegen: His dice were cogged = zijne dobbelsteenen waren valsch (met lood aan ééne zijde bezwaard); Cog-wheel = tand- of kamrad.
Cogency, koudž’nsi, overtuigende kracht; Cogent, koudž’nt, krachtig, overtuigend.
Coggle, kog’l, kleine boot; Coggle-stone = afgeronde keisteen.
Cogitate, kodžiteit, denken, overpeinzen; subst. Cogitation; adj. Cogitative.
Cognac, ko(u)njak, cognac.
Cognate, kognit, subst. bloedverwant; adj. verwant (in Schotl. vooral van moederszijde), vermaagschapt, van denzelfden aard; Cognation = bloedverwantschap.
Cognition, kogniš’n, kennis (door eigen ondervinding of onderzoek opgedaan); adj. Cognitive.
Cognizable, ko(g)nizəb’l, kenbaar, vervolgbaar; Cognizance, ko(g)niz’ns, kennis(neming), kenmerk, insigne; competentie, (rechts)gebied: Out of the cognizance of the post; Cognizant, ko(g)niz’nt, kennis dragend of nemend van (of).
Cognomen, kognoum’n, familienaam, bijnaam; benaming.
Cognovit, kognouvit, schriftel. erkenning door den gedaagde, dat de eischer in zijn recht is.
Cogue, kog, nap, vaatje, emmer, slok.
Cohabit, kouhabit, (als man en vrouw) samenwonen; subst. Cohabitation.
Coheir(ess), kouêə(rəs), mede-erfgenaam.
Cohere, kouhîə, samenkleven, logisch samenhangen; subst. Coherence = Coherency; adj. Coherent; Coherer = cohaerer, fritter (Draadl. telegr.).
Cohesion, kouhîž’n, cohesie, samenhang, verband; adj. Cohesive; subst. Cohesionness.
Cohort, kouhöt, krijgsbende (oudtijds 500 à 600 man).
Coif, kôif, kwof, subst. kuif, kap, kapsel; Coif verb. met eene kap bedekken.
Coiffure, kwofûə, kapsel.
Coign(e) kôin. Zie Coin.
Coil, kôil, subst. kronkeling, bocht; vlecht: (False back coils), rumoer, verwarring, menigte; Coil verb. kronkelen.
Coin, kôin, subst. hoek, buitenhoek, wig, muntstempel (gestempelde munt); Coin verb. munten, smeden, bedenken, verzinnen: Current coin = gangbare munt: To be all over coin = een bom duiten hebben; He was paid in his own coin = met gelijke munt betaald; He is coining money = hij verdient geld als water; He coined new words = smeedde; Coinage, kôinidž, het munten van geld, muntstukken, het bedenken (van onware of valsche voorstellingen); Coiner = stempelaar, valsche munter, bedenker (van leugens, enz.).
Coincide, kouinsaid, samenvallen, overeenkomen; Coincidence = samenloop (v. omstand.).
Coir(e), kôiə, kaiə, kokosbast (touw).
Coition, kouiš’n, conjunctie; bijslaap.
Cojuror, koudžûrə, getuige van eens anders geloofwaardigheid of onschuld.
Coke, kouk, subst. coke(s); Coke verb. in coke(s) veranderen.
Coker-nut, koukənɐt = Cocoa-nut.
Colander, kɐl’ndə, vergiettest; Colander verb. doorzijgen.
Colchester, koultšəstə.
Cold, kould, adj. koud, huiverig, koel, zonder deelneming of opgewektheid, bedaard: subst. koude, verkoudheid: Cold comfort = schrale troost; It must be a cold day in August ere I ever try it again = het zal lang duren, vóór ik het weer beproef; To be down with a bad cold; To have (to catch) a cold; She always had the joint in cold the second day = als koudvleesch; To leave out in the cold = in de kou laten staan; negeeren; afschepen; Cold-blooded = koudbloedig, koelbloedig; Cold-cream = zalfje voor barsten; Cold-served = koud voorgediend; vervelend, saai; Cold-short = koudbroos, koudbreukig; He gave me the cold-shoulder = negeerde mij, zag mij met den nek aan; I am severely colded = zwaar verkouden; Coldish = wat koud; Coldness = koude, koelheid.
Coleoptera, kolioptərə, schildvleugelige insecten.
Cole, koul: Colemouse = Coal-mouse; Colerape, koolraap; Colerape-seed = koolzaad; Cole-wort = Cabbage.
Colic, kolik, subst. koliek, hevige buikpijn: Devonshire colic, Painter’s colic = loodvergiftiging; Colicky = koliek...
Colinderies, kəlindəriz, koloniale producten, enz.; eene tentoonstelling daarvan.
Coliseum, kolisîəm. Zie Colosseum.
Collaborate, kəlabəreit, samenwerken; Collaborator.
Collapse, kəlaps, subst. instorting, invalling, geheele mislukking; Collapse verb. invallen, instorten; Collapsible tubes = samendrukbare.
Collar, kolə, subst. kraag, boord(je), halsband, halsring; Collar verb. een halsband, enz. aandoen, bij den kraag pakken, de hand leggen op, wegnemen, stelen; eene rollade maken: Against the collar = met tegenzin; He slipped the collar = streek de halster (af), ging er vandoor; He is out of collar = buiten betrekking, heeft geen werk; A collar of brawn = eene rollade van varkensvleesch; The beef was collard = het vleesch werd tot den vorm eener rollade gemaakt; Collar-beam = dwarsbalk; Collar-bone = sleutelbeen; Collar-work = zwaar werk; Collared herring = rolmops; Collarette = dameskraagje.
Collate, kəleit, vergelijken (vooral van oude handschriften of boeken), ordenen of rangschikken, schenken, overdragen, met een kerkelijk “benefice” begiftigen; Collation, kəleiš’n, vergelijking; lichte maaltijd, begiftiging, geschenk; Collator, kəleitə, vergelijker, collator, schenker.
Collateral, kəlatər’l, subst. bloedverwant in de zijlinie, adj. zij aan zij, parallel loopend, indirect, zijdelingsch: Collateral security = bij- of nevenborg; subst. Collateralness.
Colleague, kolîg, subst. ambtgenoot; Colleague verb. (kolîg) zich vereenigen, samenspannen; Colleagueship.
Collect, kolekt, kort gebed, gebed voor een bepaalden tijd of dag; vijver, waterplas (Amer.).
Collect, kəlekt, vereenigen, verzamelen, incasseeren; afhalen; door waarneming of inlichting verkrijgen; gevolgtrekkingen maken: He collected himself = hij herkreeg zijne zelfbeheersching; He was not collected = bedaard, zichzelf meester; Collection = verzameling, incasseering (v. coupons), gevolgtrekking, buslichting; Collection bag (box) = kerkzakje; Collections = een soort tentamen (Oxf.); To make a collection = collecteeren; Collective = verzamelend, vereenigd, afleidend (uit): The collective body of a nation = Body Politic; Collector = verzamelaar, ontvanger (v. belastingen enz.); een der twee B.A.’s met de regeling der Dispuutcolleges belast (Oxf.); Collectorate, Collectorship = ontvangersdistrict of ontvangersbetrekking.
College, kolidž, college, seminarium, universiteit, leerinrichting; verkiezingslichaam (Amer.): College-pudding = pudding van nierenvet, brood, rozijnen en eieren.
Collegiate, kəlîdžiit, subst. lid van een college; adj. tot een college behoorende: Collegiate church = collegiale kerk, die door het kapittel en de kanunikken wordt bediend en geen bisschopszetel heeft.
Collet, kolət, halsband, ringkas.
Collide, kəlaid, tegen elkander stooten.
Collie, koli, Schotsche herdershond.
Collier, koljə, kolengraver, kolenhandelaar; kolenschip; Colliery = kolenmijn, kolenhandel.
Colligate, koligeit, verbinden; Colligation = samenhang.
Collision, kəliž’n, botsing, aanvaring; tegenstand.
Collocate, koləkeit, plaatsen, stationeeren; Collocation = bijeenplaatsing, regeling.
Collodion, kəloudj’n, collodium.
Colloid, kolôid, gelatineachtig, amorph; subst. gelatineachtige stof.
Collogue, kəloug, samenspannen (with).
Collop, koləp, stukje vleesch, lapje.
Colloquial, kəloukwiəl, tot de omgangstaal behoorende, alledaagsch, gemeenzaam: A colloquial command of the language = vertrouwdheid met de omgangstaal; Colloquial powers = onderhoudendheid; Colloquialism = alledaagsche uitdrukking; Colloquy, koləkwi, gesprek.
Collude, kəl(j)ûd, onder één hoedje spelen, samenspannen; Colluder; Collusion = geheime samenspanning.
Colluvies, kəl(j)ûviîz, etterhaard, vuil.
Collyrium, kəliriəm, oogzalf (-water).
Colman, koulm’n; Colnebrook, konbruk.
Colocynth, koləsinth, kolokwint.
Cologne, kəloun, Keulen: Cologne-water = Eau de Cologne.
Colon, koulən, kronkeldarm; dubbele punt; Colon, kəloun, kolən (plaatsn.).
Colonel, kɐ̂n’l, subst. kolonel; Colonel verb. (kolənel) = aanvoeren als kolonel; aanspreken met kolonel; Colonelcy; Colonelship.
Colonnade, koləneid, zuilenrij.
Colonial, kəlouniəl, koloniaal: The colonial Dutch (Dutch colonials) = Holl. kolonisten; Colonial-office = Min. v. Koloniën; Colonial-produce = koloniale waren; Colonist; Colonization; Colonize.
Colophon, koləfon, koləfoun, colophoon, einde, sluitsteen: From title to colophon = van ’t begin tot het einde.
Colophony, kəlofəni, koləfouni, colophonium (vioolhars).
Colorado(-beetle), kolərâdou(bît’l), colorado(-kever).
Colorate, kɐlərit, kolərit, gekleurd, geverfd, getint; Coloration; Colorature, kɐləritjə, koləritjə, koloratuur; Colorific, kɐlərifik, kolərifik, kleurgevend, kleur—.
Colossal, kəlos’l, Colossean, koləsîən, kolossaal, reusachtig.
Colosseum, koləsîəm, Colosseum.
Colossus, kəlosəs, colossus.
Colostrum, kəlostr’m, biestmelk.
Colour, kɐlə, subst. kleur, tint, verf, voorkomen, (valsche) schijn, soort, karakter; Colour verb. verven, kleuren, tinten, doorrooken, blozen, bedekken, bewimpelen, aanneembaar maken, overdrijven: A man of colour = kleurling; State colour = regimentsvaandel, waarmede alleen voor den koning wordt gesalueerd; Colours = kleuren; vlag, standaard, insigne: In colours = opgeschikt; That is off colour = niet de ware kleur; I am all off colour = flets, onlekker; de kluts kwijt; The off coloured son of an Indian Civilian; Under colour of = onder het voorwendsel van; To change, lose colour = van kleur verschieten, bleek worden; To nail the colours to the mast = ten teeken dat men zich niet wil overgeven; volhouden; To serve with the colours = als soldaat dienen; To colour a pipe = doorrooken; He coloured to the eyes = bloosde tot over de ooren; Colour-bearer = vaandeldrager; Colour-box = verfdoos; In the oil and colour line = in oliën en verfwaren; Colour-man = verfbereider, verfverkooper; Colour-sergeant = onderofficier-vaandeldrager; Coloured = gekleurd (niet wit), zwartbruin; Colouring = valsche schijn, kleur(sel); Colourless; Colourist.
Colportage, kolpötidž, ook Fr. uitspr. colportage; Colporte(u)r, kolpötɐ̂, kolpötɐ̂, colporteur.
Colquhoun, kəhûn.
Colstaff, kolstaf, draagstok voor watervat of last.
Colt, koult, subst. veulen (ook fig.): Colt’s foot = klein hoefblad (de bladeren worden wel gerookt tegen asthma); Colt’s-tooth = melktand; Colt verb. dartelen, springen (Amer.); afstraffen met een eind touw; Coltish = dartel.
Colter, koultə. Zie Coulter.
Colton, koult’n.
Coluber, koljubə = Colubrid(e), adder; Colubrine, koljubr(a)in, slangachtig, listig.
Columbarium, koləmbêriəm, columbarium.
Columbia, kəlɐmbjə.
Columbine, kol’mb(a)in, subst. akelei; Colombine; violette weerschijn; adj. met de kleur van een duivenhals.
Columbus, kəlɐmbəs.
Column, kol’m, zuil, pilaar, kolom, kolonne (troepen), rij: Column of companies = compagniescolonne; Column of route = marschcolonne; Columnar = zuilvormig, zuil - -.
Colure, kəljûə, kouljuə, (meest mv.) coluren (sterrek.), snijpunt.
Coma, koumə, slaapziekte, diepe slaap; nevelkring van een komeet; zaadpluisje.
Co-mate, koumeit, subst. kameraad.
Comatose, koumətous, koumətous, door slaap bevangen, slaapzuchtig.
Comb, koum, subst. kam, hekel, wolkam, hanekam, honigraat; Comb verb. kammen, hekelen, rollen en uiteenspatten (der golven): To cut a person’s comb = een toontje lager doen zingen; To comb some one’s head (hair) = iemand onder den duim houden; He combed his hair with his hands = streek met de hand door.
Combat, kombət, kɐmbət, subst. strijd, gevecht: Private, single combat = duel; Combat verb. strijden, worstelen, bestrijden; Combatable = bestrijdbaar; Combatant, subst. (ook: Combater) strijder; adj. strijdend, strijdlustig; Combative = strijdlustig; Combativeness = strijdlustigheid.
Combe, kûm, koum.
Comber, koumə, hij die kamt, wolkam(mer), lange omkrullende golf.
Combinable, kəmbainəb’l, vereenigbaar.
Combination, kombineiš’n, verbinding, vereeniging, komplot; Combinations = hemdbroek, = Combination-garment; Combination-laws = Eng. arbeidswetten van 1824; Combination-room = gezelschapszaal (aan de universiteit te Cambridge); Combinative, Combinative = verbindend, verbindings...
Combine, k’mbain, nauw verbinden, (zich) vereenigen, samenvoegen; subst. bond, kongsie.
Combings, koumiŋz, kamharen.
Combustibility, k’mbɐstibiliti, brandbaarheid; Combustible, k’mbɐstib’l, subst. brand(bare) stof; adj. verbrandbaar; driftig, opvliegend; Combustion, k’mbɐstj’n, verbranding: Spontaneous combustion = zelfverbranding.