Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 38
Dutiful, djûtiful, eerbiedig, gehoorzaam; subst. Dutifulness; Duty, djûti, plicht, gehoorzaamheid, dienst; belasting, accijnzen, in- en uitvoerrechten: When will he enter upon his duties = zijn ambt aanvaarden? You are in duty bound to go there = verplicht; (Up)on duty, off duty = in dienst (op wacht), vrij; Succession duty (duties) = successie-rechten; Duty-free = vrij van belasting.
Duumvir, djuɐmvə, duümvir (mv. Duumvirs of Duumviri, djuɐmvirai); Duumvirate = duümviraat.
Dux, dɐks, leider, primus (op school).
Dwarf, dwöf, subst. dwerg; Dwarf verb. den groei belemmeren, klein doen lijken, klein blijven: Famine has dwarfed the race = in forschheid achteruit doen gaan; Dwarf-wall = grondmuur.
Dwell, dwel, wonen, verblijven, (lang) stilstaan bij, hangen aan: I shall not dwell any longer on this subject = blijven stilstaan; Her eye dwelt on her child = rustte vol teederheid op; Dweller = bewoner; Dwelling = woning; Dwelling-house; Dwelling-place.
Dwindle, dwind’l, minder worden, achteruitgaan, inkrimpen, afnemen.
Dyak, daiak, Dajakker.
Dye, dai, subst. kleur, tint, verfstof; Dye verb. verven (van stoffen): A villain of a first-class dye = schurk van ’t ergste soort = of the blackest dye; Deeply dyed criminal = doortrapte; Dye-house = ververij; Dye-stuff = verfstof; Dye-wood = verfhout; Red dye-wood = fernambukhout; Dyer = stoffenverver.
Dying, daiiŋ, stervend, wegstervend, uitgaand, brandend van verlangen; subst. stervenden, sterven: To be in a dying condition = op sterven liggen; Dying-bed = sterfbed. Zie Die.
Dyke, daik = Dike.
Dynamic(al), d(a)inamik(’l), dynamisch; Dynamics, d(a)inamiks, dynamica.
Dynamitard, d(a)inəmitâd, anarchist van de daad (= Dy(n)amiter); Dynamite, d(a)inəmait, subst. dynamiet: Dynamite explosions = dynamietontploffingen.
Dynamo, d(a)inəmou, dynamo; Dynamometer, d(a)inəmomətə, dynamometer.
Dynasty, d(a)inəsti, dynastie; adj. Dynastic.
Dysart, daizət, dizât.
Dysenteric, dis’nterik, dysenterisch; Dysentery, dis’ntəri, dysenterie.
Dyspepsia, dispepšə, Dyspepsy, dispepsi, dispepsi, slechte spijsvertering; Dispeptic = dispeptisch.
Dyspnoea, dispnîə, moeilijke ademhaling.
E.
E, î, verkorting voor East (als E. N. E. = Oost Noord Oost); als telwoord = 250; Ea(ch); E. C. = Eastern Central (postdistrict in Londen) of: Established Church; Eccl(esiastes); Ed(itor); E. G. (Exempli gratia) = bij voorbeeld; Edin(burgh); E(ast) I(ndies); E(ast) I(ndia) Co(mpany); Eliz(abeth); Eng(lish); Epis(copal); Equiv(alent); Et Seq(uentia) = en de volgenden; Etym(ology); Ex(ample); E. &. O. E. = Errors and Omissions excepted; Esq. Esqre (Esquire) = WelEdelgeb. Heer; Etc. (Etcaetera) = enzoovoort; Excy (Excellency) = Excellentie; E sharp = Eis (muziek); E flat = Es (muziek).
Each, îtš, subst. en adj. elk: Each other = elkander.
Eager, îgə, vurig, ongeduldig, gretig, begeerig, scherp; subst. Eagerness.
Eagle, îg’l, arend, adelaar, gouden munt van 10 dollars (Amer.), zeker sterrenbeeld, veldteeken (Rom.), zekere lezenaar; Eagle-eyed (= Eagle-sighted) = met arendsoogen; Eagle-flighted = met eene arendsvlucht; Eagle-pinioned = met arendsvlerken = Eagle-winged; Eaglet = jonge arend.
Eagre, îgə, eigə, springvloed.
Ear, îə, oor, gehoorzin, oplettendheid; aar; Ear verb. aren vormen: No ear for music = geen muzikaal gehoor; I am all ear, all ears = geheel gehoor; I would not say anything against him in the public ear = in het openbaar; He is up to the ears (= over head and ear) in debt = tot over de ooren; He has a flea in his ear = is niet op zijn gemak; To send one off with a flea in his ear = kort en scherp afwijzen; To be together by the ears = elkaar in ’t haar zitten; To come (go, fall) together by the ears = elkaar in ’t haar vliegen; The room fell in about our ears = viel boven ons hoofd in; It goes in at one ear and comes out at the other = het ééne oor in, het andere weer uit; They knocked the idols of their youth about their ears = verachtten hen; We have set them by the ears = tegen elkander opgezet, opgehitst; This set the critics by the ears = deed ... opvliegen; He has bitten this man’s ear = hem beleedigd, geërgerd; They eat their ears off = ergeren zich dood; Lend me your ears = verleen mij gehoor, luister naar mij; More is meant than meets the ear = daar zit meer achter; To turn a deaf (favourable) ear to = doof zijn voor (een gunstig oor leenen aan); Ear-ache, îreik, oorpijn; Ear-bob = oorknopje; Ear-cap = oorklep (tegen de koude); Ear-cockle = ziekte in de tarwe; Ear-deafening = oorverdoovend; Ear-drop(per) = oorknopje; Ear-drum = trommelvlies; Earlap = oorlel; Ear-mark = merk: Ear-mark verb. schapen merken; Ear-pick(er) = oorlepeltje; Ear-piercing = oorverscheurend; Ear-shot = gehoorsafstand: The man was within ear-shot = de man kon ons hooren; Ear-trumpet = spreekhoren; Ear-wax = oorvuil, oorsmeer; Earwig, subst. oorworm; oorblazer, verklikker; Earwig verb. gehoor verkrijgen door lasterlijk gepraat over anderen; Eared = met ooren of aren; Earing = het aren vormen; steekbout (zeeterm).
Earl, ɐ̂l, graaf; Earl-marshal = opperceremoniemeester; hoofd van het Court of Chivalry, erfelijk in het geslacht van de hertogen van Norfolk; Earldom = rang of waardigheid v. een earl.
Early, ɐ̂li, vroeg, vroegtijdig, eerste, bijtijds, vroeg opstaand: It’s early days = wel wat spoedig; Early English = het Engelsch tusschen 1250–1350; An early party = eene partij, waarbij de gasten niet laat blijven; Early times = vóórhistorische tijd; Early in May = in ’t begin v. Mei; As early as May = reeds in Mei; Early to bed and early to rise, makes a man healthy and wealthy and wise = de morgenstond heeft goud in den mond = The early bird catches the worm; Easter fell early that year = het was een vroege Paschen.
Earn, ɐ̂n, verdienen, verkrijgen: To earn a living = den kost verdienen; Earnings = verdiensten.
Earnest, ɐ̂nist, adj. ernstig, vurig, ijverig, dringend; subst. ernst, vooruitzicht op, pand, onderpand, handgeld: I am in (good) earnest = ik meen het; This is an earnest of further honours = wekt gegronde verwachtingen op; I shall be earnest to know how the matter proceeds = ik verlang vurig om te weten; Earnest-money = geld als borg voor de geldigheid van een gesloten koop, handgeld, godspenning; Earnestness = ernst, vuur, ijver, enz.
Earth, ɐ̂th, subst. aarde, grond, de wereld, vossehol; Earth verb. in den grond stoppen, met aarde bedekken, in den grond kruipen: He made his millions right up from the bare earth = na met niets begonnen te zijn; How on Earth could you do it = hoe ter wereld; Earth-bag = zandzak; Earth-board = ploegzool (die de aarde omwerkt); Earth-bob = pier; Earth-born = aardsch, laaggeboren; Earth-bound = in de aarde bevestigd; Earth-bred, (Earth-fed) = laag, verachtelijk; Earth-created = uit stof geschapen; Earth-drake = monster, draak; Earth-flax = amant (soort asbest); Earth-hunger = begeerte naar grond- of landbezit; Earth-light = van de aarde op de maan teruggekaatst licht (= Earth-shine); Earth-nut = aardkastanje, aardaker; Earthquake = aardbeving: Blind force and violence played earthquake(s) with peace and order = vernietigden; Earth-work = aardwerk (Mil.); Earth-worm = aardworm; Earthen = aarden; Earthenware = aardewerk, potten en pannen; Earthling = aardbewoner, sterveling; wereldling; Earthly = aardsch, stoffelijk; mogelijk, begrijpelijk; Earthly-minded = aardschgezind; subst. Earthly-mindedness; Earthy, aardsch, aard—, ruw: They are of the earthy = door en door aardschgezind, wereldsch; An earthy savour = grondlucht.
Ease, îz, subst. gemak, kalmte, rust, ongedwongenheid; Ease verb. geruststellen, verlichten, van pijn verlossen, loslaten: At ease = op zijn gemak, zonder pijn; Chapel of Ease = hulpkerk; A lady of ease = in goeden doen; To set a person at his ease = iemand op zijn gemak zetten; Stand at ease = op de plaats, rust! To take one’s ease = het zich gemakkelijk maken; He eased my mind = stelde mij gerust: To ease a screw = losser draaien; To ease the screw = de schroef helpen door zeilen bij te zetten; To ease a ship = wat afhouden om het stampen te voorkomen; He was eased of his pain = verlost; The rope was eased away (off) = het touw werd langzaam gevierd; The cyclists eased up = reden langzamer (om stil te houden); Easeful = kalm, vreedzaam; Easeless = ongemakkelijk; Easement = verlichting, verzachting; recht van overgang (bijv. over eens anders land).
Easel, îz’l, schildersezel; Easel-picture = klein schilderijtje, paneeltje.
Easiness, îzinəs, kalmte, gemakkelijkheid, lichtzinnigheid, welwillendheid: Easiness of belief = lichtgeloovigheid; Easiness of mind = gemoedsrust.
East, îst, subst. Oosten; adj. oost, oostelijk: The East = het Oosten, het morgenland; de Levant; East of North = N.-Oostelijk; Bounded to the East by France = ten oosten door F. begrensd; East-end = oostzijde; armenbuurt in Londen; East-ender = bewoner van die buurt; East-India = Oost Indië (The East-Indies); East-Indiaman = Oostindievaarder; East-Indian = Oost Indisch; Oost Indiër; Easterling = Oosterling, handelaar v. de Oostzeekusten; goudstuk (door Richard I in het Oosten geslagen), soort v. zwemvogel; Easterly = oostelijk; Eastern, adj. en adv. Oostersch, Oostelijk, naar het Oosten: Eastern Empire = Oostersch Rom. Rijk; Brit. Ind.; Eastern question = Oostersche; Easting = oosterende wind; Easterner = bewoner der oostelijke staten (Amer.); Eastward = oostelijk, oostwaarts(ch).
Easter, îstə, Paschen: Easter-eggs = Paascheieren; Easter-holidays = Paaschvacantie; Easter Monday = 2de Paaschdag; Easter Sunday.
Easy, îzi, gemakkelijk, ongedwongen, vrij van zorgen, pijn, etc., gerust, welgesteld, ondoordacht, licht te bepraten: Easy come, easy go = zoo gewonnen, zoo geronnen; Easy of digestion = licht verteerbaar; Easy with it = kalmpjes aan! He is in easy circumstances = hij is in goeden doen; I fell into easy chat with him = begon een gezellig praatje met hem; You may make yourself easy on that = daarop kunt gij gerust zijn; Stand easy! = op de plaats rust; To take it easy = rust; To easy = zachter voortbewegen; Easy-chair = gemakstoel; He is an Easy-going man = hij neemt de dingen gemakkelijk op = takes things easy.
Eat, ît, eten, opeten, smaken, wegvreten: These peas eat very well = smaken lekker; To eat dirt = zoete broodjes bakken; To eat one’s terms = de jurid. colleges loopen en de 3 verplichte gezamenlijke diners bijwonen aan een der Inns of Court; To eat one’s words = zijne woorden terugnemen; To eat into = uitbijten; They have eaten far into the pudding = een heel gat gegeten in; I’ll eat my head off, if it isn’t true = mag sterven; The horses are eating their heads off in the stables = zijn doodeters, voeren niets uit; To eat one’s heart out = zich ‘opvreten’ van verveling of verdriet; A sense of his wrongs had eaten him up = verteerd; Eatable = eetbaar: Eatables and drinkables = eet- en drinkwaren; Eater: A great, a poor eater = een groote, kleine eter; Eating: Eating-house = ordinaris.
Eatanswill, ît’nzwil, opgeblazen (als de inwoners van E. in The Pickwick Papers).
Eau de Cologne, oudəkəloun, Eau de Cologne.
Eaves, îvz, vooruitspringende beneden dakrand: Eavesdrop, subst. het v. den dakrand druppelend water; Eaves verb. afluisteren, den luistervink spelen; Eavesdropper = luistervink.
Ebb, eb, subst. ebbe, verval; Ebb verb. ebben, achteruitgaan, in verval geraken: Ebb and flow, Ebb and tide = eb en vloed; To be at an ebb = at a low ebb = aan lager wal, gedrukt; To ebb away = afnemen; Ebb-tide = eb.
Ebenezer, ebənîzə, kerk, vereenigingslokaal voor Dissenters.
Eblis, eblis, duivel der Mahomedanen: Hall of Eblis = hel.
Ebon, eb’n, van ebbenhout, donker, zwart; Ebonize = ebbenhoutkleurig maken; Ebony = ebbenhout: A bit of ebony = neger; Dealer in ebony = slavenhandelaar.
Ebullience, Ebulliency, ibɐlj’ns(i), subst. overkoken, overstroomen; adj. Ebullient; Ebullition, ebəliš’n, het koken, (op)borrelen, uitstorting.
Eburnean, îbɐ̂nj’n, adj. ivoren.
Ecce Homo, eksihoumou, voorstelling van Christus met de doornenkroon.
Eccentric(al), eksentrik(’l), excentrisch, excentriek, zonderling; subst. excentriek; Eccentric-rod = excentriekstang; Eccentricity = excentriciteit, zonderlingheid.
Ecclefechan, ekləfek’n.
Ecclesiastes, eklîziastîz, de Prediker (O. Test.); Ecclesiastic, eklîziastik, subst. geestelijke; adj. geestelijk, kerkelijk = Ecclesiastical: The Ecclesiastical States = de Kerkelijke Staat.
Echinate(d), ekəneit(id), əkaineit(id), stekelig; Echinus, ikainəs, zeeëgel; egelskop (plant); eivormig ornament.
Echo, ekou, subst. echo; Echo verb. weerklinken, weergalmen, terugkaatsen, herhalen: The speech was cheered to the echo = uitbundig toegejuicht; I echoed his sentiment = deelde zijn gevoelen; Echoism = onomatopee; Echometer, ekomətə, klankmeter.
Eclectic, eklektik, eclectisch, schiftend, uitkiezend; subst. eclecticus; Eclecticism, eklektisizm = eclecticisme.
Eclipse, iklips, subst. eclips, verduistering; Eclipse verb. verduisteren; Ecliptic, ikliptik, subst. ecliptica; adj. tot den zonneweg behoorende.
Eclogue, eklog, herdersdicht.
Economic, îkənomik, ekənomik, economisch; huishoudelijk, spaarzaam; Economics, îkənomiks, ekənomiks, (staat)huishoudkunde; Economical = spaarzaam; Economist = spaarzaam gebruiker: Political Economic = economist; Economize = spaarzaam zijn, sparen; Economy = economie (= Political Economy) = besparing, zuinigheid, (Goddelijke) inrichting, stelsel, bouw; orde v. zaken, regeling.
Ecorché, eiköšei, spierfiguur ter bestudeering (voor kunstenaars).
Ecstasy, ekstəsi, extase, opgetogenheid, geestverrukking of vervoering; ziekelijke overprikkeling; flauwte; Ecstatic(al), ekstatik(’l), verrukt, onbeschrijfelijk genotvol, verrukkelijk.
Ectype, ektaip, copie, afgietsel.
Ecuador, ekwədö, əkwâdö.
Ecumenic(al), îkjumenik(’l), algemeen.
Eczema, eksîmə, eczeem; adj. Eczematous, əksemətɐs.
Edacious, ideišəs, gulzig, vraatzuchtig; Edacity, idasiti, vraatzucht, gulzigheid.
Eddish, ediš, etgroen, nagras, stoppelveld.
Eddy, edi, draaikolk, dwarrelwind; Eddy verb. dwarrelen, draaien; Eddy-water = zog, kielwater; Eddy-wind = wervelwind.
Eddystone, edist’n.
Eden, îd’n, Eden, Paradijs.
Edentate(d), identeit(id), zonder snijtanden.
Edgar, edgə.
Edge, edž, subst. rand, kant, scherpe kant, snede, zoom, hevigheid, scherpheid; Edge verb. scherpen, afranden, afsteken, begrenzen, omzoomen, zich zijdelings voortbewegen, scherp bij den wind houden: To edge one’s way through a crowd = zich een weg banen; It sets my teeth on edge = het doet mij griezelen; It has taken away (off) the edge of hunger = het heeft den eersten honger gestild; To turn up the edges of one’s trousers = de broekspijpen omslaan; To edge away from the coast = zich van de kust langzaam verwijderen; We edged in with the coast = langzamerhand naderden wij de kust; He edged me on = zette mij aan; Edge-rail = rechtopstaande spoorstaaf (niet liggende, zooals bij trams); Edge-tool = snijdend of scherp werktuig; He plays with edge-tools = speelt met vuur; Edgeways, Edgewise = met den scherpen kant vooruit: I couldn’t get in a word edgeways = er geen woord tusschen krijgen.
Edgecombe, edžk’m.
Edging, edžiŋ, boordsel, franje, rand.
Edible, edib’l, eetbaar; subst. Edibleness.
Edict, îdikt, edict, verordening.
Edification, edifikeiš’n, stichting, opbouwing; Edificatory = stichtend; Edifice, edifis, gebouw; Edify, edifai, stichten, opbouwen: An edificeing sermon = stichtelijke preek.
Edile, îdail, aedilis.
Edinburgh, edinbɐrə.
Edison, edis’n.
Edit, edit, uitgeven (d.w.z. voor de pers gereed maken), redigeeren: Dickens’ Letters edited by his daughter, and published by L.; Edition, idiš’n, uitgave, druk; Editor = uitgever, redacteur; Editorial, editôriə’l, redactioneel; subst. hoofdartikel: Editorial management = redactie; Editorial staff = redactie (personeel); Editorship = redacteurschap; Editress = redactrice.
Edith, îdith.
Edomite, îdəmait.
Educate, edjukeit, opvoeden, onderrichten; Education, edjukeiš’n, opvoeding, onderwijs: Board of Education = Raad van Onderwijs; Educational = opvoedings..., paedagogisch: Educational institutions = opvoedingsgestichten, opvoedingsinrichtingen; Educationist = voorstander van onderwijs; ervaren paedagoog; Educator = opvoeder.
Educe, idjûs, afleiden, trekken uit; Educible = afleidbaar.
Educt, îdɐkt, wat zich afscheidt of heeft afgescheiden (chem.); conclusie: The educts of an analysis; Eduction pipe, valve = afvoerbuis; klep voor afgewerkten stoom.
Edulcorate, idɐlkəreit, verzachten, zoeter maken, zuiveren; subst. Edulcoration.
Edward, edwəd, Eduard; Edwin, edwin.
Eel, îl, aal, paling: Eel-buck, (Eel-pot) = aalkorf (om ze te vangen); Eel-fare = broedsel palingen; Eel-pout = aalpuit; Eel-spear = aalgeer, elger.
E’en, în, verkorting van Even, Evening.
E’er, êə, verkorting van Ever.
Eerie, Eery, îri, angstwekkend, huiveringwekkend, geheimzinnig; Eeriness = angst, vooral voor iets bovennatuurlijks.
Efface, efeis, uitwisschen, uitkrabben, in de schaduw stellen; Effaceable = uitwischbaar, enz.; Effacement = uitwissching, enz.
Effect, efekt, subst. effect, indruk, uitvoering, uitwerking, gevolg (Effects = effecten, waarden, bezittingen); Effect verb. uitwerken, teweegbrengen, tot stand brengen, effectueeren: For effect = om den schijn, om den indruk te verhoogen; In effect = werkelijk, inderdaad; Of no(ne) effect = van geene kracht; To no effect, Without effect = vergeefs; His words were to this effect = kwamen hier op neer; He gave effect to this resolution = voerde uit; The cannon took effect = miste zijne uitwerking niet; To carry into effect = ten uitvoer brengen; They effected their escape = bewerkstelligden; Effective = werkzaam, krachtig, werkelijk voorhanden, effectief; ook subst.: An army with an effective of 80.000 men in time of peace = met een effectief; subst. Effectiveness; Effectual = bindend, dringend, krachtig: The blow Effectually pitched him into the water = deed hem pardoes... vallen; Effectuate = bewerkstelligen; subst. Effectuation.
Effeminacy, efeminəsi, verwijfdheid, verweekelijking; Effeminate, efeminit, subst. en adj. verwijfd (persoon); Effeminate verb. (efemineit) verwijfd maken, verweekelijken.
Effendi, əfendi, hooge titel (Turk.).
Effervesce, efəves, opborrelen, zingen (vóór het koken), opbruisen of uitbarsten; subst. Effervescence, Effervescency; Effervescent = opbruisend: Effervescent powder = bruispoeder.
Effete, efît, afgeleefd, versleten.
Efficacious, efikeišəs, werkzaam, krachtig; subst. Efficaciousness = Efficacy, efikəsi, kracht, invloed.
Efficiency, efiš’nsi, werking, kracht, capaciteit; Efficient, efiš’nt, werkzaam, krachtig, afgeëxerceerd; subst, werkende oorzaak; afgeëxerceerd soldaat.
Effigies, efidžîz. Zie Effigy.
Effigy, efidži, beeld, beeltenis, beeldenaar (op eene munt): He was hanged in effigy = in effigie (beeltenis) gehangen.
Effloresce, efləres, uitbotten, zich ontplooien, bloeien, met een korst van witte kristallen bedekt worden; Efflorescence = bloei, het uitbotten, huiduitslag, vorming van kristallen; adj. Efflorescent = bloeiend.
Effluence, efluens, uitvloeisel; Effluent.
Effluvium, eflûvj’m, uitwaseming, uitdamping.
Efflux, eflɐks, uitvloeiing = Effluxion.
Effort, efət, eföt, poging, krachtsinspanning, worsteling, effectbejag: That is an effort to me = kost mij inspanning; Effortless = werkeloos, zonder inspanning.
Effrontery, efrɐnt’ri, onbeschaamdheid.
Effulge, efɐldž, uitstralen; Effulgence = glans; Effulgent = stralend, glanzend.
Effuse, efjûz, uitgieten, storten, uitstroomen; adj. efjûs; Effusion = uitstorting, ontboezeming; adj. Effusive, efjûsiv, verspreid, rijkelijk, demonstratief, overdreven: Polly kissed me effusely = onstuimig.
Eft, eft, watersalamander.
Eftsoon(s), eftsûn(z), in korten tijd, spoedig daarna, opnieuw, dadelijk.
Egad, əgad, goede hemel! Duivekaters!
Egbert, egbət; Egerton, edžət’n; Egeus, idžîəs.
Egg, eg, subst. ei: As sure as eggs is (are) eggs = zoo zeker als wat; To beat up an egg = klutsen; To count one’s eggs = zien wat men heeft; To put all one’s eggs into one basket = alles op ééne kaart zetten; Egg-boiler = eierkoker; Egg-cup = eierdopje; Egg-flip = warm bier met suiker etc., en daarin geklutste eieren; Egg-glass = kleine zandlooper; Egg-nog(g) = advocaat; Egg-plant = eierplant; Egg-shell = eierschaal; Egg-slice = pannekoeksmes; Egg-whipper = Egg-whisk = eierklopper; Eggery = nest met eieren; eierbergplaats, eierrekje; Eggler = eierenhandelaar; eierenverzamelaar.
Egg, eg, aanzetten tot, aanhitsen en opstoken.
Eginhard, edžinhâd.
Egis, îdžis, aegis (schild van Jupiter).
Eglantine, egl’nt(a)in, egelantier, hondsroos.
Ego, egou, îgou, ego; Egoism = egoisme; Egoist = egoist; Egoistic(al) = egoistisch; Egotism = het te veelvuldig gebruik van “ik”; zelfgenoegzaamheid; zelfzucht; Egotist = persoon, die zich aan Egotism schuldig maakt; adj. Egotistic(al); Egotize = te veel over zichzelf praten of schrijven.
Egregious, igrîdžəs, uitstekend, buitengewoon: Egregious folly = kolossale dwaasheid.
Egress, îgres, subst. uitgang, heengaan.
Egret, egrət, îgrət, kleine witte reiger; reigerveer als versiering; zaadpluimpje; Egrette, igret, pluim, bos, lintversiersel.
Egria, îgriə, Eger.
Egypt, îdžipt, Egypte; Egyptian, idžipš’n, subst. Egyptenaar; Zigeuner; groot formaat teekenpapier; adj. Egyptisch, Zigeuner—: Egyptian type = egyptienne, bijzondere soort van dikke drukletter; Egyptologist = Egyptoloog; Egyptology, îdžiptolədži, kennis van Egyptische antiquiteiten, enz.
Eh, ei, ə, He? Wat?
Eidam, aid’m, Edammer kaas.
Eider, aidə: Eiderdown = eiderdons, kussen gevuld met eiderdons; Eider-duck.
Eidolon, aidoulən, schim, verschijning.
Eigh, ei, Hé! Och!
Eight, eit, acht: An eight-day clock = die acht dagen loopt; Eighteen = achttien; Eighteenmo, eitînmou, boekvorm, verkregen door het in 18 bladen (of 36 bladzijden) vouwen van een vel (verkort 18mo); Eighteenth = achttiende; Eightfold = achtvoudig; Eighth = achtste; Eightieth, eitiəth, tachtigste; Eight-score = 160; Eighty = tachtig.
Eikon, aikoun, beeltenis, heiligenbeeld.
Eirie, îri = Eerie.
Eisteddfod, aistedhwoud, oorspronkelijk eene vergadering van Keltische zangers tot het ontvangen van prijzen voor hunne werken; thans een jaarlijksche bijeenkomst ter bevordering van Keltische taal en letterkunde.
Either, aidhə, îdhə, een van beiden (onverschillig welke), beide: In either case = in het eene of andere geval.
Ejaculate, idžakjuleit, uitbrengen, uitstooten, uitwerpen; Ejaculation = uitroep; ook = Ejaculatory prayer = schietgebedje.
Eject, idžekt, uitwerpen, uitspuiten, loozen, uitzetten, verdrijven, verbannen, afzetten; subst. Ejection; Ejectment = uitstooting, uitzetting, verdrijving; Ejector = verdrijver, veer of inrichting waarmee patroonhulzen, asch, etc. worden uitgeworpen.
Eke, îk, toevoegen, verlengen, aanvullen, vermeerderen; adv. ook: The meat was eked out by potatoes and apple-sauce = werd aangevuld door; The lion’s skin was eked (out) with the fox’s = moed en list gingen samen; Parish Eke-names = bij(scheld)namen (Vergel. Silly Sutton, Sleepy Ingham, etc.).
Elaborate, ilabərit, adj. doorwrocht, uitgewerkt, uitvoerig, uitgebreid; Elaborate verb. (ilabəreit) nauwkeurig bewerken, met moeite voortbrengen: To elaborate an idea = uitwerken; Elaborateness = zorgvuldige en uitvoerige bewerking; Elaboration = uitwerking, bewerking; Elaborative faculty = onderscheidingsvermogen.
Elaine, ilein.
Eland, îl’nd, eland.
Elapse, ilaps, verstrijken, verloopen.
Elastic (= Elastical), ilastik, elastiek, veerkrachtig: An elastic = A piece of elastic = een elastiekje; Elastics = kousebanden; Elastic-sided boots = bottines met elastiek; Elastic stockings; Elastic tissue = veerkrachtig weefsel; Elasticity, îləstisiti, elasticiteit.
Elate, ileit, adj. opgewonden, blijde, opgeblazen; Elate verb. verheffen (van geest of ziel), opwinden, opgetogen maken, opgeblazen maken; Elater = springkever, springtor; Elation = opgetogenheid, enz.