Engelsch woordenboek. Eerste deel: Engelsch-Nederlandsch (met uitgeschreven verkortingen)
Part 43
Eye, ai, subst. oog, blik, gezicht, glans, knop (van planten); Eye verb. beschouwen, aankijken, monsteren: What the eye does not see, the heart does not grieve over; Eyes front! = Staat! (milit.); Eyes left (Eyes right) = richt u! The eye of day (of the morning) = de zon; The eye of a dome = ronde opening in; The eye of an egg = hanetree; The eye of a needle; It shows to the eye of sense beautiful vistas = opent een schoon verschiet voor het geestesoog; The eyes of a ship = kluisgaten; I could find no favour in his eyes = ik kon geen genade vinden in zijne oogen; I am getting my eye in now = begin er nu kijk op te krijgen; I’ll have an eye over her = een waakzaam oog houden over; He has an eye to (upon) my sister = hij heeft een oogje op mijne zuster; He had an eye to my money = had het gemunt op; I have an eye to business = ik let op de zaken, affaire; I will keep an eye on him = ik zal hem nauwkeurig gadeslaan; He looked upon me with an evil eye = zag mij met een scheel oog aan; He sees a thing with half an eye = met een half oog; I see eye to eye with you = ik ben ’t met u eens, heb er denzelfden kijk op als gij; I never set eyes on her = ze is me nooit onder de oogen gekomen; To break the law and turn the blind eye = een oogje dicht doen; Eye-ball = oogappel; Eye-beam = oogstraal; Eye-bolt = oogbout (scheepst.); Eyebright = oogentroost (plant); Eyebrow = wenkbrauw; Eye-drop = traan; Eye-flap = oogklep; Eyeglass = monocle, oogglas; Eyehole = kijkgat; Eyelash = wimper; Eyelet = oog, vetergaatje, reefgat; Eyelet-hole = vetergaatje; Eyelid = ooglid; Eye-opener = iets verbazends; Eyepiece = oculair, oogglas; Eye-salve = oogzalf; Eyereach = Eyeshot; Eye-servant = oogendienaar; Eye-service = oogendienst; Eyeshot = gezichtsafstand: He was within (out of) eyeshot = hij was in (uit) het gezicht; Eyesight = gezicht, gezichtsvermogen: His eyesight begins to fail = zijne oogen worden zwak; Eyesore = gerstekorrel (Med.); doorn in ’t oog: He is an eyesore to me; Eye-string = oogzenuw; Eye-tooth = oogtand: I’m not going to be cheated out of my eye-teeth here (Amer.) = ik laat me hier niet beetnemen; Eye-wash = oogwater = Eye-water, dit ook: glasachtig lichaam (van het oog); Eyewitness = ooggetuige.
Eyne, ain, oud Meerv. van Eye.
Eyot, aiət, riviereilandje.
Eyre, êə, vroegere rondgaande rechtbank: Justices in Eyre = rondgaande rechters.
Eyrie, Eyry, êri, airi, îri. Zie Aerie.
Ezekiel, izîkj’l, Ezechiël; Ezra, ezrə.
F.
F. ef, F sharp = fis (muz.); Fahrenheit; fellow; f. = farthing, feet, feminine, folio, foot; F. A. = F(ootball) A(ssociation); f. a. a. = f(ree) of a(ll) a(verage); Fahr. = Fahrenheit; F. A. S. = F(ellow) of the A(ntiquarian) S(ociety); F. A. S. = Fellow of the Society of Arts; F. B. S. = F(ellow) of the B(otanical) S(ociety); F(ree) C(hurch of Scotland); Fcp = foolscap; F(idei) D(efensor) = Verdediger des Geloofs; Feb(ruary); Fem(inine); ff = fortissimo; F(ellow) G(eological) S(ociety) (ook Geographical); Fig(ure); Fl(orin); F(oo)lsc(a)p; F(atho)m; F. M. = F(ield)-M(arshal); F. O. = F(ield)-O(fficer); F. o. b. = f(ree) o(n) b(oard); Fol(io); Fra(ncis); F(ellow) R(oyal) A(cademy); F.R.A.S. = F(ellow) of the R(oyal) A(siatic) (Astronomical) S(ociety); F. R. C. P. = F(ellow) of the R(oyal) S(ociety) of P(hysicians); F. R. C. S. = F(ellow) of the R(oyal) C(ollege) of S(urgeons); F(ellow) S(ociety) A(rts) (of Antiquaries); Ft = fort; ft = foot, feet; F. T. C. D. = F(ellow) of T(rinity) C(ollege), D(ublin); F. W. = F(resh) W(aterline) = een der Plimsoll merken op schepen; F. Z. S. = F(ellow) of the Z(oological) S(ociety).
Fa, fâ, fa.
Fabaceous, fəbeišes, boonachtig, boon - -.
Fabian, feibj’n, Fabisch, talmend, traag: Fabian Society = een soc. pol. vereeniging te Londen, opgericht in 1884, die ook landnationalisatie beoogt.
Fable, feib’l, subst. fabel, verdichtsel, vertelseltje, praatje; Fable verb. fabelen schrijven, leugens vertellen; Fabled animals = in fabels besproken, alléén in de verdichting bestaande; Fabler = fabeldichter.
Fabliau, fâbliou, Oud-Fransche berijmde vertelling (12e en 13e eeuw).
Fabric, fabrik, subst. bouw, structuur, weefsel, maaksel, gebouw, stof, fabrikaat; Fabricate, fabrikeit, bouwen, maken, vervaardigen, samenstellen, fabriceeren, bedenken, verzinnen, vervalschen; subst. Fabrication; Fabricator = hij die vervaardigt, enz.
Fabulist, fabjulist, fabeldichter; verb. Fabulize; Fabulous, fabjulɐs, verdicht, fabelachtig, ongeloofwaardig, rijk aan fabelen: Fabulous age = vóórhistorische tijd; subst. Fabulousness = Fabulosity = fabelachtigheid.
Facade, fəsâd, fəseid, vóórgevel, vóórzijde.
Face, feis, subst. gelaat, gezicht, uiterlijk, driestheid, onbeschaamdheid, aangezicht (fig.), redactie, voorkant, wijzerplaat, vlak, façade; Face verb. het gezicht toekeeren, staan (zitten, gelegen zijn, zich bevinden) tegenover, te gemoet treden, omkeeren met de voorzijde naar boven, weerstand bieden, aanvaarden, bekleeden aan de voorzijde, omzoomen, omboorden, zich wenden naar: Face of a coin = beeldzijde; In the face of day = op klaarlichten dag; The faces of a square = de zijden van een carré; This is unpardonable in face of the facts = met het oog op de feiten; He did it in face of all that is honourable and just = in strijd met al wat eervol en rechtvaardig is; On the face of it = op ’t eerste gezicht; To be face to face = tegenover elkaar staan; To fly in the face of danger = tegemoet snellen; I laughed in his face = in zijn gezicht; I will say so before his face, in his face = waar hij bij is; She said it with a little face = ietwat brutaal; I could not see my hand before my face = geen hand voor oogen; He told it me to the face = vlak in ’t gezicht; The King accepted the poor supplicant’s face = trok zich den armen smeekeling aan, stond zijn verzoek toe; He cut a queer face = trok een raar gezicht; He entreated (sought) the King’s face = ’s konings gunst; He has his face at his command = hij heeft zijn gelaat in zijn macht; Everything has two faces = men kan alles van twee kanten beschouwen; He made (pulled) a long face = trok een lang gezicht (fig.); He made a wry face = trok een zuur gezicht; She can make all kinds of faces = allerlei gezichten trekken; I’ll put a good face on it = het van den besten kant beschouwen; He set his face against his father’s will = hij weerstreefde zijn vader; Left face! Right face! = links-, rechtsom; Right about face! = rechtsomkeert; He faced the card = hij keerde om; He faced the consequences = aanvaardde; To face the enemy = het hoofd bieden; The country-seat faces the high-road = staat met de voorzijde naar; To face the music = de moeielijkheid moedig onder de oogen zien; The room faces South-east = ligt op; It was more than my heart could face = verdragen, weerstaan; To face about = zich omkeeren; He faced his men down = overblufte; He wanted to face me down = hij wou mij door onbeschaamdheid den blik doen neerslaan; He faced it out = hij hield het brutaal vol; Face-ache, feiseik, Face-ague, feiseigju, aangezichtspijn; Face and hood = driekleurig viooltje; Face-card = heer, vrouw of boer (in ’t kaartspel); Face-cloth = doek (ter bedekking van het gelaat) van een doode; Face-guard = masker; Facer = slag in ’t gezicht, teleurstelling.
Facet, fasət, facet; Facet verb. met facetten slijpen.
Facetiae, fəsîši-î, fijne, geestige zetten, humorist. lectuur; Facetious, fəsîšəs, grappig, boertig: subst. Facetiousness.
Facial, feiš’l, tot het gelaat behoorend: Facial angle = gelaatshoek; Facial contractions = gelaatsverwringingen.
Facile, fasil, gemakkelijk, gedwee, gewillig, vlug, lichtgeloovig, licht over te halen, meegaande, vriendelijk, minzaam: He wields a Facile pen = een vlugge pen; Facilitate, fəsiliteit, vergemakkelijken, verlichten; subst. Facilitation; Facilities, fəsilitiz, gemakken, voordeelen; Facility, fəsiliti, gemakkelijkheid, handigheid, meegaandheid, genaakbaarheid, minzaamheid.
Facing, feisiŋ, subst. boordsel, opslag, tressen, bekleeding van talud, wending, zwenking (Mil.): Facing of tea = thee kleuren ter vervalsching.
Facsimile, faksimili, subst. facsimile; Facsimile verb. eene juiste nabootsing geven van.
Fact, fakt, daad, feit, werkelijkheid: In fact = inderdaad, feitelijk.
Faction, fakš’n, (politieke) partij, oneenigheid, onrust, tumult, opstand; Factionist = raddraaier, oproermaker; Factious, fakšəs, partijzuchtig, oproerig, muitend; subst. Factiousness.
Factitious, faktišəs, kunstmatig, nagebootst, onecht, conventioneel.
Factitive, faktitiv, causatief: Factitive object, zooals b.v. het woord duke in: The queen made him a duke.
Factor, faktə, agent, facteur, factor; Factorage, faktəridž, commissieloon; Factorship = beroep v. factor; Factory, faktəri, fabriek, faktorij: Factories and Workshops Acts = arbeidswetten; Factory hand = fabrieksarbeider.
Factotum, faktout’m, factotum, duivelstoejager.
Facultative, fakəltətiv, rechtgevend, naar believen, facultatief; Faculty, fak’lti, bekwaamheid, vermogen, gave, talent, zin, bevoegdheid, dispensatierecht, faculteit: The Faculty = medische faculteit, de medici.
Fad, fad, liefhebberij, stokpaardje, gril; Faddish = grillig; Faddist = iemand, die er allerlei dwaze stokpaardjes en meeningen op nahoudt; Faddy = vol fads.
Faddle, fad’l, beuzelen.
Fade, feid, adj. zwak, mat, kleurloos; Fade verb. verwelken, verkleuren, verschieten, verdwijnen; Fadingness = vergankelijkheid.
F(a)ecal, fîk’l, tot faeces behoorende of die bevattende; F(a)eces, fîsîz, faecaliën, bezinksel.
Fag, fag, subst. werkezel; groen; een “pluk”, een “toer”; Fag verb. zich afsloven, zich afmatten, groen loopen; afmatten, als werkezel gebruiken: Fagged out = doodop; Fag-end = zelfkant, rafeleind, uitgerafeld stuk, eindje, slot.
Fa(g)got, fagət, subst. takkebos, bundel (of iron, steel), brandstapel; oud gerimpeld vrouwspersoon, lummel; Faggot verb. samenbinden; To smell of the faggot = naar den mutsaard rieken; Faggot-voting, bestond hierin, dat grondbezitters nominaal stukken land aan pachters overdeden, die dientengevolge als grondbezitters ook mochten stemmen.
Fagin, feigin.
Fagotto, fagotou, fagot.
Fail, feil, achteruitgaan, ontbreken, gebrek hebben aan, ophouden, verloren gaan, uitblijven, uitdrogen, mislukken, niet opkomen, afnemen, verzwakken, in den steek laten, zijn doel missen, misgaan, falen, nalatig zijn, failleeren of bankroet gaan, verlaten, teleurstellen; ook subst.: His heart failed him = zijn moed begaf hem; He failed to do it = slaagde niet; They failed to do him justice = bleven in gebreke; He failed in his usual alacrity (animation) = het ontbrak hem; He has failed of his ambitions = zijn illusies (wenschen) zijn niet verwezenlijkt; This work cannot fail of popularity = moet wel in den smaak vallen; Without fail = zonder mankeeren, zeker; Failing, subst. gebrek, zwak; adj. ontbrekend, achteruitgaand, begevend, etc.; prep. bij gebrek van: A never failing topic of conversation = waarover men nooit raakt uitgepraat; Failure = gebrek, slechte uitslag, gemis, mislukking, misgewas, verval, achteruitgang, bankroet.
Fain, fein, gaarne, blij, geneigd, begeerig, genoodzaakt: He was fain to eat black bread = hij was blij met (hij moest wel eten) roggebrood; Fain to gain it = verlangend; He would fain = hij wou graag (liefst); Fain of = blij met.
Faint, feint, adj. zwak, verzwakt, uitgeput, flauw, bedwelmend, zwoel, drukkend, terneergeslagen; subst. flauwte, onmacht; Faint verb. flauw vallen (away), afnemen, zwakker worden: Faint heart never won fair lady = die niet waagt, die niet wint; Faint at heart = bevreesd; I have not the faintest idea of it = er geen flauw begrip van; The book was killed with faint praise = werd totaal vermoord door zwakke aanprijzing (die met veroordeeling gelijk stond); A faint sound = zwak, dof; Faint with hunger, thirst = flauw, uitgeput van; Fainthearted = moedeloos, flauwhartig; subst. Faint-heartedness; Fainting = flauwte, bezwijming: In a fainting fit = in een aanval van flauwte; Faintish = zwakkelijk; subst. Faintishness; Faintness = zwakte, moedeloosheid, onduidelijkheid.
Fair, fêə, subst. jaarmarkt, kermis; Fancy fair = liefdadigheidsbazaar; Fairing = kermisgeschenk.
Fair, fêə, schoon, fraai, rein, vlekkeloos, ongerept, helder, duidelijk, blond, blank, ongehinderd, vrij, gunstig, behoorlijk, billijk, rechtvaardig, eerlijk, oprecht, zacht, vriendelijk: The fair (sex) = het schoone geslacht; She has a fair knowledge of English = behoorlijke, flinke; Fair play is a jewel = eerlijk duurt het langst; That is not fair play = niet eerlijk en rond; To see fair play = zorgen dat iets eerlijk toegaat; Fair trade = beschermde handel; He is in a fair way to succeed = mooi op weg; Fair words butter no parsnips = praatjes vullen geen gaatjes; Fair and square = eerlijk, rond, oprecht; Fair and softly = zoetjes aan; He bids fair to get the place = zijne kansen staan goed; He carried it fair towards them in public = deed zich mooi voor; Fairly = vrijwel; geheel en al, volstrekt, werkelijk: The book is going on fairly, sells fairly well = gaat vrij goed van de hand; Fair-faced = met mooi gelaat; mooie praatjes makend; Fair-minded = oprecht; Fair-spoken = innemend, hoffelijk; His Fair-weather friends = vr. in voorspoed; Fairish = lief, tamelijk goed (mooi, etc.); vrij wel; Fairness = schoonheid, ongereptheid, blondheid, oprechtheid, billijkheid, duidelijkheid, etc.
Fairway, fêəwei, vaarwater.
Fairbairn, fêəbən; Fairfax, fêəfaks.
Fairy, fêri, subst. fee, toovenares; adj. feeachtig: Fairy circle (Fairy green, Fairy ring) = kring (groener dan de omgeving) in ’t grasveld, die naar ’t volksgeloof door het dansen der feeën ontstaan is; Fairy fingers, Fairy glove = vingerhoedskruid; Fairyland = feeënland; Fairy-like = als een fee; Fairy-tale = sprookje.
Faith, feith, geloof, vertrouwen, trouw, belofte, eerewoord: (In) faith, he did it = eerlijk (waarachtig), hij deed het; In good faith = te goeder trouw; The Faith = de Christel. godsdienst; A breach of faith = trouwbreuk; To keep faith with = zijn woord houden jegens; To put faith in = geloof hechten aan; Faithful = geloovig, trouw, eerlijk, geloofwaardig: The faithful = de geloovigen; Faithfully: Yours faithfully = uw dienstwillige; subst. Faithfulness; Faithless = ongeloovig, trouweloos; subst. Faithlessness; Faithworthy = be- of vertrouwbaar.
Faix, feiks, op mijn woord, waarachtig.
Fake, feik, oplappen, opknappen (met het oog op bedrog), stelen; bedriegen; opschieten (zeeterm); subst. bocht, slag, bedrog: The old horse was faked up for work again = werd weer opgelapt voor ’t werk; Fakement = zwendel, diefstal, knoeiwerk; Faker = bedrieger, zwendelaar, zakkenroller.
Fakir, fəkîə, feikîə, fakir, Brit. Ind. bedelmonnik.
Falcate(d), falkeit(id), sikkelvormig; subst. Falcation.
Falchion, fôlš’n, kort licht gekromd en breed zwaard.
Falciform, falsiföm, sikkelvormig.
Falcon, fô(l)k’n, falk’n, valk; falkonet (kanonnetje); Falconer = valkenier; Falconet = falkonet, smelleken; Falconry = valkendressuur, valkenjacht.
Falderals, faldəralz, snuisterijen, snorrepijperijen.
Faldstool, fôldstûl, vouwstoel; bisschopsstoel (bij het altaar), stoel (aan de zuidzijde van het altaar) waarbij de Engelsche vorsten bij de kroning knielen; lezenaar (in de kerk).
Falernian, fəlɐ̂nj’n, subst. en adj. (wijn) van Falernus.
Falkirk, falkɐ̂k, fôlkɐ̂k, fôkɐ̂k; Falkland, fôklənd.
Fall, fôl, subst. val, het vallen, daling, neerdaling, ineenstorting, dood, ondergang, helling, waterval, uitwatering, herfst (Amer.), cadans, val (zeeterm); Fall verb. vallen, zich uitstorten, instorten, afvallen, sneuvelen, betrekken, zondigen, dalen, verminderen, vervallen, neerkomen, aanvallen, te beurt vallen, gebeuren, geworpen worden, enz.: The Fall = zondenval; They tried a fall (with each other) = worstelden samen; There was a general fall of jaws = zij trokken allen lange gezichten; He came here in the fall = in den herfst; A fall overcoat = demisaison; Fall aboard = aanvaren, aanklampen, aanpakken; To fall astern = achterblijven, zakken (van schepen); To fall dead from the press = doodgezwegen worden; The wind fell a dead calm = het werd bladstil; To fall flat = mislukken; de uitwerking missen; To fall foul of = aanzeilen; aangrijpen, slaags raken met; stooten op; He fell from grace = verviel tot zonde; He fell in love = werd verliefd; To fall ill = ziek worden; To fall short = te kort schieten, niet voldoende zijn, niet beantwoorden aan (of); To fall together = elkaar ontmoeten; To fall to pieces = in stukken vallen; To fall to the rear = wijken; To fall among friends = toevallig raken onder, ontmoeten; To fall away = mager worden, tot slechtheid vervallen; To fall away from = afvallig worden; He fell along = viel neer zoo lang als hij was; To fall back = wijken, terug krabbelen; To fall back upon = terugkomen op (eene bewering of argument), steun vinden of zoeken bij, in geval van nood; To fall behind = achterblijven, zakken; His face had fallen in = ingevallen, mager geworden; To fall in = invallen, vervallen, aantreden, aansluiten; The lease will fall in on the first = het huurcontract vervalt; To fall headlong into the water = voorover, hals over kop; I fell in with his plans = keurde.. goed en deed overeenkomstig; That fell in with my temper = kwam overeen met; We fell in with each other = troffen elkander; To fall off = afvallen; verminderen, afnemen; He fell on (to) his knees; To fall out = uitvallen, oneenigheid, ruzie krijgen, de gelederen verlaten; It fell out that ... = het gebeurde, dat; To fall through = in duigen vallen; I advise you to fall to = ik raad u, om toe te tasten, aan te vallen; It fell to me, my lot, my share = viel mij te beurt; The dogs fell to biting = begonnen; The legacy fell to us = viel ons ten deel; To fall upon (on) the ear = treffen; To fall upon = aanvallen; The war fell within this year = had plaats; Falling-away = wegvallen, uitvallen, vermagering, afvalligheid, ontrouw; Falling-off = vermindering, achteruitgang; Falling-sickness = vallende ziekte; Falling-star = vallende ster; Falling-stone = meteoorsteen; Fall-trap = valdeur, valluik.
Fallacious, fəleišəs, bedriegelijk, sophistisch; subst. Fallaciousness; Fallacy, faləsi, bedrog, vergissing, dwaalbegrip, drogrede.
Fallals, falalz, falalz, prullen, nietigheden.
Fallibility, falibiliti, feilbaarheid; adj. Fallible.
Fallow, falou, vaalrood, vaalgeel, onbebouwd, braak, verwaarloosd; subst. braakland, braak; Fallow verb. braak laten liggen: He had to rest and lie fallow = en mocht geen werk doen; Fallow-crop = oogst van braakland; Fallow-deer = damhert; Fallow-finch = tapuit.
Falmouth, falməth.
False, fôls, adj. valsch, onwaar, ongegrond, bedriegelijk, onjuist, onecht, vervalscht, blind, ondergeschoven: To play false = valsch spelen, bedriegen; If my memory does not play me false = mij niet bedriegt; He sails under false colours = hij zeilt onder valsche vlag; False-face = masker; False-faced = huichelachtig; False fire = valsch signaalvuur (om den vijand te misleiden); False-hearted = trouweloos; subst. False-heartedness; Falsehood = valschheid, leugen, bedrog; Falseness = valschheid; Falsification = vervalsching, weerlegging; Falsifier = vervalscher, valsche munter; Falsify, fôlsifai, vervalschen, schenden, weerleggen, de onjuistheid bewijzen; Falsity, fôlsiti, valschheid, onjuistheid.
Falsette, fôlset; falsetto, fôlsetou, faucet-stem. Falstaff, fôlstâf.
Falter, fôltə, stamelen, stotteren, weifelen, wankelen: Falter out = uitstamelen; I faltered from my vow = werd ontrouw aan.
Fame, feim, gerucht, faam, roem, vermaardheid: Houses of ill-fame = bordeelen; Famed = beroemd.
Familiar, fəmiljə, gemeenzaam, huiselijk, intiem, minzaam, ongedwongen; subst. vertrouwde vriend, goede kennis, huisgeest: “But” is the sceptic’s familiar = het woordje “But” heeft de twijfelaar steeds in den mond; Familiarity, familjariti, gemeenzaamheid, nauwkeurige bekendheid, minzaamheid: (Too great) familiarity breeds contempt = van (al te groote) gemeenzaamheid komt verachting; Familiarities = vrijheden; Familiarize = gemeenzaam maken, gewennen; Family, famili, huisgezin, (vrouw en) kinderen, familie, geslacht, groep: Mr. W’s family = de fam. W.; Family-man = huisvader; Family-medicine = huismiddeltje; Family-tree = stamboom; Family-way: His wife is in the family-way = in gezegende omstandigheden.
Famine, famin, hongersnood, schaarschte, gebrek; Famish, famiš, uithongeren, verhongeren, versmachten.
Famous, feiməs, beroemd, vermaard, berucht; subst. Famousness.
Famulist, famjulist, student van ondergeschikten rang aan de universiteit te Oxford.
Fan, fan, subst. waaier, wan, blaasbalg, prikkel; Fan verb. koelte toewaaien, wannen, aanzetten, aanwakkeren: He fanned the racial hatred = wakkerde aan; Fan-light = halfronde lichtschepping boven eene huisdeur; Fan-tail = duif, met waaiervormigen staart, vleermuis (gasbrander); kap met verlengstuk van kolendragers; Fanning-machine, faniŋməšîn, Fanning-mill = builmolen, wanmachine.
Fanal, fənal, fənâl, fein’l, lichttoren, lichttoestel.
Fanatic, fənatik, adj. dweepziek; subst. dweper; Fanatical = fanatiek; Fanaticism = fanatisme.
Fancier, fansiə, kweeker, liefhebber (van vogels, enz.). Fanciful, fansiful, hersenschimmig, ingebeeld, grillig, phantastisch; subst. Fancifulness; Fancy, fansi, subst. verbeelding, fantasie, verbeeldingskracht, gril, lust, smaak, voorliefde, liefhebberij; adj. ingebeeld, overdreven, elegant, mode - -, phantasie..; Fancy verb. zich verbeelden, zich voorstellen, eene voorliefde opvatten voor, aangenaam vinden; lusten: The fancy = in ’t algemeen sportmenschen, vooral worstelaars, hondenliefhebbers, etc.; He took a fancy to it = hij kreeg er zin in; Only fancy = stel je voor; If you fancy the idea, I will act accordingly = als het denkbeeld bijval bij u vindt; Is there nothing, that you can fancy? = is er niets, dat u bevalt, dat ge lust? Fancy-articles, Fancy-goods = weelde-artikelen; Fancy-ball = gecostumeerd bal = Fancy-dress ball; Fancy-fair = liefdadigheidsbazaar; Fancy-goods = galanterieën; Fancy-man = souteneur; Fancy price = bespottelijk hooge prijs; Fancy-shop = galanteriewinkel; Fancy-sick = eenigszins getroubleerd van geest; Fancy-skater = kunstschaatsenrijder; Fancy-stationer = verkooper van luxepostp., galanterieën, enz.; Fancy-work = handwerkje.
Fandango, f’ndaŋgou, Spaansche dans.
Fane, fein, tempel, heilige plaats; weêrhaan.
Fanfare, fanfêə, fanfêə, fanfare, pocherij.
Fanfaron, fanfəron, snoever; Fanfaronade, fanfərəneid, snorkerij, gebluf.
Fang, faŋ, slagtand, gifttand, klauw; Fangless = zonder klauwen, etc.
Fanion, fanj’n, klein vlaggetje.
Fannel, fan’l. Zie Fanon.
Fanny, fani.
Fanon, fanən, zijden vierkleurige schouderdoek, welke na het cingulum (sjerp) over de alb wordt gelegd, een speciaal pauselijk gewaad bij kerkdiensten; manipel; witgedekte tafel waarop de offeranden voor de mis worden geplaatst.
Fantasia, fəntâzia, fantəzîa; muzikale fantasie; Fantastic (= Fantastical), fəntastik(’l), fantastisch, grillig; subst. phantast; Fantasticalness; Fantasy, fantəsi. Z. Fancy.
Fan-tods, fantodz, landerigheid: I got the fan-tods = het begon me te vervelen, ik kreeg het land.
Fantoccini, fantoutšîni, marionetten-theater.