Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)

Part 129

Chapter 1293,137 wordsPublic domain

Suspiration, sɐsp(a)ireiš’n, diepe ademhaling; Suspire = diep ademhalen.

Susquehanna, sɐskwəhanə; Sussex, sɐsəks.

Sustain, səstein, dragen, ondersteunen, schragen, volhouden, handhaven, lijden, dragen, helpen, bijstaan, onderhouden, verdedigen, beweren, aanhouden, verdragen: To sustain authority = het gezag hoog houden; To sustain a loss = lijden; To sustain one’s part = zijn rol volhouden; This admirable spirit is sustained throughout the work = wordt het geheele werk door volgehouden; Sustainable = wat volgehouden, enz. kan worden; Sustainer; Sustainment = ondersteuning, etc. Sustenance, sɐstən’ns, onderhoud, levensmiddelen; Sustentation, sɐst’nteiš’n, steun, onderhoud: Sustentation fund = fonds ter verbetering van de traktementen der bedienaren van den godsdienst (vooral in de Free Church of Scotland).

Susurrant, siusɐr’nt, fluisterend, zacht ruischend; Susurration, siûsəreiš’n, gefluister, geritsel; Susurrus, siusɐrəs, geruisch, gefluister.

Sutherland, sɐdhəland.

Sutler, sɐtlə, zoetelaar; Sutlership; Sut(t)ling, sɐtliŋ: Sut(t)ling-wench = marketentster, zoetelaarster.

Suttee, sətî, verbranding der weduwe met haren overleden echtgenoot, weduwe die met haar overleden echtgenoot verbrand wordt; Sutteeism = vrijwillige vuurdood der weduwe.

Suttle, sɐt’l: Suttle weight = netto gewicht.

Sutural, siutjûr’l, naad..; Suture, siûtjuə, het naaien, zoom, naad.

Suzerain(e), siûzərən, subst. leenheer, opperheer; adj. heerschend, machtig; Suzerainty.

Swab, swob, subst. zwabber, wisscher; zuiplap; Swab verb. dweilen, zwabberen, afwisschen: You drunken swab = jij drankorgel; He swabbed the perspiration from his face = veegde zich het zweet af; Swabber = zwabber (scheepst.).

Swabia, sweibjə, Zwaben; Swabian = Zwaab(sch).

Swad, swod, kort en dik persoon; pummel; klomp, massa (Amer.).

Swaddle, swod’l, zwachtelen, inbakeren; Swaddler = scheldnaam aan Methodisten gegeven; Swaddling: Swaddling-bands = Swaddling-clothes = Swaddling-clouts = luren, pak (waarin een klein kind gewikkeld wordt).

Swag, swag, subst. ongelijke of hortende beweging, doorzakking, gestolen goed, buit; ransel (Austral.); Swag verb. los en zwaar hangen, heen en weer slingeren; Swag-belly = iemand met een hangbuik; swagman = reizend gezel; houder van een Swagshop = uitdragerij; Swagsman = heler.

Swagger, swagə, subst. gebluf, ijdel snoeven, zwaaiende gang, rottinkje der Engelsche militairen (= Swagger-cane); Swagger verb. snoeven, met gemaakte gewichtigheid rondstappen, schetteren: Swagger houses = huizen der “groote lui”; Swaggerer = bluffer, grootspreker, tiran.

Swain, swein, jonge man, boerenknecht, (landelijk) minnaar.

Swale, sweil, laag gelegen land (Amer.).

Swallow, swolou, subst. zwaluw; keel, afgrond, vraatzucht, groote hap of slok; Swallow verb. verzwelgen, doorslikken, opslorpen, verteren, slikken (ook fig.): At one swallow = in één slok, hap; I won’t swallow such insults = zulke beleedigingen slik ik niet; He swallowed all this nonsense like gospel-truth = slikte; The poor fellow was swallowed by the waves = werd verzwolgen; Swallow-fish = groote zeehaan; Swallow-tail = zwaluwstaart, rok, wimpel, vooruitgeschoven bastion; Swallow-tailed = met een zaluwstaart, gevorkt, met smal uitloopende slippen (als een rok): Swallow-tailed butterfly = koninginnepage; Swallower = verzwelger, gulzigaard.

Swam, swam, imperf. van to swim.

Swamp, swomp, subst. moerassig of drassig land; Swamp verb. in een moeras zinken, vol water loopen (van eene boot), doen zinken, overstroomen, overtreffen, het overwicht hebben, ruïneeren; in onoverkomelijke moeilijkheden geraken, ondergaan: The Chinaman swamps the labour-market of America = overstroomt; We got swamped = wij kwamen er leelijk in te zitten, waren geruïneerd; Swamp-fever = moeraskoorts; Swamp-hickory = Noord-Amerik. hickory-noot; Swamp-honey-suckle = kleverige azalea; Swampy = moerassig, drassig.

Swan, swon, zwaan: A black swan = een witte raaf (fig.); Swan-down, Swan’s down = zwanendons; Swanherd = hoeder; Swan-hopping (Swan-upping) = het merken van zwanen; Swan-shot = ganzenhagel; Swanskin = soort van gekeperd flanel, zwanevel; Swan-song = zwanenzang; Swanwort = soort van orchidee.

Swang, swaŋ, laag gelegen grasland.

Swank, swaŋk, bluf, opsnijderij.

Swansea, swonsî.

Swap, swop, subst. slag; ruil; Swap verb. neerploffen; ruilen, wisselen: I had a swap with him = ruilde; We fell to swapping notes about customs in Germany = onze bevindingen uit te wisselen (te vergelijken); We smoked a final pipe, and swapped a final yarn = vertelden nog een laatst verhaal; To get swapped = de bons krijgen.

Swape, sweip, lang roer (bij een vlot); zwengel eener pomp; Swape-well = pomp.

Sward, swöd, grasveld; huid, bast; Sward-cutter = ploeg (voor grasvelden), grasschaar.

Sware, swêə, imperf. van to swear (dichterl.).

Swarm, swöm, subst. zwerm, dichte menigte; Swarm verb. zwermen (van bijen), krioelen, wemelen, zich verdringen; in een boom of mast klimmen (gew. met up): Swarming time (van bijen).

Swarry, swori, verbastering van soirée.

Swart(h), swöt(h), zwart, donker; Swarth(i)ness, subst. v. Swarthy = getaand, bruin.

Swash, swoš, subst. gepoch, gezwets, het “geuren” of bluffen; watergeklots of -gekabbel; adj. dronken; overrijp, murw; ovaal; Swash verb. klotsen, kabbelen; bluffen, zwetsen; Swash-buckler = schetteraar, bluffer, vechtersbaas = Swasher; Swashing = bluffend, zwaar neerploffend, verpletterend; Swashy = papperig.

Swath, swôth, zwad, rij gemaaid en bijeengelegd gras of koren, wat eene zeis of maaimachine bereikt: To cut a swath = gewichtig doen.

Swathe, sweidh, subst. zwachtel; Swathe verb. zwachtelen, bakeren; Swathing-clothes = luren, pak (zie Swaddle).

Sway, swei, subst. zwaai of slag, overwicht, overmacht, heerschappij, invloed, het doorslaan (van den balans); Sway verb. zwaaien, slingeren, hanteeren, overhellen, neerdrukken, richten, (be)heerschen, invloed oefenen: He was swayed by my advice = liet zich leiden; Sway on = vooruit maar; Swayed (in the back) = lendenlam (van paarden).

Sweal, swîl, afloopen (van een kaars), walmen, schroeien van een dood varken.

Swear, swêə, subst. eed, vloek; Swear verb. zweren, vloeken, bezweren, beëedigen, onder eede bevestigen: The jury was sworn = werd beëedigd; To swear an oath = een eed doen; To swear the peace against a person = iemand bij den vrederechter aanklagen wegens bedreiging; To swear false = een meineed doen; He swore by all that is holy = (be)zwoer bij al wat heilig is; I swear by you for the best of friends = ik vertrouw u; The new mayor was sworn in = werd beëedigd; I swear off lying = ik beloof plechtig niet meer te zullen liegen; They were sworn to silence = moesten onder eede beloven te zullen zwijgen; Swearer = vloeker, hij die een eed doet.

Sweat, swet, subst. zweet, zware arbeid, het bezweet zijn; Sweat verb. zweeten, uitbuiten, huiden zweeten: In the sweat of thy face shalt thou eat bread; It gave him (put him in) a cold sweat = maakte dat hem ’t koude zweet uitbrak; You’ll sweat for it = er voor bloeden; The sweated carry on their miserable lives = de slachtoffers van hongerloon voor harden arbeid; Sweater, swetə, zweeter, uitbuiter; dikke wollen trui; Sweating: Sweating-bath = zweetbad; Sweating-house = zweethuis; Sweating-iron = roskam; Sweating-room = zweetkamer, droogkamer (kaas); Sweating-sickness = zweetziekte; Sweating-system = hongerloon voor hard werk (vooral bij thuiswerkende arbeiders); Sweatiness, subst. v. Sweaty = zweeterig, bezweet, zwoegend, zwaar.

Swede, swîd, Zweed, Zweedsche raap; Sweden = Zweden.

Swedenborgian, swîd’nbödžiən, subst. en adj. (volgeling) van Swedenborg; Swedenborgianism = leer van de Swedenborgians.

Swedish, swîdiš, subst. en adj. Zweedsch(e taal).

Sweep, swîp, subst. het vegen, veger, veeg, zwaai, draai, omvang, uitgestrektheid, vluchtige blik, sleep, schoorsteenveger, ploert, lang roer, zwengel, half cirkelvormig oprijpad van een buiten; Sweep verb. vegen, wegvegen, even aanraken, voorbij vliegen of schieten, langs schuren, zwaaien, reiken, zich uitstrekken, dreggen, bestrijken, snel overzien: We heard the sweeps of the oars = de riemslagen; He killed them at one sweep = met éénen slag; Give this room a sweep = veeg eens aan; To make a clean sweep = schoon schip maken, een flinke opruiming houden; Lamp-chimney sweep = lampeglasveger; Sweep before your own door = veeg uw eigen pad schoon; Our cannon swept the walls = veegde(n) schoon; Everything was swept away = werd weggevaagd; He was swept from our sight = plotseling aan ons oog onttrokken; The waves sweep (over) the deck = slaan over het dek, vegen het dek schoon; Sweep-net = sleepnet; Sweep-stakes = spelen of wedstrijden waarbij de prijzen hoofdzakelijk bestaan uit de inleggelden; die prijzen zelf: They got up sweep-stakes = zij zetten samen geld in, dat den winner tebeurt zou vallen; Sweep-washings = afval in goud en zilversmederijen; Sweeper = wie of wat veegt; Sweeping: Sweeping assertions = algemeene; The motion was carried by a sweeping majority = met eene verpletterende meerderheid; A sweeping reduction = kolossale prijsvermindering; Sweepings = op- of uitvaagsel, vuilnis: His troops were the sweepings of the galleys = uitvaagsel der galeien; Sweepy = voorbijsnellend, trotsch stappend, met kleine golven, kronkelend.

Sweet, swît, subst. zoetigheid, liefelijkheid, lieverd; adj. zoet, geurig, welluidend, schoon, lief, aangenaam, frisch, bevallig: A dear little sweet = lieve snoes = Dearest sweet; My sweet; Have a sweet? = wil je een zoetigheidje; The sweet of the district = de bekende snoeperij van het district; The sweets and bitters of life = het zoet en zuur des levens; Sweets to the sweet = het lieve voor de lieve; Sweets = bonbons, lekkernijen, suikerwerken, enz.; Sweet airs = lieve melodiën; Sweet corn = soort Turksche maïs; Sweet herbs = tijm en marjolein; Sweet manners = zachte, vriendelijke manieren; Sweetmouth = lekkerbek; Sweet oil = olijfolie; Sweet orange = sinaasappel; He has a sweet tooth = hij is een zoetekauw; Sweet violet = welriekend viooltje; At your sweet will = naar uw welbehagen; No sweet without sweat = kermis is een bilslag waard, voor wat hoort wat; He is sweet on her = verliefd, dol op; Sweetbread = zwezerik; Sweet-briar = eglantier, hondsroos; Sweet-broom = priemkruid; Sweetheart, subst. minnaar, minnares, lieveling; Sweetheart verb. het hof maken: My master is sweet-hearting inside = aan het vrijen; Sweetmeat = suikerwerken, bonbons, gecandeerde vruchten; Sweet-pea = pronkerwt; Sweet-potato = bataat; Sweet-scented = geurig, welriekend = Sweet-smelling; Sweet-tea = thee, waarbij brood, jams, etc. wordt gepresenteerd; Sweet-william = duizendschoon, ruwe anjer; Sweetwort = elke plant van zoeten smaak; Sweeten = verzoeten, parfumeeren, verzachten, aangenaam maken, zuiveren, reinigen, ontsmetten: She Sweetened up the apple-sauce = zoette aan; Sweeting = St. Jansappel; lieveling; Sweetish = tamelijk zoet; subst. Sweetishness; Sweetly pretty = snoezig; Sweetness = zoetheid, welluidendheid, geurigheid, wellevendheid; The sweetness of his manners was only equalled by his liberality = de vriendelijkheid zijner manieren; Sweety = ulevelletje, bonbon.

Swell, swel, subst. zwelling, gezwel, aanzwellen, stijging, hoogte, deining; groote heer, “heele piet”, fat, bram; crescendo- of decrescendoteeken; adj. fijn, chique, fatterig; Swell verb. zwellen, opzwellen, toenemen, zich verheffen, opgeblazen zijn, buiken, vergrooten, vermeerderen: You are quite a swell with your new suit = een heele piet; He does the swell = hij hangt den fijnen meneer uit; What was called a swell 25 years ago is a dude or an effete youth now; He has swelled all expenses = alle uitgaven vermeerderd; The wind had swelled the sails = doen zwellen; My book swells to an unexpected size = groeit aan tot; He was swollen with pride = opgeblazen van trots; Swell-mob = bende van als heeren gekleede gauwdieven of zakkenrollers; Swell-mobsman = fortuinzoeker, oplichter; Swelldom = nageaapte voornaamheid: An ounce of comfort is worth a pound of swelldom = zoogenaamde “chic”; Swelling: The swelling of the sea = het deinen der zee; Swellish = als een fatje.

Swelter, sweltə, smoren of braden van de hitte, in zijn zweet baden, verdorren, verzengen: It was a sweltering morning = een smoorheete morgen.

Swept, swept, imp. en p.p. van to sweep.

Swerve, swɐ̂v, subst. beweging naar ééne zijde; Swerve verb. afdwalen, afwijken: He never swerved from the path of duty = verliet nooit.

Swift, swift, subst. gierzwaluw; adj. vlug, snel, kort, geneigd tot: Swift of foot = rap van voet; Swift to mischief = geneigd tot; subst. Swiftness.

Swifter, swiftə, boomtouw, zwichtlijn; Swifter verb. sjorren, zwichten.

Swig, swig, subst. groote teug; Swig verb. met groote teugen (uit)drinken (at), gretig slokken of drinken: He swigged off a great bumper.

Swill, swil, subst. groote teug, overmatig veel drank; spoeling; Swill verb. gretig en overmatig drinken, dronken maken, zuipen; Swiller = zuiplap; Swillings = varkensdraf.

Swim, swim, subst. zwemmen, zweven; zwemblaas; Swim verb. zwemmen, vlot zijn, drijven (van), voortglijden, doornat worden, overzwemmen, duizelig zijn: To have (take) a swim = zwemmen; He is in (out of) the swim = hij is in (niet in) het geheim ingewijd, (niet) medeschuldig; He swam against, with the tide = hij zwom tegen den stroom in, met den stroom mee; We swam down the river = de rivier af; He swims in wealth and luxury = baadt zich in rijkdom en weelde; My head begins to swim = het begint mij voor de oogen te draaien, te duizelen; The room began to swim with him = begon met hem rond te draaien; The general swam his horse across the river = zwom met zijn paard over de rivier; Swim(ming)-bladder = zwemblaas; Swimmer = zwemmer, zwemvogel, waterspin, plankje op een vollen emmer die gedragen wordt; Swimming, subst. duizeling, het zwemmen: Swimming-belt = zwemgordel; Swimming-bladder = zwemblaas; Swimming-jacket = zwembuis; Swimming-match; Swimming-school = zwemschool; We are getting on swimmingly = maken het uitstekend; The work is getting on swimmingly = vordert vlot.

Swindle, swind’l, subst. oplichterij, zwendelarij; Swindle verb. zwendelen, oplichten: He swindled me out of my watch = heeft mij ontfutseld, afgezet; Swindler = zwendelaar, oplichter.

Swine, swain, varken, zwijn; Swine-bread = truffel; Swineherd = zwijnenhoeder; Swine-pipe = koperwiek; Swine-pox = waterpokken; Swine’s snout = paardenbloem; Swine-sty = varkenskot.

Swing, swiŋ, subst. zwaai, schommeling, schommel, stoot, zet, vrije loop, vrijheid van beweging, neiging, trek, streven, invloed; Swing verb. schommelen, slingeren, zwaaien, draaien, met lange passen loopen, hangen, ophangen, leiden: The praise of mankind was his swing = fort, lust en leven; All the mills are in full swing = in volle werking; The party was in full swing = in vollen gang; She got into the swing of her work = raakte geheel vertrouwd met; To have one’s full swing = volle vrijheid hebben, volop krijgen; We played to our full swing = naar hartelust; He may swing for it = ’t kan hem zijn kraag kosten; To swing in a swing = schommelen; To swing into line = (laten) opmarcheeren; He swung round the corner = reed met korten draai om; Swing-boats = Russische schommel; Swing-bridge = draaibrug; Swing-door(s) = toeslaande (dubbele) deur(en); Swing-gate; Swing-glass = draaispiegel; Swing-lamp = hanglamp; Swing-wheel = balans- of drijfrad (in een horloge); Swinger = opsnijderij, groote leugen (fig.).

Swinge, swinž, afranselen, kastijden; Swing(e)ing, swinžiŋ, kolossaal groot, verbazend.

Swingle, swiŋg’l, subst. zwingel, vlegel; Swingle verb. vlas zwingelen, Swingle-bar (-tree) = zwingelhout; Swingle-staff = vlaszwingel, vlegel = Swingling-staff.

Swinish, swainiš, zwijnachtig, vuil; Swinishness.

Swipe, swaip, subst. lange stok of stang, pompzwengel, harde slag (bij cricket); Swipe verb. met kracht slaan; Swiper.

Swipes, swaips, dun bier; Swipey = aangeschoten.

Swirl, swɐ̂l, subst. warreling, draai(kolk); Swirl verb. warrelen, draaien: The silent swirl of bats = geruischloos rondvliegen.

Swish, swiš, zwaaien, slingeren, ranselen, ruischen, suizen; ook subst.: He was swished several times = afgestraft.

Swiss, swis, subst. Zwitser; adj. Zwitsersch: Swiss cottage = chalet; Swiss guards.

Switch, switš, subst. teentje (takje), roede, karwats, wisselspoor, stroomwisselaar; Switch verb. slaan, ranselen, op een ander spoor brengen, rangeeren, in- of uitschakelen (bij telefoon of electrisch licht): The telephone-girls have quite enough to do with switching on and off = met in-, en uitschakelen: I switched on the electric light = draaide op; The train was switched on to a side-rail = werd op een zijspoor gebracht; Switch-back = rutschbaan; Switch-board = schakelbord; Switch-man = wisselwachter.

Swithin, swithin; Switzer, switsə, Zwitser; Switzerland; Saxon-Switzerland.

Swivel, swiv’l, subst. schijf, wervel, draaibas (= Swivel-gun); Swivel verb. op eene spil of schijf draaien; Swivel-bridge = draaibrug; Swivel-chair = draaistoel; Swivel-eye = scheel oog; Swivel-eyed = scheel; Swivel-hook = wartelhaak (scheepst.); Swivel-knife.

Swob, swob. Z. Swab.

Swollen, Swoln, swouln, p.p. van to swell.

Swoon, swûn, subst. bezwijming; Swoon verb. bezwijmen: To go off in a swoon = in zwijm vallen.

Swoop, swûp, subst. het plotseling neerschieten op (van een roofvogel); Swoop verb. neerschieten op, neerstrijken: At a swoop = met één slag.

Swop, swop, subst. ruil; Swop verb. ruilen: Don’t swop horses in mid river (while crossing the stream) = bepaal u bij ééne zaak in een kritiek geval; Zie Swap.

Sword, söd, zwaard, sabel, degen: He stood on his defence, Sword in hand = met het zwaard in de hand; At the point of the sword = met den blanken sabel; With the flat of the sword = het plat; Sword of State = rijkszwaard; To draw the sword = trekken; To put to the sword = over de kling jagen; Sheathe your sword = steek op; Sword-arm = rechterarm; Sword-bayonet = sabelbajonet; Sword-bearer = zwaarddrager; Sword-belt = koppel; Sword-blade = degenkling, lemmet; Sword-cane = degenstok; Sword-cut = sabelhouw; Swordcutler = zwaardveger; Sword-dance = sabeldans (der Hooglanders); Sword-fight = gevecht op den sabel; Swordfish = zwaardvisch; Sword-grass = honigklaver (Mel. sulcata), rietgras, korenschijnspurrie; Sword-guard = stootplaat; Sword-hilt = gevest; Sword-knot = sabelkwast, dragon; Sword-lily = zwaardlelie; Sword-play = gevecht op den degen; Sword-shaped = zwaardvormig; Swordsman = soldaat, schermmeester; Swordsmanship = schermkunst; Sword-stick = degenstok.

Swore, swö, imperf. van to swear.

Sworn, swön, gezworen, onder eede: I’ll be sworn, that... = er een eed op doen, dat...; Sworn broker = beëedigd makelaar; Sworn enemies = gezworen vijanden; Sworn friends = dikke vrienden; Sworn statement = beëedigde verklaring.

Swot, swot, inpompen; subst. wiskundige, wiskunde, blokker: It’s no use swotting this up, they never set it in exams = het geeft niets of men dat erin pompt.

Swum, swɐm, p. perf. van to swim.

Swung, swɐŋ, imp. en p.p. van to swing.

Sybarite, sibərait, verwijfd persoon, wellusteling, sybariet; adj. Sybaritic(al), sibəritik(’l); Sybaritism, sibər(a)itizm.

Sycamine, sikəmain, zwarte moerbezie.

Sycamore, sikəmö, wilde vijgeboom, gewone eschdoorn; Sycamore-fig = wilde vijg.

Syce, sais, Brit. Ind. rijknecht.

Sycomore, sikəmö = Sycamore.

Sycophancy, sikəfansi, lage vleierij, verklikkerij, slaafschheid, pluimstrijkerij; Sycophant, sikəfant, subst. lage vleier, pluimstrijker, sycophant; Sycophant verb. den pluimstrijker, etc. spelen; adj. Sycophantic(al), sikəfantik(’l), Sycophantish.

Sycosis, saikousis, baardworm.

Sydenham, sidən’m; Sydney, sidni; Sylla, silə.

Syllabic, silabik, tot de lettergreep behoorende; Syllabicate, tot lettergrepen vormen; Syllabication, Syllabification = verdeeling in of vorming tot lettergrepen; Syllabify = Syllabicate; Syllable, siləb’l, subst. lettergreep; Syllable verb. onder woorden brengen: The warning syllabled itself in his ear.

Syllabub, siləbɐb; Zie Sillabub.

Syllabus, siləbɐs, korte inhoud, leerplan; Syllabus.

Syllogism, silədžizm, syllogisme; Syllogistic, silədžistik, tot een syllogism behoorende; Syllogization, silədž(a)izeiš’n, het maken v. een syllogisme; Syllogize, silədžaiz, syllogiseeren.

Sylomite, sailəmait, (van) imitatie-ivoor.

Sylph, silf, sylphe; Sylphid = sylphide; Sylphlike = bevallig, slank.

Sylvan, silv’n, bosch.., lommerrijk; subst. boschgod, Silvanus.

Sylvestral, silvestr’l, een woud bewonend, woud.., woest.

Sylvia, silviə.

Symbiosis, simbiousis, symbiose.

Symbol, simb’l, subst. zinnebeeld, teeken, kenteeken; adj. Symbolic, simbolik: To be symbol of = voorstellen = Symbolical; subst. Symbolicalness; Symbolics = symboliek; Symbolism = symbolisme; Symbolist; Symbolization = zinnebeeldige voorstelling, verzinnelijking; Symbolize, simbəlaiz, symboliseeren.

Symmetric(al), simetrik(’l), symmetrisch; Symmetrize, simətraiz, symmetrisch maken; Symmetry, simətri, symmetrie: Want (Lack) of symmetry.

Sympathetic, simpəthetik, sympathetisch, sympathiek, sympathisch: Sympathetic cures; Sympathetic ink = kleurlooze inkt, die eerst na verwarming zichtbaar wordt; ook: Sympathetical; Sympathize, simpəthaiz, sympathiseeren: Sympathizer; Sympathy, simpəthi, sympathie, harmonie: To feel (express) sympathy for.

Symphonic, simfonik, symphonisch; Symphonist, simfənist, componist van symphonieën; Symphony, simfəni, symphonie.

Symposiac, simpouziak, feest...; Symposiarch, simpouziâk, president van een Symposium, simpouž’m, feestgelag.

Symptom, simt’m, symptoom; Symptomatic(al) = symptomatisch; Symptomatology = leer en studie der ziekteverschijnselen.

Synaeresis, sinîrəsis, samentrekking van twee lettergrepen (of klinkers) tot een(e).

Synagogical, sinəgodžik’l, tot eene Synagogue, sinəgog, synagoge behoorend.

Synchronal, siŋkrən’l, subst. en adj. (het) gelijktijdig(e); Synchronism, siŋkrənizm, synchronisme, synchron. tabel; Synchronistic(al) = synchronistisch; Synchronization, siŋkrənizeiš’n, het gelijktijdig plaats hebben van gebeurtenissen; Synchronize, siŋkrənaiz, terzelfder tijd (doen) plaats hebben, klokken electr. gelijk houden, tegelijk ergens zijn (Amer.); Synchronizer; Synchronous, siŋkrənɐs, synchronisch.

Syncopal, siŋkəp’l, syncopisch; Syncopate, siŋkəpeit, syncopeeren; subst. Syncopation; Syncope, siŋkəpî, syncope, flauwte, bezwijming.

Syndic, sindik, syndicus: The Celebrated Five Syndics = de Staalmeesters (v. Rembr.); Syndicate, sindikit, raad, syndicaat, consortium; Syndicate verb. tot syndicaat maken.

Synecdoche, sinekdəkî, synecdoche.

Synergy, sinədži, synergismus.

Synod, sinəd, synode, kerkvergadering; Synodal, synodaal = Synodic(al), sinodik(’l); ook synodisch (astron.).

Synonym, sinənim, zinverwant woord; Synonymic(al), sinənimik(’l), synoniem; Synonymity, sinənimiti = Synonymy; Synonymize, sinonimaiz, door een synoniem of synoniemen uitdrukken of verduidelijken; Synonymous, sinonimɐs, synoniem; Synonymy, sinonimi, het synoniem zijn, synonymie.

Synopsis, sinopsis, synopsis, kort en algemeen overzicht of begrip; Synoptic, subst. en adj. synoptisch bijbelboek (Mattheus, Marcus, Lukas); Synoptical = synoptisch.

Syntactic(al), sintaktik(’l), syntactisch; Syntax = syntaxis.

Synthesis, sinthəsis, synthese; Synthetic(al), sinthetik(’l), synthetisch.

Syphilis, sifilis, syphilis; adj. Syphilitic.

Syphon, saif’n, siphon, spuitwaterflesch, hevel.

Syracusan, sirəkjûs’n, (bewoner) van Syracuse; Syracuse, sirəkjûs; Syracusian = Syracusan.

Syren, sair’n, sirene.

Syria, siriə, Syrië; Syriac, Syrian, subst. en adj. Syrisch(e taal), (inwoner) van Syrië.

Syringa, siriŋgə, sering.

Syringe, sirinž, subst. spuit; Syringe verb. uit(in)spuiten, bespuiten: A syringe for streaming the windows.

Syrinx, siriŋks, Eustachiaansche buis, pansfluit.

Syrtis, sɐ̂tis, drijfzand (aan de noordkust van Afrika).

Syrup, sirəp, stroop; Syrupy = als stroop.